Procestaal: Nederlands.
HvJ EU, 13-02-2025, nr. C-393/23
ECLI:EU:C:2025:85
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
13-02-2025
- Magistraten
I. Jarukaitis, D. Gratsias, E. Regan
- Zaaknummer
C-393/23
- Conclusie
J. Kokott
- Roepnaam
Athenian Brewery en Heineken
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:85, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑02‑2025
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:HR:2023:965
ECLI:EU:C:2024:798, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 26‑09‑2024
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:HR:2023:965
Uitspraak 13‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken — Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Bijzondere bevoegdheden — Artikel 8, punt 1 — Pluraliteit van verweerders — Vorderingen waartussen een ‘zo nauwe band’ bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting — Artikel 102 VWEU — Begrip ‘onderneming’ — Moeder- en dochtervennootschap Inbreuk door de dochteronderneming — Vermoeden van beslissende invloed van de moedermaatschappij — Hoofdelijke aansprakelijkheid — Beslissing van een nationale mededingingsautoriteit — Vorderingen tot schadevergoeding
I. Jarukaitis, D. Gratsias, E. Regan
Partij(en)
In zaak C-393/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij beslissing van 23 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 28 juni 2023, in de procedure
Athenian Brewery SA,
Heineken NV
tegen
Macedonian Thrace Brewery SA,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Gratsias (rapporteur) en E. Regan, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Lamote, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 juni 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Athenian Brewery SA en Heineken NV, vertegenwoordigd door R. Dufour en E. Pijnacker Hordijk, advocaten,
- —
Macedonian Thrace Brewery SA, vertegenwoordigd door A. J. M. J. de Moncuit de Boiscuillé, avocat, J. W. Fanoy, P. A. Fruytier, T. S. Hoyer en M. H. J. van Maanen, advocaten,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en W. Wils als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Athenian Brewery SA (hierna: ‘AB’) en Heineken NV, enerzijds, en Macedonian Thrace Brewery SA (hierna: ‘MTB’), anderzijds, over een vordering tot hoofdelijke aansprakelijkheid van AB en Heineken voor de vergoeding van de door MTB geleden schade wegens een inbreuk door AB op artikel 102 VWEU en artikel 2 van Nomos 3959/2011 Prostasia tou eleutherou antagonismou (wet nr. 3959 inzake de bescherming van de mededinging) van 20 april 2011 (FEK A' 93).
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 1/2003
3
Artikel 5 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), met als opschrift ‘Bevoegdheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten’, bepaalt in de eerste volzin:
‘De mededingingsautoriteiten van de lidstaten zijn in individuele gevallen bevoegd tot toepassing van de artikelen [101 en 102 VWEU]. […]’
4
Artikel 16 van deze verordening, met als opschrift ‘Uniforme toepassing van het communautaire mededingingsrecht’, bepaalt in lid 1:
‘Wanneer nationale rechterlijke instanties artikel [101] of artikel [102 VWEU] toepassen op overeenkomsten, besluiten of gedragingen die reeds het voorwerp uitmaken van een [besluit] van de [Europese] Commissie, kunnen zij geen beslissingen nemen die in strijd zijn met de door de Commissie gegeven [besluit]. Ook moeten zij vermijden beslissingen te nemen die in strijd zouden zijn met een [besluit dat] de Commissie overweegt te geven in een door haar gestarte procedure. Te dien einde kan de nationale rechterlijke instantie de afweging maken of het nodig is haar procedure op te schorten. Deze verplichting laat de rechten en verplichtingen op grond van artikel [267 VWEU] onverlet.’
5
Volgens artikel 23, lid 2, onder a), van die verordening kan de Commissie bij [besluit] aan ondernemingen en ondernemersverenigingen geldboeten opleggen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op de bepalingen van artikel 101 of artikel 102 VWEU.
Verordening nr. 1215/2012
6
Overwegingen 15, 16 en 21 van verordening nr. 1215/2012 luiden als volgt:
- ‘(15)
De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.
- (16)
Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. […]
[…]
- (21)
Met het oog op een harmonische rechtsbedeling moeten parallel lopende processen zoveel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Er moet een duidelijke en afdoende regeling zijn om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen, alsook om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd. Voor de toepassing van deze verordening moet die datum autonoom worden bepaald.’
7
Artikel 4, lid 1, van deze verordening, dat is opgenomen in afdeling 1 van hoofdstuk II ervan, met als opschrift ‘Algemene bepalingen’, luidt als volgt:
‘Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.’
8
Artikel 5, lid 1, van deze verordening, dat in diezelfde afdeling staat, bepaalt:
‘Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.’
9
Artikel 8, punt 1, van deze verordening, dat is opgenomen in afdeling 2 van hoofdstuk II, met als opschrift ‘Bijzondere bevoegdheid’, bepaalt:
‘Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:
- 1.
indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;
[…]’
Richtlijn 2014/104
10
Artikel 9 van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB 2014, L 349, blz. 1), met als opschrift ‘Doorwerking van nationale beslissingen’, luidt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat een inbreuk op het mededingingsrecht die door een nationale mededingingsautoriteit of door een beroepsinstantie door middel van een definitieve inbreukbeslissing is vastgesteld, geacht wordt onweerlegbaar vast te staan voor de behandeling van een voor een nationale rechter aanhangig gemaakte schadevordering uit hoofde van artikel 101 of artikel 102 VWEU of uit hoofde van het nationale mededingingsrecht.
- 2.
De lidstaten zorgen ervoor dat indien in een andere lidstaat een definitieve beslissing in de zin van lid 1 is genomen deze definitieve beslissing overeenkomstig hun nationale rechtsstelsels voor hun nationale rechterlijke instanties tenminste kan worden gebruikt als een prima facie bewijs van het feit dat zich een inbreuk op het mededingingsrecht heeft voorgedaan, en naar gelang het geval, naast eventueel ander door de partijen aangevoerd bewijsmateriaal kan worden beoordeeld.
- 3.
Dit artikel laat de rechten en verplichtingen van nationale rechterlijke instanties uit hoofde van artikel 267 VWEU onverlet.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11
AB en MTB zijn in Griekenland gevestigde bierbrouwerijen die actief zijn op de Griekse biermarkt. AB maakt deel uit van het Heineken-concern, waarvan de moedermaatschappij, Heineken, is gevestigd te Amsterdam (Nederland). Heineken stelt de strategie en de doelstellingen van het concern vast. Zij heeft echter zelf geen operationele activiteiten in Griekenland. Tussen september 1998 en 14 september 2014 hield Heineken indirect circa 98,8 % van de aandelen in het kapitaal van AB.
12
Bij beslissing van 19 september 2014 heeft de Epitropi Antagonismou (mededingingsautoriteit, Griekenland) vastgesteld dat AB haar economische machtspositie op de Griekse biermarkt heeft misbruikt in de in het vorige punt genoemde periode en dat dit misbruik als één enkele voortdurende inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 2 van wet nr. 3959 inzake de bescherming van de mededinging moet worden gekwalificeerd. Hoewel MTB de mededingingsautoriteit had verzocht om Heineken in het onderzoek te betrekken, was deze autoriteit in deze beslissing met name van oordeel dat niet was aangetoond dat Heineken rechtstreeks aan de vastgestelde inbreuken had deelgenomen en dat de bijzondere omstandigheden niet het vermoeden deden rijzen dat Heineken beslissende invloed op AB had uitgeoefend. Deze autoriteit heeft zich in die beslissing niet uitgesproken over het in de rechtspraak van het Hof erkende weerlegbare vermoeden dat in het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft gemaakt, deze moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op het gedrag van deze dochteronderneming en op dezelfde voet als de dochteronderneming aansprakelijk kan worden gesteld voor de inbreuk (hierna: ‘vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij’).
13
MTB heeft de rechtbank Amsterdam (Nederland) verzocht om vast te stellen dat AB en Heineken hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de in het vorige punt genoemde inbreuk en derhalve hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van alle schade die MTB als gevolg van die inbreuk heeft geleden. AB en Heineken hebben hunnerzijds onder meer gevorderd dat de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaart om van de vordering tegen AB kennis te nemen. De rechtbank Amsterdam heeft zich bevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen tegen Heineken op grond van artikel 4, lid 1, verordening nr. 1215/2012, voor zover laatstgenoemde vennootschap in Amsterdam is gevestigd. De rechtbank heeft daarentegen de door AB en Heineken ingestelde vordering tot onbevoegdheid toegewezen en zich onbevoegd verklaard ten aanzien van AB wegens het ontbreken van een ‘zo nauwe band’, in de zin van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, tussen de tegen Heineken ingestelde vordering en de tegen AB ingestelde vordering dat ter wille van een goede rechtsbedeling de gelijktijdige behandeling en berechting ervan aangewezen was teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen zouden worden gegeven.
14
In beroep heeft het gerechtshof Amsterdam (Nederland) het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd, de incidentele vordering van AB en Heineken afgewezen, en de zaak teruggewezen naar deze rechtbank voor een nieuw onderzoek en afdoening ten gronde. Het gerechtshof heeft in wezen geoordeeld dat deze vennootschappen zich in dezelfde feitelijke situatie bevonden en dat niet met voldoende zekerheid kon worden uitgesloten dat zij een en dezelfde onderneming vormden.
15
AB en Heineken hebben cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden, de verwijzende rechter.
16
Deze rechter merkt op dat de bij hem aanhangige zaak verschilt van de zaak die aan de orde was in het arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide (C-352/13, EU:C:2015:335), waarin het Hof met name voor recht heeft verklaard dat vorderingen tegen ondernemingen die op verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen hebben deelgenomen aan één enkele voortdurende, in een besluit van de Europese Commissie vastgelegde inbreuk op het in het recht van de Europese Unie voorziene kartelverbod, met elkaar verbonden waren door een ‘zo nauwe band’ dat een goede rechtsbedeling vroeg om hun gelijktijdige behandeling en berechting. In de onderhavige zaak is de inbreuk op de mededingingsregels niet vastgesteld bij een besluit van de Commissie, maar bij een beslissing van een nationale mededingingsautoriteit, namelijk de Griekse mededingingsautoriteit. Bovendien staat vast dat Heineken zelf geen transacties op de Griekse biermarkt heeft verricht en de vordering van MTB jegens haar uitsluitend is gebaseerd op de beslissende invloed die zij op het gedrag van AB zou hebben uitgeoefend. In een geval waarin, zoals in casu, de verweerder op gemotiveerde wijze betwist dat hij een dergelijke invloed heeft uitgeoefend, rijst de vraag of, overeenkomstig het door het Hof in de arresten van 28 januari 2015, Kolassa (C-375/13, EU:C:2015:37), en 16 juni 2016, Universal Music International Holding (C-12/15, EU:C:2016:449), geformuleerde criterium, kan worden uitgegaan van het vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij, in welk geval de aangezochte rechter moet erkennen dat hij bevoegd is om uitspraak te doen in de zaak, tenzij de betrokken moedermaatschappij erin slaagt dat vermoeden eenvoudig te weerleggen.
17
In die omstandigheden heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet in een geval als aan de orde in dit geding, de rechter van de woonplaats van de moedervennootschap, bij de beoordeling van zijn bevoegdheid op de voet van art. 8, punt 1, van verordening [nr. 1215/2012] ten aanzien van de in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap, in het kader van het vereiste van de nauwe band als in die bepaling bedoeld, uitgaan van het voor het materiële mededingingsrecht aanvaarde vermoeden van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap die onderwerp is van het geding?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe moet in dit verband dan invulling worden gegeven aan de maatstaf geformuleerd in de arresten [van 28 januari 2015, Kolassa (C-375/13, EU:C:2015:37),] en [juni 2016, Universal Music International Holding (C-12/15, EU:C:2016:449)]? Is in dat geval, bij betwisting van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap, voor het aannemen van bevoegdheid op de voet van artikel 8, punt 1, van verordening [nr. 1215/2012] ten aanzien van de betrokken dochtervennootschap voldoende dat niet op voorhand uitgesloten kan worden geacht dat van die beslissende invloed sprake is geweest?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
18
Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat in geval van vorderingen tot hoofdelijke veroordeling van een moedermaatschappij en haar dochteronderneming tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een door deze dochteronderneming begane inbreuk op de mededingingsregels, de rechter van de woonplaats van de moedermaatschappij bij wie deze vorderingen zijn ingesteld, zich voor de vaststelling van zijn internationale bevoegdheid uitsluitend baseert op het vermoeden dat wanneer een moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal in handen heeft van een dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft gemaakt, zij beslissende invloed uitoefent op deze dochteronderneming.
19
Artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 bepaalt dat een verweerder die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, indien er meer dan één verweerder is, kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van de verweerders, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een ‘zo nauwe band’ bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.
20
Het doel van de bevoegdheidsregel als bedoeld in artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 strekt er overeenkomstig de overwegingen 16 en 21 van die verordening toe een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende procedures zo veel mogelijk te beperken en te voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven (arrest van 7 september 2023, Beverage City Polska, C-832/21, EU:C:2023:635, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21
Deze bijzondere bevoegdheidsregel, waarmee wordt afgeweken van de in artikel 4 van verordening nr. 1215/2012 neergelegde beginselbevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de verweerder, moet eng worden uitgelegd. Die uitlegging mag niet voorbijgaan aan de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen (arrest van 7 september 2023, Beverage City Polska, C-832/21, EU:C:2023:635, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22
Hieruit volgt dat voor de toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 dient te worden nagegaan of er tussen de door dezelfde verzoeker tegen verschillende verweerders ingediende vorderingen een zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. In dit verband zij opgemerkt dat beslissingen niet reeds onverenigbaar kunnen worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil, maar dat daartoe bovendien vereist is dat deze divergentie zich voordoet in het kader van dezelfde situatie, feitelijk en rechtens (arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C-352/13, EU:C:2015:335, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23
Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat de regel van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 niet zodanig kan worden uitgelegd dat een verzoeker op grond ervan een vordering tegen meerdere verweerders kan instellen met het enkele doel om een van die verweerders te onttrekken aan de gerechten van de staat waar hij zijn woonplaats heeft en aldus de in die bepaling vastgelegde bevoegdheidsregel te omzeilen door de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling op kunstmatige wijze te creëren of te handhaven (arrest van 7 september 2023, Beverage City Polska, C-832/21, EU:C:2023:635, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24
Het Hof heeft ook geoordeeld dat de kans dat een verzoeker een vordering tegen meerdere verweerders heeft ingesteld met het enkele doel om een van hen te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter van de staat waar hij zijn woonplaats heeft, uitgesloten is wanneer er een nauw verband bestaat tussen de tegen elk van de verweerders ingestelde vorderingen op het moment waarop deze worden ingesteld, dat wil zeggen wanneer een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te voorkomen dat bij afzonderlijke afdoening ervan onverenigbare beslissingen worden gegeven (zie naar analogie arresten van 11 oktober 2007, Freeport, C-98/06, EU:C:2007:595, punt 54; 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C-352/13, EU:C:2015:335, punt 28, en 7 september 2023, Beverage City Polska, C-832/21, EU:C:2023:635, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof heeft daaruit afgeleid dat, in geval van vorderingen die bij de indiening ervan samenhangend zijn in de zin van artikel 6, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), dat overeenkomt met artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, het aangezochte gerecht een eventuele omzeiling van de in die bepaling vastgelegde bevoegdheidsregel slechts kan vaststellen indien er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd (zie naar analogie arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C-352/13, EU:C:2015:335, punt 29).
25
Het staat dus met betrekking tot de vorderingen tegen de verschillende verweerders aan de verwijzende rechter om te beoordelen of er sprake is van dezelfde situatie rechtens en feitelijk, rekening houdend met alle relevante gegevens van de bij hem aanhangige zaak, en om zich ervan te vergewissen dat de vorderingen die gericht zijn tegen de enige verweerder van wie de woonplaats de bevoegdheid van het aangezochte gerecht rechtvaardigt, niet bedoeld zijn om op kunstmatige wijze te voldoen aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 (zie in die zin arrest van 7 september 2023, Beverage City Polska, C-832/21, EU:C:2023:635, punten 42 en 45). Niettemin kan het Hof de verwijzende rechter de uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaffen die nuttig zijn voor deze beoordeling.
26
In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat aan de voorwaarde van het bestaan van dezelfde situatie feitelijk en rechtens moet worden geacht te zijn voldaan wanneer verschillende ondernemingen die hebben deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op de mededingingsregels van de Unie, die is vastgesteld in een besluit van de Commissie, als verwerende partijen worden aangesproken op grond van hun deelname aan die inbreuk, ondanks het feit dat de verweerders in het hoofdgeding zowel op verschillende plaatsen als op verschillende tijdstippen aan de uitvoering van de betrokken mededingingsregeling hebben deelgenomen (zie in die zin arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C-352/13, EU:C:2015:335, punt 21).
27
Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, geldt dezelfde vaststelling ook voor vorderingen die zijn gebaseerd op de deelname van een vennootschap aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie en die tegen deze vennootschap en haar moedermaatschappij zijn ingesteld en waarbij wordt gesteld dat deze vennootschappen samen een en dezelfde onderneming vormden.
28
Het is immers vaste rechtspraak dat het mededingingsrecht van de Unie ziet op de activiteiten van ondernemingen, zodat, gezien het persoonlijke karakter van de aansprakelijkheid voor schade die voortvloeit uit inbreuken op de mededingingsregels van de Unie, de aansprakelijkheid voor de door de betreffende inbreuk veroorzaakte schade rust op de onderneming die inbreuk maakt op die regels (arrest van 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a., C-724/17, EU:C:2019:204, punten 30 en 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29
Wanneer derhalve vaststaat dat een vennootschap en haar dochteronderneming deel uitmaken van dezelfde economische eenheid en dus één enkele onderneming in de zin van de mededingingsregels van de Unie vormen, is het bestaan zelf van deze economische eenheid die de inbreuk heeft gepleegd doorslaggevend voor de aansprakelijkheid van de ene of van de andere tot de onderneming behorende vennootschap voor de mededingingsverstorende gedraging van de onderneming. Om die reden leidt het begrip ‘onderneming’, en dus het begrip ‘economische eenheid’, van rechtswege tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de entiteiten waaruit de economische eenheid op het moment van de inbreuk bestaat (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Sumal, C-882/19, EU:C:2021:800, punten 43 en 44).
30
In dit verband staat het feit dat, zoals in casu, de hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en haar dochteronderneming voor de inbreuk op de mededingingsregels van de Unie niet is vastgesteld in een definitief besluit van de Commissie, niet in de weg aan de toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 op dergelijke vorderingen.
31
Integendeel, zoals de advocaat-generaal in punt 56 van haar conclusie heeft opgemerkt, bestaat juist enkel in dat geval het risico dat onverenigbare beslissingen worden gegeven in het kader van dezelfde situatie, feitelijk en rechtens. Zoals blijkt uit overweging 21 van verordening nr. 1215/2012, heeft artikel 8, punt 1, van deze verordening juist tot doel een dergelijk risico te voorkomen.
32
De definitieve besluiten van de Commissie over een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie zijn volgens artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1/2003 verbindend voor elke rechterlijke instantie van een lidstaat die uitspraak doet over dezelfde inbreuk. Terwijl de lidstaten er overeenkomstig artikel 9, lid 1, van richtlijn 2014/104 voor moeten zorgen dat hun nationale rechterlijke instanties gebonden zijn aan enkel de definitieve beslissingen van hun eigen mededingingsautoriteiten die uitspraak doen over een dergelijke inbreuk, moeten zij er met betrekking tot soortgelijke beslissingen van een mededingingsautoriteit van een andere lidstaat krachtens artikel 9, lid 2, slechts voor zorgen dat die beslissingen voor hun nationale rechterlijke instanties als een prima facie bewijs van de inbreuk kunnen worden gebruikt.
33
Deze uitlegging van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, in die zin dat deze bepaling ook van toepassing is op vorderingen die zijn ingesteld tegen zowel een moedermaatschappij als haar dochteronderneming waarmee de eerste een economische eenheid vormt en die zijn gebaseerd op de deelname van laatstgenoemde aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie, is in overeenstemming met de in de overwegingen 15 en 16 van deze verordening genoemde doelstellingen van voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels en het rechtszekerheidsbeginsel.
34
Volgens de rechtspraak van het Hof vereist het rechtszekerheidsbeginsel onder meer dat bijzondere bevoegdheidsregels aldus worden uitgelegd dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder op grond daarvan redelijkerwijs kan voorzien voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen (arrest van 13 juli 2006, Reisch Montage, C-103/05, EU:C:2006:471, punt 25).
35
Dit is het geval bij een moedermaatschappij en haar in een andere lidstaat gevestigde dochteronderneming. Gelet op de overwegingen in de punten 28 en 29 van het onderhavige arrest kan elk van deze twee vennootschappen immers redelijkerwijs voorzien dat zij in geval van een door een van hen gepleegde inbreuk op de mededingingsregels van de Unie kan worden opgeroepen voor de rechterlijke instanties van de lidstaat van de woonplaats van de andere vennootschap om zich te verweren tegen op die inbreuk gebaseerde vorderingen.
36
In casu vraagt de verwijzende rechter zich meer in het bijzonder af welke gevolgen voor de eventuele toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 voortvloeien uit het feit dat, ten eerste, een verzoeker zich ter ondersteuning van zijn vorderingen tegen een vennootschap die heeft deelgenomen aan een inbreuk op de mededingingsregels van het Unierecht en tegen de vennootschap die het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van eerstgenoemde in handen heeft, beroept op het vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en, ten tweede, de tweede vennootschap betwist beslissende invloed op haar dochteronderneming te hebben uitgeoefend en daarmee een economische eenheid te hebben gevormd.
37
Dienaangaande zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak in het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft begaan, een weerlegbaar vermoeden bestaat dat deze moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming, dat wil zeggen een vermoeden van beslissende invloed en van aansprakelijkheid van de moedermaatschappij (arrest van 26 oktober 2017, Global Steel Wire e.a./Commissie, C-457/16 P en C-459/16 P tot en met C-461/16 P, EU:C:2017:819, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Dit vermoeden is ontwikkeld in het kader van de betwisting door de betrokken ondernemingen van de besluiten van de Commissie waarbij werd vastgesteld dat zij hadden deelgenomen aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie en waarbij hun geldboeten waren opgelegd op grond van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003. In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat het feit dat de Commissie bewijst dat het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van een dochteronderneming in handen is van haar moedermaatschappij, op zichzelf reeds het vermoeden oplevert dat deze moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op het commerciële beleid van die dochteronderneming. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij de moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt die aantonen dat deze dochteronderneming zich op de markt autonoom gedraagt (arrest van 26 oktober 2017, Global Steel Wire e.a./Commissie, C-457/16 P en C-459/16 P tot en met C-461/16 P, EU:C:2017:819, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
Hoewel het vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij is ontwikkeld in het kader van de betwisting van de besluiten van de Commissie op grond van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, kan het ook van toepassing zijn in het geval van een vordering van een natuurlijke of rechtspersoon die stelt schade te hebben geleden als gevolg van de deelname van een vennootschap aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie, waarbij die vordering is ingesteld tegen een andere vennootschap die het volledige of nagenoeg volledige kapitaal van eerstgenoemde vennootschap in handen heeft.
40
Het Hof heeft immers geoordeeld dat het begrip ‘onderneming’ in de zin van de mededingingsregels van de Unie, dat een autonoom begrip van dat recht is, in de context van de oplegging door de Commissie van geldboeten op grond van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 geen andere betekenis kan hebben dan in de context van vorderingen ter vergoeding van schade voor schending van de mededingingsregels van de Unie (arrest van 6 oktober 2021, Sumal, C-882/19, EU:C:2021:800, punt 38).
41
In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de aangezochte rechter in de fase van het onderzoek van de internationale bevoegdheid noch de ontvankelijkheid noch de gegrondheid van de vordering beoordeelt, maar uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat identificeert die zijn bevoegdheid op grond van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 rechtvaardigen.
42
Zo het juist is dat verordening nr. 1215/2012 de draagwijdte van de controleverplichtingen die op de nationale gerechten rusten bij de verificatie van hun internationale bevoegdheid niet uitdrukkelijk regelt aangezien dit een aspect van intern procesrecht betreft dat deze verordening niet beoogt eenvormig te maken, neemt dit niet weg dat het Hof heeft geoordeeld dat de toepassing van de relevante regels van het interne procesrecht geen afbreuk mag doen aan de nuttige werking van deze verordening. Terwijl de doelstelling van rechtszekerheid vereist dat de aangezochte nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken zonder dat hij gedwongen is om uitspraak ten gronde te doen, zou een verplichting om reeds in dit stadium van de procedure over te gaan tot een uitgebreide bewijsvoering met betrekking tot de zowel voor de bevoegdheid als voor de gegrondheid relevante feiten, vooruitlopen op het onderzoek van de gegrondheid van de vordering (zie in die zin arrest van 28 januari 2015, Kolassa, C-375/13, EU:C:2015:37, punten 61–63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43
Bovendien heeft het Hof ook reeds aangegeven dat zowel het doel van een goede rechtsbedeling als de geboden eerbiediging van de autonomie van de rechter in de uitoefening van zijn functies vereisen dat het aangezochte gerecht zijn internationale bevoegdheid kan toetsen aan alle te zijner beschikking staande gegevens, daaronder begrepen, in voorkomend geval, die welke zijn verstrekt door de verweerder (zie in die zin arresten van 28 januari 2015, Kolassa, C-375/13, EU:C:2015:37, punt 64, en 16 juni 2016, Universal Music International Holding, C-12/15, EU:C:2016:449, punt 45).
44
In die context zijn dus, wat de vraag betreft of het om samenhangende vorderingen gaat, de gegevens relevant die ertoe strekken aan te tonen dat het verzoekschrift inderdaad betrekking heeft op dezelfde situatie, feitelijk en, in voorkomend geval, rechtens. Voor de vaststelling dat er sprake is van samenhang mag die rechter dan ook uitgaan van de relevante beweringen die de verzoeker in zijn vorderingen heeft geformuleerd aangaande de omstandigheden van de gestelde aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (zie naar analogie arrest van 16 juni 2016, Universal Music International Holding, C-12/15, EU:C:2016:449, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Derhalve kan de aangezochte rechter zich in een situatie als die van het hoofdgeding ertoe beperken na te gaan of niet op voorhand is uitgesloten dat er sprake was van een beslissende invloed van de moedermaatschappij op de dochteronderneming om zich bevoegd te kunnen verklaren voor zover het nationale recht dit toestaat.
46
Dit zal het geval zijn wanneer de verzoekende partij verwijst naar het vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij. De verificatie dat de vordering tegen de moedermaatschappij, waarvan de woonplaats de bevoegdheid van de aangezochte rechter rechtvaardigt, niet kunstmatig is, veronderstelt echter dat de verwerende partijen zich kunnen beroepen op bewijskrachtige aanwijzingen waaruit blijkt dat ofwel de moedermaatschappij niet direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen had, ofwel dit vermoeden toch niet kan gelden.
47
Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat in geval van vorderingen tot hoofdelijke veroordeling van een moedermaatschappij en haar dochteronderneming tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een door deze dochteronderneming begane inbreuk op de mededingingsregels, de rechter van de woonplaats van de moedermaatschappij bij wie deze vorderingen zijn ingesteld, zich voor de vaststelling van zijn internationale bevoegdheid baseert op het vermoeden dat wanneer een moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal in handen heeft van een dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft begaan, zij beslissende invloed op deze dochteronderneming uitoefent, voor zover verweerders niet de mogelijkheid wordt ontnomen om zich te beroepen op bewijskrachtige aanwijzingen waaruit blijkt dat ofwel de moedermaatschappij niet direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen had, ofwel dit vermoeden toch niet kan gelden.
Kosten
48
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 8, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich er niet tegen verzet dat in geval van vorderingen die ertoe strekken dat een moedermaatschappij en haar dochteronderneming hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een door deze dochteronderneming begane inbreuk op de mededingingsregels, de rechter van de woonplaats van de moedermaatschappij bij wie deze vorderingen zijn ingesteld, zich voor de vaststelling van zijn internationale bevoegdheid baseert op het vermoeden dat wanneer een moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal in handen heeft van een dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft begaan, zij beslissende invloed op deze dochteronderneming uitoefent, voor zover verweerders niet de mogelijkheid wordt ontnomen om zich te beroepen op bewijskrachtige aanwijzingen waaruit blijkt dat ofwel de moedermaatschappij niet direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen had, ofwel dit vermoeden toch niet kan gelden.
Jarukaitis
Gratsias
Regan
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 februari 2025.
De griffier
De president
A. Calot Escobar
K. Lenaerts
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑02‑2025
Conclusie 26‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken — Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Bijzondere bevoegdheden — Artikel 8, punt 1 — Meerdere verweerders — Nauwe band — Artikel 102 VWEU — Begrip onderneming — Moeder- en dochtervennootschap — Inbreuk door de dochteronderneming — Vermoeden van beslissende invloed van de moedermaatschappij — Hoofdelijke aansprakelijkheid — Beslissing van een nationale mededingingsautoriteit — Vervolgvorderingen tot schadevergoeding
J. Kokott
Partij(en)
Zaak C-393/231.
Athenian Brewery SA,
Heineken NV
tegen
Macedonian Thrace Brewery SA
(verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing)
I. Inleiding
1.
Kan een persoon die door een inbreuk op de mededingingsregels is benadeeld, de vennootschap die de inbreuk heeft gepleegd, oproepen voor het gerecht in de plaats van vestiging van de moedermaatschappij in een andere lidstaat? Dit is in wezen de vraag die aan het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ten grondslag ligt.
2.
Dit geeft het Hof van Justitie de gelegenheid om zijn rechtspraak over de reikwijdte van de bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke instanties in artikel 8, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: ‘Brussel I bis-verordening’)2. verder uit te werken in het kader van schadevorderingen wegens schendingen van het mededingingsrecht van de Unie (private enforcement). In de zaak CDC Hydrogen Peroxide3. heeft het Hof reeds geoordeeld dat op grond van dit bijzondere forum meerdere deelnemers aan een met artikel 101 VWEU strijdig kartel kunnen worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van hen, wanneer hun deelname vooraf op bindende wijze is vastgesteld bij een beschikking van de Commissie (zogenoemde vervolgvorderingen tot schadevergoeding).
3.
In het onderhavige geval gaat het evenwel om de vraag of een (dochter)onderneming die volgens een besluit van een nationale mededingingsautoriteit misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU, samen met haar moedermaatschappij kan worden opgeroepen voor het gerecht in de vestigingsplaats van deze laatste in een andere lidstaat (hier Nederland) dan die van de dochteronderneming (hier Griekenland).
4.
In deze context wenst de verwijzende rechter te vernemen in hoeverre de rechtspraak over het begrip onderneming in de artikelen 101 en 102 VWEU en over de toerekening van aansprakelijkheid binnen een economische eenheid gevolgen heeft voor de verdeling van de bevoegdheid op grond van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening. In die rechtspraak heeft het Hof namelijk een weerlegbaar vermoeden erkend dat een moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op de economische activiteit van de dochteronderneming wanneer zij (nagenoeg) alle aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming in handen heeft (hierna: ‘vermoeden van zeggenschap’), waardoor haar het inbreukmakende gedrag van de onderneming kan worden toegerekend en zij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld.4.
II. Rechtskader
A. Brussel I bis-verordening
5.
De overwegingen 15, 16 en 21 van de Brussel I bis-verordening luiden als volgt:
- ‘(15)
De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.
- (16)
Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. Dat is met name belangrijk bij geschillen betreffende niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van smaad.
[…]
- (21)
Met het oog op een harmonische rechtsbedeling moeten parallel lopende processen zoveel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Er moet een duidelijke en afdoende regeling zijn om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen, alsook om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd. Voor de toepassing van deze verordening moet die datum autonoom worden bepaald.’
6.
Artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening luidt als volgt:
‘Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.’
7.
Artikel 5, lid 1, van de Brussel I bis-verordening luidt als volgt:
‘Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.’
8.
Artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening regelt de bijzondere internationale bevoegdheid:
‘Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:
- 1.
indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;
[…]’
B. Verordening nr. 1/2003
9.
Artikel 16, lid 1, van verordening (EG) nr. 1/2003 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 [EG]5. luidt als volgt:
‘Wanneer nationale rechterlijke instanties artikel 81 of artikel 82 [EG] toepassen op overeenkomsten, besluiten of gedragingen die reeds het voorwerp uitmaken van een beschikking van de Commissie, kunnen zij geen beslissingen nemen die in strijd zijn met de door de Commissie gegeven beschikking. Ook moeten zij vermijden beslissingen te nemen die in strijd zouden zijn met een beschikking die de Commissie overweegt te geven in een door haar gestarte procedure. Te dien einde kan de nationale rechterlijke instantie de afweging maken of het nodig is haar procedure op te schorten. Deze verplichting laat de rechten en verplichtingen op grond van artikel 234 [EG] onverlet.’
C. Richtlijn 2014/104
10.
Artikel 2, punten 2 en 3, van richtlijn 2014/104/EU betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie6. definieert de begrippen ‘inbreukpleger’ en ‘nationaal mededingingsrecht’ als volgt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- 2.
‘inbreukpleger’: de onderneming of de ondernemersvereniging die een inbreuk op het mededingingsrecht heeft begaan;
- 3.
‘nationaal mededingingsrecht’: de bepalingen van nationaal recht die overwegend dezelfde doelstelling nastreven als de artikelen 101 en 102 VWEU en die in dezelfde zaak en parallel met het mededingingsrecht van de Unie worden toegepast overeenkomstig artikel 3, lid 1, van [verordening nr. 1/2003], met uitzondering van bepalingen van nationaal recht waarbij natuurlijke personen strafrechtelijke sancties worden opgelegd, behalve voor zover zulke strafrechtelijke sancties het middel zijn op grond waarvan de op ondernemingen toepasselijke mededingingsvoorschriften worden gehandhaafd;
[…]’
11.
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2014/104 betreft het recht op volledige schadevergoeding:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat iedere natuurlijk persoon of rechtspersoon die schade heeft geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, de mogelijkheid heeft volledige vergoeding van die schade te vorderen en te verkrijgen.’
12.
Artikel 9 van richtlijn 2014/104 betreft de doorwerking van beslissingen van nationale mededingingsautoriteiten:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat een inbreuk op het mededingingsrecht die door een nationale mededingingsautoriteit of door een beroepsinstantie door middel van een definitieve inbreukbeslissing is vastgesteld, geacht wordt onweerlegbaar vast te staan voor de behandeling van een voor een nationale rechter aanhangig gemaakte schadevordering uit hoofde van artikel 101 of artikel 102 VWEU of uit hoofde van het nationale mededingingsrecht.
- 2.
De lidstaten zorgen ervoor dat indien in een andere lidstaat een definitieve beslissing in de zin van lid 1 is genomen deze definitieve beslissing overeenkomstig hun nationale rechtsstelsels voor hun nationale rechterlijke instanties tenminste kan worden gebruikt als een prima-faciebewijs van het feit dat zich een inbreuk op het mededingingsrecht heeft voorgedaan, en naargelang het geval, naast eventueel ander door de partijen aangevoerd bewijsmateriaal kan worden beoordeeld.
- 3.
Dit artikel laat de rechten en verplichtingen van nationale rechterlijke instanties uit hoofde van artikel 267 VWEU onverlet.’
III. Feiten en verzoek om een prejudiciële beslissing
13.
Het hoofdgeding betreft een geschil tussen Macedonian Thrace Brewery SA (hierna: ‘MTB’) enerzijds en Athenian Brewery SA (hierna: ‘AB’) en haar (over)grootmoedermaatschappij Heineken NV (hierna: ‘Heineken’) anderzijds. Heineken is gevestigd in Nederland, terwijl AB is gevestigd in Griekenland. Desalniettemin wenst MTB zowel AB als Heineken hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de Nederlandse rechter voor de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van een door AB gepleegde inbreuk op onder meer artikel 102 VWEU op de Griekse biermarkt.
14.
MTB is een in Griekenland gevestigde bierbrouwerij die actief is op de Griekse biermarkt. AB maakt deel uit van het Heineken-concern en is ook actief in Griekenland. Hoewel Heineken de strategie en de doelstellingen van het Heineken-concern vaststelt, heeft zij zelf geen operationele activiteiten in Griekenland. Heineken hield gedurende de in deze procedure relevante periode indirect circa 98,8 % van de aandelen in het kapitaal van AB.
15.
Bij beslissing van 19 september 2014 heeft de Griekse mededingingsautoriteit geoordeeld dat AB haar economische machtspositie op de Griekse biermarkt heeft misbruikt in de periode van september 1998 tot en met 14 september 2014 en dat dit misbruik als één enkele voortdurende inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 2 van de Griekse mededingingswet moet worden gekwalificeerd.
16.
MTB had de Griekse mededingingsautoriteit verzocht Heineken in het onderzoek te betrekken. In haar beslissing heeft de Griekse mededingingsautoriteit echter aangegeven daarvoor geen aanleiding te zien. Zij was met name van oordeel dat niet was aangetoond dat Heineken rechtstreeks aan de vastgestelde inbreuken had deelgenomen en dat er evenmin bijzondere omstandigheden waren die onafwendbaar het vermoeden deden rijzen dat Heineken beslissende invloed op AB had uitgeoefend. Zij heeft zich niet uitgesproken over het vermoeden van zeggenschap.
17.
MTB heeft de rechtbank Amsterdam (Nederland) verzocht om vast te stellen dat Heineken en AB hoofdelijk aansprakelijk zijn voor bovengenoemde inbreuk op de Griekse biermarkt en derhalve hoofdelijk gehouden zijn tot vergoeding van alle schade die MTB als gevolg van deze inbreuk heeft geleden. Heineken en AB hebben incidenteel gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen tegen AB kennis te nemen. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen en zich onbevoegd verklaard ten aanzien van de vorderingen tegen AB.
18.
Het gerechtshof Amsterdam (Nederland) heeft het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring afgewezen. Heineken en AB hebben daarop beroep in cassatie ingesteld bij de verwijzende rechter, de Hoge Raad der Nederlanden.
19.
De Hoge Raad heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie krachtens artikel 267 VWEU twee prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Moet in een geval als aan de orde in dit geding, de rechter van de woonplaats van de moedervennootschap, bij de beoordeling van zijn bevoegdheid op de voet van [artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening] ten aanzien van de in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap, in het kader van het vereiste van de nauwe band als in die bepaling bedoeld, uitgaan van het voor het materiële mededingingsrecht aanvaarde vermoeden van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap die onderwerp is van het geding?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: hoe moet in dit verband dan invulling worden gegeven aan de maatstaf geformuleerd in de arresten Kolassa [(C-375/13, EU:C:2015:37)] en Universal Music International [Holding (C-12/15, EU:C:2016:449)]? Is in dat geval, bij betwisting van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap, voor het aannemen van bevoegdheid op de voet van [artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening] ten aanzien van de betrokken dochtervennootschap voldoende dat niet op voorhand uitgesloten kan worden geacht dat van die beslissende invloed sprake is geweest?’
IV. Juridische beoordeling
20.
De verwijzende rechter wenst te vernemen of voor de toetsing van de internationale rechterlijke bevoegdheid op grond van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening moet worden uitgegaan van het in het mededingingsrecht erkende vermoeden van zeggenschap, zoals uiteengezet in punt 4 van deze conclusie, volgens hetwelk weerlegbaar wordt vermoed dat een moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op de economische activiteit van de dochteronderneming wanneer zij (nagenoeg) alle aandelen in het kapitaal van deze dochteronderneming in handen heeft. Als dit wordt bevestigd, wenst de rechter tevens te vernemen welke toetsingsmaatstaf van toepassing is als de verweerder ontkent dat er sprake is van een beslissende invloed van de moedermaatschappij op de economische activiteit van de dochteronderneming.
21.
Deze vragen rijzen in het kader van het hoofdgeding omdat alleen voor Heineken, dat in Nederland is gevestigd, geldt dat krachtens artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening de Nederlandse rechter bevoegd is, en dit dus niet geldt voor AB, dat in Griekenland is gevestigd. AB kan echter samen met Heineken in Nederland worden opgeroepen indien er een ‘nauwe band’ bestaat tussen de vorderingen tegen Heineken en AB in de zin van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening. De verwijzende rechter vraagt zich daarom af in hoeverre het vermoeden van zeggenschap, gebaseerd op het feit dat Heineken bijna 100 % van de aandelen van AB in handen heeft, kan worden gebruikt om een dergelijke nauwe band vast te stellen.
22.
In wezen gaat het dus om de vraag of en in hoeverre het vermoeden van zeggenschap in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de internationale bevoegdheid en in hoeverre moet worden onderzocht of dit vermoeden is weerlegd (onder B en C).
23.
Om de mogelijke gevolgen van het vermoeden van zeggenschap voor de uitlegging van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening te kunnen onderzoeken, moeten allereerst de betekenis, het doel en de functie ervan in het mededingingsrecht van de Unie kort worden toegelicht (onder A).
A. Begrip onderneming, ‘economische eenheid’ en weerlegbaar vermoeden van zeggenschap in de zin van de artikelen 101 en 102 VWEU
24.
Volgens vaste rechtspraak duidt het begrip ‘onderneming’, dat wil zeggen de persoon van de inbreukpleger, in de zin van de artikelen 101 en 102 VWEU, op een ‘economische eenheid’ die uit verschillende natuurlijke of rechtspersonen kan bestaan.7.
25.
Wanneer een dergelijke eenheid de mededingingsregels van de Unie overtreedt, moet zij in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid daarvoor dragen.8. Een dergelijke inbreuk moet echter worden toegerekend aan een persoon waaraan geldboeten kunnen worden opgelegd en waartegen schadevergoedingsvorderingen kunnen worden ingesteld. Daarom kan de toepassing van het begrip ‘onderneming’ of ‘economische eenheid’ leiden tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de natuurlijke of rechtspersoon waaruit de betrokken economische eenheid op het moment van de inbreuk bestond.9.
26.
Volgens de rechtspraak van het Hof vormen juridisch verschillende personen die in de vorm van een groep zijn georganiseerd, een en dezelfde onderneming wanneer zij niet zelfstandig hun gedrag op de betrokken markt bepalen, maar zij, met name gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen hen en een moedermaatschappij, de gevolgen ondergaan van de daadwerkelijke uitoefening door deze leidinggevende eenheid van een beslissende invloed te dien einde.10.
27.
Het vermoeden van zeggenschap zoals bedoeld in punt 4 van deze conclusie betreft het geval waarin (weerlegbaar) wordt vermoed dat een moedermaatschappij die direct of indirect (nagenoeg) het gehele kapitaal van de dochteronderneming bezit, daadwerkelijk een beslissende invloed uitoefent.11. Dit vermoeden geldt dus niet alleen voor de rechtstreekse verhouding tussen de moedermaatschappij en haar dochteronderneming, maar ook, zoals in casu, voor de indirecte relatie tussen de (over)grootmoedermaatschappij en de (achter) kleindochteronderneming.12. Ik zal hieronder dus alleen de moedermaatschappij en de dochteronderneming bespreken.
28.
Zoals de Commissie terecht heeft aangevoerd, moet dit vermoeden van zeggenschap overeenkomstig de rechtspraak niet alleen gelden op het gebied van de uitvoering van de mededingingsregels van de Unie door de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten (public enforcement), maar ook op het gebied van vorderingen tot vergoeding van schade wegens schending van die regels (private enforcement). Beide maken integrerend deel uit van het stelsel voor de handhaving van de mededingingsregels van de Unie.13. In dit verband moet het begrip ‘onderneming’ in de artikelen 101 en 102 VWEU uniform worden uitgelegd.14. Dit kan niet anders zijn voor het vermoeden van zeggenschap dat in de rechtspraak in het kader van het begrip onderneming is ontwikkeld.
29.
De moedermaatschappij kan het vermoeden van zeggenschap evenwel weerleggen door aan te tonen dat zij tijdens de duur van de inbreuk geen instructies heeft gegeven aan de dochteronderneming, en evenmin direct of indirect betrokken was bij de besluitvorming van de dochteronderneming in verband met de betrokken economische activiteit.15.
30.
Indien het vermoeden van zeggenschap daarentegen niet aan de orde is, moeten de mededingingsautoriteit of verzoeker aantonen dat de moedermaatschappij tijdens de duur van de inbreuk daadwerkelijk beslissende invloed heeft uitgeoefend op de economische activiteit van de dochteronderneming, met name door instructies te geven.16.
31.
Het vermoeden leidt dus tot een omkering van de bewijslast ten gunste van de benadeelde die schadevergoeding vordert en ten nadele van de verwerende moedermaatschappij.17. Het vereenvoudigt de handhaving van het recht voor de benadeelde en versterkt aldus tegelijkertijd de afdwingbaarheid van de mededingingsregels van de Unie. Vorderingen tot vergoeding van schade dragen er immers ook toe bij dat ondernemingen worden afgeschrikt om concurrentieverstorend gedrag te vertonen, en dragen er zo toe bij dat een daadwerkelijke mededinging binnen de Unie wordt gehandhaafd.18.
32.
Thans zal ik onderzoeken of en in hoeverre het vermoeden van zeggenschap van belang is voor de uitlegging van artikel 8 van de Brussel I bis-verordening (eerste prejudiciële vraag).
B. Eerste prejudiciële vraag: invloed van het vermoeden van zeggenschap op de toepassing van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening
1. Het begrip ‘nauwe band’ in artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening
33.
34.
Krachtens artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, indien er meer dan één verweerder is, worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van de verweerders, de zogenoemde ‘hoofdverweerder’. Dit geldt echter alleen wanneer er een zodanig ‘nauwe band’ tussen de vorderingen bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting. Aldus moet worden uitgesloten dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.
35.
Bij de vaststelling van de voorwaarden waaronder een dergelijk nauwe band kan bestaan, moet rekening worden gehouden met het stelsel en de doelstellingen van de bepalingen van de Brussel I bis-verordening.19. Vervolgens staat het aan de nationale rechter om in het concrete geval te beoordelen of er tussen de verschillende vorderingen een dergelijk verband bestaat.20.
36.
Ik zal hieronder allereerst uiteenzetten dat er een nauwe band bestaat tussen de vorderingen wanneer de moedermaatschappij en de dochteronderneming hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een inbreuk (onder 2). Vervolgens zal ik uitleggen waarom een dergelijke nauwe band in de regel ook bestaat wanneer in eerste instantie alleen het vermoeden van zeggenschap aan de orde is, dat wil zeggen wanneer de moedermaatschappij direct of indirect (nagenoeg) het volledige kapitaal van de dochteronderneming in handen heeft, zonder dat de vraag of beide hoofdelijk aansprakelijk zijn dan wel of het vermoeden van zeggenschap kan worden weerlegd, reeds definitief was beantwoord (onder 3).
2. Hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en de dochteronderneming bij toepassing van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening
37.
Artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening strekt er overeenkomstig de overwegingen 16 en 21 van die verordening toe een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende procedures zo veel mogelijk te beperken en aldus te voorkomen dat beslissingen worden gegeven die onverenigbaar zouden kunnen zijn indien de zaken gescheiden zouden worden beslist.21.
38.
Het enkele risico van divergentie in de beslechting van geschillen is hiervoor echter niet voldoende. Deze divergentie moet zich veeleer voordoen in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens.22.
39.
Bijgevolg is artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening in het geval van meerdere verweerders van toepassing wanneer verschillende ondernemingen op verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen hebben deelgenomen aan één voortdurende, in een beschikking van de Commissie vastgestelde inbreuk op artikel 101 VWEU en hoofdelijk worden veroordeeld tot schadevergoeding. In die omstandigheden bestaat er eenzelfde situatie feitelijk en rechtens, zodat alle betrokken ondernemingen kunnen worden opgeroepen voor het gerecht in de vestigingsplaats van een hoofdverweerder.23.
40.
A fortiori is er sprake van dezelfde situatie, feitelijk en rechtens, wanneer zowel de moedermaatschappij als de dochteronderneming hoofdelijk24. aansprakelijk wordt gesteld voor een inbreuk op artikel 102 VWEU op grond dat zij een economische eenheid vormen, dat wil zeggen een en dezelfde ‘onderneming’. Ook in dat geval is er immers sprake van één enkele feitelijke situatie, namelijk de door de dochteronderneming gepleegde inbreuk, die aan de moedermaatschappij (met name op grond van het vermoeden van zeggenschap) wordt toegerekend alsof zij deze zelf had gepleegd. De vorderingen tegen de moedermaatschappij en de dochteronderneming berusten dus op dezelfde feiten die tot aansprakelijkheid leiden. Aangezien beide vorderingen betrekking hebben op dezelfde inbreuk op artikel 102 VWEU, is bovendien de juridische situatie dezelfde wat betreft het feit dat de aansprakelijkheid doet ontstaan. Er bestaat dus een risico van onverenigbare beslissingen wanneer verschillende rechterlijke instanties uitspraak doen over de respectieve aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en de dochteronderneming.
3. Betekenis van het vermoeden van zeggenschap voor de toepassing van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening
41.
Dit doet echter de vervolgvraag rijzen of er ook dan sprake kan zijn van een nauwe band in de zin van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening wanneer de gezamenlijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en haar dochteronderneming voor de inbreuk nog niet is aangetoond. Dit kan met name het geval zijn in zogenoemde ‘standalonevorderingen’, die, anders dan vervolgvorderingen, geen steun kunnen vinden in een (bindend) besluit van een mededingingsautoriteit, hetzij van de Commissie (artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1/2003) hetzij van een nationale autoriteit (artikel 9 van richtlijn 2014/104). Bovendien kan de gezamenlijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en haar dochteronderneming ook onzeker zijn wanneer er een besluit van een mededingingsautoriteit bestaat, maar deze slechts de door een van de deelnemende vennootschappen gepleegde inbreuk vaststelt. Zo vloeit in het onderhavige geval de gezamenlijke aansprakelijkheid van AB en Heineken niet voort uit het besluit van de Griekse mededingingsautoriteit, aangezien dit enkel de door AB gepleegde inbreuk heeft vastgesteld, terwijl Heineken niet in het onderzoek is betrokken. Daarom is er alleen met betrekking tot AB, maar niet met betrekking tot Heineken, sprake van een vervolgvordering.
42.
Bestaat er in dergelijke omstandigheden slechts een nauwe band tussen de vorderingen tegen de moedermaatschappij en de dochteronderneming wanneer de beslissende invloed van de moedermaatschappij in het stadium van de toetsing van de bevoegdheid op grond van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening onbetwist blijft of aangetoond is? Of is deze bepaling ook van toepassing wanneer beslissende invloed weliswaar niet is aangetoond, maar (weerlegbaar) wordt vermoed op grond van het vermoeden van zeggenschap, omdat de moedermaatschappij direct of indirect nagenoeg het gehele kapitaal van de dochteronderneming in handen heeft? Moet daarentegen het bestaan van een nauwe band in de zin van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening worden ontkend wanneer de moedermaatschappij elementen aanvoert ter weerlegging van het vermoeden van zeggenschap?
43.
Ik zal hieronder uiteenzetten waarom het aan het vermoeden van zeggenschap ten grondslag liggende feit dat de moedermaatschappij (nagenoeg) het volledige kapitaal van de dochteronderneming in handen heeft, mijns inziens een dermate sterke aanwijzing vormt dat er een nauwe band bestaat tussen de vorderingen tegen de moedermaatschappij en de dochteronderneming in de zin van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening, dat normaliter geen aanvullende aanwijzingen nodig zijn om een dergelijke nauwe band te bevestigen [onder a)]. Deze uitlegging is niet in strijd met het vereiste van voorspelbaarheid van het internationaal bevoegde gerecht [onder b)]. Bovendien verzekert zij de nuttige werking van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening, zonder dat de verzoeker misbruik kan worden verweten [onder c)].
a) Het houden van (nagenoeg) alle aandelen als sterke aanwijzing voor het bestaan van een nauwe band
44.
De Brussel I bis-verordening regelt niet uitdrukkelijk de draagwijdte van de controleverplichtingen van de nationale gerechten bij de verificatie van hun internationale bevoegdheid.25. Het betreft hierbij een aspect van intern procesrecht, dat voormelde verordening niet unificeert.26. De toepassing van de relevante nationale regels mag evenwel geen afbreuk doen aan de nuttige werking van deze verordening.27.
45.
In dit verband heeft het Hof terecht geoordeeld dat het doel van rechtszekerheid verlangt dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken.28. De aangezochte rechter beoordeelt in deze fase niet de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering volgens de regels van nationaal recht, maar identificeert uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat die zijn bevoegdheid op grond van deze bepaling rechtvaardigen.29. De nationale procedureregels moeten het aangezochte gerecht echter in staat stellen zijn internationale bevoegdheid te toetsen aan alle te zijner beschikking staande gegevens, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder.30.
46.
Het feit dat de moedermaatschappij nagenoeg het volledige kapitaal van de dochteronderneming in handen heeft, zodat het vermoeden van zeggenschap aan de orde is, vormt een sterke aanwijzing dat er een nauwe band bestaat tussen de tegen deze vennootschappen ingestelde vorderingen in de zin van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening.
47.
In een dergelijk geval is het immers zeer waarschijnlijk dat de moedermaatschappij en haar dochteronderneming hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door deze laatste gepleegde inbreuk. Het vermoeden van zeggenschap berust immers juist op de veronderstelling dat de moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op de economische activiteit van de dochteronderneming wanneer de moedermaatschappij (nagenoeg) alle aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming in handen heeft.31. Zoals blijkt uit de vaste rechtspraak sinds het arrest Akzo Nobel,32. is het in dit opzicht ook heel moeilijk voor de moedermaatschappij om het tegenbewijs te leveren dat nodig is om het vermoeden te weerleggen.33.
48.
Om het bestaan van een nauwe band in de zin van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening vast te stellen, is de rechter dus niet verplicht de feiten en bewijzen te onderzoeken die de moedermaatschappij ter weerlegging van het vermoeden van zeggenschap heeft aangevoerd. Hij hoeft evenmin te onderzoeken of deze laatste daadwerkelijk een beslissende invloed heeft uitgeoefend op de dochteronderneming. Dit is veeleer pas relevant in het kader van de gegrondheid van de vordering.
49.
Het vermoeden van zeggenschap mag dus niet als zodanig ongewijzigd worden toegepast in het kader van de rechterlijke bevoegdheid. De bevoegdheidsregel van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening vereist immers niet dat de moedermaatschappij beslissende invloed heeft uitgeoefend op de dochteronderneming, maar veronderstelt enkel een nauwe band tussen de vorderingen. Pas bij het onderzoek ten gronde moet voor de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij de beslissende invloed van de moedermaatschappij op de economische activiteit van de dochteronderneming worden bewezen, zodat het vermoeden van zeggenschap als zodanig en de daaruit voortvloeiende omkering van de bewijslast pas daar een rol spelen.
50.
Het feit dat de moedermaatschappij (nagenoeg) alle aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming in handen heeft, leidt er dus in wezen toe dat de beslissende invloed van de moedermaatschappij wordt vermoed en heeft op het gebied van de bevoegdheid tot gevolg dat er een nauwe band bestaat tussen de vorderingen tegen de moedermaatschappij en de dochteronderneming.
51.
Bijgevolg kan het bezwaar dat het vermoeden van zeggenschap in het kader van de toetsing van de bevoegdheid onweerlegbaar zou zijn indien het daarin werd aangevoerd om het bestaan van een nauwe band in de zin van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening aan te tonen, evenmin slagen. Op het gebied van de bevoegdheid wordt immers een ander criterium onderzocht. Of er daadwerkelijk sprake is van een beslissende invloed, hoeft niet te worden beoordeeld in het kader van de toetsing van de bevoegdheid.
b) Voorspelbaarheid van de internationaal bevoegde rechter
52.
Deze uitlegging is in overeenstemming met het rechtszekerheidsbeginsel. Dit beginsel vereist dat bijzonderebevoegdheidsregels aldus worden uitgelegd dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder op grond daarvan redelijkerwijs kan voorzien, voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen.34. Bovendien moet de aangezochte nationale rechter om redenen van rechtszekerheid in staat zijn zich over zijn eigen bevoegdheid uit te spreken zonder de zaak ten gronde te hoeven onderzoeken.35.
53.
Het feit dat het in een geval als het onderhavige volstaat dat de moedermaatschappij direct of indirect (nagenoeg) het volledige kapitaal van de dochteronderneming in handen heeft, om uit te kunnen gaan van de door artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening vereiste nauwe band, leidt niet tot de onvoorspelbaarheid van de bevoegde rechter. Het gaat immers om een duidelijk en eenvoudig criterium voor de verwerende (moeder- en dochter)vennootschappen, dat zowel door hen als door de aangezochte rechter gemakkelijk kan worden gecontroleerd.
54.
Dit zou anders zijn indien voor de bevoegdheid het bewijs van de beslissende invloed van de moedermaatschappij op de bedrijfsactiviteiten van de dochteronderneming zou moeten worden geleverd. Daartoe zou reeds in dit stadium van de procedure een volledig en soms ingewikkeld onderzoek moeten worden verricht, alsmede een beoordeling van de feiten en de bewijzen, waarvan de uitkomst voor de partijen juist niet in hoge mate voorspelbaar zou zijn in de zin van overweging 15 van de Brussel I bis-verordening. Dit zou in het nadeel zijn van de benadeelde verzoeker, die het risico draagt dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard.
55.
Om voldoende voorspelbaar te zijn, is het mijns inziens evenmin noodzakelijk dat in een bindende beschikking van de Commissie vooraf is vastgesteld dat de moedermaatschappij en de dochteronderneming hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de eventueel opgelegde geldboeten. Of een bevoegdheidsregel van toepassing is in de context van de private enforcement, die de handhaving van rechten voor de benadeelde partij vergemakkelijkt, kan niet afhangen van de vraag of de Commissie eerder is opgetreden.
56.
Bovendien bestaat juist in een geval waarin de inbreuk niet krachtens een beschikking van de Commissie overeenkomstig artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1/2003 in alle lidstaten bindend vaststaat, het risico van onverenigbare beslissingen wanneer verschillende rechterlijke instanties uitspraak doen over de rechten op schadevergoeding jegens de moedermaatschappij en de dochteronderneming. Wanneer bijvoorbeeld, zoals in casu, een nationale mededingingsautoriteit vooraf heeft besloten dat er sprake is van aansprakelijkheid (ten minste van de dochteronderneming), is dit besluit krachtens artikel 9, lid 1, van richtlijn 2014/104 slechts bindend voor de rechterlijke instanties van de betrokken lidstaat, terwijl andere rechterlijke instanties van een lidstaat, zoals in casu de Nederlandse, hiermee slechts rekening hoeven te houden als prima-faciebewijs (artikel 9, lid 2, van richtlijn 2014/104).
57.
In dit verband bestaat het risico van onverenigbare beslissingen wanneer bij verschillende rechterlijke instanties van een lidstaat vorderingen tegen de moedermaatschappij en de dochteronderneming aanhangig worden gemaakt, zowel met betrekking tot de voorafgaande vraag of er sprake is van een inbreuk, als met betrekking tot de latere vragen betreffende de toerekening en de omvang van de aansprakelijkheid.
c) Geen misbruik of omzeiling van het forum
58.
De hierboven uiteengezette uitlegging van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening maakt een eenvoudige toetsing van de bevoegdheid mogelijk. Bovendien kan de benadeelde partij dankzij die uitlegging haar recht op schadevergoeding gemakkelijker bij de rechter geldend maken, juist omdat een hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en haar dochteronderneming door het vermoeden van zeggenschap waarschijnlijk is.
59.
Van misbruik door verzoeker of omzeiling van het forum zou alleen sprake kunnen zijn als de vordering tegen de hoofdverweerder kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond is en dus alleen tot doel kan hebben om de andere verweerder te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter van de staat waar hij zijn woonplaats heeft.36. Wanneer er sprake is van een nauwe band in de zin van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening, kan een dergelijke omzeiling slechts worden vastgesteld indien er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd.37. Daartoe volstaat het niet dat de vordering tegen de hoofdverweerder (mogelijk) ongegrond lijkt. Veeleer moet deze vordering op het tijdstip dat zij wordt ingesteld, kennelijk ongegrond of kunstmatig of zonder enig werkelijk belang voor de verzoeker zijn.38. Dit zou denkbaar zijn als er, ondanks het vermoeden van zeggenschap, duidelijk geen beslissende invloed van de moedermaatschappij op de dochteronderneming is vanwege de omstandigheden van het specifieke geval en een medeaansprakelijkheid van de moedermaatschappij daarom van meet af aan is uitgesloten. Dit zal slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde zijn.
60.
Als de benadeelde partij ook de Griekse dochteronderneming oproept voor de rechter in de vestigingsplaats van de Nederlandse moedermaatschappij, waardoor eerstgenoemde aan de bevoegdheid van de Griekse rechter wordt onttrokken, levert dit geen dergelijke omzeiling op. Wanneer verweerders hun woonplaats in verschillende lidstaten hebben, laat artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening de verzoeker immers de keuze van het bevoegde gerecht.39. Deze keuzemogelijkheid houdt in dat de verzoeker het geschil kan voorleggen aan het gerecht dat het meest geschikt is voor zijn belangen.40.
61.
Het is daarom ook niet relevant of er een nauwere band is met een ander gerecht, bijvoorbeeld omdat de inbreuk uitsluitend op de Griekse biermarkt plaatsvond en alleen de Griekse dochteronderneming in het besluit van de Griekse mededingingsautoriteit als de pleger ervan wordt genoemd. De bevoegdheidsregels zoeken immers in beginsel41. niet naar de nauwste band, maar slechts naar een nauwe band, die in casu reeds wordt gewaarborgd door het criterium van de ‘nauwe band’ als bedoeld in artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening. Dit wordt bevestigd door overweging 16 van de Brussel I bis-verordening, volgens welke naast de woonplaats van de verweerder alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk moeten zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering.
C. Tweede prejudiciële vraag
62.
Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, ingeval de moedermaatschappij betwist beslissende invloed te hebben uitgeoefend op de economische activiteit van de dochteronderneming, het voor de erkenning van bevoegdheid op grond van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening ten aanzien van de dochteronderneming volstaat dat het bestaan van een dergelijke invloed niet bij voorbaat kan worden uitgesloten.
63.
Uit mijn opmerkingen in de punten 48 en volgende van deze conclusie volgt reeds dat de tweede prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord voor zover — zoals in casu — aan de voorwaarden voor het vermoeden van zeggenschap is voldaan: dit is immers een bijzonder sterke aanwijzing voor het bestaan van een ‘nauwe band’ in de zin van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening, die een bevoegdheid oplevert, en kan slechts bij wijze van uitzondering worden ontkracht.
V. Conclusie
64.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de twee prejudiciële vragen van de Hoge Raad der Nederlanden te beantwoorden als volgt:
‘In het kader van schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie moet het gerecht van de plaats van vestiging van de moedermaatschappij bij de toetsing van zijn bevoegdheid op grond van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening ten aanzien van de in een andere lidstaat gevestigde dochteronderneming het feit dat de moedermaatschappij direct of indirect (nagenoeg) het volledige kapitaal van de dochteronderneming in handen heeft, als een sterke aanwijzing voor het bestaan van een nauwe band tussen de tegen deze vennootschappen ingestelde vorderingen beschouwen. Bijgevolg zijn in de regel geen aanvullende aanwijzingen noodzakelijk om het bestaan van een dergelijke nauwe band te bevestigen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑09‑2024
Oorspronkelijke taal: Duits.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 (PB 2012, L 351, blz. 1).
Arrest van 21 mei 2015 (C-352/13, EU:C:2015:335).
Vaste rechtspraak sinds arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punten 54 e.v.).
Verordening van de Raad van 16 december 2002 (PB 2003, L 1, blz. 1).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 (PB 2014, L 349, blz. 1).
Zie arresten van 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a. (C-377/20, EU:C:2022:379, punt 105); 27 april 2017, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-516/15 P, EU:C:2017:314, punt 48), en 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punt 55).
Arrest van 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a. (C-377/20, EU:C:2022:379, punt 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
In die zin arresten van 6 oktober 2021, Sumal (C-882/19, EU:C:2021:800, punten 44 e.v.), en 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a. (C-377/20, EU:C:2022:379, punt 107).
Zie arrest van 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a. (C-377/20, EU:C:2022:379, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a. (C-377/20, EU:C:2022:379, punten 109 en 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 20 januari 2011, General Química e.a./Commissie (C-90/09 P, EU:C:2011:21, punten 86 e.v.).
Zie arresten van 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a. (C-724/17, EU:C:2019:204, punt 45), en 6 oktober 2021, Sumal (C-882/19, EU:C:2021:800, punt 37).
Zie arresten van 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a. (C-724/17, EU:C:2019:204, punt 47), en 6 oktober 2021, Sumal (C-882/19, EU:C:2021:800, punt 38); in die zin ook conclusie van advocaat-generaal Emiliou in de zaak MOL (C-425/22, EU:C:2024:131, punt 65).
In die zin arrest van 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a. (C-377/20, EU:C:2022:379, punt 112). Wat betreft de weerlegbaarheid van het vermoeden zie alleen al arrest van 8 mei 2013, Eni/Commissie (C-508/11 P, EU:C:2013:289, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 25 maart 2021, Deutsche Telekom/Commissie (C-152/19 P, EU:C:2021:238, punten 74 e.v.).
Zie in die zin arrest van 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a. (C-377/20, EU:C:2022:379, punten 114 en 123).
Zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Sumal (C-882/19, EU:C:2021:800, punten 35 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
In die zin met betrekking tot artikel 6, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1; hierna: ‘Brussel I-verordening’): arrest van 13 juli 2006, Reisch Montage (C-103/05, EU:C:2006:471, punten 29 en 30); zie ook met betrekking tot artikel 6, punt 1, van het Verdrag van Brussel van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: ‘Verdrag van Brussel’): arrest van 27 september 1988, Kalfelis (189/87, EU:C:1988:459, punt 10).
Het Jenard-rapport noemt hoofdelijke aansprakelijkheid als een typisch voorbeeld van het bestaan van een verband tussen de vorderingen tegen de individuele verweerders, zie rapport van P. Jenard over het [Verdrag van Brussel] (PB 1979, C 59, blz. 1, op blz. 26).
Zie analoog met betrekking tot de Brussel I-verordening arrest van 10 maart 2016, Flight Refund (C-94/14, EU:C:2016:148, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie analoog met betrekking tot de Brussel I-verordening arrest van 28 januari 2015, Kolassa (C-375/13, EU:C:2015:37, punt 60).
Zie analoog met betrekking tot de Brussel I-verordening arrest van 10 maart 2016, Flight Refund (C-94/14, EU:C:2016:148, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 28 januari 2015, Kolassa (C-375/13, EU:C:2015:37, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 16 juni 2016, Universal Music International Holding (C-12/15, EU:C:2016:449, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 16 juni 2016, Universal Music International Holding (C-12/15, EU:C:2016:449, punten 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 27 januari 2021, The Goldman Sachs Group/Commissie (C-595/18 P, EU:C:2021:73, punten 32 en 35).
Arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punten 54 e.v.).
Zie arresten van 29 september 2011, Arkema/Commissie (C-520/09 P, EU:C:2011:619, punten 37 e.v.), en 8 mei 2013, Eni/Commissie (C-508/11 P, EU:C:2013:289, punt 68).
Arresten van 3 juli 1997, Benincasa (C-269/95, EU:C:1997:337, punt 27), en 28 januari 2015, Kolassa (C-375/13, EU:C:2015:37, punt 61).
Zie met betrekking tot artikel 6, punt 1, van de Brussel I-verordening: arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide (C-352/13, EU:C:2015:335, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak); alsmede met betrekking tot artikel 6, punt 1, van het Verdrag van Brussel: arrest van 27 september 1988, Kalfelis (189/87, EU:C:1988:459, punt 9).
Een uitzondering geldt alleen voor exclusieve bevoegdheidsgronden. Hiervan is in casu echter geen sprake.