NJ 2024/94
Prejudiciële beslissing op voet art. 392 Rv. Consumentenrecht. Procesrecht. Uit verstekvonnis blijkt niet dat rechter heeft getoetst aan Richtlijn oneerlijke bedingen; gevolgen voor verzettermijn; gezag van gewijsde.
HR 24-11-2023, ECLI:NL:HR:2023:1627, m.nt. C.M.D.S. Pavillon
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24 november 2023
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock
- Zaaknummer
23/01007
- Conclusie
plv. P-G mr. M.H. Wissink
- Noot
C.M.D.S. Pavillon
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS950045:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Europees verbintenissenrecht
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:1627, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑11‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:817, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑09‑2023
- Wetingang
Essentie
Prejudiciële beslissing op voet art. 392 Rv. Consumentenrecht. Procesrecht. Uit verstekvonnis blijkt niet dat rechter heeft getoetst aan Richtlijn oneerlijke bedingen; gevolgen voor verzettermijn; gezag van gewijsde.
Samenvatting
In deze prejudiciële procedure is aan de orde of uit het recht van de Europese Unie volgt dat de termijn van art. 143 leden 2 en 3 Rv voor het doen van verzet buiten toepassing moet blijven als uit een verstekvonnis in een zaak waarbij een van de partijen bij een overeenkomst consument is, niet blijkt of de rechter heeft onderzocht of ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.