HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4091, AU4093 en AU4097 en HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU8509. Zie hierover ook A.J.A. van Dorst, ‘De aanwijzing van een ander gerecht’, in: F.W. Bleichrodt, J.A.W. Lensing en P.C. Vegter (red.), De rechter in het geding (liber amicorum J.P. Balkema), Deventer: Kluwer 2011, p. 23-36, m.n. p. 31.
HR, 17-01-2023, nr. 23/00013
ECLI:NL:HR:2023:38
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-01-2023
- Zaaknummer
23/00013
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:38, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑01‑2023; (Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:48
ECLI:NL:PHR:2023:48, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 10‑01‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:38
- Vindplaatsen
Uitspraak 17‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Beschikking. Verzoekschrift tot aanwijzing van ander gerecht, art. 510.1 Sv. Tegen ... is aangifte gedaan t.z.v. (poging tot) dwang door advocaat onder druk te zetten advocatuur te verlaten, art. 284.1.1 Sr. Uit de bij verzoekschrift overgelegde stukken blijkt: a. dat tegen betrokkene aangifte is gedaan dat deze zich heeft schuldig gemaakt aan strafbaar feit; en b. dat betrokkene op het moment van het in aangifte bedoelde feit rechterlijk ambtenaar in de zin van art. 510.1 Sv was. Daaruit volgt dat verzoek, gelet op art. 510 Sv, vatbaar is voor toewijzing. HR wijst Rb Rotterdam aan als gerecht waarvoor, wanneer OM bij die Rb dit nodig oordeelt, vervolging en berechting van zaak zullen plaatshebben.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00013 B
Datum 17 januari 2023
BESCHIKKING
op het verzoekschrift van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Limburg, ingekomen bij de Hoge Raad op 2 januari 2023, tot aanwijzing van een ander gerecht als bedoeld in artikel 510 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering in de zaak
betreffende
[betrokkene]
,
hierna: de betrokkene.
1. Het verzoek
De hoofdofficier van justitie heeft zich tot de Hoge Raad gewend met het verzoek op grond van artikel 510 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een rechtbank aan te wijzen voor de vervolging en berechting van de betrokkene.
2. De conclusie van de procureur-generaal
De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek.
3. Beoordeling van het verzoek
3.1
Uit de bij het verzoekschrift overgelegde stukken blijkt:a. dat tegen de betrokkene aangifte is gedaan dat deze zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;b. dat de betrokkene op het moment van het in de aangifte bedoelde feit rechterlijk ambtenaar in de zin van artikel 510 lid 1 Sv was.
3.2
Daaruit volgt dat het verzoek, gelet op artikel 510 Sv, vatbaar is voor toewijzing.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de rechtbank Rotterdam aan als gerecht waarvoor, wanneer het openbaar ministerie bij die rechtbank dit nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaatshebben.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en vastgesteld in raadkamer op 17 januari 2023.
Conclusie 10‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Art. 510 Sv. Verzoek tot aanwijzing ander gerecht voor de eventuele vervolging van rechterlijk ambtenaar.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00013
Zitting 10 januari 2023
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[betrokkene] ,
hierna: de betrokkene
Bij de Hoge Raad is binnengekomen een verzoekschrift van 21 december 2022 van mr. J.A.C. van Berkel, hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Limburg, met het verzoek op de voet van art. 510 Sv een ander gerecht aan te wijzen voor de mogelijke vervolging en berechting van [betrokkene] , senior rechter A in de rechtbank Limburg, […] .
Tegen de betrokkene is op 23 november 2022 aangifte gedaan door [aangever] , advocaat te Maastricht, van (poging tot) overtreding van art. 284 Sr. De betrokkene heeft naar de mening van aangever getracht hem door een feitelijkheid - te weten door aangever te dreigen met aangifte van meineed - wederrechtelijk te dwingen iets te doen, namelijk zich terug te trekken uit de advocatuur.
Art. 510, eerste lid, Sv luidt:
“Indien een rechterlijk ambtenaar voor zijne rechtbank, zijn gerechtshof of voor een gerecht binnen het ressort van zijne rechtbank of zijn gerechtshof zou moeten worden vervolgd en berecht, wordt, op verzoekschrift van het openbaar ministerie naar de gewone regelen met de vervolging belast, door den Hoogen Raad een ander gerecht van gelijken rang als het anders bevoegde aangewezen, voor hetwelk de vervolging en berechting der zaak zal plaats hebben.”
4. Het verzoek om een ander gerecht aan te wijzen dan de rechtbank Limburg wordt gedaan voordat door het Openbaar Ministerie dat naar de gewone regels met de vervolging is belast, is beoordeeld of er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Die omstandigheid staat aan toewijzing van het verzoek niet in de weg. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het Openbaar Ministerie ook bevoegd is tot het doen van een verzoek als bedoeld in art. 510 Sv indien het zich nog geen oordeel heeft gevormd over de vraag of een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt.1.
5. Uit het verzoekschrift en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat tegen de betrokkene aangifte is gedaan van (poging tot) overtreding van art. 284 Sr en dat dit feit zou zijn gepleegd terwijl de betrokkene rechterlijk ambtenaar was in de rechtbank Limburg.
6. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek ten aanzien van de betrokkene vatbaar is voor toewijzing.
7. Voor de volledigheid wijs ik erop dat het, in geval van toewijzing, vervolgens aan het parket bij het door de Hoge Raad aangewezen gerecht is om te beoordelen of sprake is van een redelijk vermoeden van schuld en om de haalbaarheid en de opportuniteit van de vervolging te beoordelen.
8. Ik concludeer dat de Hoge Raad een andere rechtbank - waarbij ik de rechtbank Rotterdam in overweging geef - zal aanwijzen als rechtbank voor welke, zo het Openbaar Ministerie bij de aangewezen rechtbank dat nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaatshebben.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
PG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑01‑2023