Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/6.1
6.1 Inleiding
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS494893:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 29 november 1996, Stb. 1996, 590 (i.w.tr. 1 januari 199, Stb. 1996, 616).
Besluit van 21 maart 1994, Stb. 1994, 212. Voor de rechtspositie van bestuursleden van de gerechten is tevens het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak relevant, Stb. 2001, 618. Verder wijs ik nog op het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren, 24 oktober 1985, Stb. 1985, 555.
Art. 117 lid 4 Gw. Zie § 4.4.6 (hfdst. 4).
Zie de artikelen 2 lid 4, 3 leden 2 en 3, 5 lid 5 en 12 lid 1 Wet op de Raad van State, die de regeling omtrent aansprakelijkheid van rechters, de openbaarmaking van nevenfuncties en delen van het tuchtrechtelijk toezicht, van overeenkomstige toepassing verklaren.
De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra)1 geeft uitvoering aan grondwetsbepalingen betreffende de positie van de leden van de rechterlijke macht, waaronder eisen van rechtspositionele onafhankelijkheid. Nadere rechtspositionele regels zijn te vinden in het op artikel 54 Wrra berustende Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.2 Veel van de voor dit onderzoek relevante bepalingen uit de Wrra waren voorheen opgenomen in de Wet RO. Vooral bij de invoering van de Wet organisatie en bestuur gerechten en de Wet op de Raad voor de rechtspraak per 1 januari 2002 zijn veel bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van de individuele rechter overgeheveld naar de Wrra. Uiteraard bespreek ik alleen die bepalingen uit de Wrra die verband houden met de rechterlijke onafhankelijkheid. Dat betreft naast enkele opmerkingen over de benoeming van rechters (§ 6.2) met name het tuchtrechtelijk toezicht op rechters (§ 6.3), de behandeling van klachten over rechters (§ 6.4), de aansprakelijkheid van rechters (§ 6.5) en de regeling van incompatibiliteiten (§ 6.6). De bepalingen uit de Wrra over de bezoldiging van rechters en andere financiële arbeidsvoorwaarden (art. 7-19 Wrra), over de arbeidsduur, werktijd en werkverdeling (art. 20-22 Wrra), alsmede over vakantie en verlof (art. 23-39 Wrra) blijven om die reden buiten beschouwing. Het is alleen van belang dat deze onderwerpen bij wet zijn geregeld, zoals voorgeschreven in de Grondwet, zodat de uitvoerende macht niet zelfstandig kan ingrijpen in de rechtspositie van rechters door deze regels aan te passen.3 Tot slot noem ik hier de regeling die de Minister van Justitie verplicht te overleggen met de Sectorcommissie rechterlijke macht over diverse aangelegenheden met betrekking tot personeelsbeleid en de rechtspleging (art. 48-53 Wrra), in het bijzonder het vereiste van overeenstemming over voorstellen tot invoering, wijziging of intrekking van de regelingen met rechten of plichten voor rechters. Deze regeling wijkt af van het uitgangspunt dat de overheid eenzijdig beslist over de vaststelling van rechtspositieregelingen voor haar ambtenaren. Die afwijking houdt wel verband met de rechterlijke onafhankelijkheid.
Rechters zijn overheidsambtenaren, maar wel met een andere status dan ‘gewone’ ambtenaren. Die bijzondere rechtspositionele status is ingegeven door hun rechtsprekende taak en in de Grondwet verankerd (art. 116 en 117 Gw). De Wrra ziet alleen op leden van de rechterlijke macht. Niettemin zijn de bepalingen uit die wet via een schakelbepaling ook grotendeels van toepassing op rechters die werkzaam zijn bij de hoogste administratieve gerechten, zoals de Centrale Raad van Beroep,4 het College van Beroep voor het bedrijfsleven5 en voor een kleiner deel op de leden van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.6 In dit hoofdstuk besteed ik uitsluitend aandacht aan de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren die met rechtspraak zijn belast. Rechterlijke ambtenaren in opleiding (raio’s) en gerechtsauditeurs behoren in beginsel niet tot de categorie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, omdat zij geen rechterlijke oordelen vellen (art. 1 Wet RO). Voor hen gelden dan ook niet dezelfde waarborgen van rechtspositionele onafhankelijkheid. Als zij wel rechtspreken, bijvoorbeeld in het kader van hun opleiding tot rechter, wordt dat probleem verholpen door ze tevens te benoemen als rechter-plaatsvervanger (bij raio’s geschiedt dat in de praktijk na twee jaar).