Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.5
4.4.5 Wilsautonomie
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369713:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-III, nrs. 41 en 42 waarin het beginsel van wilsautonomie wordt aangeduid als het beginsel van partijautonomie (zelfbeschikking) en wordt gesproken van de mogelijkheid zichzelf te ontplooien, de vrijheid om op een bepaalde manier te handelen en daarmee zijn wil te verklaren.
Zie par. 4.2.7.2.
Zie daarover par. 4.2.5.4 en 4.2.6.1.
Zie par. 4.2.5.2.
Zie daarover par. 4.2.4.
Zie par. 17.3.3.
HR 12 augustus 2005, NJ 2006, 230 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2005/257 (Groenemeijer/Payroll). Zie ook nr. 12 van de noot van Spanjaard in Ondernemingsrecht (2005/184) voor verdere vindplaatsen.
HR 11 juli 2008, NJ 2011/185 m.nt. Heerma van Voss (Stoof/Mammoet).
Hof Amsterdam (Handelskamer) 25 april 2002, JOR 2002/128 (Gorillapark).
Vgl. enerzijds De Kluiver 2006 en anderzijds Leijten 2014.
De contractsvrijheid is nauw verwant of zelfs onderdeel van het beginsel dat partijen zelf hun eigen wil mogen bepalen, in dit onderzoek aangeduid als de wilsautonomie.1 Dat beginsel komt in het rechtspersonenrecht op diverse wijzen tot uitdrukking. Hiervoor kwam reeds, naast de inrichtingsvrijheid, ter sprake de vrijheid van aandeelhouders om zelf te bepalen hoe zij hun stemrecht uitoefenen.2 Par. 6.5.4 bespreekt de vrijheid om er voor te kiezen zich niet te verenigen. In par. 15.2.2 zal de vrijheid van de rechtspersoon om zelf zijn wil te bepalen worden besproken. In het vierde en vijfde luik van dit onderzoek komt het beginsel van de wilsautonomie aan de orde in het kader van de proportionaliteit van (onmiddellijke) voorzieningen. In deze paragraaf ligt de focus op de wilsautonomie van aandeelhouders en de beperkingen die daarbij gelden.
De wilsautonomie van aandeelhouders speelt een belangrijke rol bij de totstandkoming van gedrag van de rechtspersoon. Niet alleen vergen veel belangrijke besluiten binnen de rechtspersoon de instemming van de aandeelhoudersvergadering, maar tevens kan de aandeelhoudersvergadering de overige organen veelal knechten.3 De wil van de aandeelhoudersvergadering wordt hierbij gevormd door de aandeelhouders. Deze aandeelhouders kunnen voorts in beginsel zelf bepalen dat zij hun zeggenschap behouden.4
De wilsautonomie is een zwaarwegend beginsel, zo zal hierna ook blijken, maar is niet absoluut. Allereerst zijn er beperkingen in de wet. Een wezenlijke beperking is dat de minderheid onderworpen is aan de wil van de (voorgeschreven) meerderheid.5 Een andere wezenlijke beperking is dat dat aandeelhouders zich redelijk en billijk moeten gedragen bij het vormen van hun wil. Daarnaast houdt de geschillenregeling kort gezegd in dat aandeelhouders die dat niet doen, kunnen worden gedwongen om tegen hun wil hun aandelen te verkopen of juist de aandelen van de andere aandeelhouder(s) te kopen. Bovendien houden veel (onmiddellijke) voorzieningen, die aandeelhoudersbevoegdheden raken, een inperking van hun wilsautonomie in. Een sprekend voorbeeld daarvan is tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer, welke voorziening de uitoefening van wilsrechten van de getroffen aandeelhouder(s) onderwerpt aan een soort van dwangvertegenwoordigingsregime.6
Ook in de rechtspraak zijn uitzonderingen aanvaard op de wilsautonomie, meer specifiek het recht om niet akkoord te gaan met een overeenkomst. Een dergelijke weigering kan namelijk onrechtmatig zijn. Tevens kan de redelijkheid en billijkheid vorderen dat wel wordt ingestemd. Zo blijkt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat een schuldeiser onder omstandigheden gedwongen kan worden om akkoord te gaan met een schuldeisersakkoord buiten faillissement.7 Uit het desbetreffende arrest blijkt echter tevens dat de rechter grote terughoudendheid moet betrachten met aannemen van een dergelijke verplichting.
De aard van de rechtsverhouding tussen partijen kan echter meebrengen dat sneller kan worden aangenomen dat een partij verplicht is om een redelijk voorstel te aanvaarden. Dit is bijvoorbeeld aangenomen tussen werkgevers en werk-nemers. In het Stoof/Mammoet-arrest8 overwoog de Hoge Raad:
“Er is geen grond in afwijking van de in het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad van 26 juni 1998 aanvaarde, aan art. 7:611 ontleende maat-staf aan te nemen dat de werknemer slechts dan in strijd handelt met de verplichting zich in de arbeidsverhouding als goed werknemer redelijk op te stellen tegenover een, met gewijzigde omstandigheden op het werk verband houdend redelijk voorstel van de werkgever, indien afwijzing van het – redelijke – voorstel van de werkgever door de werknemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. […] Bij de beantwoording van de vraag tot welke gevolgen een wijziging van de omstandigheden voor een individuele arbeidsrelatie kan leiden, dient immers in de eerste plaats te worden onderzocht of de werkgever daarin als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden, en of het door hem gedane voorstel redelijk is. In dat kader moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven en de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel, alsmede – naast het belang van de werkgever en de door hem gedreven onderneming – de positie van de betrokken werknemer aan wie het voorstel wordt gedaan en diens belang bij het ongewijzigd blijven van de arbeidsvoorwaarden.”
Mijns inziens kan onder omstandigheden de verplichting van aandeelhouders om zich gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, leiden tot een zelfde soort drempelverlaging bij het passeren van de wilsautonomie. Dat zal met name het geval zijn als de aandeelhouders dichter tot elkaar staan, dus in besloten verhoudingen. Ook in dergelijke gevallen mag echter de wilsautonomie niet op lichte gronden worden ingeperkt. Uit het bovenstaande citaat blijkt voorts dat slechts een plicht kan bestaan om redelijke voorstellen te aanvaarden.
Uit het Gorillapark-arrest9 blijkt voorts dat de redelijkheid en billijkheid aandeelhouders kan dwingen om akkoord te gaan met een herstructurering. Het arrest is gewezen door de handelskamer van het Hof Amsterdam, maar het gaat om een typische enquéterecht-geschil dat, enigszins atypisch, werd uitgevochten in kort geding.10 Om een faillissement af te wenden, werd een vennootschap geherstructureerd. Aan de aandeelhouders werd een overeenkomst voorgelegd waarin hun verplichtingen met betrekking tot herstructurering werden vastgelegd. Eén aandeelhouder weigerde om zich te binden aan deze overeenkomst en hield zo de herstructurering tegen. In eerste aanleg werd deze aandeelhouder op straffe van dwangsom gedwongen zich te gedragen alsof hij deze overeenkomst wel was aangegaan. In appel hield dit stand.