Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/3.5.0
3.5.0 Introductie
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS301320:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Internationaler Kommentar zur EMRIC(MiehslerNogler), aant. 377 op art. 6 EVRM.
Vélu/Ergec (1990), nr. 478.
Negatief geformuleerd stelt de ECRM het aldus dat 'the failure to give reasons for a judgment can raise issues as to the fairness of the proceedings', vgl. o.a. ECRM 2 juli 1991,1227586, DR 70, p. 47, en ECRM 30 maart 1992,1595790, DR 72, p. 195.
Zie daarover J.M. Barendrecht (1993), p. 35 e.v. Ik ga hier niet in op de vraag in hoeverre rechterlijke vonnissen voor leken begrijpelijk zijn. Op 2 maart 2006 is daarover het symposium 'De begrijpelijkheid van de rechtspraak' gehouden dat zijn weerslag in boekvorm heeft gekregen in de gelijknamige bundel onder redactie van M. Malsch en N. van Manen (2007); de geïnteresseerde lezer zij daarnaar verwezen. De Raad voor de rechtspraak noemt in dit verband in haar 'Agenda voor 2008-2011' onder meer dat één van de speerpunten zal zijn de verbetering van de motivering van rechterlijke vonnissen.
Snijders, Ynzonides en Meijer (2007), nr. 40, met het oog op de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling.
Vgl. Burg. Rv (Wesseling-van Gent, E.M.), aant. 2 op art. 30 Rv. 'Een gunstig nevenaspect van de motiveringsplicht is de controle die de rechter door het opstellen van de motivering uitoefent op de houdbaarheid van zijn eigen beslissing. Motiveren dwingt de rechter te onderzoeken of de aanvankelijk gekozen oplossing deugdelijk is.'
EHRM 16 december 1992, Hadjianastassiou, serie A, vol 252, § 33.
EHRM 19 april 1994, Van de Hurk, serie A, vol 288, § 61. Zie ook EHRM 9 juli 2002, Polman, nr. 48 334/99. De Europese Commissie ging het Hof op dit punt reeds enkele malen vooraf. Zie ECRM 13 oktober 1986,10153182, DR 49, p. 67; ECRM 9 december 1986,10938184, DR 50, p. 98 en ECRM 14 juli 1987, 10412/83, DR 52, p. 128. Zie daarna nog ECRM 9 mei 1994, 15384/89, DR 77-B, p. 5 en ECRM 29 juni 1994, 20664/92, DR 78-B, p. 97 (beide strafzaken).
EHRM 9 december 1994, Ruiz Torija, serie A, vol 303-a, § 29 en EHRM 9 december 1994, Balani, serie A, vol 303-b, § 27.
In latere rechtspraak heeft het Hof herhaald dat de omvang van de motiveringsplicht afhangt van de aard van de beslissing en moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval; zie o.m. EHRM 29 mei 1997, Georgiadis, 21522/93, Reports 1997-111, § 43; EHRM 19 februari 1998, Higgins, 20124/92, Reports 1998-1, § 42 en EHRM 17 oktober 2000, Karakasis, nr. 38194/97, § 27.
Brenninkmeijer (1995), p. 520-522.
Zie EHRM 19 december 1997, Helle, 20772/92, Reports 1997-V111, § 60, respectievelijk EHRM 27 september 2001, Hirvisaari, 49684/99, § 31-33. Vgl. ook EHRM 9 juli 2002, Polman, 48334/99.
HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659 (DWFV). Zie ook HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 7. De wetsartikelen waarnaar de Hoge Raad in de eerstvermelde uitspraak verwijst, zijn inmiddels (afgezien van de grondwetsbepaling) gewijzigd: thans is de motiveringsplicht terug te vinden in art. 30, art. 230 lid 1 onder e en art. 287 lid 1 Rv, en in art. 5 en art. 79-80 Wet RO.
Korthals Altes (1993), p. 89 e.v.
Zie voor een toepassing HR 6 januari 1995, NJ 1995, 422 (EJD).
Als een belangrijke factor voor een gedifferentieerde motiveringsplicht geldt volgens Vranken (1995), nr. 235 e.v., voorts ook de stand van de discussie in literatuur en rechtspraak.
In HR 1 juli 1977, NJ 1978, 73 (GJS). Bij Korthals Altes, a.w., p. 98 e.v. en Burg. Rv (Korthals Altes, E.), aant. 9 op art. 79 Wet RO, vindt men nadere uitwerking en overzicht van de jurisprudentie aangaande de motiveringsgebreken.
In gelijke zin Brenninkmeijer (1995), p. 522.
'Dag ein Verfahren nicht mit einem Orakelspruch enden dart, versteht sich von selbst', aldus geven Miehsler en Vogler - zonder daaraan veel woorden vuil te maken, ongemotiveerd haast - de vanzelfsprekendheid van (een deugdelijke) motivering van rechterlijke beslissingen weer.1
Ook Vélu en Ergec menen: 'Le droit à un procés équitable exige, en régle, que les jugements soient motivés. Le principe se comprend aisément.'2 Maar zij omkleden hun uitspraak met redenen. De justitiabele moet zich ervan kunnen overtuigen dat recht is gedaan ('que la justice a été faite') en dat de over en weer aangedragen argumenten door de rechter zijn gewogen.3 Bovendien stelt de motivering van uitspraken de justitiabele in staat, op basis van de weergave van de door de rechter relevant geachte rechtsvragen en feitelijke vragen, zijn kansen in beroep in te schatten. Men vergelijke in dit verband art. 2 onder b van aanbeveling R(95)5:
'To enable the parties to assess whether they should exercise their right to appeal and to be able, wherever possible, to limit the appeal, the first court should be required by law to give clear and complete reasons for its decisions, using language which is readily understandable.'
Vélu en Ergec besluiten aldus: 'La motivation est donc un élément de transparance de la justice, inhérent à tout acte juridictionnel.' Transparantie, doorzichtigheid, duidelijkheid, daar gaat het om, opdat de rechtspraak als fair ervaren wordt en ook op zijn fairheid beoordeeld kan worden.
Hoezeer de motivering van rechterlijke beslissingen ook een functie heeft in relatie tot het publiek c.q. de maatschappij4, tot (hogere) collegarechters5 en tot hemzelf6, als onderdeel van het fair trial-beginsel uit art. 6 EVRM heeft de motivering toch vooral een functie ten opzichte van partijen. Zo zet De Waard het feit dat de motivering van een vonnis partijen in de gelegenheid stelt te beoordelen of zij daartegen zullen opkomen of niet in het licht van het verdedigingsbeginsel: partijen moeten weten waartegen zij zich teweer hebben te stellen.7
Welke eisen stelt Straatsburg aan de motivering van rechterlijke beslissingen? De richtlijnen worden door het Europees Hof aanvankelijk mondjesmaat aangeleverd. In het Hadjianastassiou-arrest lezen wij:
'The Contracting States enjoy considerable freedom in the choice of the appropriate means to ensure that their judicial systems comply with the requirements of Article 6. The national courts must, however, indicate with sufficient clarity the grounds on which they based their decision.'8
Precisering volgt in de zaak Van de Hurk. Voor een deugdelijke motivering is niet vereist dat in de rechterlijke uitspraak op alle door partijen relevant geachte argumenten en beschouwingen ter ondersteuning van hun stellingen wordt ingegaan. Het Europees Hof beoordeelt niet of op voldoende adequate wijze op de argumenten van partijen is ingegaan:
'Article 6 § 1 obliges courts to give reasons for their decisions, but cannot be understood as requiring a detailed answer to every argument. Nor is the European Court called upon to examine whether arguments are adequately met:9
Uitgesproken overwegingen ten aanzien van de motiveringsplicht vinden wij voorts in twee arresten uit 1994, waarin gelijkluidend door het Europees Hof wordt overwogen:
'The Court reiterates that Article 6 § 1 obliges the courts to give reasons for their judgments, but cannot be understood as requiring a detailed answer to every argument (see the Van de Hurk v the Netherlands judgment of 19 April 1994, series A no. 288, p. 20, § 61). The extent to which this duty to give reasons applies may vary according to the nature of the decision. It is moreover necessary to take into account, inter alia, the diversity of the submissions that a litigant may bring before the courts and the differences existing in the Contracting States with regard to statutory provisions, customary rules, legal opinion and the presentation and drafting of judgments. That is why the question whether a court has failed to fulfil the obligation to state reasons, deriving from Article 6 of the Convention, can only be determined in the light of the circumstances of the case.'10
Uit het citaat wordt duidelijk dat aan de nationale rechter een zekere vrijheid wordt toegekend ten aanzien van de mate van motivering. Zulks hangt niet alleen af van de aard van de beslissing, maar ook bijvoorbeeld van de mate waarin een procespartij in de procedure naar voren gebrachte argumenten aan het oordeel van een gerecht kan onderwerpen. Voorts moet rekening worden gehouden met de verschillen in de lidstaten met betrekking tot beschikkingen, gewoonte, doctrine en de presentatie en opbouw van rechterlijke uitspraken.11
Om het onderstreepte gedeelte was het in de beide arresten te doen: i.c. verplichtte het Spaanse toepasselijke procesrecht de appelrechter om in te gaan op alle relevante argumenten, ook die welke in eerste aanleg waren opgeworpen, doch in appel niet meer expliciet aan de orde waren gesteld. Nu zulks niet was geschied, constateerde het Europees Hof een schending van art. 6 EVRM. Gaan met dit oordeel van het Europees Hof nu de Nederlandse appel- en cassatiebeperkingen, voortvloeiend uit het grievenstelsel en de cassatieregeling, op de helling? Terecht meent Brenninkmeijer dat daarvan geen sprake kan zijn, nu het Europees Hof juist uitdrukkelijk rekening houdt met de vormgeving van het nationale procesrecht.12 Wat naar Spaans recht heeft te gelden, hoeft nog niet zo te zijn naar Nederlands recht. De omvang van de motiveringsplicht kan per land verschillen.
Zo heeft het Europees Hof beslist dat een hogere rechter de - uitgebreid beargumenteerde - motivering van een lagere rechter kan overnemen, mits hij de essentiële onderdelen daarvan in zijn uitspraak behandelt. Als de motivering van de lagere rechter evenwel gebrekkig is, kan de enkele verwijzing daarnaar door de hogere rechter echter strijd met art. 6 EVRM opleveren.13
Vergelijkt men de Nederlandse rechtspraak met de Straatsburgse, dan blijkt dat deze verder is uitgekristalliseerd.
Uitgangspunt vormt volgens de Hoge Raad
'dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtengang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Deze motiveringsplicht heeft uitdrukking gevonden in de art. 121 Grondwet (Gr.w), 20 Wet RO, 59 en 429k Rv. hoever zij gaat, hangt af van de omstandigheden van het geval.'14
Hoewel het van de omstandigheden van het geval afhangt hoever de motiveringsplicht reikt, zijn uit de Nederlandse - los van art. 6 EVRM staande - jurisprudentie wel enkele grote lijnen te trekken ten aanzien van de omvang van de motiveringsplicht. Korthals Altes15 en Wesseling-van Gent16 hebben deze lijnen - met verwijzing naar relevante jurisprudentie beschreven. Twee hoofdmotieven lopen overal doorheen:
De rechter moet op voor zijn beslissing relevante stellingen en verweren van partijen responderen. Hij mag essentiële stellingen niet onbesproken laten, doch hoeft anderzijds niet op al het door partijen aangedragene in te gaan indien dat niet van direct belang is voor de beslissing.17
De aard van de beslissing of van de procedure is van invloed op de motiveringsplicht: zo behoeven zuiver juridische beslissingen niet nader te worden gemotiveerd, evenmin als zuiver feitelijke beslissingen, zijn de motiveringseisen zwaarder naarmate de beslissing ingrijpender is voor (een der) partijen, of juist minder streng bij discretionaire beslissingen of beslissingen die gegrond zijn op een voorlopig c.q. oppervlakkig feitelijk onderzoek (zoals in kort geding of bij voorlopige voorzieningen).18
De Hoge Raad heeft voorts drie categorieën motiveringsgebreken onderscheiden, namelijk de onbegrijpelijke motivering, het verzuim essentiële stellingen van partijen te behandelen en kennelijke vergissingen bij de vaststelling van de feiten.19 Hieruit kan men afleiden dat een rechterlijke beslissing een consistente redengeving moet bevatten, een duidelijke respons moet zijn op de (essentiële) stellingen van partijen en gebaseerd moet zijn op juiste feitelijke vaststellingen.
Het lijkt mij niet al te gewaagd te stellen dat de in de Nederlandse jurisprudentie ontwikkelde criteria ten aanzien van de motiveringsplicht de toets van de - betrekkelijk schaarse - Straatsburgse rechtspraak wel kunnen doorstaan. Door Straatsburg worden minimumgrenzen gemarkeerd.20
Een tweede is of wij ons met deze constatering tevreden moeten stellen. Gezaghebbende schrijvers hebben om aandacht gevraagd voor enkele aspecten van de motiveringsplicht, welke ik in het licht van art. 6 EVRM zal plaatsen.