Procestaal: Duits.
CJ, 05-03-2026, nr. C-409/24
ECLI:EU:C:2026:149
- Instantie
Court of Justice of the European Union
- Datum
05-03-2026
- Magistraten
I. Jarukaitis, M. Condinanzi, N. Jääskinen, R. Frendo, A. Kornezov
- Zaaknummer
C-409/24
- Roepnaam
J-GmbH, Blapp and D GmbH
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2026:149, Uitspraak, Court of Justice of the European Union, 05‑03‑2026
Uitspraak 05‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) — Richtlijn 2006/112/EG — Artikel 98 — Mogelijkheid voor de lidstaten om een verlaagd btw-tarief toe te passen op bepaalde leveringen van goederen en dienstverrichtingen — Kortstondige huisvesting in hotels en soortgelijke inrichtingen — Bijlage III, punt 12 — Verlaagd btw-tarief dat van toepassing is op accommodatie die wordt verstrekt door hotels en soortgelijke inrichtingen — Nevenprestaties bij de huisvesting — Nationale regeling die voorziet in een mechanisme van splitsing van de belastbare handelingen — Geen toepassing van het verlaagde btw-tarief op diensten die niet rechtstreeks de huisvesting dienen — Beginsel van fiscale neutraliteit
I. Jarukaitis, M. Condinanzi, N. Jääskinen, R. Frendo, A. Kornezov
Partij(en)
In de gevoegde zaken C-409/24 tot en met C-411/24*
betreffende drie verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) bij beslissingen van 10 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 12 juni 2024, in de procedures
J-GmbH
tegen
Finanzamt K (C-409/24),
en
D
tegen
Finanzamt F (C-410/24),
en
D GmbH & Co. KG
tegen
Finanzamt A (C-411/24),
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, M. Condinanzi, N. Jääskinen, R. Frendo en A. Kornezov (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Behre en M. Herold als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 september 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 24, lid 1, en artikel 98, leden 1 en 2, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1) (hierna: ‘btw-richtlijn’), en van bijlage III, punt 12, bij deze richtlijn.
2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van drie gedingen tussen, in zaak C-409/24, J-GmbH en het Finanzamt K (belastingdienst K, Duitsland), in zaak C-410/24, D en het Finanzamt F (belastingdienst F, Duitsland) en, in zaak C-411/24, D GmbH & Co. KG en het Finanzamt A (belastingdienst A, Duitsland) over de vaststelling van het normale of het verlaagde tarief van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) dat van toepassing is op prestaties die door hotels en soortgelijke inrichtingen worden geleverd bij een kortstondige huisvesting.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
In artikel 2, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn is het volgende bepaald:
‘De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:
[…]
- c)
de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht’.
4
Artikel 24, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt:
‘Als ‘dienst’ wordt beschouwd elke handeling die geen levering van goederen is.’
5
Artikel 96 van de btw-richtlijn bepaalt:
‘De lidstaten passen een normaal btw-tarief toe, dat door elke lidstaat wordt vastgesteld op een percentage van de maatstaf van heffing, dat voor goederenleveringen en voor diensten gelijk is.’
6
In artikel 98, lid 1, eerste alinea, en lid 2, eerste alinea, is het volgende bepaald:
- ‘1.
De lidstaten kunnen een of twee verlaagde tarieven toepassen.
- 2.
De verlaagde tarieven zijn uitsluitend van toepassing op de goederenleveringen en de diensten die tot de in bijlage III genoemde categorieën behoren.’
7
Bijlage III bij de btw-richtlijn, waarin de lijst is opgenomen van de goederenleveringen en de diensten waarop de in artikel 98 van deze richtlijn bedoelde verlaagde btw-tarieven mogen worden toegepast, vermeldt in punt 12:
‘door hotels en dergelijke inrichtingen verstrekte accommodatie, met inbegrip van het verstrekken van vakantie-accommodatie en de verhuur van percelen op kampeerterreinen en in caravanparken’.
Duits recht
8
§ 1, lid 1, punt 1, van het Umsatzsteuergesetz (wet op de omzetbelasting) van 21 februari 2005 (BGBl. 2005 I, blz. 386), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie (hierna: ‘UStG’), bepaalt:
‘De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:
- 1.
de leveringen en overige diensten die een ondernemer in het kader van zijn bedrijf op het nationale grondgebied onder bezwarende titel verricht. […]’
9
§ 12 UStG bepaalt:
- ‘(1)
De belasting bedraagt 19 % van de maatstaf van heffing voor alle belastbare handelingen […].
- (2)
De belasting bedraagt 7 % voor de volgende handelingen:
[…]
- 11.
de verhuur van woon- en slaapruimte die een ondernemer voor kortstondige huisvesting van derden beschikbaar stelt, evenals de kortstondige verhuur van percelen op kampeerterreinen. De eerste volzin geldt niet voor diensten die niet rechtstreeks de verhuur dienen, ook wanneer deze diensten samen met de prijs voor de verhuur worden betaald’.
10
Afdeling 12.16, lid 4, van de Umsatzsteuer-Anwendungserlass (instructie betreffende de toepassing van de btw) van 1 oktober 2010 (BStBl. 2010 I, blz. 846; hierna: ‘UStAE’), bepaalt dat de volgende diensten samen met de verstrekte accommodatie onderworpen zijn aan het verlaagde btw-tarief: terbeschikkingstelling van gemeubileerde kamers die zijn uitgerust met andere voorzieningen (bijvoorbeeld televisie, radio, telefoon, kluisje); aansluiting op het elektriciteitsnet; terbeschikkingstelling van beddengoed, handdoeken en badjassen; schoonmaak van de gehuurde kamers; terbeschikkingstelling van toiletartikelen en schoenpoets- en naaigerei; telefonische wekdienst; terbeschikkingstelling van een schoenpoetsautomaat; onderbrenging van dieren in de gehuurde woon- en slaapruimten.
11
Afdeling 12.16, lid 5, UStAE bevat een niet-uitputtende lijst van diensten waarvoor het verlaagd btw-tarief niet geldt, ook niet wanneer het gaat om nevenprestaties bij kortstondige huisvesting als bedoeld in § 12, lid 2, punt 11, UStG. Op deze lijst staan de volgende diensten vermeld: terbeschikkingstelling van vergaderruimten; terbeschikkingstelling van ruimten voor de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; afzonderlijk overeengekomen terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen voor voertuigen; terbeschikkingstelling van mobilhomes, caravans, woonwagens, woonboten en jachten die niet vast zijn opgesteld of aangemeerd; vervoer in slaaprijtuigen van de spoorwegen; terbeschikkingstelling van hutten op schepen die voor vervoer worden gebruikt; bemiddeling bij het verstrekken van accommodatie; activiteiten van dierenpensions; gratis verleende voordelen (bijvoorbeeld eigen gebruik van vakantieappartementen).
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak C-409/24
12
J, een Duitse onderneming, exploiteerde een hotel en een restaurant met een parkeerterrein dat de gasten konden gebruiken zonder dat J daarvoor een vergoeding inde boven op die welke zij ontving voor de huisvesting.
13
In de huisvesting was naast de overnachting ook een ontbijt inbegrepen. De gasten konden evenwel van het ontbijt afzien, in welk geval de prijs van het ontbijt werd afgetrokken van het in rekening gebrachte totaalbedrag.
14
J ging ervan uit dat de overnachting, het ontbijt en de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen één enkele prestatie vormde en paste dan ook het verlaagde btw-tarief van 7 % toe op het geheel van deze prestatie.
15
Na twee controles door belastingdienst K betreffende met name de periode van juni 2018 tot mei 2019, heeft deze laatste twee belastingaanslagen vastgesteld waarbij in essentie werd geoordeeld dat het ontbijt en de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen krachtens § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG moesten worden losgekoppeld van de huisvesting en dienden te worden belast tegen het normale tarief van 19 %.
16
J heeft tegen deze aanslagen bezwaren ingediend, die bij besluit van 26 februari 2020 door belastingdienst K zijn verworpen.
17
Deze onderneming heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij het Sächsische Finanzgericht (belastingrechter in eerste aanleg van de deelstaat Saksen, Duitsland). Bij vonnis van 23 september 2020 heeft die rechter dat beroep verworpen op grond dat, in essentie, het ontbijt en de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen geen nevenprestaties zijn bij de huisvesting maar zelfstandige prestaties. Volgens deze rechter heeft belastingdienst K die prestaties, gesteld al dat zij kunnen worden aangemerkt als nevenprestaties bij de huisvesting, terecht daarvan losgekoppeld zoals het toepasselijke nationale recht vereist.
18
J heeft daarom tegen dit vonnis beroep in Revision ingesteld bij het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland), de verwijzende rechter.
19
Deze rechter meent dat het Sächsische Finanzgericht terecht heeft geoordeeld dat het ontbijt — waarvan de gasten konden afzien, in welk geval de prijs daarvan werd afgetrokken van de prijs voor de huisvesting — een zelfstandige prestatie vormde die derhalve moest worden onderworpen aan het normale btw-tarief.
20
Wat daarentegen de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen betreft, preciseert de verwijzende rechter dat deze een nevenprestatie bij de kortstondige huisvesting vormt aangezien de totaalprijs die de klanten betaalden niet varieerde naargelang zij al dan niet gebruikmaakten van het parkeerterrein van het hotel. Desalniettemin moest de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, aangezien deze niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting diende, krachtens § 12 lid 2, punt 11, tweede volzin UStG, worden losgekoppeld van die huisvesting die de hoofdprestatie vormde en mocht het verlaagde btw-tarief daar bijgevolg niet op worden toegepast.
21
Wat dit betreft, meent de verwijzende rechter dat de btw-richtlijn niet in de weg staat aan het door § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG opgelegde vereiste om prestaties die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting dienen daarvan los te koppelen, aangezien deze richtlijn, zoals zij door het Hof wordt uitgelegd, de lidstaten in beginsel toestaat om het verlaagde btw-tarief binnen de in bijlage III bij die richtlijn genoemde categorieën goederenleveringen en diensten selectief toe te passen, zolang het beginsel van fiscale neutraliteit wordt nageleefd.
22
Volgens deze rechter volgt uit de arresten van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk (C-94/09, EU:C:2010:253); 22 september 2022, The Escape Center (C-330/21, EU:C:2022:719), en 8 februari 2024, Valentina Heights (C-733/22, EU:C:2024:126), dat artikel 98 van de btw-richtlijn de lidstaten de mogelijkheid biedt om de concrete en specifieke aspecten van de in deze bijlage III genoemde categorieën van diensten afzonderlijk in aanmerking te nemen en het verlaagde btw-tarief slechts daarop toe te passen, mits zij het beginsel van fiscale neutraliteit in acht nemen.
23
In het licht van de arresten van het Hof van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C-463/16, EU:C:2018:22), en 4 mei 2023, Finanzamt X (Blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines) (C-516/21, EU:C:2023:372), betwijfelt de verwijzende rechter evenwel of het mechanisme van splitsing van de belastbare handelingen waarin § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG voorziet, verenigbaar is met de vereisten van de btw-richtlijn. Hij preciseert in dat verband dat volgens een deel van de Duitse rechtsliteratuur nevenprestaties wat de btw betreft fiscaal op dezelfde wijze moeten worden behandeld als de hoofdprestatie, zodat nevenprestaties niet kunnen worden losgekoppeld van de hoofdprestatie.
24
Daarop heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten artikel 24, lid 1, en artikel 98, leden 1 en 2, juncto bijlage III, categorie 12, van [de btw-richtlijn] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, [UStG], uit hoofde waarvan een lidstaat die voorziet in belastingverlaging voor de verhuur van woon- en slaapruimte die een ondernemer voor kortstondige huisvesting van derden beschikbaar stelt, middels een nationaal splitsingsvereiste diensten die niet rechtstreeks de verhuur dienen en die samen met de verhuurprijs worden betaald, ook van die belastingverlaging mag uitzonderen indien het bij die diensten — in casu (enkel) de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen — gaat om onzelfstandige nevenprestaties bij de kortstondige huisvesting van derden?’
Zaak C-410/24
25
D exploiteerde in 2013 een pension. Zij bood haar gasten uitsluitend overnachtingen inclusief ontbijt aan tegen een vaste totaalprijs, ongeacht of de gasten er al dan niet voor kozen om ontbijt te nemen. Op de facturen werd deze prijs vermeld als zijnde inclusief belastingen.
26
In haar btw-aangifte voor 2013 heeft D zowel handelingen tegen het verlaagd btw-tarief van 7 % als handelingen tegen het normale tarief van 19 % aangegeven.
27
Op 19 december 2018 heeft D, verwijzend naar het arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C-463/16, EU:C:2018:22), de belastingdienst F verzocht om wijziging van het bedrag van de btw dat overeenkomstig deze aangifte was vastgesteld. Meer bepaald heeft D gevraagd dat alle diensten die zij had geleverd in het kader van de kortstondige huisvesting zouden worden belast tegen het verlaagde btw-tarief van 7 %, aangezien volgens haar in essentie uit dat arrest volgde dat één enkele prestatie tegen een eenvormig tarief moet worden belast.
28
Bij besluit van 8 februari 2019 heeft belastingdienst F dit verzoek afgewezen.
29
D heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij het Hessische Finanzgericht (belastingrechter in eerste aanleg van de deelstaat Hessen, Duitsland). Deze rechter heeft dit beroep afgewezen op grond dat, in essentie, het ontbijt dat D aanbood niet onderworpen was aan het verlaagde btw-tarief maar aan het normale tarief, aangezien het verlaagde tarief waarin § 12, lid 2, punt 11, eerste volzin, UStG voorziet slechts van toepassing is op kortstondige huisvesting, en dat de tweede volzin van deze bepaling vereist dat prestaties die niet rechtstreeks die huisvesting dienen daarvan worden losgekoppeld. Het feit dat in de betrokken zaak een vaste prijs was overeengekomen, deed daar volgens die rechter niet aan af.
30
D heeft tegen dit vonnis beroep in Revision ingesteld bij het Bundesfinanzhof, ook in deze zaak de verwijzende rechter, waarbij zij in essentie betoogde dat het ontbijt een nevenprestatie was bij de kortstondige huisvesting aangezien in de vaste totaalprijs in beginsel ontbijt inbegrepen was, ongeacht of de gasten er al dan niet voor kozen om ontbijt te nemen.
31
De verwijzende rechter wijst erop dat in deze zaak, anders dan in zaak C-409/24, het ontbijt een nevenprestatie was bij de kortstondige huisvesting aangezien de vaste totaalprijs die de gasten betaalden, behoudens een enkele uitzondering, niet varieerde naargelang zij al dan niet ontbijt namen. Desalniettemin vereist de inachtneming van § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG, en van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat het ontbijt wordt losgekoppeld van de kortstondige huisvesting en onderworpen aan het normale btw-tarief, ook al is het een nevenprestatie bij die huisvesting.
32
In die omstandigheden, en om dezelfde redenen als die welke in de punten 22 en 23 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet, betwijfelt de verwijzende rechter of het vereiste van § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG, volgens hetwelk prestaties die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting dienen daarvan moeten worden losgekoppeld, in overeenstemming is met het Unierecht.
33
Daarop heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten artikel 24, lid 1, en artikel 98, leden 1 en 2, juncto bijlage III, categorie 12, van [de btw-richtlijn] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, [UStG], uit hoofde waarvan een lidstaat die voorziet in belastingverlaging voor de verhuur van woon- en slaapruimte die een ondernemer voor kortstondige huisvesting van derden beschikbaar stelt, middels een nationaal splitsingsvereiste diensten die niet rechtstreeks de verhuur dienen en die samen met de verhuurprijs worden betaald, ook van die belastingverlaging mag uitzonderen indien het bij die diensten — in casu ontbijtdiensten — gaat om onzelfstandige nevenprestaties bij de kortstondige huisvesting van derden?’
Zaak C-411/24
34
In 2011 exploiteerde D, een Duitse onderneming, twee hotels die beschikken over een parkeerterrein en een lokaal draadloos netwerk (WLAN) (hierna: ‘wifi-netwerk’). Een van beide hotels beschikte daarnaast nog over fitness- en wellnessfaciliteiten. De gasten in deze hotels konden van deze faciliteiten gebruikmaken zonder dat dit afzonderlijk werd aangerekend.
35
D heeft bij belastingdienst A een btw-aangifte voor 2011 ingediend waarin zij ervan is uitgegaan dat diensten die zonder bijkomende kosten aan de hotelgasten werden aangeboden als nevenprestaties bij de kortstondige huisvesting moesten worden onderworpen aan het verlaagde btw-tarief.
36
Belastingdienst A heeft deze zienswijze niet gevolgd en heeft een controle ter plaatse verricht, waarna deze belastingdienst bij besluit van 30 juli 2019 in essentie heeft vastgesteld dat de terbeschikkingstelling van respectievelijk een wifi-netwerk, parkeerplaatsen, en fitness- en wellnessfaciliteiten, handelingen uitmaakten die onderworpen waren aan het normale btw-tarief van 19 %.
37
D heeft tegen dit besluit beroep tot nietigverklaring ingesteld bij het Finanzgericht. Deze rechter heeft het beroep afgewezen op grond dat, in essentie, de in het vorige punt genoemde diensten onder bezwarende titel verrichte diensten waren in de zin van § 1, lid 1, punt 1, UStG, die overeenkomstig § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG niet konden worden onderworpen aan het verlaagde btw-tarief.
38
D heeft tegen dit vonnis beroep in Revision ingesteld bij het Bundesfinanzhof, ook in deze zaak de verwijzende rechter.
39
De verwijzende rechter meent in de eerste plaats dat het Finanzgericht terecht heeft geoordeeld dat D de betrokken diensten onder bezwarende titel had verricht. Het feit dat zij daarvoor geen vergoeding inde die losstond van de vergoeding voor de kortstondige huisvesting betekende volgens hem niet dat die diensten gratis waren verricht.
40
In de tweede plaats is deze rechter van oordeel dat de terbeschikkingstelling van respectievelijk een wifi-netwerk, parkeerplaatsen en fitness- en wellnessfaciliteiten, nevenprestaties waren bij de hoofdprestatie, namelijk de kortstondige huisvesting, en samen daarmee één enkele prestatie vormden.
41
Derhalve heeft deze rechter dezelfde twijfels als die welke in de punten 22 en 23 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet over de overeenstemming met het Unierecht van het vereiste van § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG volgens hetwelk prestaties die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting dienen daarvan moeten worden losgekoppeld.
42
Daarop heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten artikel 24, lid 1, en artikel 98, leden 1 en 2, juncto bijlage III, categorie 12, van [de btw-richtlijn] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, [UStG], uit hoofde waarvan een lidstaat die voorziet in belastingverlaging voor de verhuur van woon- en slaapruimte die een ondernemer voor kortstondige huisvesting van derden beschikbaar stelt, middels een nationaal splitsingsvereiste diensten die niet rechtstreeks de verhuur dienen en die samen met de verhuurprijs worden betaald, ook van die belastingverlaging mag uitzonderen indien het bij die diensten — in casu de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, fitness- en wellnessfaciliteiten alsook het draadloze lokale netwerk van het hotel (WLAN) — gaat om onzelfstandige nevenprestaties bij de kortstondige huisvesting van derden?’
Procedure bij het Hof
43
Bij beschikking van de president van het Hof van 15 juli 2024 zijn de zaken C-409/24, C-410/24 en C-411/24 gevoegd voor de mondelinge behandeling en voor het arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
44
Met zijn vragen in elk van de drie gevoegde zaken, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 98, leden 1 en 2, van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met bijlage III, punt 12, bij deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan prestaties die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting in hotels en soortgelijke inrichtingen dienen, zoals de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, fitness- en wellnessfaciliteiten, toegang tot het wifi-netwerk van het hotel en een ontbijt (hierna: ‘in de hoofdgedingen aan de orde zijnde prestaties’), van de werkingssfeer van het verlaagde btw-tarief kunnen worden uitgesloten dat op dergelijke huisvesting van toepassing is, ook al kunnen zij als nevenprestaties bij die huisvesting worden beschouwd omdat zij worden vergoed tegen een vaste totaalprijs die wordt betaald voor alle prestaties die in het kader van die huisvesting worden verricht.
45
Vooraf moet worden opgemerkt dat uit de verwijzingsbeslissingen blijkt dat de prejudiciële vragen zijn gebaseerd op de premisse dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde prestaties, omdat zij nevenprestaties zijn bij de in punt 12 van bijlage III bij de btw-richtlijn bedoelde accommodatie, binnen de werkingssfeer van deze laatste bepaling vallen, gelezen in samenhang met artikel 98 van deze richtlijn, op grond waarvan de lidstaten een verlaagd btw-tarief mogen toepassen op ‘door hotels en dergelijke inrichtingen verstrekte accommodatie, met inbegrip van het verstrekken van vakantie-accommodatie en de verhuur van percelen op kampeerterreinen en in caravanparken’.
46
Dienaangaande heeft het Hof reeds geoordeeld dat prestaties die een nevenprestatie zijn bij een hoofdprestatie die onderworpen is aan een verlaagd btw-tarief, om die reden ook aan dat verlaagde tarief mogen worden onderworpen (zie in die zin arrest van 22 september 2022, The Escape Center, C-330/21, EU:C:2022:719, punt 41).
47
Wat betreft de vraag of de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde prestaties nevenprestaties zijn bij de in hotels en soortgelijke inrichtingen verstrekte accommodatie, zoals de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissingen vaststelt, zij eraan herinnerd dat de nationale rechter volgens vaste rechtspraak vragen over de uitlegging van het Unierecht stelt binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en juridische kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Kreissparkasse Saarlouis, C-66/19, EU:C:2020:242, punt 30).
48
Hoewel er voor de beantwoording van de prejudiciële vragen dus moet worden uitgegaan van de premisse dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde prestaties nevenprestaties zijn bij in hotels en soortgelijke inrichtingen verstrekte accommodatie, zij er desalniettemin aan herinnerd dat er sprake is van ‘één enkele prestatie’ wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige levert aan of verricht ten behoeve van een als modaal beschouwde consument, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één niet te splitsen economische prestatie vormen zodat het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen. Dat is ook het geval wanneer een of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende prestaties, waarbij een prestatie als bijkomend bij de hoofdprestatie moet worden beschouwd wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om optimaal gebruik te kunnen maken van de hoofdprestatie (arrest van 22 september 2022, The Escape Center, C-330/21, EU:C:2022:719, punten 25 en 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Tegen deze achtergrond moet met betrekking tot de in de onderhavige zaken gestelde vraag of een lidstaat niettemin kan beslissen dat alleen de hoofdprestatie van één enkele, uit een hoofdprestatie en nevenprestaties bestaande handeling aan een verlaagd btw-tarief wordt onderworpen, worden opgemerkt dat de lidstaten volgens artikel 96 van de btw-richtlijn een normaal btw-tarief moeten toepassen dat voor goederenleveringen en voor diensten gelijk is.
50
In afwijking van dit beginsel biedt artikel 98, lid 1, van deze richtlijn de lidstaten de mogelijkheid om een of twee verlaagde btw-tarieven toe te toepassen. Volgens artikel 98, lid 2, eerste alinea, van de btw-richtlijn mogen de verlaagde btw-tarieven uitsluitend worden toegepast op de goederenleveringen en de diensten die tot de in bijlage III bij deze richtlijn genoemde categorieën behoren.
51
Wat dit betreft volgt uit vaste rechtspraak dat een lidstaat die gebruikmaakt van de door artikel 98, leden 1 en 2, van de btw-richtlijn geboden mogelijkheid om een verlaagd btw-tarief toe te passen op een in bijlage III bij die richtlijn genoemde categorie van diensten, de toepassing van dit verlaagde btw-tarief kan beperken tot concrete en specifieke aspecten van deze categorie, mits die lidstaat het aan het gemeenschappelijke btw-stelsel inherente beginsel van fiscale neutraliteit eerbiedigt (zie in die zin arresten 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk, C-94/09, EU:C:2010:253, punt 28, en 5 september 2019, Regards Photographiques, C-145/18, EU:C:2019:668, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52
Deze mogelijkheid vindt met name haar rechtvaardiging in de overweging dat, aangezien dit tarief de uitzondering vormt op de toepassing van het door elke lidstaat vastgestelde normale btw-tarief, de beperking van de toepassing ervan tot concrete en specifieke aspecten van de betrokken categorie van diensten in overeenstemming is met het beginsel dat uitzonderingen of afwijkingen strikt moeten worden uitgelegd (arresten van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk, C-94/09, EU:C:2010:253, punt 29, en 5 september 2019, Regards Photographiques, C-145/18, EU:C:2019:668, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53
Van de mogelijkheid tot selectieve toepassing van het verlaagde btw-tarief kan evenwel slechts worden gebruikgemaakt indien voldaan is aan de tweevoudige voorwaarde dat ten eerste voor de toepassing van het verlaagde tarief enkel concrete en specifieke aspecten van de betreffende categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking worden genomen, en dat ten tweede het beginsel van fiscale neutraliteit in acht wordt genomen (arrest van 8 februari 2024, Valentina Heights, C-733/22, EU:C:2024:126, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze voorwaarden beogen te waarborgen dat de lidstaten alleen van deze mogelijkheid gebruikmaken in omstandigheden die de juiste en correcte toepassing van het gekozen verlaagde btw-tarief waarborgen en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik voorkomen (arresten van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk, C-94/09, EU:C:2010:253, punt 30, en 5 september 2019, Regards Photographiques, C-145/18, EU:C:2019:668, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54
Wat de eerste in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde betreft, moet in casu worden nagegaan of de prestaties in verband met in hotels en soortgelijke inrichtingen verstrekte accommodatie, waarvoor de Duitse regeling voorziet in de toepassing van een verlaagd btw-tarief, concrete en specifieke aspecten vormen van de in punt 12 van bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten. Te dien einde moet worden onderzocht of het gaat om prestaties die als zodanig kunnen worden geïdentificeerd los van de overige prestaties van deze categorie (zie in die zin arresten van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk, C-94/09, EU:C:2010:253, punt 35, en 8 februari 2024, Valentina Heights, C-733/22, EU:C:2024:126, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een dergelijke identificatie vooronderstelt dat in de nationale regeling objectieve, duidelijke en nauwkeurige criteria zijn vastgelegd aan de hand waarvan nauwkeurig kan worden bepaald op welke prestaties volgens deze regeling het verlaagde btw-tarief kan worden toegepast (zie in die zin arrest van 5 september 2019, Regards Photographiques, C-145/18, EU:C:2019:668, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55
Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties blijkt uit de aanwijzingen in de verwijzingsbeslissingen dat de Bondsrepubliek Duitsland, gebruikmakend van de haar krachtens artikel 98 van de btw-richtlijn verleende beoordelingsvrijheid, op basis van objectieve, duidelijke en nauwkeurige criteria heeft vastgesteld op welke concrete en specifieke diensten van de in punt 12 van bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten het verlaagde btw-tarief van toepassing is.
56
Uit die aanwijzingen blijkt namelijk dat overeenkomstig § 12, lid 2, punt 11, UStG, dat is vastgesteld ter omzetting van artikel 98, leden 1 en 2, van de btw-richtlijn, een verlaagd btw-tarief van 7 % van toepassing is op de verhuur van woon- en slaapruimte die een ondernemer voor kortstondige huisvesting van derden beschikbaar stelt en op de kortstondige verhuur van percelen op kampeerterreinen, met uitzondering van diensten die niet rechtstreeks de verhuur dienen, ook wanneer deze samen met de prijs voor de verhuur worden betaald.
57
Voorts blijkt daaruit dat in afdeling 12.16, lid 4, UStAE is bepaald welke diensten rechtstreeks verband houden met de kortstondige huisvesting en bijgevolg zijn onderworpen aan het verlaagde btw-tarief van 7 %, namelijk: terbeschikkingstelling van gemeubileerde kamers die zijn uitgerust met andere voorzieningen (bijvoorbeeld televisie, radio, telefoon, kluisje); aansluiting op het elektriciteitsnet; terbeschikkingstelling van beddengoed, handdoeken en badjassen; schoonmaak van de gehuurde kamers; terbeschikkingstelling van toiletartikelen en schoenpoets- en naaigerei; telefonische wekdienst; terbeschikkingstelling van een schoenpoetsautomaat, en onderbrenging van dieren in de gehuurde woon- en slaapruimten.
58
Afdeling 12.16, lid 5, UStAE blijkt daarnaast een niet-uitputtende opsomming te bevatten van de prestaties waarop het verlaagde btw-tarief van 7 % niet kan worden toegepast, zoals: terbeschikkingstelling van vergaderruimten; terbeschikkingstelling van ruimten voor de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; afzonderlijk overeengekomen terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen voor voertuigen; terbeschikkingstelling van niet vast opgestelde of aangemeerde mobilhomes, caravans, woonwagens, woonboten en jachten; vervoer in slaaprijtuigen van de spoorwegen; terbeschikkingstelling van hutten op schepen die voor vervoer worden gebruikt; bemiddeling bij het verstrekken van accommodatie; activiteiten van dierenpensions; gratis verleende voordelen (bijvoorbeeld eigen gebruik van vakantieappartementen).
59
Dergelijke gegevens maken het dus mogelijk de verhuur van woon- en slaapruimte die een ondernemer voor kortstondige huisvesting van derden beschikbaar stelt, die aan het verlaagde btw-tarief zijn onderworpen, als zodanig te identificeren en te onderscheiden van andere prestaties in het kader van accommodatie die onder punt 12 van bijlage III bij de btw-richtlijn vallen en die aan het normale btw-tarief zijn onderworpen. Die identificatie lijkt dan ook, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om het nationale recht uit te leggen, te voldoen aan de in punt 54 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vereisten, zodat onder dit voorbehoud is voldaan aan de eerste voorwaarde, namelijk dat concrete en specifieke aspecten van de betreffende categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking worden genomen.
60
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat uit de verwijzingsbeslissingen blijkt dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde prestaties, waarvan de prijzen inbegrepen zijn in een vaste totaalprijs voor de kortstondige huisvesting, in de ogen van de klanten nevenprestaties zijn bij die huisvesting.
61
Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat wanneer een lidstaat met inachtneming van het beginsel van fiscale neutraliteit gebruik heeft gemaakt van zijn beoordelingsvrijheid en concrete en specifieke aspecten van een in bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking heeft genomen, niet hoeft te worden onderzocht of de aldus afzonderlijk in aanmerking genomen prestaties en de nevenprestaties daarbij uit het oogpunt van de gemiddelde consument moeten worden beschouwd als één enkele handeling, aangezien die laatste omstandigheid niet van doorslaggevend belang is voor de uitoefening door de lidstaten van de hun bij deze richtlijn geboden beoordelingsvrijheid inzake de selectieve toepassing van het verlaagde btw-tarief op basis van algemene en objectieve criteria (zie in die zin arrest van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk, C-94/09, EU:C:2010:253, punten 33 en 34).
62
Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de arresten van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C-463/16, EU:C:2018:22), en 4 mei 2023, Finanzamt X (Blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines) (C-516/21, EU:C:2023:372), waaraan de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissingen refereert.
63
Het Hof heeft weliswaar in punt 36 van het arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C-463/16, EU:C:2018:22), geoordeeld dat één enkele prestatie moet worden belast tegen het enkele btw-tarief dat voor die prestatie geldt en dat wordt bepaald aan de hand van het hoofdelement ervan, maar in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, had de betrokken lidstaat geen gebruik gemaakt van de bij de btw-richtlijn verleende beoordelingsvrijheid om concrete en specifieke aspecten van de betrokken categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking te nemen met het oog op de toepassing van het verlaagde btw-tarief. In die omstandigheden was het Hof van oordeel dat moest worden onderzocht of de in die zaak aan de orde zijnde prestaties uit het oogpunt van de gemiddelde consument één enkele prestatie vormden wanneer geen gebruik was gemaakt van deze beoordelingsvrijheid.
64
Bovendien heeft het Hof in punt 34 van het arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C-463/16, EU:C:2018:22), in herinnering gebracht dat, om te bepalen of de selectieve toepassing van een verlaagd btw-tarief in overeenstemming is met artikel 96 en artikel 99, lid 1, van de btw-richtlijn, de vraag of een handeling die uit meerdere elementen bestaat, moet worden beschouwd als één enkele prestatie, niet van doorslaggevend belang was voor de uitoefening door de lidstaten van de hun bij deze richtlijn geboden beoordelingsvrijheid inzake de toepassing van het verlaagde btw-tarief. In punt 35 van dat arrest heeft het Hof tevens benadrukt dat de vraag die aan het Hof was gesteld, namelijk of één enkele prestatie die uit twee afzonderlijke elementen bestaat, waarvan het ene het hoofdelement en het andere het bijkomende element vormt, moet worden onderworpen aan het enkele btw-tarief dat voor het hoofdelement geldt, een ander probleem was dan dat van de omvang van die beoordelingsvrijheid, dat aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk (C-94/09, EU:C:2010:253).
65
In dat opzicht is er geen tegenstrijdigheid tussen het arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C-463/16, EU:C:2018:22), en het arrest van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk (C-94/09, EU:C:2010:253), die betrekking hebben op twee verschillende hypothesen. In de eerste hypothese gaat het over de vraag of nevenprestaties bij een hoofdprestatie moeten worden onderworpen aan het normale btw-tarief dat op deze hoofdprestatie van toepassing is wanneer de betrokken lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de hem bij artikel 98 van de btw-richtlijn verleende beoordelingsvrijheid, die hem de mogelijkheid biedt om concrete en specifieke aspecten van een in bijlage III bij deze richtlijn genoemde categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking te nemen. In de tweede hypothese gaat het over een situatie waarin de betrokken lidstaat van deze beoordelingsvrijheid gebruik heeft gemaakt.
66
Wat betreft de zaak die heeft geleid tot het arrest van 4 mei 2023, Finanzamt X (Blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines) (C-516/21, EU:C:2023:372), volstaat het op te merken dat deze, anders dan de onderhavige zaken, niet ging over de selectieve toepassing van een verlaagd btw-tarief op een in bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten, maar over de uitlegging van artikel 135, lid 1, onder l), en artikel 135, lid 2, eerste alinea, onder c), van deze richtlijn, die respectievelijk betrekking hebben op de vrijgestelde verhuur en verpachting van onroerende goederen en op de handelingen die van deze vrijstelling zijn uitgesloten. In die zaak diende het Hof zich dus uit te spreken over de btw-vrijstellingen en de uitzonderingen daarop, zoals voorzien in de btw-richtlijn zelf, en niet, zoals in de onderhavige zaken, over de omvang van de door deze richtlijn aan de lidstaten verleende beoordelingsvrijheid inzake de selectieve toepassing van het verlaagde btw-tarief.
67
Wat betreft de tweede voorwaarde die in punt 53 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, die in essentie inhoudt dat een lidstaat die ervoor kiest het verlaagde btw-tarief selectief toe te passen op bepaalde concrete en specifieke aspecten van een in bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten, het beginsel van fiscale neutraliteit in acht moet nemen, zij erop gewezen dat dit beginsel eraan in de weg staat dat soortgelijke goederen of diensten, die met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de btw verschillend worden behandeld (arrest van 9 september 2021, Phantasialand, C-406/20, EU:C:2021:720, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68
Om uit te maken of goederen of diensten soortgelijk zijn, moet volgens vaste rechtspraak voornamelijk rekening worden gehouden met het oogpunt van de gemiddelde consument. Goederenleveringen en diensten zijn soortgelijk wanneer zij overeenkomstige eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften van de consument voldoen — waarbij het vergelijkbare gebruik de maatstaf is — en wanneer de verschillen die zij vertonen de beslissing van de gemiddelde consument om het ene of het andere goed dan wel de ene of de andere dienst te betrekken niet aanmerkelijk beïnvloeden (arrest van 9 september 2021, Phantasialand, C-406/20, EU:C:2021:720, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69
Met andere woorden, onderzocht moet worden of de betrokken goederen of diensten zich uit het oogpunt van de gemiddelde consument in een substitutierelatie bevinden. In dat geval kan de toepassing van verschillende btw-tarieven immers van invloed zijn op de keuze van de consument, hetgeen bijgevolg een schending van het beginsel van fiscale neutraliteit zou opleveren (arrest van 9 september 2021, Phantasialand, C-406/20, EU:C:2021:720, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70
Bovendien zij eraan herinnerd dat de werkingssfeer van een verlaagd btw-tarief bij ontbreken van een ondubbelzinnige bepaling immers niet op grond van dit beginsel kan worden uitgebreid (arrest van 9 maart 2017, Oxycure Belgium, C-573/15, EU:C:2017:189, punt 31).
71
Bijgevolg staat het bij het onderzoek van de tweede in punt 53 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde aan de verwijzende rechter om na te gaan of diensten als die welke in de hoofdgedingen aan de orde zijn, namelijk ontbijt en/of de terbeschikkingstelling van en toegang tot parkeerplaatsen, fitness- en wellnessfaciliteiten en wifi-netwerken die een hotel of een soortgelijke inrichting aanbiedt bij accommodatie die wordt verstrekt, afzonderlijk beschouwd in de ogen van die gemiddelde consument vergelijkbaar zijn met diensten die autonoom door een andere marktdeelnemer worden aangeboden, zodat zij zich in een substitutierelatie bevinden.
72
In geval van een dergelijke substitutierelatie zou het feit dat het verlaagde btw-tarief van 7 % niet selectief wordt toegepast op het ontbijt en/of de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, fitness- en wellnessfaciliteiten en wifi-netwerken, en dat deze diensten aan een normaal btw-tarief worden onderworpen, hoewel zij nevenprestaties zijn bij de kortstondige huisvesting en inbegrepen zijn in een vaste totaalprijs, geen afbreuk doen aan het beginsel van fiscale neutraliteit, mits deze diensten, die autonoom door een andere marktdeelnemer worden aangeboden, eveneens aan het normale btw-tarief worden onderworpen.
73
Wat dit betreft is de verwijzende rechter van oordeel dat het uit § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG voortvloeiende splitsingsvereiste niet in strijd is met het beginsel van fiscale neutraliteit, aangezien het tot gevolg heeft dat eenzelfde prestatie tegen hetzelfde tarief wordt belast, ook wanneer deze een nevenprestatie is bij de kortstondige huisvesting. Volgens deze rechter kan een hotel, om het beginsel van fiscale neutraliteit in acht te nemen bijvoorbeeld geen ontbijt aanbieden en/of parkeerplaatsen, fitness- en wellnessfaciliteiten en wifi-netwerken ter beschikking stellen tegen een tarief dat gunstiger is dan het tarief voor dezelfde diensten die in de onmiddellijke nabijheid worden aangeboden door een andere marktdeelnemer, zoals een restaurateur of een exploitant van een parkeergarage of een sauna.
74
In die omstandigheden en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties met betrekking tot de in de punten 71 en 72 van het onderhavige arrest uiteengezette overwegingen, moet worden geoordeeld dat een nationale regeling die, hoewel zij concrete en specifieke aspecten van de in punt 12 van bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten aanwijst waarop een verlaagd btw-tarief kan worden toegepast, de mogelijkheid biedt om diensten die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting dienen, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, daarvan los te koppelen en op deze diensten het normale btw-tarief van 19 % toe te passen, ook al gaat het om nevenprestaties bij die huisvesting, niet onverenigbaar lijkt te zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit.
75
Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 98, leden 1 en 2, van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met bijlage III, punt 12, bij deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan prestaties die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting in hotels en soortgelijke inrichtingen dienen, zoals de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, fitness- en wellnessfaciliteiten, toegang tot het wifi-netwerk van het hotel en een ontbijt, van de werkingssfeer van het verlaagde btw-tarief dat op dergelijke huisvesting van toepassing is kunnen worden uitgesloten, ook al kunnen zij als nevenprestaties bij die huisvesting worden beschouwd omdat zij worden vergoed tegen een vaste totaalprijs die wordt betaald voor alle prestaties die in het kader van die huisvesting worden verricht, mits deze regeling voorziet in de toepassing van het verlaagde tarief op concrete en specifieke aspecten van de in punt 12 van bijlage III bij die richtlijn genoemde categorie van diensten in verband met accommodatie, en het beginsel van fiscale neutraliteit in acht wordt genomen.
Kosten
76
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan prestaties die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting in hotels en soortgelijke inrichtingen dienen, zoals de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, fitness- en wellnessfaciliteiten, toegang tot het wifi-netwerk van het hotel en een ontbijt, van de werkingssfeer van het verlaagde tarief van de belasting over de toegevoegde waarde dat op dergelijke huisvesting van toepassing is kunnen worden uitgesloten, ook al kunnen zij als nevenprestaties bij die huisvesting worden beschouwd omdat zij worden vergoed tegen een vaste totaalprijs die wordt betaald voor alle prestaties die in het kader van die huisvesting worden verricht, mits deze regeling voorziet in de toepassing van het verlaagde tarief op concrete en specifieke aspecten van de in punt 12 van bijlage III bij die richtlijn genoemde categorie van diensten in verband met accommodatie, en het beginsel van fiscale neutraliteit in acht wordt genomen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑03‑2026