Bewezen verklaard is dat “hij omstreeks 12 oktober 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen een geldbedrag, in totaal € 4.817,43, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wist(en) dat die geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.”
HR, 05-11-2024, nr. 22/02274
ECLI:NL:HR:2024:1528
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-11-2024
- Zaaknummer
22/02274
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1528, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑11‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:872
ECLI:NL:PHR:2024:872, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1528
- Vindplaatsen
Uitspraak 05‑11‑2024
Inhoudsindicatie
WhatsApp-fraude. Medeplegen witwassen, art. 420bis.1.b Sr. 1. Bewijsklacht medeplegen. Heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan het witwassen door het beschikbaar stellen van zijn bankrekening en pinpas? 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 1 maand). Is opgelegde straf begrijpelijk in het licht van de door Rb opgelegde straf, in hoger beroep gevorderde straf en pleidooi verdediging (verzoek om vanwege persoonlijke omstandigheden een taakstraf op te leggen)? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02274
Datum 5 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 juni 2022, nummer 20-002237-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A. Darrazi, advocaat in Tilburg, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van één maand volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2024.
Conclusie 03‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Medeplegen witwassen. Eerste middel met bewijsklacht over medeplegen faalt nu uit bewijsmiddelen volgt dat verdachte cruciale rol speelde bij Whatsappfraude door zijn bankrekening en pinpas ter beschikking te stellen aan anderen. Tweede middel over oplegging onvoorwaardelijke gevangenisstraf faalt ook. Ambtshalve opmerking overschrijding redelijke (behandel)termijn in cassatiefase. Conclusie strekt tot verwerping cassatieberoep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02274
Zitting 3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 16 juni 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "medeplegen van witwassen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A. Darrazi, advocaat in Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het eerste middel komt met een motiveringsklacht op tegen de bewezenverklaring van medeplegen.1.Daartoe wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte “tezamen en in vereniging” handelde en dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de verdachte door het beschikbaar stellen van zijn bankrekening en pinpas een wezenlijke bijdrage aan het witwassen heeft geleverd.
4. Uit de vijf door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte – voor het doorsluizen van geld dat werd verkregen door WhatsApp-fraude – zijn bankrekening en pinpas ter beschikking heeft gesteld aan anderen. Al het geld ging over zijn bankrekening. Uit die bewijsmiddelen heeft het hof m.i. kunnen afleiden dat de verdachte een cruciale rol heeft vervuld bij het verwerven, voorhanden hebben en omzetten van het geld. Het middel faalt.
Het tweede middel
5. Het tweede middel bevat de klacht dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is, gelet op het verzoek van de verdediging om de verdachte vanwege persoonlijke omstandigheden een taakstraf op te leggen.
6. Ook dit middel faalt. In zijn strafmotivering heeft het hof op begrijpelijke wijze uiteengezet dat het heeft gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede dat en waarom het hof desondanks van oordeel is dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van één maand.
Slotsom
7. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
8. Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie is verstreken op 22 juni 2022. Gelet op de hoogte van de opgelegde straf kan worden volstaan met de constatering daarvan.
9. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑09‑2024