Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/2.3.4.3
2.3.4.3 Evenredigheid in de context van het eigendomsrecht en de vrije beroepsuitoefening
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS608208:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 13 december 1979, C-44/79 (Hauer), r.o. 23; zie ook: HvJ EG, 3 september 2008, C-402/05 P en C-415/05 P (Kadi), r.o. 355. Naar het oordeel van Benedikt Pirker intensiveerde het Hof haar toets ten aanzien van evenredigheid in het kader van een eigendomsrecht in Kadi (zie Pirker 2013, p. 254). Dit is mijns inziens echter een incorrecte analyse van dit arrest, aangezien de intensievere toets en het oordeel dat de maatregel van de EU onevenredig was, gestoeld was op het feit dat het procedurele recht van verzoeker om gehoord te worden was geschonden (r.o. 368-370).
HvJ EG 9 september 2008, gevoegde zaken C-120/06 P en C-121/06 P (FIAMM), r.o. 183.
HvJ EG 14 mei 1974, C-4/73 (Nold t. Commissie).
HvJ EG 5 oktober 1994, C-280/93 (Duitsland t. Raad).
HvJ EG 30 juni 2005, C-295/03 P (Alessandrini e.a t. Commissie).
HvJ EG 9 september 2008, gevoegde zaken C-120/06 P en C-121/06 P (FIAMM).
HvJ EG 5 oktober 1994, C-280/93 (Duitsland t. Raad), r.o. 79, HvJ EG 30 juni 2005, C-295/03 P (Alessandrini e.a t. Commissie), r.o. 88 en HvJ EG 9 september 2008, gevoegde zaken C-120/06 P en C-121/06 P (FIAMM), r.o. 185.
HvJ EG 14 mei 1974, nr. 4/73 (Nold t. Commissie), r.o. 14 en HvJ EG 9 september 2008, gevoegde zaken C-120/06 P en C-121/06 P (FIAMM), r.o. 185; zie tevens: Gerecht EU 25 april 2013, T-526/10 (Inuit Tapiriit Kanatami I), r.o. 109, bevestigd in HvJ EU 3 september 2015, C-398/13 P (Inuit Tapiriit Kanatami II) r.o. 59-63.
HvJ EG 5 oktober 1994, C-280/93 (Duitsland t. Raad), r.o. 81.
Door het Gerecht ‘de vrije uitoefening van een economische activiteit’ genoemd (Gerecht EU 2 maart 2010, T-16/04 (Arcelor SA), r.o. 153).
Gerecht EU 2 maart 2010, T-16/04 (Arcelor SA), r.o. 153-158.
In het kader van het eigendomsrecht en het recht van vrije beroepsuitoefening wordt een andere evenredigheidstoets toegepast dan de algemene evenredigheidstoets die wordt toegepast ten aanzien van EU-optreden. Uit Hauer volgt dat het evenredigheidsbeginsel in het kader van het eigendomsrecht vereist dat de beperkingen die voortvloeien uit de maatregel aan de doelstellingen die de EU nastreeft moeten beantwoorden. Daarnaast mag de maatregel, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet een te vergaande en onaanvaardbare ingreep in de pregoratieven van de eigenaar zijn, waardoor het eigendomsrecht wezenlijk wordt aangetast.1 Eenzelfde evenredigheidstoets geldt ten aanzien van de vrije beroepsuitoefening.2
Deze evenredigheidstoets wordt echter slechts toegepast, wanneer er een beperking van het eigendomsrecht moet worden aangenomen. Het Hof heeft in de arresten Nold t. Commissie,3Duitsland t. Raad,4Allesandrini e.a t. Commissie,5 en FIAMM e.a t. Raad en Commissie,6 echter geoordeeld dat het eigendomsrecht niet wordt aangetast wanneer de maatregel:
het marktaandeel aantast, aangezien een marktaandeel slechts een voorbijgaande economische situatie is, die is blootgesteld aan de risico’s van een wijziging van omstandigheden;7 of
wanneer het de bescherming van belangen of kansen van de handel betreft, welker wisselvalligheid voor de economische werkzaamheid wezenlijk is. Deze tweede regel geldt tevens ten aanzien van het recht op een vrije beroepsuitoefening. 8
Hieruit kan worden geconcludeerd dat de Richtlijn ETS het eigendomsrecht niet beperkt. Immers, de (vliegtuig)exploitanten kunnen nog steeds van hun eigendommen gebruik maken, zij het dat hun marktaandeel en daarmee mogelijk hun concurrentiepositie wel kan worden aangetast. Echter, in Duitsland t. Raad wordt eveneens overwogen dat daar waar de maatregel de concurrentiepositie van een marktdeelnemer aantast, er wel een prima facie beperking van het recht op vrije beroepsuitoefening bestaat.9 Mijns inziens tast de Richtlijn ETS de concurrentiepositie van (vliegtuig)exploitanten aan. Immers, door het invoeren van een emissieplafond, in combinatie met een jaarlijkse inleverplicht van emissierechten, worden de kosten van productie en de kosten voor het verrichten van vluchten verhoogd, ten gunste van alternatieve vormen van vervoer en alternatieve productieprocessen. Deze beperking is, gezien het belang van het tegengaan van klimaatverandering, evenwel geoorloofd. Het is evident, vanwege de emissieplafonds, dat de Richtlijn ETS aan de doelstelling tot het verlagen van de broeikasgassen (het hoofddoel) beantwoordt. Door de marktwerking van het ETS kan tevens worden gesteld dat dit doel op een kostenefficiënte wijze wordt nagestreefd, waarbij zoveel mogelijk de werkgelegenheid wordt behouden en de economie eveneens zoveel mogelijk wordt gestimuleerd. Verder draagt de verplichte verlaging van broeikasgassen bij aan de doelstelling tot het bereiken van een koolstofarme economie en wordt, door de harmonisatie in regelgeving en de marktwerking van het ETS, de werking van de interne markt en de mededinging bewaard. Het ETS tast de kern van het het recht op een vrije beroepsuitoefening ook niet wezenlijk aan. Immers, het blijft voor (vliegtuig)exploitanten mogelijk hun beroep of bedrijf uit te oefenen.
In het arrest Arcelor SA zijn de gronden aangevoerd door het bedrijf Arcelor SA, die zagen op de aantasting van het eigendomsrecht en de vrije beroepsuitoefening,10 ook door het Gerecht verworpen. Het Gerecht was van oordeel dat het eigendomsrecht, noch het recht op vrije beroepsuitoefening door het ETS voor het bedrijf werd aangetast door de invoering van het ETS. Dit werd onder meer beargumenteerd met de overweging dat Arcelor niet heeft aangetoond dat eventuele kosten niet kunnen worden doorberekend aan de klant.11 Deze overweging is van belang, daar de huidige Richtlijn ETS steeds meer uitgaat van een veiling van emissierechten, en in zoverre voor (vliegtuig)exploitanten dus wel extra kosten met zich gaat brengen. Voor zover deze kosten de vrije beroepsuitoefening aantasten is deze aantasting overigens geoorloofd, gezien het belang van het tegengaan van klimaatverandering. Het eigendomsrecht wordt, zoals hierboven reeds is verdedigd, niet door het ETS als zodanig aangetast.