Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/343
343 Prognoseverbod
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS452254:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Vaste rechtspraak. Zie onder andere HR 9 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AJ5284, NJ 1986, 608 (Citroen/Harte); HR 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7925, NJ 2006, 5 (Zeegers/Nieuwenkamp’s Handelsmaatschappij). Zie hierover ook Asser Procesrecht/Asser 3 2013/225; Wieten 2014, nr. 5.4.
HR 13 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2579, NJ 1999, 560, m.nt. H.J. Snijders.
HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005, 270, m.nt.W.D.H. Asser en JBPr 2004, 65, m.nt. M.A.J.G. Janssen (OZ/Roozen Holland).
W.D.H. Asser in zijn noot in NJ 2005, 270 onder HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, JBPr 2004, 65, m.nt. M.A.J.G. Janssen (OZ/Roozen Holland); Asser Procesrecht/Asser 3 2013/225.
Asser Procesrecht/Asser 3 2013/225.
W.D.H. Asser in zijn noot in NJ 2005, 270 onder HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, JBPr 2004, 65, m.nt. M.A.J.G. Janssen (OZ/Roozen Holland).
Het is de rechter in de hoofdzaak niet geoorloofd prognoses te geven over de verklaringen van de getuigen bij het beoordelen van een aanbod tot getuigenbewijs; een bewijsaanbod mag niet worden gepasseerd vanwege de (negatieve) verwachtingen van de rechter over het resultaat van de bewijslevering. De waarde van een getuigenverklaring behoort te worden beoordeeld na het afleggen van die verklaring.1 De rechter die overweegt ambtshalve een getuigenverhoor te bevelen, mag ter motivering van zijn oordeel om zulks niet te doen wel betekenis toekennen aan een prognose omtrent het resultaat van de bewijsvoering.2 Als in eerdere aanleg al getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, kan de eis dat een bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn wel meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij eerder hebben gedaan.3
Asser stelt dat een prognoseverbod weinig realiteitswaarde heeft als van tevoren ongeveer vaststaat dat een getuige weinig (extra) relevante informatie kan verschaffen met betrekking tot het probandum; het horen van dergelijke getuigen verwordt dan tot een weinig efficiënte en effectieve wijze van waarheidsvinding.4 Daarnaast vindt hij dat het kunstmatige en in de praktijk weinig werkbare verschil tussen enerzijds de verboden waardering van eerdere (schriftelijke) getuigenverklaringen bij de beoordeling van een bewijsaanbod en anderzijds de waardering van de (schriftelijke) getuigenverklaringen nadat het getuigenverhoor is gehouden – samengevat als “eerst horen en dan waarderen”5 – niet moet worden gehandhaafd.6 Naar mijn mening moet het prognoseverbod in de hoofdzaak, behoudens een enkel uitzonderingsgeval, worden gehandhaafd. Het risico dat het houden van getuigenverhoren door de rechter te eenvoudig kan worden voorkomen met een beroep op een prognose omtrent het resultaat van de getuigenverklaringen, hetgeen ten koste gaat van de waarheidsvinding, acht ik te groot. Hierbij speelt een rol dat de rechter nu al – zonder de opening van de (niet meer verboden) prognose – mogelijkheden zoekt en vindt om getuigenverhoren te vermijden (zie nr. 8).