Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/9.4.3
9.4.3 Hezemans Air en RCI/Kastrop
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS346076:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 september 2014, NJ 2015, 21 m.nt. P. van Schilfgaarde en JOR 2014/296 m.nt.M.J. Kroeze (Hezemans Air).
HR 5 september 2014, NJ 2015, 22 m.nt. P. van Schilfgaarde en JOR 2014/325m.nt.S.C.J.J. Kortmann (RCI/Kastrop).
Onder verwijzing door A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie bij Hezemans Air naar de door A-G Timmerman gegeven motivering over primaire en secundaire aansprakelijkheid in zijn conclusie bij HR 23 november 2012, NJ 2013, 302 m.nt. P. van Schilfgaardeen JOR 2013/40 m.nt. W.J.M. van Andel en K. Rutten (Spaanse Villa). A-G Timmerman verwijst op zijn beurt weer naar S.N. de Valk, Aansprakelijkheid van leidinggevenden (diss. Groningen; Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 63), Deventer: Kluwer 2009, p. 88 e.v.
In de arresten Hezemans Air1 en RCI/Kastrop2 heeft de Hoge Raad alsnog een onderbouwing gegeven voor de toepassing van de ernstigverwijtmaatstaf bij externe bestuurdersaansprakelijkheid, zoals geïntroduceerd in het arrest Ontvanger/Roelofsen (zie par 9.4.1). In het arrest Spaanse Villa had de Hoge Raad reeds het onderscheid gemaakt tussen de regels van de ‘gewone onrechtmatige daad’ en de regels van externe bestuurdersaansprakelijkheid. In de arresten Hezemans Air en RCI/Kastrop overwoog de Hoge Raad vervolgens dat voor de ‘ongewone’ onrechtmatige daad van externe bestuurdersaansprakelijkheid een hoge drempel voor aansprakelijkheid in de vorm van de ernstigverwijtmaatstaf geldt, die onder meer wordt gerechtvaardigd “door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de rechtspersoon en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.” In Hezemans Air overwoog de Hoge Raad het volgende:3
“3.5.2 Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (vgl. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21).
3.5.3 Bestuurdersaansprakelijkheid is evenwel niet aan de orde in een geval als zich voordeed in het arrest HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881, NJ 2013/302 (Spaanse Villa). Dat arrest had niet betrekking op het handelen van de betrokkene bij zijn taakvervulling als bestuurder van een vennootschap, maar op de vraag of de betrokkene, optredend als deskundig bemiddelaar (dienstverlener), had gehandeld in strijd met een op hem in die hoedanigheid van deskundig bemiddelaar rustende zorgvuldigheidsnorm. Zoals vermeld in rov. 3.2.2 van genoemd arrest had het hof immers (in cassatie onbestreden) geoordeeld dat niet de vennootschap waarvan de betrokkene bestuurder was, maar de betrokkene zelf als bemiddelaar optrad. Voor toepassing van de verzwaarde maatstaf als hiervoor in 3.5.2 bedoeld, bestaan in een zodanig geval niet de aan het slot van 3.5.2 omschreven gronden. (…)
3.5.4 Indien echter sprake is van handelen van de betrokkene bij zijn taakvervulling als bestuurder van een vennootschap, dient de vraag of hij ook persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die de wederpartij lijdt ten gevolge van wanprestatie of een onrechtmatige daad van de vennootschap, steeds overeenkomstig de hiervoor in 3.5.2 bedoelde verzwaarde maatstaf te worden beantwoord.”
In het arrest RCI/Kastrop overwoog de Hoge Raad exact hetzelfde als in de hiervoor geciteerde rechtsoverweging 3.5.2 uit Hezemans Air. In aanvulling daarop overwoog de Hoge Raad in RCI/Kastrop:
“4.3. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Indien de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt (zie onder meer HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990/286 (Beklamel) en HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen), geval (i)). In de kern houdt dit zogenoemde “Beklamelcriterium” de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden.”
De Hoge Raad borduurde dus voort op het onderscheid dat werd gemaakt in Spaanse Villa, waarschijnlijk mede gelet op alle commotie die was ontstaan na Spaanse Villa. Kroeze schreef in zijn noot bij Hezemans Air dan ook dat de Hoge Raad de zorg en onzekerheid die waren ontstaan als gevolg van Spaanse Villa heeft weggenomen. Toegegeven moet worden dat de Hoge Raad de lijn die was ingezet vóór Spaanse Villa bevestigde, in die zin dat volgens de Hoge Raad een ‘persoonlijk ernstig verwijt’ was vereist voor (de Hoge Raad bedoelde in r.o. 3.5.2 en 3.5.3 van Hezemans Air: externe) bestuurdersaansprakelijkheid. Anders dan in Ontvanger/Roelofsen, verwees de Hoge Raad echter niet opnieuw expliciet naar art. 2:9 BW. In de literatuur werd desondanks opgelucht gereageerd, kennelijk omdat men vond dat de Hoge Raad hiermee toch voldoende duidelijk had gemaakt.