Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.C.4.2
VII.C.4.2 Uitbreiding van de vertegenwoordigingsbevoegheid en beperking van de privatieve werking
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS410482:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
M.J. HAMER, Formele bepalingen in de Successiewet 1956, WPNR (2006) 6661 en 6662,p. 282.
Zie ter illustratie van de problematiek, althans wat het civiele recht betreft, de recente beslissing van Rechtbank Rotterdam van 22 maart 2006, Notafax 2006, 75 dat de aanwezigheid van een executeur de erfgenamen op grond van art. 4:145 BW in beginsel onbevoegd maakt om zelfstandig in rechte op te treden terzake van het beheer van de nalatenschap. Niet-ont-vankelijkheid zo luidde het oordeel van de rechter.
J.P. SPRENGER VAN EYK/B.J. DE LEEUW, De Wetgeving op het recht van Successie, van Overgang en van Schenking, 7
J.P. SPRENGER VAN EYK/B.J. DE LEEUW, De Wetgeving op het recht van Successie, van Overgang en van Schenking, 7
De Memorie vanToelichting bij art. 23 van de Wet van 1897 mag nog steeds 'gebruikt' worden en wel omdat in de Memorie vanToelichting bij de Successiewet 1956, 915, nr. 3, p. 29 opgemerkt is bij art. 72: 'Deze bepaling stemt overeen met artikel 23 van de geldende wet.' De voorganger art. 2, lid 4 van de Wet van 1817 doet sterk denken aan het hiervoor behandelde art. 74 van het Belgische Wetboek der Successierechten.
J.P. SPRENGER VAN EYK/B.J. DE LEEUW, De Wetgeving op het recht van Successie, van Overgang en van Schenking, 7
J.P. SPRENGER VAN EYK/B.J. DE LEEUW, De Wetgeving op het recht van Successie, van Overgang en van Schenking, 7
J.P. SPRENGER VAN EYK/B.J. DE LEEUW, De Wetgeving op het recht van Successie, van Overgang en van Schenking, 7
Zie ook PW 11 012 en PW 14 909.
Eerst terug naar de basis. Het vertrekpunt betreffende de positie van de executeur in het Nederlandse successierecht is steeds het eerste lid van art. 72
SW1956:
'Executeurs van nalatenschappen zijn, op gelijke wijze als de erfgenamen, tot vervulling van al de aan deze bij deze wet opgelegde verplichtingen gehouden,in geval al de erfgenamen buiten het Rijk hun woonplaats hebben. Zij zijn tot het doen van aangifte bevoegd, bijaldien een of meer van de erfgenamen hun woonplaats binnen het Rijk hebben. Indien zij van deze bevoegdheid hebben gebruik gemaakt, zijn zij, op gelijke wijze als de erfgenamen, tot vervulling van al de aan deze bij deze wet opgelegde verplichtingen gehouden.' (Curs. BS)
Een op het eerste gezicht onschuldige bepaling, zo lijkt het. De bepaling heeft echter drie diepere betekenissen.
Ten eerste slaat deze bepaling de brug naar de hoofdelijke aansprakelijkheid van de executeur als bedoeld in art. 47 Invorderingswet 1990:
'Executeurs [...] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor al het door en bij het overlijden van de erflater verschuldigde recht van successie, tenzij de aangifte voor het recht van successie niet door hen is gedaan.' (Curs. BS)
Een executeur zonder beheer, oftewel zonder boedelgelden onder zich, doet er derhalve wijs aan geen successie-aangifte te doen, dan wel in geval van een verplichting tot aangifte, de executele niet te aanvaarden. Hier geldt het adagium: 'Bezint eer gij begint'.
Deze bepaling zal hierna in par. E, in het verlengde van de bewindaspecten van executele, behandeld worden.
Ten tweede zou voorzichtig gesteldkunnen worden dat art. 72 SW 1956 een 'fiscale specialis' is ten opzichte van de bepalingen van executele in het burgerlijk recht ('Titel 5.6 boek 4 BW'), die de bevoegdheden van de executeur in zekere zin zowel vergroot, als ook verkleint. Wat dit laatste betreft lijkt Ha-mer1 de bevoegdheden van de executeur op dit vlak helemaal te willen uitwissen. Zij is van mening dat de executeur in beginsel niets van doen heeft met de aangifte en beschouwt art. 72 lid 1 SW 1956 als 'niet meer van deze tijd' en vindt dat deze bepaling ook reeds om die reden dient te vervallen. 'Onbewust' dringt de gedachte aan het hierboven geciteerde Duitse civielrechtelijke en fiscale proza over de 'hoogstpersoonlijkheid' zich op. Wellicht ten overvloede merk ik op dat civielrechtelijk, blijkens art. 4:144 BW, executeurs niet alleen het exclusieve beheer hebben over de goederen van de nalatenschap, maar in het verlengde daarvan ook bevoegd (en verplicht) zijn tot voldoening van de schulden van de nalatenschap (die tijdens hun beheer uit die goederen behoren te worden voldaan). Tot die schulden behoren ook, zoals uit art. 4:7 lid1 letter e BW blijkt, de schulden uit belastingen die terzake van het openvallen van de nalatenschap worden geheven (voor zover deze op de erfgenamen komen te rusten). Waarom zou men dan toch kunnen spreken van verkleinen van de bevoegdheden van de executeur door de onderhavige successierechtelijke regel? Uit art. 72 SW 1956 zou afgeleidkunnen worden dat de 'erfrechtelijke' exclusiviteit van de bevoegdheden van de executeur, de privatieve werking, wordt weggenomen daar waar het de aangifte successierecht betreft. De bepaling verklaart immers de executeur uitdrukkelijk (ook) (vertegenwoordigings)bevoegd (naast de erfgenamen). Dit doet ons meteen denken aan de in de inleiding geschetste benadering van Langereis, gebaseerd op de beschouwingen in de parlementaire geschiedenis over de vertegenwoordiging van bijvoorbeeld minderjarigen en gefailleerden in art. 43 AWR.
De inspecteur kan de erfgenaam op grond van art. 6 AWR uitnodigen om aangifte te doen en indien de uitnodiging niet (tijdig) wordt ontvangen, is de erfgenaam op grondvan art. 2 lid 2 Uitvoeringsregeling AWR verplicht om een aangiftebiljet te verzoeken. Dit geldt zowel in de situatie dat er een executeur is benoemdals in de situatie dat er geen executeur is benoemd. De erfgenamen zijn en blijven derhalve bevoegd aangifte te doen. Ik laat in het midden of de wetgever de executeur in deze 'doordacht' niet privatief bevoegd gemaakt heeft of dat het een fiscale toevalstreffer betreft.2 Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat een kwestie die de gemoederen bleef bezighouden onder meer het antwoord op de vraag was, hoe een eventuele aangifte door de erfgenamen zich tot een eventuele aangifte door de executeur zou verhouden.3 De Hoge Raadlijkt in een heel oud arrest uit 1841 over een voorloper van art. 72 SW 1956 gezegdte hebben dat 'geenerlei verplichting op den executeur-testamentair rustte, en art. 23 noodig was om de bevoegdheid van den executeur om aangifte te doen boven twijfel te stellen.'4 'Bevoegdheid' lees ik met een moderne vertegenwoordigingsbril als fiscale vertegenwoordigingsbevoegd-heid.5 De Memorie vanToelichting geeft mij de ruimte:6
'De voorgestelde bepaling heeft geen andere strekking dan om het gemak en de rust der ingezetenen te verbinden aan eene richtige uitvoering der wet.'
Het betreft naar mijn mening derhalve een bevoegdheid die niet de strekking heeft om de erfgenamen de bevoegdheid te ontnemen om aangifte te doen, maar vrij vertaald alleen een 'gemakkelijke, de erfrechtelijke rust bevorderende' bepaling.
Er is overigens ook veel gediscussieerd over de vraag of er een verplichting om aangifte te doen voor de executeur moest worden opgenomen. Daarover lees ik onder andere het volgende:7
'Intusschen zullen deze moeilijkheden tot de uitzonderingen behooren, nu ten gevolge der bemoeiingen van de heeren GODEFROI, OLIVIER en POORTMAN de verplichting tot aangifte niet meer op den executeur rust, zoodra slechts een der ergenamen binnenslands woont.' (Curs. BS)
De 'moeilijkheden' betreffen de executeur die de nalatenschap niet in 'bezit' had.Thans nog steeds een bekend probleem. Hierop kom ik hierna terug.
Kenmerkend voor de successierechtelijke vertegenwoordigingsproblematiek is ook de rechtsvraag die reeds in 1930 in 'Sprenger van Eyk' werd gesteld:8 'Wanneer er meer dan een executeur is, doet zich de vraag voor of allen tot de aangifte moeten medewerken, dan wel of een hunner haar alleen kan doen.' Het aldaar gegeven antwoord is mijns inziens niet goed, maar ook niet fout. Het raakt de kern van de onderhavige materie. Het antwoord luidde als volgt:
'De vraag moet, bij het stilzwijgen der successiewet ook op dit punt, beantwoord worden door art. 1063 BW.'
Waarom 'fout'? Nu art. 72 SW 1956 een uitbreiding van de externe vertegenwoordigingsbevoegdheid van de executeur inhoudt, met beheer of zonder beheer, hoeft de belastingdienst zich in beginsel niet aan een afwijkende civielrechtelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid te storen. Anders gezegd:
art. 72 SW 1956 betreft een (fiscale) 'publiekrechtelijke' vertegenwoordigingsregel.9
Waarom'goed'? De executeurs dienen zich in hun onderlinge verhouding, of jegens erflater en zijn rechtsopvolgers: de erfgenamen, in beginsel wel aan de eventuele civielrechtelijke (testamentaire) beperkingen te houden.
Deze rechtsvraag legt mijns inziens bloot dat de fiscale vertegenwoordigingsbevoegdheid van de executeur, naar huidige maatstaven begrepen, ziet op de verhouding met de overheid en dat de civielrechtelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid in de 'interne' verhoudingen anders kan zijn. Terug naar de (diepere) betekenis van art. 72 SW 1956.
Ten derde is op de executeur die aangifte heeft gedaan art. 76 SW 1956 van toepassing:
'Hij die een aangifte heeft ingediendof moet indienen uitsluitendof mede ten behoeve van de heffing van belasting, welke ingevolge de bepalingen van deze wet door anderen verschuldigd is, is gehouden tot het verstrekken van gegevens, inlichtingen en inzage op dezelfde wijze en onder dezelfde bepalingen alsof die belasting te zijnen aanzien was of zou moeten worden geheven.'
Deze informatieplicht is nader uitgewerkt in art. 47 lid 1 AWR.