Informatierechten van aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/9.2.1:9.2.1 Informatierechten als uitkomst van een belangenafweging
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/9.2.1
9.2.1 Informatierechten als uitkomst van een belangenafweging
Documentgegevens:
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971909:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De dogmatische grondslag voor informatierechten van aandeelhouders is gelegen in de scheiding tussen de kapitaalverschaffende functie en de leidinggevende functie binnen de vennootschap. Uit deze functiescheiding volgt dat de leiding (het bestuur) onverkort beschikt over het vermogen van de vennootschap, waaronder haar informatie. Kapitaalverschaffers (aandeelhouders) beschikken in beginsel niet over het vennootschapsvermogen en zijn daardoor afhankelijk van de vennootschapsleiding om toegang te krijgen tot informatie van de vennootschap. Informatie van de vennootschap behoort immers toe aan die vennootschap en dient (al dan niet naar analogie) te worden beschouwd als onderdeel van het vennootschapsvermogen.
Deze informatie vertegenwoordigt concrete waarde voor de vennootschap, omdat zij op basis daarvan rationele en geïnformeerde keuzes kan maken bij het ontplooien van haar activiteiten. De vennootschap heeft een intrinsiek belang bij het waarborgen van de vertrouwelijkheid van haar informatie. Enerzijds beschermt zij hiermee de (handels)waarde van bedrijfs- of concurrentiegevoelige informatie, en anderzijds waarborgt zij hiermee de bestuursautonomie en de vrijheid om haar activiteiten ongestoord en naar eigen inzicht te kunnen ontplooien, zonder oneigenlijke inmenging van buitenaf. De vennootschap kan er derhalve ook belang bij hebben informatie geheim te houden indien de verstrekking daarvan niet direct leidt tot kwantificeerbare materiële schade.
De vennootschap komt aldus een zeker geheimhoudingsrecht toe. Dat recht is echter niet absoluut. Legitieme belangen van stakeholders bij toegang tot informatie kunnen ertoe nopen dat het geheimhoudingsrecht van de vennootschap moet wijken. Dergelijke transparantieplichten van de vennootschap zijn steeds de resultante van een weging van die (botsende) belangen. Dit geldt niet alleen voor transparantieplichten jegens externe stakeholders van de vennootschap, maar ook intern jegens haar institutioneel betrokkenen, waaronder haar aandeelhouders. In bepaalde gevallen is deze belangenafweging reeds gemaakt door de wetgever. In andere gevallen biedt artikel 2:8 BW de juridische grondslag voor deze interne informatierechten van institutioneel betrokkenen.
Informatierechten van aandeelhouders zijn de resultante van een afweging tussen de vermogensrechtelijke- en zeggenschapsbelangen van aandeelhouders enerzijds en het belang van de vennootschap bij geheimhouding anderzijds. Het uitgangspunt bij die afweging is dat aandeelhouders geen toegang hebben tot informatie van de vennootschap. Hun belang daarbij dient derhalve van voldoende gewicht te zijn om te rechtvaardigen dat het geheimhoudingsrecht wijkt. Daarbij moet echter ook worden bedacht dat het aandeelhoudersbelang en het vennootschapsbelang bij (het verstrekken van) toegang tot informatie in belangrijke mate parallel kunnen lopen. Te denken valt onder meer aan informatieverstrekking die nodig is voor een behoorlijk functioneren van de algemene vergadering of de bescherming van minderheidsaandeelhouders.
Wettelijke informatierechten stellen de aandeelhouder in staat zijn positie te bepalen, op basis van die analyse een dialoog te voeren met de vennootschapsleiding en de rechten verbonden aan zijn aandelen uit te oefenen. De aandeelhouder kan zo op geïnformeerde wijze ter vergadering zijn rol binnen de algemene vergadering vervullen, en buiten vergadering zijn belangen beschermen of bevorderen. De kern van informatierechten is derhalve erin gelegen dat zij de aandeelhouder in staat stellen tot een informed judgment te komen ten aanzien van die aangelegenheden betreffende de vennootschap die hem aangaan. Toegang tot informatie is daarmee steeds dienstig aan de ‘primaire’ rechten die zijn verbonden aan het aandeel. Informatierechten hebben aldus een zeker accessoir karakter, in die zin dat zij een rationele en geïnformeerde uitoefening van de primaire aandeelhoudersrechten faciliteren, maar daarbuiten geen zelfstandige betekenis hebben.