Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.3.3.3
6.3.3.3 Een wettelijke grondslag in de Europese subsidieregelgeving
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396060:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 41 (MvT). Zie hieromtrent ook Verhoeven 2010A, p. 46; Jacobs 2007, p. 176.
Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 41 (MvT).
Vergelijk Den Ouden, Jacobs & Verheij 2004, p. 36.
Zie hoofdstuk 4 en ook paragraaf 6.3.2. Zie hieromtrent ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 233; Polak & Den Ouden 2004, p. 65 en 129; Comijs 1998, p. 112.
Anders: Bok 2002, p. 42.
Zie hieromtrent ook Jacobs 2007, p. 175; Bok 2002, p. 42.
In de toelichting wordt gewezen op artikel 9 van de EFRO-verordening 1080/2006. Hierin lees ik echter geen wettelijke grondslag.
ABRvS 19 april 2006, AB 2006, 296, m.nt. W. den Ouden en M.J. Jacobs (Flevo Herb I).
ABRvS 3 januari 2007, AB 2007, 224, m.nt. W. den Ouden, 113 2007/31, m.nt. AJB (ESFsubsidieplafond).
Zie ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 235.
Zie ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 235.
Bij nationale subsidies geldt dat uit de jurisprudentie volgt dat indien in een wet in formele zin of een provinciale of gemeentelijke verordening niet is gespecificeerd voor welke activiteiten het bestuursorgaan subsidie kan verstrekken, niet in een voldoende wettelijke grondslag is voorzien. Zie ABRvS 9 april 2008, AB 2008, 166, m.nt. R. Ortlep (gemeente Middelburg). De grondslag in de wet in formele zin of een provinciale verordening moet dus wel voldoende specifiek zijn.
Zie ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 235.
Vergelijk Boswijk, Jansen & Widdershoven 2009, p. 324. Zij merken op dat richtlijnen niet kwalificeren als wettelijke voorschriften als bedoeld in de Awb, omdat zij in nationaal recht moeten worden omgezet.
In de wetsgeschiedenis bij artikel 4:23 van de Awb is door de regering erkend dat een Europese verordening kan dienen als wettelijke grondslag voor de verstrekking van Europese subsidies die kwalificeren als Awb-subsidies.1 Indien in een Europese subsidieverordening de verstrekking van de Europese subsidie is opgedragen aan een Nederlands bestuursorgaan, is derhalve voldaan aan het vereiste van een grondslag in een wettelijk voorschrift.2 Het is juister om te stellen dat het nationale bevoegdheidsrecht in dat geval niet relevant is.3 Met de Europese verordening staat de bevoegdheid van het Nederlandse bestuursorgaan vast, wat de Awb daarover ook zegt.
In dit onderzoek is meer dan eens geconstateerd dat uit alle onderzochte Europese subsidieverordeningen niet duidelijk wordt welk specifiek Nederlands bestuursorgaan bevoegd is de Europese subsidie te verstrekken.4 Om deze reden kunnen Europese subsidieverordeningen niet dienen als wettelijke grondslag in de zin van artikel 4:23, eerste lid, van de Awb.5 De bevoegdheid tot verstrekking van Europese subsidies voor de lidstaat, de beheersautoriteit, 'de bevoegde autoriteit' is weliswaar neergelegd in de Europese subsidieverordening, maar de institutionele bevoegdheid, dat wil zeggen de bevoegdheid van een Nederlands bestuursorgaan om de Europese subsidie daadwerkelijk te verstrekken, moet nog worden neergelegd in het nationale recht.6 Dat hierover in de praktijk misverstanden bestaan, laat de toelichting op het Besluit EFRO zien. Hierin wordt opgemerkt dat de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, van de Awb is te vinden in de EFRO-verordening.7 Gelet op het vorenstaande, is dit veel te kort door de bocht gesteld. Aan het vereiste van de wettelijke grondslag is immers pas voldaan indien in een nationale wettelijke regeling het specifieke Nederlandse bestuursorgaan is aangewezen en de activiteiten worden genoemd waarvoor subsidie wordt verstrekt. Deze opvatting wordt bevestigd in de jurisprudentie van de Nederlandse bestuursrechters.
Zo overweegt de ABRvS in de uitspraak van 19 april 2006 met betrekking tot een Europese subsidie die in het kader van het EOGFL-O is verstrekt dat - ongeacht de vraag of een bestuursorgaan op nationaal niveau een bevoegdheid rechtstreeks aan een verordening kan ontlenen - in dit geval niet is voorzien in een nationale wettelijke regeling, waarin de lidstaat heeft bepaald dat provinciale staten dan wel het college de bevoegdheid heeft uit de aan de Staat toegekende Europese gelden de desbetreffende subsidies te verstrekken en onder welke voorwaarden dat dient te gebeuren.8 In de uitspraak van 3 januari 2007 overweegt de ABRvS dat in de Verordening nr. 1260/1999 en de Verordening nr. 1784/1999 geen nationaal bestuursorgaan is aangewezen dat bevoegd is tot het verstrekken van subsidies gefinancierd uit het Europees Sociaal Fonds.9 Deze verordeningen bevatten volgens de ABRvS derhalve geen wettelijke grondslag voor subsidieverstrekking in de zin van artikel 4:23, eerste lid, van de Awb. De wettelijke grondslag dient dan ook op nationaal niveau te worden gevonden.
Het voorgaande betekent dat op nationaal niveau moet worden bepaald welk Nederlands bestuursorgaan wordt belast met de verstrekking van de Europese subsidies. Indien in een Europese subsidieverordening duidelijk is omschreven voor welke activiteiten Europese subsidies kunnen worden verstrekt, is het voldoende dat in het nationale recht wordt neergelegd welk Nederlands bestuursorgaan bevoegd is de Europese subsidies bedoeld in de desbetreffende Europese subsidieverordening te verstrekken.10 Indien daarbij in een Europese verordening is bepaald dat de beheersautoriteit de projecten selecteert waaraan een Europese subsidie wordt verstrekt, is voldoende dat in het nationale recht is neergelegd welk Nederlands bestuursorgaan als beheersautoriteit zal fungeren. Indien uit een Europese verordening onvoldoende duidelijk wordt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt, dient dit op nationaal niveau te worden gespecificeerd.11 De precieze activiteiten waarvoor een Europese subsidie kan worden verstrekt behoeven niet per se in een wet in formele zin of een provinciale verordening te worden neergelegd; zij kunnen ook in een nadere ministeriële regeling of een gedelegeerde verordening worden uitgewerkt.12 Dit laatste is te verkiezen, nu iedere nieuwe programmaperiode nieuwe Europese subsidieverordeningen en -besluiten worden vastgesteld die pas kort voor aanvang van de programmaperiode beschikbaar zijn. Dit voorkomt dat iedere programmaperiode de wet in formele zin of de primaire provinciale verordening moet worden gewijzigd, hetgeen nu eenmaal tijd kost.13 Het eenvoudigst is dan ook om in een wet in formele zin of provinciale verordening neer te leggen dat het desbetreffende bestuursorgaan bevoegd is tot subsidieverstrekking voor bepaalde ruim omschreven activiteiten.
Voor de bepalingen die zijn neergelegd in Europese subsidiebesluiten van algemene strekking die zijn gericht tot de lidstaten geldt dat zekerheidshalve ervan moet worden uitgegaan dat zij niet kunnen worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift in de zin van artikel 4:23, eerste lid, van de Awb op basis waarvan Europese subsidies kunnen worden verstrekt.14 Zoals in paragraaf 6.3.2 is besproken zijn zij — anders dan Europese verordeningen — niet rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten. Daarbij komt dat ook in Europese subsidiebesluiten niet is geregeld welk specifiek Nederlands bestuursorgaan bevoegd is om de Europese subsidie te verstrekken.