Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.3.5.2
3.5.2 De positie van de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948015:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.2.3 van hoofdstuk 6.
Zie Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 216-217. Zie tevens Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2019/735 die opmerken: “Het verhaalssysteem ziet op verhaal van geldvorderingen. Vorderingen die geen geldvorderingen zijn, moeten eerst tot een geldvordering wordt herleid, wil afwikkeling via de systematiek van het verhaalsrecht mogelijk zijn.” Dit geldt dus ook voor de verhaalssystematiek van artikel 1:96 lid 1 BW.
Zie paragraaf 4.2.1 van hoofdstuk 6, en vgl. paragraaf 3.4.1 hiervóór.
Zie paragraaf 4.3 van hoofdstuk 6, onder verwijzing naar Van Mourik & Schols, Relatievermogensrecht (Mon. Pr. nr. 12) 2021/46.4 en Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/310a. Daarbij zij ten overvloede opgemerkt dat een schuld die uit hoofde van wanprestatie ontstaat omdat de erfgenamen een verplichting van erflater niet nakomen wél als ‘een schuld die tot de nalatenschap behoort’ kwalificeert. Zie paragraaf 4.3 van hoofdstuk 6, en randnummer 557 hierna.
Zie paragraaf 5.2.4.1 van hoofdstuk 6, alsmede paragraaf 4.3 van hoofdstuk 7.
Zie artikel IV lid 2 (overgangsrecht vierde tranche), Stb. 2017, 177.
Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW (TM), p.276-277.
Zie paragraaf 4.3 van hoofdstuk 6.
Zie paragraaf 4.3 van hoofdstuk 6. Zie voorts paragraaf 3.4.1 hiervóór (met name randnummer 540).
Zie paragraaf 4.3 van hoofdstuk 6.
Bij de beperkte huwelijksgemeenschap zal dat alleen het geval zijn wanneer de bezwaarde een insluitingsclausule heeft gemaakt. Dat geldt vervolgens óók voor de tot die nalatenschap behorende schulden. In dat geval is de uitzonderingsgrond van artikel 1:94 lid 7 sub b BW dus niet van toepassing, ook al betreft het schulden ‘die behoren tot een nalatenschap waartoe een echtgenoot is gerechtigd’. De tekst van artikel 1:94 lid 7 sub b BW brengt dat niet voldoende tot uitdrukking. Vgl. paragraaf 4.3 van hoofdstuk 6.
555. Beziet men de constructie van het fideï-commissaire sublegaat vanuit de positie van de bezwaarde die in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd, dan zal het vorderingsrecht dat hij krachtens legaat van erflater heeft verkregen op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW buiten diens beperkte huwelijksgemeenschap vallen, tenzij aan het legaat een insluitingsclausule is verbonden. Datzelfde geldt voor het goed dat hij door ‘inning’ van deze vordering verkrijgt. Ook dat zal op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW rechtstreeks van de werking van boedelmenging zijn uitgezonderd.1 Tegenover de verkrijging van het legaat staat voor de bezwaarde een verplichting aan de verwachter. Dat is de verplichting tot levering van het gelegateerde goed aan de verwachter. Aangezien deze verplichting geen geldschuld betreft, maar een andersoortige verplichting uit hoofde van een obligatoire rechtsbetrekking, valt deze verplichting überhaupt niet onder de werking van boedelmenging.2 Maar wat heeft nu te gelden als de bezwaarde zijn leveringsverplichting jegens de verwachter niet nakomt, en feitelijk ook niet meer kán nakomen (bijvoorbeeld omdat hij het goed inmiddels onvoorwaardelijk aan een derde heeft vervreemd, of met een beperkt recht heeft bezwaard)? In dat geval heeft de verwachter de mogelijkheid om schadevergoeding van de bezwaarde te vorderen (zie artikel 6:74 BW). Alsdan is dus wél sprake van een geldschuld en is het de vraag of deze wel of niet in de beperkte huwelijksgemeenschap valt waarin de bezwaarde is gehuwd. Vanwege de samenhang tussen het legaat en de geldschuld uit hoofde van wanprestatie is het logisch te veronderstellen dat deze geldschuld ook buiten de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde valt. Een grondslag is daarvoor echter lastig te vinden. De geldschuld kwalificeert immers niet als ‘een schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ als bedoeld in artikel 1:94 lid 7 sub a BW. Onder dergelijke schulden vallen immers uitsluitend schulden die rechtstreeks uit de eigendom of het beheer van die goederen voortvloeien, of daar direct mee zijn verbonden.3 De schuld uit hoofde van wanprestatie vloeit niet rechtstreeks uit de eigendom of het beheer van het gelegateerde goed voort, maar uit het niet nakomen van het sublegaat door de bezwaarde. Aldus is geen sprake van een schuld die rechtstreeks verband houdt met het gelegateerde goed. De schuld uit hoofde van wanprestatie kan ook niet onder de categorie schulden van artikel 1:94 lid 7 sub b BW worden geschaard. Van ‘schulden die tot een nalatenschap behoren’ in de zin van dat artikel is immers alleen maar sprake wanneer de echtgenoot als erfgenaam tot een nalatenschap gerechtigd is geworden. Daaronder vallen dus geen schulden uit hoofde van een sublegaat, en ook geen schulden die uit de niet-nakoming van een dergelijk sublegaat kunnen voortvloeien.4 Het gevolg van dit alles zou zijn dat de schuld die uit hoofde van niet-nakoming van het sublegaat voor de bezwaarde kan ontstaan op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 7 BW tot de beperkte huwelijksgemeenschap zou gaan behoren. Dat kan niet worden aanvaard. Het gelegateerde goed is immers buiten de huwelijksgemeenschap gevallen. Aldus zou de situatie ontstaan dat ‘het actief’ tot het privévermogen van de bezwaarde is gaan behoren, maar ‘het passief’ tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren. Daarbij kunnen er dan ook geen vergoedingsrechten ontstaan die deze ‘disbalans’ kunnen corrigeren; de schuld uit hoofde van wanprestatie is immers een schuld die tot de huwelijksgemeenschap is gaan behoren en daar dus ook door gedragen moet worden, zodat, als deze schuld ten laste van middelen van de huwelijksgemeenschap wordt voldaan, er geen vergoedingsrecht op de bezwaarde in privé zal ontstaan. Vanwege deze ‘disbalans’ dient wat mij betreft aangenomen te worden dat de schuld uit hoofde van wanprestatie alsnog van de wettelijke gemeenschap van goederen is uitgezonderd. De grondslag daarvoor is dan gelegen in de bijzondere verknochtheid van die schuld (artikel 1:94 lid 5 sub a BW). Dit heeft vervolgens ook tot gevolg dat de verwachter ter verhaal van zijn vordering weliswaar de goederen van de huwelijksgemeenschap van bezwaarde kan uitwinnen (zie artikel 1:96 lid 1 BW), maar dat zijn verhaal op grond van artikel 1:96 lid 3 BW is beperkt tot de helft van de opbrengst die deze goederen bij de executie hebben opgeleverd.
556. Is de bezwaarde in de algehelewettelijke gemeenschap van goederen gehuwd, dan zal het vorderingsrecht dat de bezwaarde krachtens (tweetraps)legaat heeft verkregen op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 oud BW in de huwelijksgemeenschap vallen. Dat geldt vervolgens ook voor het op dat legaat geïnde goed. Komt de bezwaarde in dat geval zijn verplichting om het goed aan de verwachter door te leveren niet na, en verkrijgt de verwachter om die reden een schadevergoedingsvordering uit hoofde van wanprestatie, dan zal de schuld die daaruit voortvloeit op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 5 oud BW eveneens tot de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde gaan behoren. Goed en schuld vallen in dat geval dus allebei op grond van de hoofdregels van boedelmenging in de huwelijksgemeenschap. Het is evenwel ook mogelijk dat aan het legaat van de bezwaarde een uitsluitingsclausule is verbonden. In dat geval valt het vorderingsrecht op grond van die uitsluitingsclausule buiten de huwelijksgemeenschap van bezwaarde. Datzelfde geldt vervolgens voor het op die vordering geïnde goed, en wel op grond van artikel 1:94 lid 4 oud BW.5 Ook hier kan zich dan weer de situatie voordoen dat de bezwaarde niet voldoet aan zijn verplichting om het goed aan de verwachter door te leveren en dat de verwachter daarom een schadevergoedingsvordering uit hoofde van wanprestatie op de bezwaarde verkrijgt. Is het gelegateerde goed buiten de huwelijksgemeenschap gevallen, dan geldt ook hier (net zoals bij de beperkte huwelijksgemeenschap) dat de schuld die uit de niet-nakoming voortvloeit op grond van bijzondere verknochtheid buiten de huwelijksgemeenschap van bezwaarde valt. De schuld kan immers niet onder de reikwijdte van artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW worden gebracht (het betreft immers geen schuld die rechtstreeks uit de eigendom of het beheer van dat goed voortvloeit, vgl. randnummer 555 hiervóór), terwijl bij de algehele wettelijke gemeenschap van goederen een regeling als die van artikel 1:94 lid 7 sub b BW überhaupt ontbreekt. Om die reden blijft ook bij de algehele wettelijke huwelijksgemeenschap de bijzondere verknochtheid als enige grond over om de schuld uit hoofde van wanprestatie alsnog buiten de huwelijksgemeenschap te laten vallen. Anders dan bij de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen heeft dit echter niet tot gevolg dat de verwachter zich uitsluitend op de helft van de executieopbrengst van de goederen van de huwelijksgemeenschap kan verhalen, nu artikel 1:96 lid 3 BW op grond van het geldende overgangsrecht niet op de algehele wettelijke gemeenschap van goederen van toepassing is.6
557. In de vorige twee randnummers is ervan uitgegaan dat op de bezwaarde de verplichting rust om tijdens zijn leven (direct of op een later moment) tot voorwaardelijke levering van het gelegateerde goed aan de verwachter over te gaan. In paragraaf 2.4.1 is echter gebleken dat het sublegaat ook zo kan zijn vormgegeven dat de verplichting tot levering pas bij het overlijden van de bezwaarde opeisbaar is. Het betreft dan een vordering tot onvoorwaardelijk levering, die pas bij het overlijden van de bezwaarde (dus voorwaardelijk) opeisbaar is. Ook in dat geval is de vraag wat geldt als de erfgenamen van bezwaarde die verplichting op dat moment niet (meer) na (kunnen) komen. Dat kan het gevolg zijn van het handelen van de bezwaarde zélf tijdens zijn leven, of het gevolg van het handelen van de erfgenamen van de bezwaarde. In het eerste geval zou de verwachter op grond van artikel 6:80 lid 1 BW reeds vóór het intreden van de voorwaarde (en dus vóór het opeisbaar worden van zijn vordering) jegens de bezwaarde schadevergoeding kunnen vorderen. Bij de berekening van de schade dient dan rekening te worden gehouden met het moment van opeisbaarheid.7 Gaat de verwachter tot een dergelijke actie over en is de schadevergoedingsvordering op het moment van overlijden van de bezwaarde nog niet voldaan, dan vormt deze verplichting van de bezwaarde ‘een schuld van erflater die niet met zijn dood teniet is gegaan’ in de zin van 4:7 lid 1 sub a BW. Het gevolg daarvan is dat deze schuld in de huwelijksgemeenschap van de erfgenamen van de bezwaarde valt, indien en voor zover de goederen van de nalatenschap daartoe zijn gaan behoren, en dat deze schuld daarbuiten valt, wanneer de goederen van de nalatenschap buiten de huwelijksgemeenschappen van de erfgenamen van de bezwaarde zijn gevallen. Bij de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen is de grondslag daarvoor dan gelegen in artikel 1:94 lid 7 sub b BW, en bij de algehele wettelijke gemeenschap van goederen in de bijzondere verknochtheid van die schuld.8 Had de verwachter bij leven van de bezwaarde nog géén vordering uit hoofde van wanprestatie ingesteld, of is pas door het handelen van de erfgenamen van de bezwaarde levering niet meer mogelijk geworden, dan ontstaat de schuld uit hoofde van schadevergoeding pas ná het openvallen van de nalatenschap van de bezwaarde. Daardoor kwalificeert deze niet als een schuld in de zin van artikel 4:7 lid 1 sub a BW. Een dergelijke schuld kwalificeert echter wel als ‘een schuld die tot de nalatenschap behoort’ (artikel 4:184 lid 1 BW). Het betreft immers een schuld die direct voortvloeit uit de niet-nakoming van een verbintenis die op erflater rustte. De verkeersopvattingen brengen met zich mee dat deze schuld op de goederen van de nalatenschap verhaald moet kunnen worden, en dus als ‘een schuld die tot de nalatenschap behoort’ kwalificeert.9 Voor de huwelijksgemeenschap waarin één of meerdere erfgenamen van de bezwaarde kunnen zijn gehuwd betekent dit dat deze schuld buiten de huwelijksgemeenschap valt indien en voor zover de goederen van de nalatenschap van bezwaarde daarbuiten zijn gevallen. Bij de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen is de grondslag voor die uitsluiting dan gelegen in artikel 1:94 lid 7 sub b BW, en voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen in de bijzondere verknochtheid van die schuld.10 Zijn de goederen van de nalatenschap van bezwaarde juist ín de huwelijksgemeenschap gevallen waarin een erfgenaam van bezwaarde is gehuwd, dan zal dat op grond van artikel 1:94 lid 7 BW/artikel 1:94 lid 5 oud BW ook voor de schuld uit hoofde van niet-nakoming gelden.11