Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/1.1.2
1.1.2 Kort literatuuroverzicht
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300425:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Klassieke voorbeelden hiervan die een student tijdens de rechtenstudie tegenkomt zijn de vraag of bij de eigendom van een stuk grond ook een op die grond geplaatst mobiel bouwwerk hoort (HR 31 oktober 1997, NJ 1998/97 (Portacabin), of de in een op de grond gebouwde fabriek aanwezige machines (HR 15 november 1991, NJ 1993/316 (Dépex/Curatoren Bergel c.s.)). Andere voorbeelden zijn of de overdracht van een vordering tot betaling van een geldsom automatisch ook de voor de vordering bedongen eigendom tot zekerheid (HR 18 februari 1994, NJ 1994/462 (Nijverdal Ten Cate/Wilderink q.q.)) of bankhypotheekrechten (HR 16 september 1988, NJ 1989/10 (De Onderdrecht/FGH & PHP)) omvat.
Ploeger 1997; van der Plank 2016; Tweehuysen 2016.
Out 2005.
Voor de afhankelijke zekerheidsrechten van pand, hypotheek en borgtocht zie Verdaas 2008; Biemans 2011; Rongen 2012; Bergervoet 2014.
Omdat de afhankelijke zekerheidsrechten tevens nevenrechten zijn, gelden de in de voetnoot hierboven aangehaalde bronnen ook voor de nevenrechten.
Du Perron 1999; Beversluis 2009.
Voor Frankrijk bijvoorbeeld: Juillet 2009. Voor Duitsland bijvoorbeeld: Mincke 1987; Schöbi 1990; Becker-Eberhard 1993; Heinemeyer 2017.
Voor Frankrijk: Cottet 2013. Voor België: Swinnen 2014.
Zie bijvoorbeeld Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 13; Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 65.
Zie voor afhankelijke rechten in het algemeen bijvoorbeeld Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 27; Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 8.
Zie voor de afhankelijke zekerheidsrechten van pand en hypotheek bijvoorbeeld Verstijlen 2013, para. 19; Asser/van Mierlo 2016, para. 52–55. Voor de borgtocht Blomkwist 2012, para. 8–11; Asser/van Schaick 2018, para. 86–100. Andere afhankelijke rechten worden verderop in dit boek besproken met verwijzing naar meer literatuur.
Zie bijvoorbeeld Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 274; Asser/Sieburgh 2017, para. 257. Daarnaast de verwijzingen die golden voor de afhankelijke zekerheidsrechten uit de vorige voetnoot.
Zie bijvoorbeeld Cahen 2004, para. 10–13; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 13; Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 50; Asser/ Sieburgh 2018, para. 543–549.
Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 312; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 27.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 274.
Biemans 2011, p. 722.
Zie Sagaert 2005, p. 1027. Het meest verstrekkend is het vatten van afhankelijke rechten, nevenrechten en kwalitatieve rechten onder de gezamenlijke noemer ‘accessoire rechten’; zie in deze zin Raaijmakers 2001, p. 695. In dezelfde lijn: Schoordijk 1986, p. 243–244; van Rijssen 2006, p. 36.
Deze – en andere – voorbeelden worden meer uitgebreid besproken in deel II van dit boek.
Zie voor een bondige samenvatting Out 2005, p. 13 e.v.
Habersack 1997, p. 860.
De reden hiervoor is mijns inziens gelegen in het feit dat de rechten uit borgtocht, die zich lastiger verhouden met het beginsel dan andere zekerheidsrechten, van oudsher in de Duitse doctrine als accessoir worden aangemerkt. Een grote hoeveelheid literatuur heeft als doel de plooien glad te strijken; zie bijvoorbeeld Flume 1932; Bonner 1958; Blessing 1972; Schmidt 2001; Eusterhus 2002; Kopp 2008; Iversen 2009.
Cottet 2013.
Swinnen 2014, p. 23 e.v.
Illustratief is de behandeling van het onderwerp door Swinnen. Hij leidt uit de wettelijke regelingen van verschillende rechtsstelsels af welke rechten accessoir zijn om in de laatste pagina’s van zijn boek, bijna bij wijze van gedachte achteraf, te vermelden waarom het beginsel van accessoriëteit bestaat. Zie Swinnen 2014, p. 465 e.v.
Een uitzondering vormt Cottet 2013. Haar opvatting komt – zonder dat zij daar zelf naar verwijst – in de buurt van de doelgebondenheid die in oudere Duitse literatuur als grondslag voor accessoriëteit werd genoemd; zie bijvoorbeeld Schott 1877; Heck 1930, p. 323; von Lübtow 1956, p. 328 e.v. Deze opvatting wordt tegenwoordig in de Duitse literatuur niet meer aangehangen; zie Pöggeler 2001, p. 69.
Illustratief is de discussie over de kwalificatie van de vordering uit hoofde van een 403-verklaring. Nadat de Hoge Raad oordeelde dat deze niet als afhankelijk recht kan worden gekwalificeerd (HR 28 juni 2002, NJ 2002/447 (Akzo/ING)), werd aangevoerd dat de vordering een nevenrecht zou zijn (HR 11 april 2014, JOR 2014/199, (UWV/curatoren Econcern)). Inmiddels lijkt de discussie verstomd.
9. In het dagelijks leven denken we vaak helemaal niet na over wat er precies bij welk subjectief recht hoort. We kopen en verkopen voortdurend dingen zonder ons er heel erg druk om te maken. Bijna altijd gaat dat goed. Soms komt echter de vraag op of, simpel gezegd, iemand die ‘het ene’ verkrijgt automatisch ook ‘het andere’ verkrijgt.1 Praktisch gezien kan dat nogal een verschil maken; kun je bijvoorbeeld als koper van een defecte tweedehandsauto wel of niet de garantie inroepen die de verkoper van de fabrikant had gekregen? Voor deelnemers aan het rechtsverkeer is het van groot belang om op dit soort vragen het antwoord te weten, zodat zij hun transacties daarop kunnen aanpassen.
10. Vanwege dit praktische belang bestaat een behoorlijke hoeveelheid literatuur waarin – op deelonderwerpen – naar een antwoord wordt gezocht op de vraag wat er precies ‘mee overgaat’ bij de verkrijging van subjectieve rechten. Vaak wordt aandacht besteed aan één of enkele van de genoemde figuren. Zo zijn er de afgelopen jaren in de Nederlandse literatuur meerdere proefschriften verschenen die (deels) betrekking hebben op bestanddeelvorming,2 afhankelijke rechten in het algemeen3 en bijzondere verschijningsvormen,4 nevenrechten5 en kwalitatieve rechten.6 Ook in de ons omringende landen verschenen proefschriften over (specifieke) afhankelijke rechten en nevenrechten.7 Proefschriften die meerdere van de genoemde figuren gezamenlijk tot onderwerp hebben, zijn in de Nederlandse literatuur niet verschenen, maar in het buitenland wel.8
11. Ook in de handboeken die het vermogensrecht als onderwerp hebben, wordt in meerdere of mindere mate aandacht besteed aan wat er precies bij subjectieve rechten hoort, eveneens uitgesplitst naar bestanddeelvorming,9 afhankelijke rechten in het algemeen10 en voor specifieke verschijningsvormen,11 nevenrechten 12 en kwalitatieve rechten.13
12. De genoemde literatuur wordt verderop in dit boek meer uitgebreid aangehaald en besproken. Ik loop daar nu alvast kort op vooruit door een tweetal algemene opmerkingen te maken. De eerste is dat er in de Nederlandse literatuur ongemakkelijkheid bestaat over de verhouding tussen de genoemde figuren. Men is zich ervan bewust dat deze figuren (grote) overlap vertonen. Zo bestaat er een grote functionele gelijkheid tussen bestanddelen en afhankelijke rechten, omdat beide niet zelfstandig – maar wel met iets anders – tot onderwerp van een goederenrechtelijke beschikkingshandeling (zoals een overdracht van de ene partij aan de andere) gemaakt kunnen worden.14 Ook de nevenrechten tonen grote gelijkenis met de afhankelijke rechten en er zijn zelfs meerdere nevenrechten – pand, hypotheek, rechten uit borgtocht – die tevens afhankelijke rechten zijn.15 Daarnaast is het bij een vordering tot betaling van een geldsom soms lastig om het verschil aan te geven tussen enerzijds afhankelijke en nevenrechten en anderzijds kwalitatieve rechten.16 De grote mate van overlap tussen de verschillende figuren heeft er echter niet toe geleid dat zij geïntegreerd zijn besproken.17 Dit betekent dat ook geen onderzoek is gedaan naar de verklaring voor het bestaan van al deze sterk op elkaar lijkende figuren.
13. De tweede opmerking is dat het bespreken van de genoemde figuren in de literatuur voornamelijk bedoeld lijkt om te categoriseren: kan een bepaalde figuur wel of niet worden gebruikt om een subjectief recht op een bepaalde manier aan te vullen? Voorbeelden daarvan zijn de discussies die zijn gevoerd over de vraag of eigendom tot zekerheid, voorbehouden eigendom, retentierechten, rechten uit een verklaring van consolidatie (de zogenaamde ‘403-verklaring’) en bankgaranties wellicht afhankelijke rechten of nevenrechten zijn van een vordering tot betaling van een geldsom, of dat zij daar los van staan.18 Er wordt dus gezocht naar praktische toepassingen van de verschillende rechtsfiguren die bepalen wat er bij een subjectief recht hoort. Deze figuren bieden echter nauwelijks houvast om te bepalen wanneer ze van toepassing zijn (zie meer uitgebreid randnummer 571 en 740). Een overkoepelende theorie ontbreekt.
14. In de buitenlandse literatuur is de focus net iets anders. Veel van de bovengenoemde figuren naar Nederlands recht worden daar geacht onder één groot beginsel van ‘accessoriëteit’ (das Akzessorietätsprinzip, le principe de l’accessoire) te vallen. Dit beginsel houdt kortgezegd in dat accessoire rechten niet zonder een hoofdrecht kunnen bestaan en dat ze het lot van het hoofdrecht volgen bij overgang, beslag of bezwaring met beperkte rechten.19 Dat leidt tot problemen, omdat sommige aanspraken van oudsher als accessoir worden gezien, terwijl ze niet altijd de bovengenoemde eigenschappen hebben. In de Duitse literatuur wordt de oplossing voor dit probleem gezocht in het ‘weg verklaren’ van alle uitzonderingen op het Akzessorietätsprinzip.20 Dit doet men door het beginsel opener op te vatten, waardoor het veel van zijn dogmatische trekken (en ook een deel van zijn zeggingskracht) kwijtraakt. Zo kunnen meer figuren ‘binnenboord’ worden gehouden.21 In Frankrijk is recentelijk juist betoogd dat men het principe de l’accessoire strakker moet opvatten, waardoor er beter mee te werken valt, maar een groot aantal in de Franse doctrine als accessoir geziene rechten buiten de omschrijving zouden vallen.22 In zijn kort geleden in België verschenen proefschrift lost Swinnen het probleem op een andere manier op. Hij onderscheidt de twee verschillende verschijningsvormen van accessoriëteit – het niet kunnen bestaan zonder hoofdrecht enerzijds en het volgen van het hoofdrecht bij overgang, bezwaring en beslag anderzijds – en laat zien dat daarmee tot een betere beschrijving van aanspraken met accessoire ‘trekjes’ gekomen kan worden.23
15. Opvallend is dat ook de buitenlandse literatuur, die uitgaat van een meerdere rechtsfiguren omvattend beginsel van accessoriëteit, vaak als hoofddoel heeft om bestaande rechten in te passen. Men gaat daarbij uit van bestaande wettelijke regelingen, in plaats van op zoek te gaan naar de gedachte die achter die regelingen verscholen ligt.24 Er wordt dus, zowel in de Nederlandse als de buitenlandse literatuur, niet of nauwelijks gezocht naar een overkoepelende verklaring voor wijze waarop aanspraken samenhangen met subjectieve rechten.25 Dat heeft tot gevolg dat discussies over het ‘mee over gaan’ van specifieke aanspraken – zoals de voorbeelden genoemd in randnummer 13 – beperkt blijven tot de vraag of deze aanspraken in één van de bestaande figuren – zoals het Nederlandse afhankelijke recht, nevenrecht, of kwalitatieve recht – te persen zijn.26 Zo niet, dan houdt het op. Het ontbreekt aan een overkoepelende verklaring die gebruikt zou kunnen worden om te beargumenteren welke aanspraken mee over kunnen gaan naar de verkrijger van een subjectief recht.