Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/12.4.2
12.4.2 Parlementaire geschiedenis
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS487208:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 5, p. 246.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 246.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 246.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 248.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 249.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 251.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 252.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 252.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 255.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 252.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 252.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 252.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 254.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 255.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 254.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 254-255. Zie voor mogelijke bestrijdingsmiddelen tegen excessen: art. 5:78 e.v.
Het Ontwerp-Meijers sloot aan bij de destijds heersende leer.1 Tussen de inhoud van het recht van erfdienstbaarheid en het heersende erf moet een zodanige connectie bestaan dat het genot dat dit erf krachtens zijn bestemming (inrichting) aan de eigenaar kan bieden, wordt verhoogd door deze erfdienstbaarheid.2
Als nadere redengeving werd vermeld:
‘Zolang de wetgever niet toelaat dat een erfdienstbaarheid wordt gevestigd ten behoeve van een bepaalde persoon is er geen reden om toe te staan dat zij wordt gevestigd t.b.v. de persoon die de toevallige kwaliteit heeft van eigenaar van een bepaald perceel; anders ligt de zaak, wanneer deze persoon juist in die kwaliteit nut van de erfdienstbaarheid heeft.’3
Nadat in het Voorlopig Verslag4 was opgemerkt dat de definitie zeer ruim is, hetgeen in het bijzonder blijkt uit de woorden
‘en waardoor het nut (…) wordt verhoogd’
achtte de commissie het gewenst dat kwam vast te staan dat het voor een gemeente mogelijk zou moeten zijn om erfdienstbaarheden te vestigen ten behoeve van de openbare weg en ten laste van daaraan gelegen bouwkavels inhoudende dat de voortuinen als siertuinen moeten worden aangelegd en niet mogen worden gebruikt voor de stalling van auto’s, caravans, bussen en dergelijke.5
Het nutsvereiste is in een later stadium in de parlementaire geschiedenis geschrapt. De volgende argumenten werden daartoe aangedragen:
het nutsvereiste heeft onder het oude recht tot ‘bedenkelijke rechtsonzekerheid’ geleid. Door de ‘Didamse Rijwielstalling’ is deze onzekerheid ‘zeker’ niet weggenomen;
in het ontwerp van Boek 6 werd de mogelijkheid tot het vestigen van een kwalitatieve verbintenis opgenomen (art. 6.5.3.4; thans art. 6:252). Het hiervoor aangehaalde argument van Meijers gaat dan ook niet meer op;6
het schrappen van het nutsvereiste leidt tot vereenvoudiging. De leden 2 en 3 van art. 1 kunnen vervallen;7
door het wegvallen van het nutsvereiste komt niet ieder verband tussen heersend en dienend erf te ontbreken. Art. 5:70 lid 1 luidt immers:
‘Een erfdienstbaarheid is een last, waarmede een onroerende zaak – het dienende erf – ten behoeve van een andere onroerende zaak – het heersende erf – is bezwaard.’
Volgens de MvA II houdt dit in:
‘dat de eigenaar van het heersend erf als zodanig enig voordeel van het servituut moet hebben bij het gebruik van zijn erf. Dit voordeel behoeft echter niet van dien aard te zijn dat het nut dat het heersend erf naar zijn aard of bestemming aan zijn eigenaar kan verschaffen, in objectieve zin verhoogt. Voldoende is dat de eigenaar van het heersend erf de erfdienstbaarheid als een voordeel bij het gebruik van zijn erf beschouwt, b.v. omdat zijn persoonlijk genot erdoor verhoogd wordt.’8
Een redelijk belang zijdens de eigenaar van het heersend erf is voldoende.9
De conclusie luidt dat schrapping van het nutsvereiste in art. 1 lid 1 een verruiming bewerkstelligt die in de lijn ligt van de ontwikkeling van het hiervoor reeds besproken rijwielstallingsarrest.10
Het gevolg van het schrappen van het nutsvereiste zou kunnen zijn een te grote uitbreiding van de mogelijkheid tot vestiging van erfdienstbaarheden. Het algemeen belang en met name de ruimtelijke ordening zou zich daartegen kunnen verzetten.
De minister merkt hierover op:
zolang kettingbedingen en kwalitatieve verplichtingen min of meer onbeperkt in het leven kunnen worden geroepen heeft een beperking middels het nutsvereiste niet zoveel zin;
ongebreidelde gebruikmaking van erfdienstbaarheden kan leiden tot opheffing of wijziging van die erfdienstbaarheden door de rechter.11
Het vervallen van het nutsvereiste heeft overigens ook tot gevolg dat erfdienstbaarheden gevestigd kunnen worden ter wille van nog niet bestaande bestemmingen van het heersend erf.12
Tijdens het Mondeling Overleg werd door de commissie gevraagd wat na schrapping van zowel het nutsvereiste als het naburigheidsvereiste nog kenmerkend is voor erfdienstbaarheden. In de visie van de vragensteller werd het begrip ‘erfdienstbaarheid’ vaag. Rechtsonzekerheid is het gevolg.13 De Regeringscommissaris is daarentegen van mening dat het juist omgekeerd is: handhaving van het nutsvereiste en invoering van het naburigheidsvereiste zullen leiden tot rechtsonzekerheid.14
Voorts vreesde een deel van de commissie dat
‘alle mogelijke erfdienstbaarheden de toch al schaarse grond in ons land zodanig (zullen gaan: JGG) overwoekeren’
dat de ruimtelijke ordening met ernstige problemen te kampen zal krijgen.15 Zijdens de Regeringscommissaris werd opgemerkt dat uiteraard excessen voorkomen moeten worden, maar niet via handhaving van het nutsvereiste en de naburigheidseis.16