HR, 02-07-2024, nr. 23/01906
ECLI:NL:HR:2024:920
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-07-2024
- Zaaknummer
23/01906
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:920, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑07‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:3815
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:572
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen van gewoontewitwassen. Verwerping draagkrachtverweer, art. 36e.5 Sr. Heeft hof de verwerping van draagkrachtverweer in het licht van aflossingscapaciteit van betrokkene en hoogte van betalingsverplichting (€ 596.232) voldoende begrijpelijk gemotiveerd? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02003 P.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01906 P
Datum 2 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 mei 2023, nummer 21-005177-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft R.P. Snorn, advocaat in Heerenveen, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2024.