HR, 28-03-1952
ECLI:NL:HR:1952:324
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-03-1952
- Zaaknummer
[28031952/NJ_1952-194]
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Staatsrecht / Bijzondere onderwerpen
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1952:324, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑03‑1952; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1952:1
- Vindplaatsen
Uitspraak 28‑03‑1952
Inhoudsindicatie
Wet rechtsherstel overheidspersoneel. Kosten in hoger beroep.
Tegenwoordig de Heren:
van der Meulen, waarnemend-President ;
Hijink, Losecaat Vermeer, Smits en de Jong, Raden;
Berger, Procureur-Generaal ; Morsink, Substituut-Griffier.
Openbare terechtzitting van
Vrijdag 28 Maart 1952.
De zitting is geopend des voormiddags te 10 uur.
De deurwaarder roept de volgende zaken uit:
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
in de zaak (No.8435) van:
[eiser] , wonende te [woonplaats], eiser tot cassatie van een tussen partijen door de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam op 1 Mei 1951 gewezen vonnis, incidenteel verweerder, vertegenwoordigd door Mr. I.E. Hes Bzn., advocaat bij den Hogen Raad,
tegen
den Staat der Nederlanden, wiens zetel is gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder in cassatie, incidenteel eiser, vertegenwoordigd door Jhr.Mr. G.W. van der Does, mede advocaat bij den Hogen Raad ;
Gehoord partijen;
Gehoord den Advocaat-Generaal Langemeijer, namens den Procureur-Generaal, in zijn conclusie, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en terugwijzing der zaak naar de Rechtbank teneinde haar met inachtneming van 's Raads arrest verder te behandelen en te beslissen zulks onder veroordeling van den Staat in de kosten op het principale en het incidentele cassatieberoep gevallen;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden vonnis blijkt: dat [eiser] bij verzoekschrift aan den Kantonrechter te Amsterdam heeft gesteld, dat hij op 17 November 1939 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalden
tijd heeft aangegaan met den Staat, waarop van toepassing waren de bepalingen van het Arbeidsovereenkomstenbesluit; dat de Staat hem als werkman bij het Centraal Magazijn van Militaire Kleding en Uitrusting te Amsterdam heeft tewerkgesteld; dat voormelde overeenkomst door opzegging door den Staat met ingang van 7 September 1940, althans met ingang van een datum in September of November 1940 werd beëindigd; dat zijn broeder [de broer] in overeenkomstige omstandigheden heeft verkeerd en thans is overleden; dat de door hem, [eiser], gedane verzoeken tot herziening van de ontslagen met toekenning van schadeloosstelling door den Minister van Oorlog bij besluiten van 12 September 1947 zijn geweigerd; dat deze besluiten in strijd met de Wet rechtsherstel overheidspersoneel 1946 zijn genomen, de Staat zich derhalve jegens hem aan wanpraestatie heeft schuldig gemaakt en tot schadevergoeding deswege is gehouden;
dat [eiser] op deze gronden heeft gevorderd, dat de Staat worde veroordeeld tot betaling aan hem van de som van f.4902,89 en aan hem als erfgenaam van wijlen [de broer] van de som van f. 1905,27, beide bedragen met renten, subsidiair dat worde verstaan, dat hij, [eiser], recht heeft op herziening van het hem, onderscheidenlijk zijn voormelden broeder, gegeven ontslag met. schadeloosstelling, als bepaald in artikel 6 van het Eerste Uitvoeringsbesluit Wet rechtsherstel overheidspersoneel 1946;
dat de Kantonrechter bij vonnis van 26 Augustus 1948, na een door den Staat voorgestelde exceptie van onbevoegdheid te hebben verworpen, [eiser] niet- ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering;
dat de Kantonrechter daartoe heeft overwogen:
"dat gedaagde zich erop beroept, dat van de Wet rechtsherstel overheidspersoneel 1946 hier zou gelden het geval bedoeld in artikel 2 sub 3, op grond dat eiser als werknemer bij het Centraal Magazijn van Militaire Kleding en Uitrusting in een tijdelijk dienstverband zou hebben gestaan, dat ook onder normale omstandigheden niet langer dan een jaar zou hebben geduurd; dat dit verweer Ons gegrond voorkomt; dat toch onbevangen lezing van voormelde uitzonderingsbepaling Onzes inziens geen andere conclusie rechtvaardigt, dan dat de wetgever van de herziening van tijdens de bezetting verleende ontslagen heeft willen uitsluiten de categoriën van personen, die ook onder normale omstandigheden slechts in een tijdelijk dienstverband van betrekkelijk korte tijd zouden hebben gestaan; dat onder normale omstandigheden Onzes inziens zijn te verstaan de dagen van vóór 1939, toen oorlog of oorlogsgevaar nog geen tastbare werkelijkheid was; dat in die dagen de Overheid er zeker niet aan zou hebben gedacht, om personen, als deze eiser en zijn overleden broer, die geen bepaalde vakbekwaamheid hadden en een matig salaris van f. 22,33 per week (kindertoeslag inbegrepen) genoot, terwijl het salaris van eisers broer nog minder bedroeg, n.l. f. 18,87 voor langer dan een jaar te engageren; dat Wij Ons volkomen kunnen verenigen met de uiteenzetting van gedaagde in diens conclusie van dupliek dat eiser en zijn broer destijds zijn aangenomen om de grote drukte, welke in November 1939 in verband met de algemene mobilisatie op het Centraal Magazijn heerste op te vangen, doch dat niemand eraan heeft gedacht om hier van een vast dienstverband te spreken; dat eisers vordering mitsdien naar Ons oordeel geen steun vindt in de voormelde wet tot herziening van tijdens de bezetting verleende ontslagen, zodat eiser in deze vordering niet kan worden ontvangen";
dat [eiser] van dit vonnis in hoger beroep is gekomen en daartegen een grief heeft aangevoerd, waarop hieronder zal worden teruggekomen; dat de Staat zijnerzijds incidenteel heeft geappelleerd, aanvoerende dat de Kantonrechter zich onbevoegd had behoren te verklaren;
dat de Rechtbank bij vonnis van 24 Januari 1950 deze grief van den Staat gegrond heeft geoordeeld, het beroepen vonnis heeft vernietigd en den Kantonrechter onbevoegd heeft verklaard van de ingestelde vordering kennis te nemen;
dat [eiser] tegen dit vonnis cassatieberoep heeft ingesteld en daartegen als middel heeft aangevoerd, dat de Rechtbank den Kantonrechter ten onrechte onbevoegd heeft verklaard;
dat de Hoge Raad bij arrest van 8 December 1950, na gegrondbevinding van dit middel, het vonnis der Rechtbank heeft vernietigd en de zaak naar de Rechtbank heeft verwezen teneinde haar met inachtneming van 's Raads arrest verder te behandelen en te beslissen;
Overwegende dat de Rechtbank bij het vonnis waarvan beroep ten aanzien van het incidenteel appèl heeft overwogen:
"dat de Staat als grief tegen het vonnis van den Kantonrechter heeft aangevoerd, dat deze zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard van de ingestelde vordering kennis te nemen, aangezien deze niet tot ene arbeidsovereenkomst betrekkelijk is; dat deze grief op grond van hetgeen in het arrest van den Hogen Raad is overwogen, behoort te worden verworpen; dat de Staat in zijne toelichting tot deze grief tegen het vonnis 75010 van den Kantonrechter heeft opgemerkt, dat hij "daarlaat" of en in hoeverre voor den rechter kan worden geprocedeerd over het niet juist toepassen van een wet (gelijk de onderhavige), waarvan de toepassing in handen van een in die wet aangewezen publiek orgaan is gelegd, en of de rechter dus bevoegd is van de ingestelde vordering kennis te nemen; dat voor zoverre daarin een grief tegen het beroepen vonnis moet worden gelezen - en overigens ambtshalve - wordt overwogen, dat de ingestelde vordering is gebaseerd op ene door partijen met toepassing van het Arbeidsovereenkomsten- besluit aangegane arbeidsovereenkomst en de Kantonrechter dus bevoegd was daarvan kennis te nemen;"
dat de Rechtbank vervolgens heeft behandeld de door [eiser] als principaal appellant tegen het vonnis
van den Kantonrechter aangevoerde grief, inhoudende dat de door den Kantonrechter van artikel 2 sub 3 van de Wet rechtsherstel overheidspersoneel 1946 gegeven interpretatie onjuist is omdat ten eerste "normale omstandigheden" niet betekent "de dagen van vóór 1939, toen oorlog of oorlogsgevaar nog geen tastbare werkelijkheid was, ten tweede het woordje "ook" niet past in de bestreden interpretatie, en ten derde aan het woordje "geduurd" een gewrongen, een taalkundig niet juiste betekenis is gegeven, indien men zegt, dat een dienstbetrekking, die niet heeft bestaan, niet langer dan een jaar heeft geduurd;
dat de Rechtbank daaromtrent heeft overwogen:
"dat deze grief gegrond is, immers de Kantonrechter aan het bedoeld artikel ene betekenis hecht, welke dat artikel niet heeft, daar in de wet geen aanwijzing is te vinden, dat de woorden "ook onder normale omstandigheden" in artikel 2 sub 3 in den door den Kantonrechter aangegeven zin moeten worden gelezen;
"dat dit echter niet tot de toewijzing van de ingestelde vordering zal leiden;
"dat tussen partijen vaststaat - althans als tussen haar vaststaande moet worden aangenomen, dat [eiser] met ingang van 17 November 1939 - zijn broeder met ingang van 5 September 1939 met toepassing van het Arbeidsovereenkomstenbesluit in dienst van den Staat zijn getreden teneinde als werkman bij het Centraal Magazijn van Militaire Kleding en Uitrusting te Amsterdam (ressorterende onder het Ministerie van Oorlog) te worden tewerkgesteld en aldaar zijn tewerkgesteld, tegen een loon van f. 22, 33 respectievelijk f.18,87 per week, en dat dit is geschied, om de buitengewone drukte op te vangen, welke door het gemobiliseerd zijn van het leger ook voor het Centraal Magazijn bleek te zijn ontstaan, hetgeen heeft geleid tot een opvoering van de sterkte van het personeel, bedragende op 1 Januari 1938 205 man en op 1 Januari 1939 307 man, tot 1146 man op 1 Januari 1940 en tot 1225 man op 1 Mei 1940;
"dat [eiser] heeft gesteld, dat zijn broeder en hij met ingang van 7 September 1940 althans met ingang van een datum in September of November 1940 zijn ontslagen, zij het ook dat hun het loon van 7 September tot 17 November 1940 nog is uitbetaald; dat de Staat daartegenover heeft beweerd in zijn antwoord in het geding voor den Kantonrechter en bij pleidooi in hoger beroep, dat zij pas met ingang van 17 November 1940 zijn ontslagen, al moest aan hen op bevel van de Duitsers eerder de toegang tot het magazijn worden ontzegd; dat [eiser] een bericht van het Hoofd van het Centraal Magazijn d.d. 30 Augustus 1940 heeft overgelegd, inhoudende dat hij met ingang van 7 September 1940 is ontslagen; dat de Staat blijkens de overgelegde pleitnota voor den Hogen Raad heeft betoogd, dat de arbeidsovereenkomsten reeds op 7 September 1940 waren geëindigd; dat dit in aanmerking genomen en op grond van het vorenbedoelde bericht (terwijl vaststaat dat [eiser] en zijn broeder in hetzelfde geval hebben verkeerd) moet worden aangenomen, dat het ontslag zowel van [eiser] als van zijn broeder met ingang van 7 September 1940 heeft plaats gehad; dat tussen partijen vaststaat, dat het ontslag is gegeven, omdat zij Joden waren; dat tenslotte tussen partijen vaststaat, dat alle niet- joodse werknemers met ingang van 17 November 1940 wegens de opheffing van het Centraal Magazijn zijn ontslagen;
"dat de Wet Rechtsherstel Overheidspersoneel 1946 bepaalt, dat tijdens de bezetting verleende ontslagen worden herzien, waarbij ene uitzondering wordt gemaakt ten aanzien van personen, wier tijdelijk dienstverband ook onder normale omstandigheden niet langer dan een jaar zou hebben geduurd, en partijen erover twisten, of deze uitzonderingsbepaling ten deze toepassing moet vinden; dat evenwel de vraag in het midden kan worden gelaten, daar ook indien herziening van de ontslagen niet conform het bedoelde artikel 2, sub 3 der Wet achterwege zou moeten blijven, en dus herziening zou moeten plaatsvinden de ingestelde vordering niet zou kunnen worden toegewezen;
"dat [eiser] immers primair schadevergoeding vordert en subsidiair ene verklaring, dat hij en zijn broeder recht hebben op de herziening van de ontslagen met toekenning van ene schadeloosstelling op de wijze als bepaald in artikel 6 van het Eerste Uitvoeringsbesluit Wet Rechtsherstel Overheidspersoneel 1946, en de Rechtbank deze subsidiaire vordering aldus leest, dat de eis is gericht op herziening met een schadeloosstelling, en dus de gehele eis zal moeten worden afgewezen, indien blijkt, dat alleen reeds de gevorderde schadeloosstelling niet zal kunnen worden toegewezen;
"dat de primaire - en ook de subsidiaire vordering, gelezen als voorschreven, ook indien [eiser] recht zou hebben op herziening van de ontslagen, zouden moeten worden afgewezen;
"dat immers, daar het Centraal Magazijn met ingang van 17 November 1940 is opgeheven en alle daar werkzame personen met ingang van dien datum zijn ontslagen, als vaststaande moet worden aangenomen, dat ook [eiser] en zijn broeder met ingang van dien datum zouden zijn ontslagen, had dat ontslag reeds niet eerder plaatsgevonden;
"dat dit medebrengt, dat herziening van de met ingang van 7 September 1940 aan [eiser] en zijn broeder gegeven ontslagen in ieder geval met toepassing van artikel 6, eerste lid sub a, tot ontslagen met ingang van 17 November 1940 zou moeten leiden;
"dat immers [eiser] en zijn broeder - gelijk bovenvermeld - waren tewerkgesteld teneinde de buitengewone drukte op te vangen, welke door het gemobiliseerd zijn van de militaire macht ook voor het Centraal Magazijn bleek te zijn ontstaan, en toen de mobilisatie door oorlog en bezetting werd gevolgd met opheffing van het Centraal Magazijn als een der gevolgen, ontslag van [eiser] en zijn broeder (tewerkgesteld teneinde als voorschreven)met ingang van 17 November 1940 wegens opheffing van het Centraal Magazijn, zijn grond zou hebben gehad buiten de bezetting - in de zin van artikel 6, eerste lid sub a, van de wet -, daar dit ontslag zijn grond zou hebben gehad in den aard, de bedoeling en de van den aanvang af beoogde duur der dienstbetrekkingen, welke in de mobilisatie haar bestaansreden hadden, de bedoeling hadden de daardoor ontstane buitengewone drukte op te vangen, en haar einde tegelijk met het feitelijk einde der mobilisatie (zo niet eerder, zoals geïntimeerde beweert) dan wel met ene overweldiging van het land in zich droegen; dat aan [eiser] en zijn broeder met eventuele verleende ontslagen met ingang van 17 November 1940 ook geen onrecht zou zijn aangedaan, gelijk in de considerans van de wet omschreven, daar zij zich van den aanvang der dienstbetrekkingen af moeten zijn bewust geweest van de tijdelijke duur ervan, haar verband met de mobilisatie en de mogelijkheid van ene beëindiging ervan gelijk deze er is geweest voor de niet-joodse werknemers, die eveneens in verband met de bedoelde buitengewone drukte waren tewerkgesteld, en met ingang van den dag van de opheffing van het Centraal Magazijn zijn ontslagen, en zij ([eiser] en zijn broeder) met het aanvaarden hunner dienstbetrekkingen de tijdelijke duur ervan, haar verband met de mobilisatie en de mogelijkheid van ene beëindiging ervan gelijk voorschreven hebben aanvaard; dat integendeel toewijzing van de ingestelde vordering [eiser] een onverwacht en onverdiend voordeel in de schoot zou werpen;
"dat [eiser] en zijn broeder hun loon tot 17 November 1940 is uitbetaald; dat uit het bovenstaande volgt, dat over de periode 17 November 1940 tot 5 Mei 1945 respectievelijk tot 26 October 1942 aan [eiser] en zijn broeder gene schadevergoeding dan wel schadeloosstelling gelijk bedoeld toekomt, daar deze laatste bij herziening van de met ingang van 7 September 1940 gegeven ontslagen slechts over den tijd van 7 September tot 17 November 1940 zou mogen worden berekend, en daarenboven het ontvangen loon daarop in mindering zou moeten worden gebracht, zodat zij ook over laatst- bedoelde periode niets te vorderen zouden hebben;
"dat indien het juist ware hetgeen de Staat aanvankelijk beweerde, dat [eiser] en zijn broeder tegelijk met de andere werknemers met ingang van 17 November 1940 wegens de opheffing van het Centraal Magazijn zijn ontslagen, dit in de beslissing in de onderhavige procedure gene verandering zou brengen; dat dan immers, zoals uit het bovenstaande volgt, de herziening van de ontslagen met toepassing van artikel 4, eerste lid sub A, der wet zou hebben geleid tot ontslagen wederom met ingang van 17 November 1940; dat dan immers de ontslagen waren verleend op een buiten de betrekking gelegen grond; dat de datum van het ontslag van [eiser] en zijn broeder - al dan niet eerder dan bij de niet-joodse werknemers -, nu hun het loon tot 17 November 1940 werd uitbetaald, in deze procedure dus voor de beslissing geen verschil maakt;
"dat uit het vorenstaande volgt, dat het vonnis van den Kantonrechter, die [eiser] in zijne vordering niet-ontvankelijk verklaarde, in zoverre weliswaar moet worden vernietigd, doch de vordering daarna moet worden ontzegd";
op welke gronden de Rechtbank het vonnis van den Kantonrechter heeft vernietigd voor zover [eiser] daarbij in zijn vordering niet-ontvankelijk is verklaard en dit vonnis voor het overige heeft bekrachtigd, en, verder rechtdoende, aan [eiser] de bij verzoekschrift in eerste instantie ingestelde vordering heeft ontzegd, met veroordeling van [eiser] in de kosten der procedure in hoger beroep, tot aan de uitspraak van het vonnis aan de zijde van den Staat begroot op f. 325 ;
Overwegende dat [eiser] tegen het vonnis der Rechtbank aanvoert de volgende middelen van cassatie: I. " Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 11 van de Wet, houdende Algemene Bepalingen der Wetgeving van het Koninkrijk, artikel 48 en artikel 59 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de artikelen 1 tot en met 13 van de Wet Rechtsherstel Overheidspersoneel 1946 (G 401), in het bijzonder artikel 6 dier Wet, en de artikelen 1 tot en met 11 van het Eerste Uitvoeringsbesluit van deze Wet (H 110);
omdat:
1º. De Rechtbank in haar voorschreven beslissing voorbijziet, dat het opheffen van het Centraal Kleding Magazijn op 17 November 1940 niet is geschied op een buiten de bezetting gelegen grond, waar immers deze opheffing plaats vond tijdens de bezetting, door de bezettende macht, als direct gevolg van het feit, dat de Duitse militaire autoriteiten de Nederlandse hadden verdreven en in haar plaatsen waren getreden, zodat bij gebreke van Nederlandse militairen blijkbaar naar het oordeel der Duitse bezettingsautoriteiten er geen Nederlandse militaire kleding en derhalve geen Centraal Kleding Magazijn nodig was;
2º. Ook al zou men aannemen, dat het opheffen van het Centraal Kleding Magazijn is geschied op een buiten de bezetting gelegen grond, dan nog heeft de Rechtbank de bepalingen van de Wet Rechtsherstel Overheidspersoneel verkeerd toegepast en/of geschonden, waar immers - blijkens tekst en toelichting van deze wet - in een geval als het onderhavige, namelijk, wanneer een tijdens de bezetting opgeheven betrekking na de bevrijding niet weder is hersteld, niet artikel 6, lid 1 sub a, dezer Wet moet worden toegepast, doch artikel 6, lid 1 sub c, zijnde dit laatstgenoemde artikelgedeelte een bijzonder geval van het eerstgenoemde. De Rechtbank had derhalve, voorts met inachtneming van het bepaalde bij artikel 6, lid 2, der Wet Rechtsherstel Overheidspersoneel, de onderhavige ontslagen moeten verlenen met ingang van 1 Juni 1945 voor wat betreft eiser tot cassatie en met ingang van 26 October 1942 voor wat betreft eiser's broeder, die op laatstgenoemde datum is overleden (Gevorderd is loon tot respectievelijk 5 Mei 1945 en tot
26 October 1942).
3º. De Rechtbank overwoog in haar veertiende rechtsoverweging onder meer: "dat het ontslag van appellant (eiser tot cassatie) en zijn broeder ..... zijn grond zou hebben gehad buiten de bezetting - in de zin van artikel 6, eerste lid sub a, van de wet -, daar dit ontslag zijn grond zou hebben gehad in de aard, de bedoeling en de van de aanvang beoogde duur der dienstbetrekkingen ...... ". Waar artikel 6, eerste lid sub a, der wet luidt: "Indien een buiten de bezetting gelegen grond voor ontslag is ontstaan" had de Rechtbank met een motivering, zoals zij heeft gebruikt, dit artikelgedeelte niet mogen toepassen en had niet mogen beslissen, zoals zij heeft gedaan, dat eiser's vorderingen moeten worden ontzegd.
4º. De Rechtbank heeft in haar vonnis bovendien artikel 11 van de Wet, houdende Algemene Bepalingen, geschonden door in haar veertiende rechtsoverweging onder meer te beslissen: "dat aan appellant en zijn broeder met eventuele verleende ontslagen met ingang van 17 November 1940 ook geen onrecht zou zijn aangedaan, gelijk in de considerans van de wet omschreven ...... ", en voorts: "dat integendeel toewijzing van de ingestelde vordering den appellant een onverwacht en onverdiend voordeel in de schoot zou werpen" ( einde veertiende rechtsoverweging). Daargelaten, of bij toewijzing van eiser's vorderingen hem zulk een onverwacht en onverdiend voordeel in de schoot zou zijn geworpen - hetgeen eiser tot cassatie bestrijdt -, had de Rechtbank zich deze vraag niet mogen stellen, hebbende de Rechter, aldus doende, zich op de plaats van de wetgever gesteld. De Rechtbank had de Wet Rechtsherstel Overheidspersoneel moeten toepassen, zoals eiser tot cassatie in dit middel onder 2 heeft aangegeven, daar de wetgever in de Wet Rechtsherstel Overheidspersoneel reeds heeft beslist, wat billijk wordt geacht en op welke wijze de verleende ontslagen moeten worden herzien.
II. Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 48, 56 en 355 tot en met 358 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,
doordat de Rechtbank in haar hierboven aangehaalde beslissing d.d. 1 Mei 1951 "bekrachtigende het vonnis van de Kantonrechter te [woonplaats] d.d. 26 Augustus 1948 tussen partijen gewezen en verder rechtdoende, ontzeggende den appellant de bij verzoekschrift in eerste instantie ingestelde vordering, appellant ([eiser]) heeft veroordeeld in de kosten dezer procedure in hoger beroep, tot aan de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van geintimeerde begroot op f. 325 .- , heeft nagelaten de kosten van het incidenteel appel aan de zijde van incidenteel geintimeerde ([eiser]) ten laste van incidenteel appellant (de Staat) te brengen, hetgeen de Rechtbank had behoren te doen, daar incidenteel appellant, voor zover betreft het incidenteel appel in het ongelijk is gesteld - immers de Rechtbank heeft het vonnis van de Kantonrechter bij haar voorschreven beslissing bekrachtigd - en incidenteel geintimeerde, zowel bij conclusie van antwoord in het incidenteel appel als bij conclusie na verwijzing uitdrukkelijk heeft geconcludeerd tot veroordeling van incidenteel appellant in de kosten van het incidenteel appel".
Overwegende dat de Staat bij conclusie van antwoord in cassatie deze middelen heeft bestreden en, doch alleen voor geval het beroep in cassatie van [eiser] gegrond zou worden geoordeeld, het volgende incidentele middel van cassatie heeft voorgesteld:
"Schending of verkeerde toepassing van dezelfde artikelen als door [eiser] in zijn eerste middel aangehaald benevens van de artikelen 5 en 134 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat de Rechtbank de uitspraak van de Kantonrechter, strekkende tot niet-ontvankelijkheid heeft vernietigd; zulks ten onrechte daar de door de Kantonrechter aan artikel 2 sub 3 der wet van 28 December 1946, G.401 gegeven uitlegging was juist, immers was de enige redelijke interpretatie der wet, althans de
Kantonrechter terecht de ingestelde vordering op grond van die bepaling niet-ontvankelijk heeft verklaard".
Overwegende dat het eerste door [eiser] voorgestelde middel niet tot cassatie kan leiden;
Overwegende immers:
ten aanzien van onderdeel 1:
dat de in dit onderdeel bestreden beslissing, dat de opheffing van het Centraal Magazijn op 17 November 1940 voor [eiser] en zijn broeder zou zijn geweest een buiten de bezetting gelegen grond voor ontslag in den zin van artikel 6, eerste lid onder a, van de Wet rechtsherstel overheidspersoneel 1946, mede berust op een waardering van feitelijke omstandigheden waarvan de juistheid in cassatie niet kan worden onderzocht; dat daaruit volgt, dat deze beslissing slechts dan met vrucht in cassatie kan worden aangetast, indien de feiten insluiten, dat de Rechtbank niet zonder miskenning van de betekenis van de genoemde wetsbepaling tot haar beslissing had kunnen komen;
dat dit geval zich niet voordoet, en met name uit het in dit onderdeel van het middel aangevoerde - daargelaten in hoeverre het feitelijken grondslag heeft in het bestreden vonnis - niet noodzakelijk voortvloeit, dat de opheffing van het Centraal Magazijn niet is geschied op een buiten de bezetting gelegen grond;
ten aanzien van onderdeel 2:
dat artikel 6 blijkens zijn aanhef alleen betrekking heeft op gevallen, dat het ontslag niet in feite is verleend op een buiten de bezetting gelegen grond; dat immers de maatregel, bedoeld in artikel 4, eerste lid B onder a, is de maatregel van wederindienstneming, welke in evenbedoelde bepaling wordt voorgeschreven voor de "andere gevallen", dat wil zeggen: de gevallen, dat het ontslag niet in feite op een buiten de bezetting gelegen grond is gegeven; dat dan ook het bepaalde in artikel 6, eerste lid onder c, alleen toepassing kan vinden bij een opheffing op een niet buiten de bezetting gelegen grond, en kennelijk bedoelt te voorzien in de omstandigheid, dat, in verband met de niet-wederinstelling van den dienst na de bevrijding, wederindienstneming, ook al is dan de opheffing destijds op een niet buiten de bezetting gelegen grond geschied, onmogelijk is; dat hieruit volgt, dat voor het onderhavige geval - waarbij naar de, blijkens het besliste op onderdeel 1 van het middel, tevergeefs bestreden beslissing van de Rechtbank van een opheffing op een buiten de bezetting gelegen grond sprake is - artikel 6, eerste lid onder c, geen betekenis kan hebben; dat de bij de toelichting van het middel verdedigde opvatting, als zoude in een geval als het onderhavige - opheffing van een dienst na een op een niet buiten de bezetting gelegen grond gegeven ontslag - de toepassing van het bepaalde onder a van artikel 6, eerste lid, des dat voor dit geval een opheffing van een dienst ook op een buiten de bezetting gelegen grond desondanks naar het voor c geldende zou moeten worden behandeld, geen steun vindt in de wet en trouwens een kwalijk te verdedigen verschil in behandeling zou medebrengen van hen, die op het ogenblik van de opheffing van den dienst op een buiten de bezetting gelegen grond nog in dienst zijn, tegenover hen, die vóór de opheffing zijn ontslagen op een niet buiten de bezetting gelegen grond;
ten aanzien van onderdeel 3:
dat dit onderdeel faalt, omdat artikel 6, eerste lid onder a, aldus moet worden gelezen, dat het van toepassing is, indien, na het aan den betrokkene verleende ontslag, alsnog een omstandigheid zich voordoet, welke, ware betrokkene niet reeds ontslagen, tot zijn ontslag zou hebben geleid;
ten aanzien van onderdeel 4:
dat dit onderdeel feitelijken grondslag mist, daar de Rechtbank niet, gelijk het onderdeel meent, de billijkheid boven de wet heeft gesteld, doch heeft geoordeeld, dat de juistheid van de door haar op andere gronden verdedigde wetsuitlegging bevestiging vindt in de billijkheid van het daarmee in het onderhavige geval bereikte resultaat;
Overwegende dat het tweede door [eiser] voorgestelde middel gegrond is;
dat immers de Hoge Raad in zijn hierboven vermelde arrest van 8 December 1950, na de door de Rechtbank op het incidentele appèl gegeven beslissing te hebben vernietigd, niet ten principale heeft recht gedaan, doch de zaak in zijn gehelen omvang naar de Rechtbank heeft verwezen;
dat de Rechtbank dan ook terecht opnieuw de in het incidentele appèl aangevoerde grief heeft onderzocht en eerst na ongegrondbevinding daarvan tot behandeling van het principale appèl is overgegaan;
dat, nu zowel het principale als het incidentele beroep door de Rechtbank ongegrond werd bevonden, voor elk afzonderlijk een beslissing over de kosten had moeten zijn gegeven, in dier voege dat ten aanzien van elk der beide beroepen de appellant in de kosten werd veroordeeld;
Overwegende dat het incidentele cassatieberoep door den Staat is ingesteld voor geval het beroep in cassatie gegrond zou worden geoordeeld; dat de Hoge Raad deze voorwaarde, overeenkomstig de kennelijke bedoeling van den Staat, aldus opvat, dat alleen gedacht moet worden aan gegrondbevinding van een der onderdelen van het eerste middel van [eiser]; dat de voorwaarde, aldus opgevat, niet is vervuld, zodat het incidentele beroep buiten behandeling moet blijven;
Overwegende dat de gegrondheid van het tweede door [eiser] voorgestelde middel meebrengt, dat het bestreden vonnis niet geheel in stand kan blijven;
dat, nu uit het bestreden vonnis niet blijkt, of onder de kosten van de procedure in hoger beroep, waarin [eiser] is veroordeeld, de kosten van het incidentele appel begrepen zijn, de Hoge Raad deze kostenveroordeling moet vernietigen en, ten principale rechtdoende, zowel voor de kosten van het principale als voor die van het incidentele appel een beslissing zal geven;
Overwegende ten aanzien van de kosten op het principale beroep in cassatie gevallen, dat de Hoge Raad, nu de partijen over en weder op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, termen vindt de kosten van het principale beroep te compenseren gelijk hieronder zal geschieden;
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch slechts in zoverre als [eiser] daarbij is veroordeeld in de kosten der procedure in hoger beroep;
Verwerpt het principale beroep voor het overige;
Rechtdoende ten principale: Veroordeelt [eiser] in de kosten op het principale appel gevallen, tot aan deze uitspraak aan de zijde van den Staat begroot op driehonderd gulden; Veroordeelt den Staat in de kosten op het incidentele appèl gevallen, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op een honderd vijftig gulden;
Compenseert de kosten op het principale cassatieberoep gevallen in dier voege, dat [eiser] voor twee derde gedeelte zal bijdragen in de kosten van den Staat, welke in hun geheel tot aan deze uitspraak worden begroot op zeven en dertig gulden vijftig cents voor verschotten en vierhonderd vijftig gulden voor salaris.
Gedaan bij de Heren Donner, President, van der Meulen, Hijink, Losecaat Vermeer en de Jong, Raden, en door den oudsten Raadsheer van der Meulen uitgesproken ter openbare terechtzitting van den acht en twintigsten Maart 1900 twee en vijftig, in tegenwoordigheid van den Procureur-Generaal.