De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/8.5:8.5 Het derden-rechtszekerheidsbelang
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/8.5
8.5 Het derden-rechtszekerheidsbelang
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366545:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Law Commission (1998), p. 13.
Brunner, Themis 2001, p. 244, r.k.
In vergelijkbare zin de Law Reform Commission of British Columbia (1990), p. 18: 'This [de verjaring — ILS] benefits not only the individual, but all who may be at risk should he become insolvent as the result of a judgment. Thus a statute of limitations indirectly benefits a much wider circle.'
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is een aantal schrijvers geciteerd dat meent dat met de verjaring een boven-individueel belang wordt gediend. Zij motiveren die stelling echter niet. Misschien moet dan als vertrekpunt van de zoektocht naar een dergelijk belang maar de wel gemotiveerde stellingname van een uitgesproken tegenstander dienen. Brunner schrijft dat bij bevrijdende verjaring "alleen de rechtsverhouding tussen de partijen bij de verbintenis een rol [speelt], niet mede de rechtszekerheid van het rechtsverkeer." Dat categorische "alleen (...) tussen partijen" en "niet mede" is misschien toch te betwisten.
Want weliswaar gaat juridisch beschouwd een verbintenis in beginsel slechts partijen aan, die verbintenis zal veelal ook maatschappelijke implicaties hebben, in de zin dat derden hun gedrag erop afstemmen, of doordat hun positie er anderszins door wordt beïnvloed. De British Law Commision schrijft:
"Not only potential defendants, but third parties need to have confidence that rights are not going to be disturbed by a long forgotten claim. Financial institutions giving credit to businesses, for example, have an interest in knowing that a borrower's affürs will not be damaged by the revival of years old litigation.”1
Sprekender misschien nog is het voorbeeld van verzekeraars, wier betalingsverplichtingen afhankelijk zijn van de positie van de verzekerden. Te denken valt voorts aan de fusie- en overnamepraktijk, waar het van groot belang is een betrouwbaar beeld te hebben van de vermogenspositie van de beoogde kandidaat. Ook door erfopvolging raken derden betrokken.
Men kan dus zeggen dat de verbintenis door tijdsverloop "uitwaaiert": waar zij als geïsoleerde entiteit begon, verbreedt zich de kring van berokkenen naarmate de tijd voortschrijdt. Daardoor zal, als over de status van de verbintenis onzekerheid bestaat, die onzekerheid zich niet blijven beperken tot de individuele debiteur, maar zich eveneens uitstrekken tot de "toetredende" derden. Hierdoor ontstaat wat men een "derden-rechtszekerheidsbelang" zou kunnen noemen.
Over het algemeen zal het zo zijn dat het gewicht van dit belang toeneemt naarmate de tijd voortschrijdt: hoe langer het ontstaan van de verbintenis geleden is, des te groter de kring van berokken derden zal zijn. Maar de snelheid waarmee die ontwikkeling zich voordoet kan variëren. Als binnen de kring van een der partijen bij de verbintenis evenementen als overnames, toe- en uittredende vennoten, overlijdende vennoten, kredietverleningen enzovoorts, elkaar in hoog tempo opvolgen, doet de bedoelde verbreding zich snel voor. Ook heel goed denkbaar is echter, bijvoorbeeld, dat enige betrokkenheid van derden zich pas voordoet door overlijden van de debiteur, veertig jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis. Vóór dat moment bestaat er geen derden-rechtszekerheidsbelang.
Aldus is dit belang aanzienlijk minder eenduidig dan het individuele rechtszekerheidsbelang. Ten aanzien van het individuele kan men zeggen dat het steeds nadelig voor de individuele debiteur is om niet te weten waar hij aan toe is — het is voor iedereen vervelend overvallen te worden door een long forgotten claim, al is het maar uit louter psychologisch oogpunt — en dat dus steeds de individuele rechtszekerheid in het geding is. Het gewicht van het derden-rechtszekerheidsbelang daarentegen, zal uiteenlopen. Niettegenstaande die variabele importantie is, meen ik, de bescherming van het derden-rechtszekerheidsbelang een serieus te nemen verjaringsdoel.
Gelet op het voorgaande heb ik dus bedenkingen bij Brunners' ongeclausuleerde afwijzing van ieder bovenindividueel verjaringsdoel. Brunner baseert zijn afwijzing in belangrijke mate op de karaktertegenstelling tussen zaken- en verbintenissenrecht. Hij schrijft:
"De verjaring treft zowel zakelijke als persoonlijke vorderingen. Bij zakelijke rechtsvorderingen, zoals de revindicatie van roerende of onroerende zaken, ingesteld tegen een bezitter die het bezit niet te goeder trouw heeft verkregen, ligt de nadruk op de rechtszekerheid. Die verlangt dat onduidelijke eigendomsverhoudingen niet ten eeuwigen dage ter discussie kunnen worden gesteld. Omdat zaken door overgang of overdracht van eigenaar kunnen wisselen en eigendom en zakelijke rechten tegen iedereen kunnen worden ingeroepen, moet degeen die zich reeds lange tijd als eigenaar of zakelijk gerechtigde manifesteert worden beschermd tegen zakelijke rechtsvorderingen van derden die kunnen aantonen dat zij eniger tijd in het verleden eigenaar van de zaak waren. (...) Bij persoonlijke vorderingen ligt de nadruk op de eisen van redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen schuldeiser en schuldenaar bepalen. [nu volgt voor de volledigheid wat ik hierboven al citeerde — JLS] Verjaring in het verbintenissenrecht betreft uitsluitend de bescherming van de schuldenaar, indien de schuldeiser zijn recht zonder goede reden niet binnen redelijke termijn heeft geldend gemaakt. Daarbij speelt alleen de rechtsverhouding tussen de partijen bij de verbintenis een rol, niet mede de rechtszekerheid van het rechtsverkeer."2
Deze dichotomische voorstelling van zaken lijkt mij in ieder geval in de absolute bewoordingen van Brunner niet goed houdbaar. Vanuit het perspectief van het verbintenissenrecht valt er tegenin te brengen dat wel degelijk onduidelijke verbintenisrechtelijke verhoudingen het rechtsverkeer negatief kunnen treffen; zie het hiervoor uiteengezette derden-rechtszekerheidsbelang. Vanuit het perspectief van het zakenrecht valt er tegenin te brengen dat weliswaar zakelijke rechten tegenover iedereen werken en dus in zekere zin iedereen baat heeft bij duidelijkheid, maar dat te ver gaat de conclusie dat dus de individuele rechthebbende bij de verjaring geen baat heeft. Integendeel, zoals de bevrijdende verjaring van het verbintenissenrecht de individuele debiteur wil beschermen tegen bewij snood en verstoorde verwachtingen ten aanzien van vorderingen, zo wil toch evenzeer de verkrijgende verjaring van het zakenrecht de individuele rechthebbende beschermen tegen bewij snood en verstoorde verwachtingen ten aanzien van de gerechtigheid tot de betreffende zaak. Brunner schrijft dat in feite ook zelf: "degeen die zich reeds lange tijd als eigenaar of zakelijk gerechtigde manifesteert [moet] worden beschermd".
Er lijkt dus wel degelijk zoiets als een rechtszekerheidsbelang te bestaan dat de individuele partij verhouding ontstijgt: het derden-rechtszekerheidsbelang.3 Van dat belang kan men zeggen dat het het midden houdt tussen het individuele en het algemene rechtszekerheidsbelang. Het is bovenindividueel in die zin dat de kring van betrokken breder is dan debiteur en crediteur, maar het is niet werkelijk algemeen omdat die kring nog altijd beperkt is, namelijk tot hen die ook feitelijk bij de verbintenis betrokken raken.