De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.4.2:12.4.2 Art. 2:350 lid 2 BW en art. 2:354 BW
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.4.2
12.4.2 Art. 2:350 lid 2 BW en art. 2:354 BW
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363653:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Afdeling 2 van Titel 2:8 BW bevat een tweetal aansprakelijkheidsbepalingen. In art. 2:350 lid 2 BW is vastgelegd dat, indien een verzoek om een enquêteonderzoek wordt afgewezen, de ondernemingskamer kan bepalen dat het verzoek niet op redelijke gronden is gedaan. De verzoekers kunnen dan bij de ondernemingskamer een eis instellen tot schadevergoeding. In art. 2:354 lid 4 BW is vastgelegd dat de kosten van het enquêteonderzoek (gedeeltelijk) kunnen worden verhaald op verzoekers indien uit het onderzoeksrapport blijkt dat op onredelijke gronden is verzocht om een enquêteonderzoek. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepalingen dienen om misbruik tegen te gaan: verzoekers die de normale zorgvuldigheid in acht nemen en de wettelijke voorschriften in acht nemen hoeven niet voor aansprakelijkheid te vrezen.1 Het gaat bijvoorbeeld om het achterhouden van informatie door verzoekers.2
Art. 2:350 lid 2 BW en art. 2:354 lid 4 BW hebben derhalve wel iets weg van de bepalingen die verbieden om tegen beter weten in strafrechtelijke aangiftes te doen. Art. 188 Sr verbiedt het om aangifte te doen van een strafbaar feit, terwijl men weet dat het niet is gepleegd en art. 268 Sr verbiedt het om de eer en goede naam van iemand aan te tasten door middel van een valse strafrechtelijke aangifte.
Uit de tekst van art. 2:350 lid 2 BW en art. 2:354 lid 4 BW lijkt te volgen dat deze aansprakelijkheid alleen rust op de partij die een verzoek als bedoeld in art. 2:345 BW doet. Derhalve tot degene die verzoekt om het instellen van een enquêteonderzoek en slechts geldt voor de schade die uit dat verzoek voortvloeit. Een expliciete equivalent ten aanzien van specifieke (onmiddellijke) voorzieningen komt ook niet voor in de wet. Ik ben vooralsnog niet bekend met rechtspraak en literatuur over de vraag of art. 2:350 lid 2 BW en art. 2:354 BW ook kunnen worden toegepast op een partij die verzoekt om (onmiddellijke) voorzieningen.
Hoe dan ook bieden art. 2:350 lid 2 BW en art. 2:354 BW in de praktijk weinig mogelijkheden om de schade te verhalen die is geleden als gevolg van (onmiddellijke) voorzieningen in een beschikking die later wordt vernietigd. Een verzoek zal immers in de regel niet op onredelijke gronden zijn gedaan, indien het de ondernemingskamer zo ver krijgt om (onmiddellijke) voorzieningen te treffen. Dat is anders indien achteraf blijkt dat de ondernemingskamer door de verzoeker is voorgelogen over de feiten en de ondernemingskamer daarin is getrapt, of feiten opzettelijk zijn verzwegen en de overige partijen dat niet hebben gecorrigeerd. Dat zal echter in cassatie lastig aan de orde te stellen zijn.3 In cassatie kunnen juridische missers van de ondernemingskamer wel aan de orde gesteld worden, maar art. 2:350 lid 2 BW en art. 2:354 BW lijken dan geen soelaas te bieden, omdat verzoekers niet verantwoordelijk zijn voor hoe de ondernemingskamer de wet interpreteert.
Partijen, die schade hebben geleden door (onmiddellijke) voorzieningen die zijn getroffen in een beschikking die later is vernietigd, zullen derhalve niet of hooguit zelden een vorm van redres vinden in Afdeling 2 van Titel 2:8 BW.