Hof Amsterdam, 07-03-2023, nr. 200.294.884/01
ECLI:NL:GHAMS:2024:1759
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
07-03-2023
- Zaaknummer
200.294.884/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2024:1759, Uitspraak, Hof Amsterdam, 25‑06‑2024; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2023:567, Uitspraak, Hof Amsterdam, 07‑03‑2023; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
- Vindplaatsen
TvHB 2023/12, UDH:TvHB/17776 met annotatie van mr. A. de Fouw
Uitspraak 25‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Huur bedrijfsruimte. Na bewijslevering (getuigenverhoor) is gestelde toezegging dat huurster tot haar pensioen de bedrijfsruimte mocht blijven exploiteren, komen vast te staan. Bekrachtiging vonnis kantonrechter en vaststelling nieuwe beëindigings- en ontruimingsdatum. Wetsartikelen: 7:295 lid 1 BW, 7:296 lid 1 aanhef en onder b BW, 164 Rv.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.294.884/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 8196760 CV EXPL 19-24948
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 juni 2024
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. L.H. Haarsma te Paterswolde,
tegen
LEISURE INTERNATIONAL NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D.A. Boor te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en Leisure genoemd.
1. Het geding in hoger beroep
In deze zaak heeft het hof op 7 maart 2023 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dat arrest verwezen.
Ter uitvoering van de haar bij het tussenarrest gegeven bewijsopdracht heeft [appellant] op 6 september 2023 en 26 januari 2024 getuigen doen horen.
Vervolgens hebben partijen de resultaten van de bewijslevering besproken in daartoe strekkende memories, waarbij [appellant] nog producties in het geding heeft gebracht.
Ten slotte is weer arrest gevraagd.
2. De verdere beoordeling
Recapitulatie
2.1
In het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat het beroep van Leisure op dringend eigen gebruik van de gehuurde bedrijfsruimte slaagt en dat de grieven I tot en met IX, die daarop betrekking hebben, daarom falen en dat grief X, die gaat over de belangenafweging, om die reden niet hoeft te worden behandeld. Vervolgens is [appellant] in het kader van de behandeling van grief XI toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat [naam 1] (hierna: [naam 1] ), destijds [functie] van Leisure, in het kader van de onderhandelingen over de wijziging van de huurovereenkomst per 1 januari 2010 aan haar heeft toegezegd dat zij de souvenirwinkel in het [hotel] tot haar pensioen mocht blijven exploiteren. De behandeling van de onzelfstandige slotgrief is eveneens aangehouden.
De getuigenverhoren
2.2
[appellant] heeft in totaal tien getuigen laten horen.
2.2.1
[naam 2] heeft als getuige, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:
(…) Ik ben sinds 2007 de boekhouder van [naam 3] . Toen werkte [appellant] nog samen met [naam 4] .
(…)
Ik deed ieder jaar de aangifte IB voor [appellant] en naar aanleiding daarvan heb ik haar een keer gevraagd naar haar toekomstverwachtingen. Zij heeft mij toen verteld dat zij de toezegging had gekregen dat zij tot haar pensioen in de winkel mocht blijven. Ik vroeg haar dit omdat het voor een zelfstandige belangrijk is om te weten of je in de toekomst ook inkomen zult hebben. Zij had geen pensioenopbouw. Ik ben ervan uitgegaan dat “pensioen” betekende de AOW-leeftijd, maar ik heb dat niet zo met haar besproken. Ik heb dat zelf zo geïnterpreteerd. Ik heb haar gevraagd wie die toezegging had gedaan en zij vertelde dat dat de [functie] zou zijn geweest. Het was voor mij duidelijk dat het een mondelinge toezegging was geweest. (…)
U vraagt mij wat de exacte bewoordingen zijn geweest die [appellant] heeft gebruikt, en zover ik mij kan herinneren was dat: “Ik mag tot mijn pensioen daar blijven”. Ik weet niet meer of [appellant] mij ook heeft verteld waarom de toezegging was gedaan. Dit gesprek heeft al meer dan tien jaar geleden plaatsgevonden.
(…)
2.2.2
[naam 5] heeft als getuige, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:
Ik ken [appellant] via mijn dochter [naam 6] die in de jaren 2010 tot 2013 voor [appellant] heeft gewerkt in de winkel. Nu ik u dit hoor dicteren zeg ik dat dat niet klopt, ze heeft er zeker zes of zeven jaar gewerkt en is ook eerder dan 2010 begonnen. (…)
Ik heb een keer in de plaats van mijn dochter de winkel opengemaakt, omdat mijn dochter verhinderd was. Toen kwam [appellant] en zei tegen mij: “Ik heb goed nieuws. Ik mag blijven tot mijn pensioen”. Ik weet niet waarom haar die belofte was gedaan. Ik had van mijn dochter wel iets gehoord over verbouwingen, maar het enige wat ik weet is dat [appellant] heel erg blij was met de belofte dat ze mocht blijven. [appellant] en ik hebben het er niet over gehad wat ‘pensioen’ betekende. Ik ging uit van 65 jaar.
Mijn dochter was ongeveer 17/18 jaar toen zij voor [appellant] ging werken. Zij is nu 38 jaar.
(…)
2.2.3
[naam 7] heeft als getuige, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:
[appellant] en ik zijn al vriendinnen sinds de jaren 80.
(…) Ter voorbereiding op dit getuigenverhoor heb ik in mijn oude agenda’s gekeken en in de agenda van 2010 vond ik op 12 maart 2010 de aantekening “Ellen [hotel] ”. [appellant] is [appellant] . Op die datum heeft zij mij verteld dat de [functie] van het [hotel] tegen haar had gezegd dat zij mocht blijven tot haar pensioen. Dat zijn de woorden die zij heeft gebruikt. Ik schrijf altijd alles op in mijn agenda, dat is een soort bijbel voor mij. Ik had op die dag met [appellant] een afspraak in het [hotel] .
Volgens mij werd in die periode de lobby van het hotel verbouwd. Zij kreeg toen een kleinere winkel en ik denk dat de [functie] toen heeft gezegd: “Je hebt een kleinere winkel, maar je mag tot je pensioen blijven”. Dus als een soort ruil. Ik weet dat het een mondelinge afspraak was. (…) Toen [appellant] mij over de toezegging vertelde, was die kort daarvoor gedaan en was de winkel al verkleind. Ik wist dat zij daar niet zo blij mee was. Ik heb aangenomen dat met ‘pensioen’ de AOW-leeftijd werd bedoeld, maar we hebben het daar niet over gehad.
(…)
2.2.4
[naam 8] heeft als getuige, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:
Ik ken [appellant] al sinds begin jaren 80. Zij was getrouwd met mijn broer tot 2003. (…)
In 2011 woonde ik in Shanghai. Ik sprak toen met mijn broer. [appellant] was op dat moment gescheiden van haar nieuwe partner. Ik bedoel daarmee niet mijn broer, maar haar partner daarna. Die partner stond op dat moment nog borg voor een hypotheeklening. Zij vorderde in kort geding opheffing van die borgstelling. [appellant] had in verband daarmee een lening nodig. (…) Mijn broer vertelde me over de situatie van [appellant] en zo kwam de vraag aan de orde of ik die extra lening wilde verstrekken. De winkel draaide op dat moment goed. Mijn broer vertelde me dat [appellant] de toezegging had gekregen dat zij tot haar pensioen de winkel mocht houden. Dit gesprek vond plaats in januari 2011. Ik denk dat het rond 25 januari moet zijn geweest. Mijn broer vertelde me dat de toezegging aan [appellant] was gedaan door de [functie] van [hotel] .
(…)
De toezegging waarover mijn broer vertelde was bedoeld om het vertrouwen te versterken dat de lening zou worden terugbetaald. (…)
2.2.5
[naam 9] heeft als getuige, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:
Ik ken [appellant] van (…) de souvenirwinkel in het [hotel] . [appellant] heeft deze winkel overgenomen van mijn oom. (…) Ik leverde artikelen aan de winkel.
(…) Ik weet dat aan [appellant] is beloofd dat zij in de winkel mocht blijven. Dat heeft zij mij zelf verteld. Ik kan mij niet herinneren dat daarbij een specifieke einddatum is benoemd. Mijn oom mocht tot zijn pensioen blijven. Je mag aannemen dat de nieuwe ondernemer ook haar termijn mag afmaken, maar dat is een aanname van mijzelf.
[appellant] en ik spraken kort over de winkel. Toen heeft zij mij van de toezegging verteld. Ik wist dat er een dispuut was met het [hotel] , maar ik weet niet precies waar dat over ging. De toezegging dat [appellant] haar winkel mocht houden is gedaan door de directeur. Ik weet geen naam van die directeur, maar het was de directeur die in die tijd in functie was. Het gesprek waar ik op doel heeft zeker tien jaar geleden plaatsgevonden. Bij nader inzien herinner ik mij dat [appellant] en ik twee keer over de kwestie hebben gesproken. Dat was nadat zij een gesprek met de directeur had gehad. Ik weet niet exact wanneer de toezegging is gedaan. Ik neem aan kort voor ik met [appellant] sprak. We spraken elkaar in die tijd ongeveer één keer per kwartaal. Ik kan mij niet herinneren dat wij hebben gesproken over een tegenprestatie in ruil voor de toezegging.
(…)
2.2.6
[naam 10] heeft als getuige, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:
(…)
Indertijd verkochten wij T-shirts aan de winkel van [appellant] . Omdat de winkel veel kleiner werd werd ons gevraagd de T-shirts weg te halen. Daarna werd ons gevraagd of we op een avond de winkel weer wilden inrichten. Dat hebben we gedaan. Toen ik [appellant] zag zei ik tegen haar: jij bent er ook niet op vooruit gegaan, je zit nu in een soort grote kast. [appellant] antwoordde dat zij er in zoverre wel op vooruit was gegaan dat zij er wel mocht blijven zitten.
Ik neem aan dat ze bedoelde dat ze er tot haar pensioen mocht blijven zitten. Ze heeft dat niet met zoveel woorden gezegd, maar zo heb ik dat begrepen. Ze had immers een mooie winkel ingeruild tegen een grote kast. De precieze woorden die [appellant] heeft gebruikt kan ik mij niet herinneren, daarvoor is het te lang geleden.
U vraagt mij wat ik met pensioen bedoel, omdat het hier om een zelfstandige gaat. Voor een normaal mens was pensioen destijds 65 jaar. Met pensioen bedoel ik inderdaad, zoals u zegt, de AOW-leeftijd.
Dit gesprek vond dus plaats in exact de periode dat [appellant] van een grotere naar een kleinere winkel ging.
(…)
2.2.7
[naam 11] heeft als getuige, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:
Mevrouw [appellant] , [appellant] , is de zus van mijn echtgenote.
Ik weet dat het vandaag erover gaat dat er een probleem is ontstaan omdat [appellant] een opzegging heeft gekregen van de huur van haar winkel, waaraan ze geen gehoor heeft gegeven. Zij heeft daaraan geen gehoor gegeven omdat zij in 2010 de winkel sterk heeft moeten verkleinen. Zij maakte zich er toen erg druk over of zij haar omzet wel zou blijven maken. (…)
Ik heb haar destijds gevraagd hoe het zat met haar huurcontract. Zij vertelde dat zij voor de kleinere winkel ook minder huur ging betalen. Ik vroeg: en hoe is het dan verder met het huurcontract?. Zij antwoordde dat de directeur haar had gezegd dat zij tot haar pensioen daar mocht blijven zitten. U wijst mij erop dat [appellant] een zelfstandige is en u vraagt mij wat pensioen dan is. Het gaat er om dat ze mocht blijven tot ze zelf zou willen stoppen. Ik weet niet meer in welke exacte bewoordingen [appellant] dit heeft gezegd, maar de strekking van wat ze zei was dat ze zich niet druk hoefde te maken, omdat ze kon blijven totdat ze wilde stoppen.
Ik heb niet tegen [appellant] gezegd dat het verstandig zou zijn de mondelinge toezegging schriftelijk te laten vastleggen. Ik heb als ex-detaillist ervaring met huurcontracten en ging er op basis van wat mijn makelaar vroeger tegen mij zei, van uit dat opzegging door de verhuurder niet mogelijk was.
(…)
2.2.8
[naam 12] heeft als getuige, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:
Op de vorige zitting heeft mijn moeder bij u een verklaring afgelegd. (…)
Ik ben rond mijn 16e in het winkeltje van mevrouw [appellant] , ik noem haar [appellant] , gaan werken. De winkel was toen een stuk groter dan die later was. Ik heb toen te horen gekregen dat er een verbouwing zou komen en na de verbouwing ben ik er weer gaan werken. [appellant] zei toen dat het een stuk kleiner was geworden, maar ik kan mij niet herinneren hoe [appellant] daar tegenover stond.
(…)
Ik weet dat de winkel voor [appellant] haar leven is, dat zij daarin veel heeft geïnvesteerd, en dat ze de winkel wilde blijven runnen. Ik weet dat [appellant] in de winkel kon blijven werken. Niet voor een bepaalde tijd, maar, inderdaad, zoals u zegt, totdat ze erbij neerviel. Ik kan mij herinneren dat [appellant] op een gegeven moment met spullen de winkel binnenkwam en toen heel blij tegen mij zei dat ze tot haar pensioenleeftijd in de winkel kon blijven. U wijst mij erop dat ik nu het woord pensioen gebruik. Dat woord heeft [appellant] echt gezegd.
U vraagt mij wat pensioen is voor een zelfstandige. Dat was destijds 65 jaar. Dat is inderdaad de AOW-leeftijd.
2.2.9
[naam 1] heeft als getuige, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:
Ik weet waar het vandaag hier over gaat. Ik heb daarover 2 jaar geleden een schriftelijke verklaring afgelegd. Wat daarin staat is juist. Ik blijf daarbij. (…)
Ik weet dat ik de toezegging die mevrouw [appellant] zegt te hebben gekregen, niet heb gedaan omdat ik niet geautoriseerd was zulke toezeggingen te doen. Ik had een zeer beperkte power of attorney en daar hield ik me aan. Ik was niet bevoegd om contracten te sluiten voor een langere periode dan 24 maanden. Hoewel ik niet meer weet wat voor precieze gesprekken ik met mevrouw [appellant] heb gevoerd, kan ik dus wel zeggen dat ik niet heb toegezegd dat zij tot haar pensioen de winkel kon blijven drijven. Ik sprak met [appellant] in de Engelse taal. Als ik al een dergelijke toezegging zou hebben gedaan, zou die in het contract zijn vermeld.
Het huurcontract is opgesteld door onze juristen. In de onderhandelingen hebben wij het volgende aangeboden: een lagere huur, een huurvrije periode en vergoeding van de kosten van herinrichting. Ik heb met mevrouw [appellant] geen gesprek gehad over pensioen. Ik zou dat nooit hebben gedaan.
Voorafgaand aan de renovatie was er wel een discussie of we de huurovereenkomst helemaal zouden opzeggen. Het was echter het gemakkelijkst om de huurovereenkomst voort te zetten. De gesprekken over de verandering waren niet eenvoudig want de kapsalon moest verplaatst worden naar een ruimte in de kelder en de giftshop werd kleiner.
Ik weet niet meer met wie ik precies over de giftshop heb gesproken, maar ik heb in ieder geval minstens één keer met mevrouw [appellant] en mevrouw [naam 4] gezamenlijk gesproken.
(…) De enige concessies die wij (…) hebben gedaan zijn de eerder genoemde huurverlaging, huurvrije periode en vergoeding van de herinrichting kosten.
(…) Zoals ik al zei weet ik niet meer met wie ik precies heb gesproken, maar heb ik in ieder geval één keer met beide dames tegelijk gesproken. (…) Ik meen me te herinneren dat mevrouw [appellant] in het verleden wel huurachterstanden had gehad doordat ze moeite had de huur te betalen. Het was 2008 en midden in de crisis, er waren minder gasten en dat zal ook invloed hebben gehad op de omzet van de giftshop. Een lagere huur kwam dan ook wel goed uit. (…) Ik weet na 12 jaar niet meer exact wat is besproken.
(…) Het was voorheen een vrij grote en niet goed georganiseerde winkel en is daarna veranderd in een geheel gerenoveerde en goed ingerichte winkel. Ik herinner me niet dat mevrouw [appellant] daar overstuur over was. Zoals gezegd kwam een lagere huur wel goed uit. Ik herinner me wel dat na de voltooiing van de verhuizing mevrouw [appellant] overstuur was dat ze niet alle opbergruimte had die ze wilde, maar dat was toen ze er al in zat.
(…)
In mijn baan spreek ik dagelijks met zeer veel mensen. Ik herinner me dus ook niet 14 jaar na dato wat ik precies met mevrouw [appellant] heb besproken, maar, zoals gezegd, het is onmogelijk dat ik de gestelde toezegging heb gedaan, want daar was ik niet bevoegd toe en in mijn wereld werkt het niet zo dat je toezeggingen doet die je niet in het contract zet en vervolgens niet nakomt.
Op de vraag of het mogelijk is dat ik tegen mevrouw [appellant] heb gezegd: je hoeft je geen zorgen te maken, want je hebt een contract voor onbepaalde tijd, antwoord ik dat het mogelijk is dat ik haar erop heb gewezen dat ze een contract had van de inhoud zoals het was. Het contract bleef gelden en dat bepaalde haar rechten.
(…)
2.2.10: [appellant] heeft als partijgetuige, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:
(…)
Ik denk dat ik september/oktober 2009 voor het eerst heb gehoord over de renovatie van het hotel. De heer [naam 1] kwam toen de winkel in en vertelde dat ze gingen renoveren. Ik was toen al niet meer met mijn ex-partner [naam 4] . Zij en ik zaten in een vechtscheiding. Die was in 2007 begonnen en ten tijde van de renovatie nog in volle gang. Het was wel meteen duidelijk dat ik degene was die de winkel zou voortzetten. Het kan dus niet kloppen dat de heer [naam 1] , zoals hij zojuist heeft verklaard, over de renovatie met ons beiden heeft gesproken.
Op een gegeven moment kwam de heer [naam 1] met de tekeningen van de nieuwe situatie en daarna zijn we pas gaan overleggen. Dat overleg vond plaats op zijn kantoor. Ik schrok ervan dat ik in de nieuwe situatie een kleinere ruimte zou krijgen. Dat heb ik hem ook duidelijk gemaakt. Aan mijn reactie heeft hij dat wel kunnen merken. Het is onjuist dat een kleinere winkel met een lagere huur mij wel goed zou uitkomen. Een kleinere winkel betekent immers minder omzet. Dat is in de praktijk ook zo gebeurd. Het was een prima winkel zoals hij was: hij was goed te bereiken door dubbele deuren en door glas zichtbaar zowel vanaf de straat als vanuit het hotel. Dat alles was in de nieuwe situatie niet zo.
(…) Ik heb toen onderhandeld over de situatie na de renovatie, maar het is niet in mij opgekomen om de hele verandering te weigeren. Ik heb het aanvaard als een gegeven en ik wilde met de nieuwe ruimte positief doorgaan.
Ik heb over de inhoud van de bijsluiter bij de oorspronkelijke overeenkomst alleen met de heer [naam 1] gesproken. Wij hebben afgesproken dat ik mocht blijven zolang als ik wilde. Dat had ook een reden. Die winkels werden altijd verhandeld. Zelf heb ik de winkel ook van een ander overgenomen. De heer [naam 1] wilde niet dat er na mij nog een winkel zou zijn, dus nadat ik was gestopt zou het afgelopen zijn.
Ik weet nog precies dat dit was op 7 maart 2010. De heer [naam 1] zei: je kunt zo lang blijven als je wilt, maar je kunt het bedrijf niet verkopen. De heer [naam 1] heeft het contract voorgelezen en toen heb ik het ondertekend. (…) Ik was me ervan bewust dat de toezegging niet in het contract stond, maar ik heb de heer [naam 1] op zijn woord vertrouwd. Dit was de eerste verbouwing sinds 1975, dus ik heb er nooit over nagedacht dat dit nog een keer zou kunnen gaan gebeuren. Pensioen is niet iets wat ik met de heer [naam 1] heb besproken. Het is niet juist dat de heer [naam 1] , zoals hij heeft verklaard, om mij gerust te stellen slechts heeft verwezen naar de inhoud van het contract zoals dat in stand bleef. Zolang als ik wilde, dat is wat hij gezegd heeft.
(…)
Ik ben er altijd van uitgegaan dat deze toezegging uit coulance werd gegeven. De onderhandelingen waren niet moeilijk. Ik heb niet dwarsgelegen. (…)
Dat ik mocht blijven totdat ik ermee zou stoppen heeft mij destijds veel rust gegeven. Ik was daar erg blij mee en ik heb het destijds aan iedereen verteld. Daardoor wist ik zoveel jaren later nog wie ik als getuige zou kunnen vragen.
(…)
Het is niet juist dat ik omstreeks 2008 betalingsproblemen zou hebben gehad.
(…)
In de periode tussen het gesprek met de heer [naam 1] en de opzegging heb ik wel eens een aanbod gehad om de winkel te verkopen. Ik heb dat aanbod niet aangenomen omdat ik gewoon door wilde werken in de winkel.
(…)
Ik heb tegen de heer [naam 1] wel gezegd dat ik het jammer vond dat ik een kleinere ruimte kreeg, maar ik heb geprobeerd de verandering positief te benaderen. (…)
De heer [naam 1] en ik spraken Engels met elkaar en af en toe ook Nederlandse woorden daar tussendoor. De zin ‘blijven zolang als ik wilde’ zal waarschijnlijk in het Engels zijn gezegd. Ik weet niet of de heer [naam 1] het woord indefinite heeft gebruikt.
Ik heb tegen de mensen in mijn omgeving gezegd dat ik mocht blijven totdat ik wilde stoppen. In dat verband gebruik je dan snel het woord pensioen. Toen ik de getuigen heb benaderd heb ik ze verteld wat er speelde en ze gevraagd of ze nog wisten wat er toen was gebeurd. Dat was een open vraag.
(…)
Is de gestelde toezegging komen vast te staan?
2.3
Het hof stelt voorop dat op [appellant] de bewijslast rust van de door haar gestelde toezegging en dat aan de getuigenverklaring van [appellant] zelf slechts een beperkte bewijskracht toekomt. Dit wil zeggen dat er aanvullende bewijzen moeten zijn die zo sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de partijgetuigenverklaring van [appellant] voldoende geloofwaardig maken. Vastgesteld kan worden dat, afgezien van [appellant] , alle getuigen die bevestigen dat de gestelde toezegging is gedaan, hun kennis ontlenen aan wat [appellant] heeft gezegd tegen hen of, in het geval van de getuige [naam 8] , tegen nog weer aan ander. Op zichzelf is niet uitgesloten dat het bewijs van een partijgetuigenverklaring met verklaringen van horen zeggen kan worden aangevuld, maar naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van de getuigen Van [naam 2] , [naam 5] , [naam 7] , Van [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] en [naam 12] daarvoor niet overtuigend genoeg.
2.4
Redengevend daarvoor is om te beginnen het feit dat alle hiervoor met name genoemde getuigen behalve [naam 9] en [naam 10] hebben verklaard dat [appellant] tegen hen heeft gezegd dat zij de toezegging had gekregen dat zij tot haar pensioen in het gehuurde mocht blijven. Zelf heeft [appellant] echter verklaard dat pensioen niet iets was wat zij met [naam 1] heeft besproken, maar dat [naam 1] tegen haar heeft gezegd dat zij zo lang in het gehuurde kon blijven als zij wilde, maar de winkel niet mocht verkopen. Deze tegenstelling legt bloot dat deze getuigen hoogstens kunnen verklaren wat [appellant] uit haar gesprek met [naam 1] heeft begrepen, niet wat in dat gesprek daadwerkelijk is gezegd.
2.5
Tegen de getuigen [naam 9] en [naam 10] heeft [appellant] kennelijk gezegd dat zij in de winkel mocht blijven. Op basis van die uitlating hebben die beide getuigen vervolgens zelf aangenomen dat dat tot de pensioenleeftijd van [appellant] zou zijn, maar dat [appellant] in 2010 na de verbouwing in de bedrijfsruimte mocht blijven, wil echter niet zeggen dat dat ook in 2020 nog het geval was.
2.6
De verklaring van [appellant] dat [naam 1] in het gesprek heeft gezegd dat zij zo lang in de winkel mocht blijven als zij wilde, wordt niet ondersteund door andere getuigenverklaringen en is tegengesproken door [naam 1] zelf. Zijn verklaring dat het in zijn wereld ongebruikelijk is om mondeling dat soort ingrijpende toezeggingen te doen en die dan niet schriftelijk vast te leggen, komt het hof geloofwaardig voor. Volgens de eigen verklaring van [appellant] heeft zij zich in de onderhandelingen niet moeilijk opgesteld, zodat [naam 1] die toezegging kennelijk ook niet hoefde te doen om [appellant] over te halen om in te stemmen met de verkleining van haar winkel. De verklaring van [appellant] dat de toezegging wisselgeld was voor het verbod tot overdracht van de winkel, vindt geen steun in ander bewijsmateriaal.
2.7
Het hof sluit niet uit dat tussen [appellant] en [naam 1] een misverstand is opgetreden, mogelijk mede als gevolg van het gebruik van de Engelse taal. De getuige [naam 1] heeft niet uitgesloten dat hij [appellant] erop heeft gewezen dat zij de bescherming had van haar oorspronkelijke contract. Wellicht is in dit verband gesproken over een contract voor onbepaalde tijd (“indefinite”), hoewel dat niet goed te begrijpen zou zijn in verband met het feit dat de huurovereenkomst pas sinds 2004 liep en in het nieuwe contract was bepaald dat werd gerekend met de oorspronkelijke termijnen. Maar zelfs als in dit verband het woord onbepaald zou zijn gebruikt, heeft [appellant] daaruit niet mogen begrijpen dat de huurovereenkomst van de zijde van Leisure niet opzegbaar zou zijn. Een huurovereenkomst die voor onbepaalde tijd loopt, kan immers wel degelijk door de verhuurder worden opgezegd. Uit de verklaring van [naam 11] , de zwager van [appellant] , blijkt dat deze in de veronderstelling verkeert dat in een huurovereenkomst voor middenstandsbedrijfsruimte opzegging door de verhuurder niet mogelijk is. Mogelijk heeft [appellant] geopereerd vanuit dezelfde onjuiste veronderstelling. Dat komt dan echter voor haar eigen rekening, nu niet is gebleken dat [naam 1] iets heeft gedaan om dit misverstand te veroorzaken. Bovendien staat in artikel 6 van het nieuwe contract dat Leisure de overeenkomst op iedere grond kan opzeggen zonder tot enige vergoeding gehouden te zijn. [appellant] heeft verklaard dat het nieuwe contract door [naam 1] is voorgelezen, voordat zij dat heeft ondertekend. Dat door [naam 1] een daarvan afwijkende toezegging is gedaan, is niet overtuigend aangetoond.
2.8
In het voorgaande wordt geen verandering gebracht door de schriftelijke verklaringen van andere personen die [appellant] bij memorie van grieven reeds heeft overgelegd. Ook die getuigen reppen van een toezegging dat [appellant] mocht blijven tot haar pensioen, waaruit slechts blijkt wat [appellant] uit haar gesprek met [naam 1] heeft begrepen. Alleen het echtpaar [naam 11] heeft een afwijkende schriftelijke verklaring afgelegd, namelijk dat [appellant] de winkel voor onbepaalde tijd mocht houden, wat ten eerste afwijkt van de verklaring die de getuige [naam 11] onder ede heeft afgelegd en ten tweede, zoals al overwogen, niets zegt over de opzegbaarheid van de huurovereenkomst in 2020.
2.9
Al met al acht het hof [appellant] niet geslaagd in het bewijs van haar stelling dat [naam 1] haar heeft toegezegd dat zij de souvenirwinkel tot haar pensioen in het gehuurde mocht blijven exploiteren. Om de redenen die hiervoor al uiteen zijn gezet volgt het hof ook niet het subsidiaire standpunt van [appellant] dat zij uit hetgeen [naam 1] wél heeft gezegd, heeft mogen afleiden dat zij tot haar pensioen zou mogen blijven. Dit betekent dat ook grief XI, die over de toezegging gaat, faalt, evenals de onzelfstandige slotgrief.
Slotsom en kosten
2.10
Nu alle grieven falen zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen, behalve wat betreft de beëindigingsdatum en de ontruimingsdatum. Die worden allebei bepaald op 31 december 2024. Als de in het ongelijk gestelde partij moet [appellant] de kosten van het hoger beroep dragen.
3. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis van 8 maart 2021, behalve wat betreft de einddatum van de huurovereenkomst en de ontruimingsdatum;
vernietigt het bestreden vonnis wat betreft de einddatum van de huurovereenkomst en de ontruimingsdatum;
in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de huurovereenkomst van partijen eindigt op 31 december 2024 en veroordeelt [appellant] om het gehuurde in het [hotel] aan de [straat] te [plaats] uiterlijk op die datum te ontruimen en ter beschikking van Leisure te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in art. 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Leisure begroot op € 772,= aan verschotten en € 3.035,= voor salaris en € 178,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, J.C.W. Rang en M.J.R. Brons en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2024.
Uitspraak 07‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Huur bedrijfsruimte. Souvenirwinkel in vijfsterrenhotel. Dringend eigen gebruik erin bestaande dat de ruimte van de winkel wordt toegevoegd aan de lobby om een grote open ruimte te creëren. Bewijsopdracht dat in het verleden is toegezegd dat huurster haar bedrijf tot haar pensioen ter plaatse zou kunnen exploiteren.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.294.884/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 8196760 CV EXPL 19-24948
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 maart 2023
inzake
[appellante] ,
wonend te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. L.H. Haarsma te Paterswolde,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D.A. Boor te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.
1. Het geding in hoger beroep
[appellante] is bij dagvaarding van 21 mei 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2021, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellante] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte uitlating van de zijde van [appellante] .
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen, met haar veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in beide instanties.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellante] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in beide instanties, inclusief de nakosten en met rente.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2. Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.5 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Die feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Die feiten zijn de volgende.
2.1
[geïntimeerde] is eigenaar van het [X] Hotel in [plaats] .
2.2
[appellante] huurt sinds 1 mei 2004 van [geïntimeerde] winkelruimte op de begane grond links naast de hoofdingang van het hotel en exploiteert daarin een souvenirwinkel.
2.3
Per 1 januari 2010 is de winkelruimte op verzoek van [geïntimeerde] gehalveerd omdat [geïntimeerde] een vergaderruimte wilde creëren. Daarbij is de huurprijs naar beneden bijgesteld.
2.4
Bij exploot van 11 december 2018 heef [geïntimeerde] de huurovereenkomst met [appellante] opgezegd tegen 1 januari 2020 op grond van dringend eigen gebruik, erin bestaande dat [geïntimeerde] de lobby van het hotel wil vergroten.
2.5
[appellante] heeft niet met de opzegging ingestemd.
3. Beoordeling
De procedure in eerste aanleg
3.1
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd, voor zover in hoger beroep nog van belang, dat wordt bepaald dat de huurovereenkomst met [appellante] eindigt per 31 december 2019 of een in goede justitie te bepalen datum en [appellante] wordt veroordeeld tot ontruiming. Zij heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat zij het gehuurde dringend en duurzaam nodig heeft voor eigen gebruik omdat zij de winkelruimte en de daarnaast gelegen vergaderruimte wil renoveren en wil toevoegen aan de lobby, hetgeen zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is.
3.2
[appellante] heeft de vorderingen weersproken. Zij heeft aangevoerd dat opzegging van de huurovereenkomst niet mogelijk is omdat haar door de toenmalige General Manager van [geïntimeerde] , [naam] (hierna: [naam] ), is toegezegd dat zij de winkel zou kunnen exploiteren tot haar pensioen. Verder heeft zij de dringendheid van het beoogde eigen gebruik betwist.
3.3
Na bij tussenvonnis een descente te hebben gelast, die op 19 januari 2021 heeft plaatsgevonden, heeft de kantonrechter bij het bestreden vonnis bepaald dat de huurovereenkomst van partijen zou eindigen op 1 juni 2021 en [appellante] veroordeeld tot ontruiming op of voor die datum. De kantonrechter heeft aan deze beslissing ten grondslag gelegd dat voldoende was komen vast te staan dat [geïntimeerde] er een bedrijfseconomisch belang bij heeft het gehuurde zelf te gebruiken voor de vergroting van de lobby en het gehuurde dus dringend nodig heeft. De stelling van [appellante] dat haar is toegezegd dat zij het gehuurde tot aan haar pensioen mag blijven exploiteren heeft de kantonrechter als onvoldoende onderbouwd terzijde geschoven. De proceskosten zijn gecompenseerd. Het vonnis is, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7:295 lid 1 BW niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De procedure in hoger beroep
3.4
[appellante] heeft in hoger beroep twaalf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. De grieven I tot en met IX gaan over het dringend eigen gebruik. Grief X betreft de belangenafweging die de kantonrechter ten overvloede nog heeft verricht. Grief XI gaat over de door [appellante] gestelde toezegging. Grief XII is een slotgrief zonder zelfstandige betekenis.
Is de huurovereenkomst opzegbaar?
3.5
Het verweer van [appellante] dat de huurovereenkomst niet kan worden opgezegd vanwege een aan haar gedane toezegging is het meest verstrekkend en zal dus als eerste worden behandeld. In de toelichting op grief XI heeft [appellante] herhaald dat [naam] haar heeft toegezegd dat zij tot haar pensioen haar winkel in het hotel kon blijven exploiteren. De achtergrond van deze toezegging was, aldus [appellante] , dat [geïntimeerde] wilde renoveren en daarvoor de helft van de door [appellante] gehuurde ruimte nodig had. [naam] heeft destijds een onderhandse regeling met [appellante] getroffen, omdat ook toen de noodzaak van de renovatie niet aannemelijk was. [appellante] heeft water bij de wijn gedaan en is akkoord gegaan met de halvering van haar bedrijfsruimte, op voorwaarde dat zij mocht blijven ondernemen tot haar pensioen, aldus [appellante] . Zij heeft verwezen naar de considerans van de gewijzigde huurovereenkomst, waarin is vermeld: “Whereas, Concessionaire wishes to carry on in het Premises hereinafter specified in the said [plaats] [X] Hotel, the business and trade of a gift shop and [X] is prepared to grant Concessionaire the right to carry on such business and trade upon the terms and conditions hereinafter set forth”.
3.6
[geïntimeerde] heeft betwist dat [naam] de gestelde toezegging heeft gedaan. Zij heeft in hoger beroep een door [naam] ondertekend schrijven overgelegd, waarin deze verklaart dat naar zijn beste weten in de periode van de renovatie en de totstandkoming van de nieuwe huurovereenkomst geen mondelinge afspraken zijn gemaakt die afwijken van hetgeen in de schriftelijke overeenkomst is neergelegd.
3.7
Als juist is dat, zoals [appellante] stelt, [naam] haar in het kader van de onderhandelingen over de halvering van de door haar gehuurde ruimte heeft toegezegd dat zij tot haar pensioen de winkel in het hotel mocht exploiteren, is [geïntimeerde] aan die toezegging gebonden en is de huurovereenkomst tot de pensioendatum van [appellante] niet opzegbaar. Blijkens zijn ondertekening van de overeenkomst van 1 januari 2010 was [naam] immers bevoegd [geïntimeerde] te binden, wat [geïntimeerde] overigens ook niet heeft betwist.
3.8
De verwijzing naar de considerans van de nieuwe huurovereenkomst kan het hof vooralsnog niet overtuigen van de juistheid van het standpunt van [appellante] , al was het maar omdat in de overeenkomst van 16 maart 2004 precies dezelfde bewoordingen zijn gebruikt, afgezien van de vervanging van “snoepwinkel” door “cadeauwinkel”. [appellante] heeft echter, net als in eerste aanleg, gespecificeerd bewijs aangeboden van haar stelling, zodat zij tot bewijs daarvan zal worden toegelaten, aangezien er, anders dan de kantonrechter meende, geen grond bestaat haar die mogelijkheid te onthouden. [appellante] wordt voor de goede orde echter wel gewezen op de beperkte bewijskracht van verklaringen die slechts inhouden wat de getuigen hebben gehoord van [appellante] zelf.
Heeft [geïntimeerde] het gehuurde dringend nodig voor eigen gebruik?
3.9
Voor het geval [appellante] het haar opgedragen bewijs niet kan leveren, zal het hof nu reeds ingaan op de door [geïntimeerde] gestelde opzeggingsgrond.
3.10
Het hof stelt het volgende voorop. Met dringend nodig hebben voor eigen gebruik in de zin van artikel 7:296 lid 1 aanhef en onder b BW is bedoeld dat het beoogde gebruik van het verhuurde van wezenlijk belang moet zijn voor de verhuurder. Algemene bedrijfseconomische redenen kunnen voldoende zijn om een dringende noodzaak van eigen gebruik aannemelijk te achten. Niet is vereist dat de verhuurder in zijn maatschappelijk voortbestaan wordt bedreigd en het verhuurde nodig heeft om aan deze bedreiging het hoofd te kunnen bieden. Het bestaan van andere mogelijkheden voor de verhuurder om in zijn behoeften te voorzien staat alleen dan aan een beroep op het dringend eigen gebruik van het verhuurde in de weg indien het benutten van die andere mogelijkheden voldoende in de rede ligt om van de verhuurder te vergen dat hij dat doet.
3.11
[geïntimeerde] wil de benedenverdieping van het hotel moderniseren en een grote(re) open lobby creëren. Daartoe wil zij het gedeelte van de benedenverdieping dat grenst aan de huidige lobby, de winkelruimte en de daarnaast gelegen vergaderruimte doorbreken. Zij wil de conciërge daarheen verplaatsen en daar extra zitplaatsen maken voor haar gasten. [geïntimeerde] voert aan dat de hotellobby in zijn huidige vorm te klein is als er groepen gasten tegelijk het hotel binnen komen. Zij meent dat een ruimere lobby past bij haar status als vijfsterrenhotel en heeft foto’s overgelegd van concurrerende hotels die ook in het recente verleden hun lobby’s hebben vergroot.
3.12
De kantonrechter heeft tijdens de decente de benedenverdieping van het hotel bekeken. In het bestreden vonnis heeft zij daarover overwogen dat te zien was dat de huidige lobby, qua omvang en uitstaling, niet past bij het grote en luxe hotel. Voor grote groepen gasten die tegelijk binnen komen, zoals cruisegasten, lijkt weinig ruimte te zijn. Voldoende aannemelijk is dat [geïntimeerde] met de door haar gewenste renovatie de uitstraling van de begane grond van het hotel zal kunnen verbeteren en dat dat bedrijfseconomische voordelen kan opleveren. Ook kan [geïntimeerde] haar gasten meer zitplaatsen aanbieden op piekmomenten, die zich hopelijk in de toekomst (dat is: na het einde van de coronacrisis; hof) weer zullen voordoen, aldus de kantonrechter.
3.13
[appellante] voert aan (grieven I en VI) dat de kantonrechter ten onrechte de gevolgen van de coronacrisis buiten beschouwing heeft gelaten. De vraag of het beoogde gebruik dringend is, moet worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en de gevolgen van de coronacrisis behoren daarbij, aldus [appellante] . Deze grieven zijn ingehaald door de tijd. Ten tijde van dit arrest heeft het toerisme in Amsterdam zich volledig of grotendeels hersteld. In het midden kan blijven of de kantonrechter in het voorjaar van 2021 terecht aan Corona voorbij is gegaan. Voor het hof, dat moet oordelen naar de huidige stand van zaken (ex nunc) is de coronacrisis in ieder geval niet meer een omstandigheid waarmee rekening moet worden gehouden.
3.14
Naar de mening van [appellante] (grief II) is de overweging van de kantonrechter dat de huidige lobby niet past bij het grote en luxe hotel onvoldoende onderbouwd en subjectief. [appellante] wijst erop dat kantonrechter de rest van het hotel niet heeft bekeken en voert aan dat de kantonrechter niet over de deskundigheid beschikt om een oordeel te geven over de passendheid van de huidige lobby. Uit recensies van reizigers blijkt dat de meningen over lobby’s kunnen verschillen, terwijl, als al juist zou zijn dat het [X] Hotel [plaats] over een kleinere lobby beschikt dan andere vergelijkbare hotels, uit recensies blijkt dat gasten dat niet per se als een minpunt beschouwen, aldus [appellante] .
3.15
Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geeft het hof geen reden te twijfelen aan de beoordeling van de lobby door de kantonrechter. Het hof acht het niet nodig deze bevinding te laten toetsen door een deskundige, zoals [appellante] voorstelt. In ieder geval bevestigen de bevindingen van de kantonrechter dat de wens de lobby te vergroten redelijk is, met het oog op welke beoordeling de descente mede heeft plaatsgevonden. Ook de recensies van hotelgasten waarnaar [geïntimeerde] heeft verwezen bevestigen dat. [appellante] heeft nog naar recensies van andere hotels verwezen die er op duiden dat sommige gasten een kleine lobby niet per se als negatief beleven, maar dat doet aan het voorgaande niet af.
3.16
Over het bieden van zitplaatsen aan hotelgasten op piekmomenten heeft [appellante] , afgezien van haar betoog over de coronacrisis, nog aangevoerd (grief III) dat zich in het verleden wel eens spitsmomenten hebben voorgedaan, maar niet zodanig dat de lobby te klein is om iedereen te herbergen. Dit verweer acht het hof onvoldoende onderbouwd tegenover de door [geïntimeerde] overgelegde foto’s en de bevindingen van de kantonrechter. In elk geval is het onvoldoende om af te doen aan de dringende noodzaak van het eigen gebruik.
3.17
Met de grieven VII en VIII voert [appellante] aan dat het door [geïntimeerde] ervaren ruimtegebrek rond de lobby ook kan worden opgelost zonder de door haar gehuurde ruimte te gebruiken. Door alleen de vergaderruimte te betrekken bij de lobby ontstaat al meer dan genoeg ruimte. Daarbij komt dat [geïntimeerde] recentelijk op de begane grond een ruimte in gebruik heeft genomen als Grab & Go. Daarvan wordt amper gebruik gemaakt, terwijl die ruimte aan [appellante] in gebruik had kunnen worden gegeven.
3.18
[geïntimeerde] heeft hiertegen ingebracht dat met alleen het slopen van de vergaderruimte onvoldoende ruimte wordt gecreëerd, omdat dat slechts twee sets zitplaatsen extra oplevert. Zij beroept zich op haar recht als ondernemer om zelf te bepalen hoe zij haar bedrijf optimaal wenst te exploiteren. De Grab & Go, waar gasten ’s nachts drankjes en snacks kunnen kopen, is volgens [geïntimeerde] nodig om de minibarverliezen gedeeltelijk te ondervangen. Zij betwist dat die amper wordt gebruikt.
3.19
Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] tegenover deze betwisting niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de door haar geschetste alternatieven om het door [geïntimeerde] ervaren ruimtegebrek weg te nemen, voldoende in de rede ligt. [geïntimeerde] wil een grote open ruimte creëren en het handhaven van de winkel, die onbestreden een derde van het volgens de plannen toe te voegen oppervlak inneemt, staat daaraan in de weg. Ook heeft [geïntimeerde] voldoende duidelijk gemaakt waarom de Grab & Go waardevol voor haar is.
3.20
Ten slotte bestrijdt [appellante] (grieven IV, V en IX) dat de door [geïntimeerde] gewenste renovatie van de ruimte rond de lobby haar bedrijfseconomische voordelen zal opleveren. Zij meent dat de plannen van [geïntimeerde] onvoldoende zijn onderbouwd. Zij mist gedegen cijfermateriaal. Zij voert aan dat er geen verband is tussen de grootte van de hotellobby en de prijzen van hotelkamers. Het bedrijfseconomische voordeel van een grotere lobby zal niet opwegen tegen het nadeel dat wordt gevormd door de kosten van de renovatie, het gemis van een giftshop en de gemiste huurinkomsten, aldus [appellante] .
3.21
Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat het te ver gaat van [geïntimeerde] te eisen dat zij cijfers overlegt waaruit blijkt dat een grotere lobby de omzet zal doen stijgen. Het is aan [geïntimeerde] als ondernemer om te bepalen op welke wijze zij het best kan blijven voldoen aan de eisen die het publiek aan een vijfsterrenhotel stelt. Een ruimere lobby is in dat verband een redelijke keus, ook blijkens hetgeen de kantonrechter op grond van haar eigen waarneming daarover heeft overwogen. Dat die keuze, in samenhang met alle andere factoren die de kwaliteit van een hotel bepalen, invloed heeft op de kamerprijs, acht het hof voldoende aannemelijk. Dergelijke algemene bedrijfseconomische belangen zijn naar vaste jurisprudentie voldoende om een beroep op dringend eigen gebruik te rechtvaardigen.
3.22
De conclusie uit het voorgaande is dat het hof, net als de kantonrechter, van oordeel is dat [geïntimeerde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik.
3.23
Nu het beroep op dringend eigen gebruik slaagt, komt het hof niet toe aan een belangenafweging. Beoordeling van grief X kan daarom achterwege blijven.
Slotsom
3.24
De grieven I tot en met X hebben geen succes. Het (verdere) oordeel over de grieven XI en XII wordt aangehouden tot na de bewijslevering.
4. Beslissing
Het hof:
laat [appellante] toe tot het bewijs van haar stelling dat [naam] , destijds General Manager van [geïntimeerde] , in het kader van de onderhandelingen over de wijziging van de huurovereenkomst per 1 januari 2010 aan haar heeft toegezegd dat zij de souvenirwinkel in het [X] Hotel tot haar pensioen mocht blijven exploiteren;
beveelt dat, indien [appellante] getuigen wil doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. J.C.W. Rang, daartoe tot raadsheer commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en uur;
verwijst de zaak naar de rol van 4 april 2023 voor opgave door beide partijen van de verhinderdata van alle betrokken personen in de maanden mei tot en met juli 2023;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, J.C.W. Rang en A.L. op ’t Hoog en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2023.