Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/3.3.1
3.3.1 Doelstellingen van het enquêterecht en eindvoorzieningen
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363604:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2010/228 m.nt. van Ginneken (ASMI), r.o. 4.4.1.
Zie ook HR 11 juli 2014, NJ 2014/389 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2014/263 m.nt. Josephus Jitta bij JOR 2014/264 (Novero-II), waarin de Hoge Raad overwoog dat het niet aan de ondernemingskamer is om te beoordelen of bepaalde maatregelen binnen of door de rechtspersoon moeten worden getroffen.
Zie hierover hoofdstuk 2.4.2 en 15.
HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 (OGEM): “Bij de beoordeling van deze middelen moet worden vooropgesteld dat de wetgever blijkens de ontstaansgeschiedenis van de regeling van het enquêterecht, zoals deze is neergelegd in Boek 2 BW, als doeleinden van een enquête niet slechts heeft beschouwd de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon, maar tevens de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid, terwijl bovendien van de mogelijkheid van de instelling van een enquête een preventieve werking zou kunnen uitgaan.”
In dit onderzoek komt niet de vraag aan de orde welke gedragingen van de rechtspersoon en de bij zijn organisatie betrokkenen dusdanig onverantwoord zijn dat corrigerend optreden is geïndiceerd.
Het feit dat de enquêteregeling van 1928 niet de mogelijkheid kende om voorzieningen te treffen, betekent dat deze regeling niet hoeft te worden behandeld in dit onderzoek. Het beginpunt is de regeling van het enquêterecht van 1971.
De doelstelling van die regeling wordt als volgt verwoord in de Memorie van Toelichting:
“In ons economisch stelsel waarin de produktie in hoofdzaak in particuliere ondernemingen geschiedt, heeft de ondernemer behoefte aan een grote mate van vrijheid: hij immers bepaalt – binnen de perken van het maatschappelijk bestel -welke goederen in zijn onderneming zullen worden voortgebracht en hij kiest de middelen en de werkwijze. Een hoge mate van vrijheid vereist een hoge mate van verantwoordelijkheidsgevoel tegenover degenen die hun arbeidskracht of vermogen voor het produktieproces in de onderneming beschikbaar stellen. Mag men aannemen dat in het algemeen de Nederlandse ondernemer deze verantwoordelijkheid juist aanvoelt, dit neemt niet weg, dat een rechtsorde die aan onze economische orde beantwoordt, de mogelijkheid tot opening van zaken moet verschaffen, wanneer twijfel aan het beleid in een onderneming rijst, en de mogelijkheid tot correctie, wanneer die twijfel gegrond blijkt. Een zodanige waarborg is gelegen in de toepassing van het zgn. enquêterecht, waarvan het onderhavige wetsontwerp een betere regeling beoogt.”
Deze omschrijving van de doelstelling van het enquêterecht is nog altijd actueel. Blijkens de ASMI-beschikking1 dient het orgaan dat voor de “ondernemer” het beleid en de strategie van de onderneming bepaalt,2 het bestuur, het belang van de stakeholders in acht te nemen. Tevens geldt nog steeds al heersende leer dat de ondernemer een grote mate van beleidsvrijheid heeft. Ingrijpen door de ondernemingskamer is alleen geïndiceerd, indien sprake is van een ernstige veronachtzaming van de belangen van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming (en de daarin verdisconteerde belangen van de overige stakeholders).3 Deze hoge drempel voor ingrijpen door de ondernemingskamer impliceert een grote beleidsvrijheid.
Ondanks haar actualiteitswaarde wordt de hierboven geciteerde toelichting niet vaak aangehaald in de rechtspraak en literatuur als het gaat om de doelstellingen van het enquêterecht. In plaats daarvan wordt verwezen naar de door de Hoge Raad in de Ogem-beschikking4 geformuleerde doelstellingen van het enquêterecht. De desbetreffende overweging uit de Ogem-beschikking sluit echter nauw aan bij de hierboven geciteerde toelichting.
Uit het hierboven staande citaat uit de Memorie van Toelichting blijkt ook duidelijk wat werd beoogd met het creëren van de mogelijkheid om eindvoorzieningen te treffen. Indien de ondernemer zijn verantwoordelijkheden jegens de stakeholders verzaakt, moet corrigerend kunnen worden opgetreden.5 Dat betekent dat de in een concreet geval getroffen (onmiddellijke) voorzieningen moeten kunnen worden verklaard aan de hand van het zich in dat geval voordoende onverantwoorde gedrag.