Procestaal: Nederlands.
HvJ EU, 03-10-2019, nr. C-302/18
ECLI:EU:C:2019:830
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
03-10-2019
- Magistraten
A. Prechal, F. Biltgen, J. Malenovský, C. G. Fernlund, L. S. Rossi
- Zaaknummer
C-302/18
- Conclusie
H. Saugmandsgaard øe
- Roepnaam
X/Belgische Staat
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2019:830, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 03‑10‑2019
ECLI:EU:C:2019:469, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 06‑06‑2019
Uitspraak 03‑10‑2019
A. Prechal, F. Biltgen, J. Malenovský, C. G. Fernlund, L. S. Rossi
Partij(en)
In zaak C-302/18*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) bij beslissing van 14 december 2017, ingekomen bij het Hof op 4 mei 2018, in de procedure
X
tegen
Belgische Staat,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Prechal (rapporteur), kamerpresident, F. Biltgen, J. Malenovský, C. G. Fernlund en L. S. Rossi, rechters,
advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
X, vertegenwoordigd door J. Hardy, advocaat,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door C. Pochet, M. Jacobs en P. Cottin als gemachtigden, bijgestaan door E. Matterne, advocaat,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Möller als gemachtigden,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door E. de Moustier, A.-L. Desjonquères en E. Armoet als gemachtigden,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door L. D'Ascia, avvocato dello Stato,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Cattabriga en G. Wils als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 2019,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PB 2004, L 16, blz. 44, met rectificatie in PB 2006, L 169, blz. 60).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen X en de Belgische Staat over onder meer de afwijzing van een aanvraag van een machtiging tot vestiging en van toekenning van de status van langdurig ingezetene.
Toepasselijke bepalingen
Recht van de Unie
Richtlijn 2003/86
3
Artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003, L 251, blz. 12) bepaalt:
- ‘1.
Bij de indiening van het verzoek tot gezinshereniging kan de betrokken lidstaat de persoon die het verzoek heeft ingediend, verzoeken het bewijs te leveren dat de gezinshereniger beschikt over:
[…]
- c)
stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen daartoe de aard en de regelmaat van deze inkomsten en kunnen rekening houden met de nationale minimumlonen en pensioenen, evenals met het aantal gezinsleden.’
Richtlijn 2003/109
4
De overwegingen 1, 2, 4, 6, 7 en 10 van richtlijn 2003/109 luiden als volgt:
- ‘(1)
Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voorziet het [EG-Verdrag] in de aanneming, enerzijds, van maatregelen die erop gericht zijn het vrije verkeer van personen te waarborgen, in samenhang met begeleidende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel en immigratie, en anderzijds, van maatregelen op het gebied van asiel, immigratie en de vrijwaring van de rechten van onderdanen van derde landen.
- (2)
Tijdens de buitengewone bijeenkomst in Tampere van 15 en 16 oktober 1999 heeft de Europese Raad verklaard dat de juridische status van onderdanen van derde landen meer in overeenstemming moet worden gebracht met die van de onderdanen van de lidstaten, en dat iemand die gedurende een nader te bepalen periode legaal in een lidstaat heeft verbleven en een vergunning tot langdurig verblijf heeft, in deze lidstaat een aantal uniforme rechten zou moeten verkrijgen die zo dicht mogelijk bij de rechten van EU-burgers liggen.
[…]
- (4)
De integratie van onderdanen van derde landen die duurzaam in een lidstaat zijn gevestigd is van wezenlijk belang voor de bevordering van de economische en sociale samenhang, een fundamentele doelstelling van de Gemeenschap, die is opgenomen in het Verdrag.
[…]
- (6)
Het belangrijkste criterium voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene is de duur van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat. Het moet gaan om een langdurig en ononderbroken verblijf, waaruit blijkt dat de betrokkene sterke banden met het land heeft gekregen. Daarbij moet een zekere flexibiliteit mogelijk zijn om rekening te houden met omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat de betrokkene het grondgebied van de lidstaat tijdelijk verlaat.
- (7)
Om de status van langdurig ingezetene te verkrijgen, moeten onderdanen van derde landen aantonen dat zij over voldoende inkomsten en een ziektekostenverzekering beschikken, om te voorkomen dat zij ten laste komen van de lidstaat. De lidstaten kunnen bij het beantwoorden van de vraag of er sprake is van vaste en regelmatige inkomsten, rekening houden met factoren zoals bijdragen aan het pensioenstelsel en het vervullen van de fiscale verplichtingen.
[…]
- (10)
Er moeten procedurevoorschriften worden vastgesteld voor het onderzoeken van de aanvraag voor de status van langdurig ingezetene. Deze procedures moeten niet alleen doelmatig zijn en kunnen worden afgewikkeld naast de normale werklast van de overheidsinstanties van de lidstaten, maar ook doorzichtig en billijk zijn, om de betrokken personen voldoende rechtszekerheid te bieden. Zij mogen niet worden gebruikt als middel om de uitoefening van het recht van verblijf door de rechthebbenden te belemmeren.’
5
Artikel 5 van die richtlijn, ‘Voorwaarden voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene’, bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten verlangen van onderdanen van derde landen het bewijs dat zij voor zichzelf en de gezinsleden te hunnen laste beschikken over:
- a)
vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en hun gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen deze inkomsten afgaande op de aard en de regelmaat ervan, waarbij zij rekening mogen houden met het niveau van het minimumloon en minimumpensioen voordat het verzoek om toekenning van de status van langdurig ingezetene werd ingediend;
- b)
een ziektekostenverzekering voor alle risico's die in de betrokken lidstaat normaliter voor de eigen onderdanen zijn gedekt.
[…]’
6
Artikel 7, lid 1, van die richtlijn bepaalt:
‘Om de status van langdurig ingezetene te verkrijgen dient de betrokken onderdaan van een derde land een verzoek in bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij verblijft. Het verzoek gaat vergezeld van in de nationale wet te bepalen bewijsstukken waaruit blijkt dat de betrokkene aan de in de artikelen 4 en 5 geformuleerde voorwaarden voldoet en, indien nodig, van een geldig reisdocument of een gewaarmerkt afschrift ervan.
[…]’
7
Artikel 8, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
‘De status van langdurig ingezetene is permanent, onverminderd artikel 9.’
8
Artikel 9 van richtlijn 2003/109, ‘Intrekking of verlies van de status’, bepaalt in lid 1:
‘Langdurig ingezetenen mogen de status van langdurig ingezetene niet langer behouden indien:
- a)
wordt vastgesteld dat de status van langdurig ingezetene op frauduleuze wijze is verkregen;
- b)
een verwijderingsmaatregel wordt genomen onder de voorwaarden van artikel 12;
- c)
zij gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden niet op het grondgebied van de Gemeenschap verblijven.’
9
Artikel 11 van deze richtlijn bepaalt:
- ‘1.
Langdurig ingezetenen genieten op de volgende gebieden dezelfde behandeling als de eigen onderdanen:
- a)
werk als werknemer of zelfstandige, mits dit werk niet impliceert dat, al is het maar incidenteel, wordt deelgenomen aan de uitoefening van het openbaar gezag; hierbij is inbegrepen de toegang tot de arbeidsvoorwaarden, ook wat betreft salariëring en ontslag;
[…]’
10
Artikel 12 van deze richtlijn bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten mogen uitsluitend een besluit tot verwijdering ten aanzien van een langdurig ingezetene nemen, wanneer hij een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid vormt.
- 2.
Het in lid 1 bedoelde besluit mag niet op economische gronden berusten.
[…]’
11
Artikel 13 van die richtlijn luidt als volgt:
‘De lidstaten mogen permanente verblijfstitels of verblijfstitels van onbeperkte duur afgeven onder gunstiger voorwaarden dan die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld. Deze verblijfstitels geven geen toegang tot het recht van verblijf in de andere lidstaten zoals bepaald in hoofdstuk III van deze richtlijn.’
Richtlijn 2004/38
12
Artikel 7 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificatie in PB 2004, L 229, blz. 35) bepaalt:
- ‘1.
Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:
- a)
indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is,
- b)
indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, of
- c)
- —
indien hij is ingeschreven aan een particuliere dan wel openbare instelling die door het gastland overeenkomstig de wetgeving of administratieve praktijk is erkend of wordt gefinancierd, om er als hoofdbezigheid een studie, daaronder begrepen een beroepsopleiding, te volgen; en
- —
indien hij beschikt over een verzekering die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, en hij de bevoegde nationale autoriteit, — door middel van een verklaring of van een gelijkwaardig middel van zijn keuze —, de zekerheid verschaft dat hij over voldoende middelen beschikt om te voorkomen dat hij of zijn familieleden tijdens zijn verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland; […]
[…]’
13
Artikel 14, met als opschrift ‘Behoud van het verblijfsrecht’, bepaalt in lid 2:
‘Burgers van de Unie en hun familieleden behouden het verblijfsrecht van de artikelen 7, 12 en 13 zolang zij voldoen aan de aldaar genoemde voorwaarden.
[…]’
Belgisch recht
14
Artikel 15bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Belgisch Staatsblad, 31 december 1980, blz. 14584), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘vreemdelingenwet’), bepaalt:
- ‘§ 1.
Behalve indien redenen van openbare orde of nationale veiligheid zich ertegen verzetten, moet de status van langdurig ingezetene worden verleend aan een vreemdeling die geen burger is van de Europese Unie, die voldoet aan de voorwaarden van § 3 en die een legaal en ononderbroken verblijf in het Rijk bewijst in de loop van vijf jaar die onmiddellijk voorafgaan aan zijn aanvraag voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene.
[…]
- § 3.
De vreemdeling, bedoeld bij § 1, moet bewijzen dat hij voor zichzelf en voor zijn gezinsleden die te zijnen laste zijn, beschikt over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de overheden, en dat hij een ziektekostenverzekering heeft die de risico's in België dekt.
De bestaansmiddelen omschreven in het eerste lid moeten ten minste gelijk zijn aan het inkomstenniveau beneden hetwelk sociale bijstand kan worden toegekend. Bij het beoordelen van die bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met hun aard en regelmatigheid.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het minimumbedrag van de vereiste bestaansmiddelen, gelet op de criteria omschreven in het tweede lid.’
15
In de omzendbrief van 14 juli 2009 betreffende de status van langdurig ingezetene (Belgisch Staatsblad, 11 augustus 2009) wordt toegelicht dat het bewijs van de bestaansmiddelen als volgt kan worden geleverd:
‘Het bewijs van de bestaansmiddelen kan geleverd worden door middel van beroepsinkomsten, een werkloosheidsuitkering, een invaliditeitsuitkering, een vervroegd pensioen, een ouderdomsuitkering, een uitkering van een arbeidsongevallen- of beroepsziektenverzekering […]. Deze lijst is niet exhaustief.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
16
Op 26 juli 2007 heeft X, die verklaart de Kameroense nationaliteit te hebben, bij de Belgische ambassade in Yaoundé, Kameroen, een aanvraag voor een studentenvisum ingediend. Dat visum is hem toegekend en tot 15 januari 2016 is zijn verblijfsrecht in België jaarlijks verlengd. Op 19 januari 2016 is op aanvraag van X een verblijfsmachtiging toegekend op grond dat hij in het bezit was van een arbeidskaart. Deze machtiging was geldig tot 14 januari 2017.
17
Op 27 december 2016 heeft X om toekenning van de status van langdurig ingezetene verzocht. Ter onderbouwing van zijn aanvraag en als bewijs dat hij over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen beschikte, heeft hij onder meer arbeidscontracten, een aanslagbiljet en loonstroken op naam van zijn broer overgelegd. Daarnaast heeft X een door zijn broer ondertekend document overgelegd waarin deze zich ertoe verbond ervoor te zorgen ‘dat de betrokkene ‘voor zichzelf en voor zijn gezinsleden die te zijnen laste zijn, beschikt over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de overheden’ in de zin van artikel 15bis van de [vreemdelingenwet]’.
18
Bij beslissing van 5 april 2017 heeft de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie en Administratieve Vereenvoudiging (België) (hierna: ‘gemachtigde’) deze aanvraag afgewezen. Met betrekking tot de stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen in de zin van artikel 15bis van de vreemdelingenwet was de beslissing als volgt verwoord:
‘Betrokkene is niet in het bezit van eigen inkomsten. Hij blijkt niet meer actief in loondienst sinds 31.05.2016 en bezit geen inkomsten op dit ogenblik. Hij legt de inkomsten van zijn broer voor. Betrokkene dient aan te tonen voor zichzelf over voldoende bestaansmiddelen te beschikken om niet ten laste te komen van de Belgische Staat.’
19
X heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België), met het betoog dat deze beslissing berustte op een onjuiste uitlegging van het inkomstenvereiste van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2003/109, welke bepaling is omgezet bij artikel 15bis van de vreemdelingenwet, op grond dat deze bepalingen niet verlangen dat uitsluitend de eigen inkomsten van de aanvrager in aanmerking worden genomen.
20
X benadrukt dat de uitdrukking ‘beschikken over voldoende inkomsten’ in de zin van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2003/109 op dezelfde manier moet worden uitgelegd als de overeenkomstige uitdrukkingen in de richtlijnen 2003/86 en 2004/38. Richtlijn 2003/109 strekt ertoe de juridische status van houders van een vergunning voor langdurig verblijf meer in overeenstemming te brengen met die van burgers van de Unie. Daaruit volgt onder meer dat de rechtspraak over richtlijn 2004/38 en de relevante rechtspraak van vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn, waaruit naar voren komt dat deze richtlijn niet het minste vereiste stelt met betrekking tot de herkomst van deze middelen, naar analogie moeten worden toegepast.
21
De gemachtigde stelt daarentegen dat het enkele feit dat X ten laste is genomen door zijn broer nog niet betekent dat hij beschikt over een regelmatig en stabiel inkomen. Volgens hem kunnen de inkomsten in het kader van een procedure voor gezinshereniging niet op dezelfde manier worden beoordeeld als in het kader van een procedure voor de verkrijging van de status van langdurig ingezetene. In het geval van gezinshereniging van een burger van de Unie kunnen voorts enkel de inkomsten van de gezinshereniger in aanmerking worden genomen.
22
Gelet op die opmerkingen vraagt de verwijzende rechter zich met name af of artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 aldus moet worden uitgelegd dat met de in deze bepaling genoemde ‘inkomsten’ uitsluitend ‘eigen inkomsten’ van de aanvrager worden bedoeld of dat dit begrip ook andere soorten inkomsten omvat.
23
Tegen deze achtergrond heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Dient artikel 5, [lid] 1, onder a), van [richtlijn 2003/109], dat (onder meer) bepaalt dat onderdanen van derde landen voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene moeten bewijzen dat zij voor zichzelf en de gezinsleden te hunnen laste ‘beschikken’ over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en hun gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat, zo te worden geïnterpreteerd dat hiermee enkel ‘eigen inkomsten’ van de derdelander worden beoogd?
- 2)
Of volstaat het hierbij dat die inkomsten de onderdaan van een derde land ter beschikking staan, zonder dat enige vereiste wordt gesteld met betrekking tot de herkomst van die inkomsten, zodat deze dus ook aan de derdelander kunnen worden ter beschikking gesteld door een familielid of door een andere derde?
- 3)
Zo op de laatste vraag positief wordt geantwoord, volstaat in dat geval een door een derde aangegane verbintenis tot tenlasteneming waarin deze derde zich ertoe verbindt ervoor te zorgen dat de aanvrager van de status van langdurig ingezetene ‘voor zichzelf en voor zijn gezinsleden die te zijnen laste zijn, beschikt over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de overheden’ om aan te tonen dat de aanvrager kan beschikken over inkomsten in de zin van artikel 5, [lid] 1, onder a), van [richtlijn 2003/109]?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
24
Met zijn vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip inkomsten, dat in deze bepaling wordt gebruikt, uitsluitend betrekking heeft op de eigen inkomsten van de aanvrager van de status van langdurig ingezetene, dan wel of dit begrip ook de middelen omvat die de aanvrager door een derde ter beschikking worden gesteld en, in voorkomend geval, of een door deze derde ondertekende verbintenis tot tenlasteneming volstaat om aan te tonen dat de aanvrager over vaste, regelmatige en voldoende inkomsten in de zin van deze bepaling beschikt.
25
Krachtens artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 verlangen de lidstaten van onderdanen van derde landen het bewijs dat zij voor zichzelf en de gezinsleden te hunnen laste beschikken over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en hun gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen deze inkomsten afgaande op de aard en de regelmaat ervan, waarbij zij rekening mogen houden met het niveau van het minimumloon en minimumpensioen voordat het verzoek om toekenning van de status van langdurig ingezetene werd ingediend.
26
Aangezien artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 niet verwijst naar het nationale recht van de lidstaten, moet het daarin gebruikte begrip inkomsten worden opgevat als een autonoom begrip van Unierecht en op het Uniegrondgebied uniform worden uitgelegd, los van de kwalificaties die de lidstaten eraan hebben gegeven en rekening houdend met de bewoordingen van de betrokken bepaling alsmede met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt en met de context ervan (zie in die zin arrest van 9 november 2017, Maio Marques da Rosa, C-306/16, EU:C:2017:844, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
Wat, ten eerste, de bewoordingen van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 betreft, moet erop worden gewezen dat in de Spaanse, de Engelse, de Franse en de Italiaanse taalversie van deze bepaling een term wordt gebruikt die overeenstemt met het begrip middelen. Dit begrip kan, overeenkomstig de gebruikelijke betekenis ervan, duiden op alle financiële middelen waarover de aanvrager van de status van langdurig ingezetene kan beschikken, ongeacht de herkomst ervan. In de Nederlandse en de Duitse taalversie van deze bepaling worden daarentegen termen gebruikt die overeenstemmen met het begrip inkomsten, dat restrictiever is en ziet op persoonlijke middelen, met name de middelen die voortvloeien uit de economische activiteit van de aanvrager van de status van langdurig ingezetene, hetgeen er eerder op lijkt te duiden dat middelen van een derde, zoals een lid van zijn familie, hiervan uitgesloten zijn.
28
Gelet op deze ambiguïteit kan louter op basis van de bewoordingen van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 niet worden bepaald wat de aard of de herkomst van de daarin genoemde inkomsten moet zijn.
29
Ten tweede is het hoofddoel van richtlijn 2003/109 de integratie van onderdanen van derde landen die duurzaam in de lidstaten zijn gevestigd. Zoals ook blijkt uit overweging 2 van deze richtlijn heeft zij tot doel om, door toekenning van de status van langdurig ingezetene aan die onderdanen van derde landen, hun juridische status meer in overeenstemming te brengen met die van de onderdanen van de lidstaten (zie in die zin arrest van 18 oktober 2012, Singh, C-502/10, EU:C:2012:636, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
Volgens vaste rechtspraak, en zoals tevens blijkt uit overweging 6 van richtlijn 2003/109, volgt bovenal uit een legale en ononderbroken verblijfsduur van vijf jaar dat de betrokkene sterke banden met het land heeft gekregen en zich daar dus duurzaam heeft gevestigd (zie in die zin arrest van 17 juli 2014, Tahir, C-469/13, EU:C:2014:2094, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Vanuit dat oogpunt lijkt de herkomst van de middelen waarover een aanvrager van de status van langdurig ingezetene moet beschikken geen beslissend criterium.
31
Met betrekking tot, ten derde, de context van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109, moet worden opgemerkt dat het vereiste om te beschikken over vaste, regelmatige en voldoende inkomsten een van de materiële vereisten voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene vormt. Gelet op het door richtlijn 2003/109 nagestreefde doel en het daarbij ingevoerde stelsel hebben onderdanen van derde landen die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2003/109 en de bij die richtlijn vastgestelde procedures in acht nemen, recht op de status van langdurig ingezetene en genieten zij de andere rechten die uit die status voortvloeien (zie in die zin arrest van 26 april 2012, Commissie/Nederland, C-508/10, EU:C:2012:243, punt 68). Zoals ook de advocaat-generaal in punt 46 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, biedt artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 in beginsel geen ruimte om aanvullende voorwaarden te stellen aan de herkomst van de in deze bepaling genoemde inkomsten.
32
Gelet op de ruimere context van deze bepaling moet voorts worden opgemerkt dat een vergelijkbaar vereiste om te beschikken over ‘bestaansmiddelen’ ook voorkomt in artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38. Volgens die bepalingen heeft iedere burger van de Unie het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven, met name indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland.
33
Het Hof heeft beslist dat een uitlegging van de voorwaarde inzake toereikende bestaansmiddelen in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38 in die zin dat de betrokkene zelf over die bestaansmiddelen dient te beschikken, zonder dat hij zich dienaangaande kan beroepen op de bestaansmiddelen van een familielid dat hem vergezelt, aan die voorwaarde zoals zij in richtlijn 2004/38 is geformuleerd een vereiste met betrekking tot de herkomst van de bestaansmiddelen zou toevoegen, hetgeen een onevenredige inmenging zou vormen in de uitoefening van het door artikel 21 VWEU gewaarborgde fundamentele recht van vrij verkeer en verblijf, aangezien deze inmenging niet noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het door artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38 beoogde doel, te weten de bescherming van de overheidsfinanciën van de lidstaten (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, Singh e.a., C-218/14, EU:C:2015:476, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
Het begrip inkomsten in artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 kan, analoog aan het begrip bestaansmiddelen in artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38, aldus worden uitgelegd dat niet is uitgesloten dat de betrokkene gebruik kan maken van middelen die ter beschikking worden gesteld door een derde die tot zijn familie behoort.
35
Gelet op het gegeven dat de verkrijging van de status van langdurig ingezetene definitief is en rekening houdend met de doelstelling van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109, namelijk de instandhouding van het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat, hebben de voorwaarden inzake de ‘inkomsten’ in de zin van die richtlijn niettemin een andere strekking dan de voorwaarde in richtlijn 2004/38.
36
Uit artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 volgt namelijk dat de lidstaten deze inkomsten beoordelen afgaande op de aard en de regelmaat ervan, waarbij zij rekening mogen houden met het niveau van het minimumloon en minimumpensioen voordat het verzoek om toekenning van de status van langdurig ingezetene werd ingediend. Bovendien verlangt artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109, anders dan artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38, dat de daarin bedoelde middelen niet alleen ‘voldoende’ zijn, maar ook ‘vast’ en ‘regelmatig’.
37
Daarnaast moet in verband met de context van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 worden opgemerkt dat ook in artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 een vereiste voorkomt om te beschikken over ‘stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan’ om zich te onderhouden. Het Hof heeft al geoordeeld dat uit de tekst van deze bepaling, en in het bijzonder uit het gebruik van de termen ‘stabiel’ en ‘regelmatig’, volgt dat deze financiële middelen in zekere mate een bestendig en continu karakter moeten hebben. Hiertoe beoordelen de lidstaten, in de bewoordingen van de tweede volzin van artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86, met name de ‘regelmaat’ van deze inkomsten (zie in die zin arrest van 21 april 2016, Khachab, C-558/14, EU:C:2016:285, punt 30).
38
Artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 kan dan ook niet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin een verzoek tot gezinshereniging is gedaan, kan onderzoeken of aan het inkomstenvereiste van de gezinshereniger is voldaan door rekening te houden met een beoordeling van het behoud van deze inkomsten na de datum van indiening van dit verzoek (zie in die zin arrest van 21 april 2016, Khachab, C-558/14, EU:C:2016:285, punt 31).
39
Met betrekking tot deze bepaling, en met name de term ‘volstaan’ daarin, heeft het Hof al geoordeeld dat deze bepaling, aangezien de omvang van de behoeften van persoon tot persoon sterk kan verschillen, bovendien aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten wel een bepaald referentiebedrag kunnen vaststellen, maar niet aldus dat zij een minimuminkomen kunnen bepalen zonder enige concrete beoordeling van de situatie van iedere aanvrager (zie in die zin arrest van 4 maart 2010, Chakroun, C-578/08, EU:C:2010:117, punt 48).
40
Derhalve vloeit uit artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 voort dat niet de herkomst van de inkomsten beslissend is, maar de stabiliteit en de toereikendheid ervan, rekening houdend met de individuele situatie van de betrokkene.
41
Uit het onderzoek van de bewoordingen, de doelstelling en de context van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109, in het licht van met name de vergelijkbare bepalingen van de richtlijnen 2004/38 en 2003/86, komt naar voren dat de herkomst van de in deze bepaling genoemde inkomsten voor de betrokken lidstaat geen beslissend criterium is bij de toets of zij vast, regelmatig en voldoende zijn.
42
Zoals de advocaat-generaal in punt 77 van zijn conclusie heeft opgemerkt, staat het derhalve aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten om de individuele situatie van de aanvrager van de status van langdurig ingezetene in haar geheel concreet te analyseren, en te onderbouwen of zijn inkomsten al dan niet voldoende zijn en al dan niet een zekere bestendigheid en continuïteit vertonen, zodat de aanvrager niet ten laste komt van het gastland.
43
Inkomsten die afkomstig zijn van een derde of een familielid van de aanvrager worden door artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 dus niet uitgesloten, mits zij vast, regelmatig en voldoende zijn. In een situatie als in het hoofdgeding kan het juridisch bindende karakter van een verbintenis van een derde of een familielid van de verzoeker om de aanvrager ten laste te nemen in dit verband een belangrijk gegeven zijn om in aanmerking te nemen. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen tevens rekening houden met, inzonderheid, de familieband tussen de aanvrager van de status van langdurig ingezetene en de verwant of verwanten die bereid zijn hem ten laste te nemen. Evenzo kunnen de aard en de bestendigheid van de inkomsten van de verwant of verwanten van die aanvrager daarvoor relevante aspecten zijn.
44
Gelet op een en ander moet op de vragen worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip inkomsten in deze bepaling niet uitsluitend ziet op de eigen inkomsten van de aanvrager van de status van langdurig ingezetene, maar ook de inkomsten kan omvatten die door een derde aan die aanvrager ter beschikking worden gesteld, mits zij, rekening houdend met de individuele situatie van de betrokken aanvrager, worden beschouwd als vast, regelmatig en voldoende.
Kosten
45
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen moet aldus worden uitgelegd dat het begrip inkomsten in deze bepaling niet uitsluitend ziet op de eigen inkomsten van de aanvrager van de status van langdurig ingezetene, maar ook de inkomsten kan omvatten die door een derde aan die aanvrager ter beschikking worden gesteld, mits zij, rekening houdend met de individuele situatie van de betrokken aanvrager, worden beschouwd als vast, regelmatig en voldoende.
Prechal
Biltgen
Malenovský
Fernlund
Rossi
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 oktober 2019.
De griffier
A. Calot Escobar
De president van de Derde kamer
A. Prechal
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑10‑2019
Conclusie 06‑06‑2019
H. Saugmandsgaard øe
Partij(en)
Zaak C-302/181.
X
tegen
Belgische Staat
[verzoek van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) heeft betrekking op de uitlegging van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.2.
2.
Richtlijn 2003/109 heeft onder meer tot doel om de voorwaarden vast te stellen waaronder een lidstaat aan onderdanen van derde landen die legaal op zijn grondgebied verblijven, de status van langdurig ingezetene kan toekennen, of deze status kan intrekken, en om aan de houders van deze status een aantal rechten te verlenen.3. Een van de voorwaarden voor verkrijging van deze status is volgens artikel 5, lid 1, onder a), van deze richtlijn dat de onderdaan het bewijs levert dat hij voor zichzelf en de gezinsleden te zijnen laste beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat.
3.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een geschil tussen X en de Belgische staat over onder meer de afwijzing van een verzoek om toekenning van de status van langdurig ingezetene op grond dat X niet over eigen inkomsten beschikte en dus niet voldeed aan het inkomstenvereiste in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109.
4.
In deze context stelt de verwijzende rechter het Hof in wezen de vraag of de in artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 gestelde voorwaarde dat de aanvrager over vaste, regelmatige en voldoende inkomsten beschikt uitsluitend doelt op de eigen inkomsten van de derdelander dan wel of deze inkomsten, ongeacht de herkomst ervan, ook inkomsten omvatten die aan de derdelander ter beschikking zijn gesteld door een derde of een familielid. In voorkomend geval wenst de verwijzende rechter te vernemen of een door een derde of een familielid van de derdelander aangegane verbintenis tot tenlasteneming zoals in casu in geding is, volstaat als bewijs dat de inkomsten ter beschikking van de aanvrager staan.
5.
Aan het eind van mijn uiteenzetting zal ik het Hof voorstellen deze vragen aldus te beantwoorden dat deze voorwaarde geen specifieke eisen aan de herkomst van de inkomsten stelt. Wanneer de inkomsten afkomstig zijn van een derde of van een familielid van de aanvrager, zoals in de omstandigheden van het hoofdgeding, moeten de nationale autoriteiten echter nagaan of deze inkomsten toereikend zijn en in zekere mate een bestendig en continu karakter hebben, zodat redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat de aanvrager ten laste komt van het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Daartoe dienen de nationale autoriteiten alle relevante omstandigheden van het concrete geval in aanmerking te nemen, waaronder de vraag of de door een derde aangegane verbintenis tot tenlasteneming voldoende nauwkeurig, van bestendige aard en juridisch bindend is.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Richtlijn 2003/109
6.
De zevende overweging van richtlijn 2003/109 luidt als volgt:
‘Om de status van langdurig ingezetene te verkrijgen, moeten onderdanen van derde landen aantonen dat zij over voldoende inkomsten en een ziektekostenverzekering beschikken, om te voorkomen dat zij ten laste komen van de lidstaat. De lidstaten kunnen bij het beantwoorden van de vraag of er sprake is van vaste en regelmatige inkomsten, rekening houden met factoren zoals bijdragen aan het pensioenstelsel en het vervullen van de fiscale verplichtingen.’
7.
Artikel 5 van deze richtlijn, dat als opschrift ‘Voorwaarden voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezeten’ draagt, bepaalt in artikel 1, onder a), ervan:
- ‘1.
De lidstaten verlangen van onderdanen van derde landen het bewijs dat zij voor zichzelf en de gezinsleden te hunnen laste beschikken over:
- a)
vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en hun gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen deze inkomsten afgaande op de aard en de regelmaat ervan, waarbij zij rekening mogen houden met het niveau van het minimumloon en minimumpensioen voordat het verzoek om toekenning van de status van langdurig ingezetene werd ingediend’.
B. Belgisch recht
8.
Artikel 15bis, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: ‘vreemdelingenwet’) bepaalt:
‘Behalve indien redenen van openbare orde of nationale veiligheid zich ertegen verzetten, moet de status van langdurig ingezetene worden verleend aan een vreemdeling die geen burger is van de Europese Unie, die voldoet aan de voorwaarden van § 3 en die een legaal en ononderbroken verblijf in het Rijk bewijst in de loop van vijf jaar die onmiddellijk voorafgaan aan zijn aanvraag voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene.’
9.
Artikel 15bis, § 3, van de Vreemdelingenwet, waarbij artikel 5 van richtlijn 2003/109 is omgezet, bepaalt:
‘De vreemdeling, bedoeld bij § 1, moet bewijzen dat hij voor zichzelf en voor zijn gezinsleden die te zijnen laste zijn, beschikt over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de overheden, en dat hij een ziektekostenverzekering heeft die de risico's in België dekt. […]’
III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
10.
Op 26 juli 2007 heeft X, die verklaart de Kameroense nationaliteit te hebben, een visumaanvraag voor langdurig verblijf bij de Belgische autoriteiten ingediend in zijn hoedanigheid van student. Het studentenvisum is hem toegekend en tot 15 januari 2016 is zijn verblijf jaarlijks verlengd. Aangezien hij over een arbeidsvergunning beschikte, is hem op 19 januari 2016 een verblijfsvergunning verleend met een geldigheidsduur tot 14 januari 2017.
11.
Op 27 december 2016 heeft X om toekenning van de status van langdurig ingezetene verzocht. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft hij onder meer arbeidscontracten, een aanslagbiljet en loonstroken op naam van zijn broer overgelegd als bewijs dat hij over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen in de zin van artikel 15bis, § 3, van de vreemdelingenwet beschikt. Daarnaast heeft X een door zijn broer ondertekend document overgelegd waarin deze zich ertoe verbindt ervoor te zorgen ‘dat de betrokkene, voor zichzelf en voor zijn gezinsleden die te zijnen laste zijn, beschikt over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de overheden in de zin van artikel 15bis van de [vreemdelingenwet]’.
12.
Bij beslissing van 5 april 2017 heeft de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie en Administratieve Vereenvoudiging (België) dit verzoek afgewezen op grond dat X niet over eigen inkomsten beschikte. Deze autoriteit overwoog dat X sedert 31 mei 2016 geen betaalde werkzaamheden meer verrichtte, op dat moment geen inkomsten genoot en zich op de inkomsten van zijn broer beriep.
13.
X heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, met het betoog dat deze beslissing berustte op een onjuiste uitlegging van het inkomstenvereiste van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109, welke bepaling is omgezet bij artikel 15bis, § 3, van de vreemdelingenwet.
14.
Volgens X schrijft artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 niet voor dat uitsluitend de eigen inkomsten van de aanvrager in aanmerking mogen worden genomen. X betoogt in dit verband met name dat de in deze bepaling geformuleerde voorwaarde van vaste, regelmatige en voldoende inkomsten moet worden uitgelegd in het licht van de voorwaarde van artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, dat de betrokkene over voldoende middelen beschikt.4. De rechtspraak van het Hof dat artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2004/38 niet het minste vereiste stelt met betrekking tot de herkomst van de middelen, zodat deze dus door een familielid mogen worden verstrekt, dient naar zijn mening naar analogie ook te gelden voor artikel 5, lid 1, onder a).5.
15.
In deze context heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) bij beslissing van 14 december 2017, ingekomen bij het Hof op 4 mei 2018, besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
- ‘1)
Dient artikel 5, [lid] 1, onder a), van […] richtlijn 2003/109/EG, dat (onder meer) bepaalt dat onderdanen van derde landen voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene moeten bewijzen dat zij voor zichzelf en de gezinsleden te hunnen laste ‘beschikken’ over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en hun gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat, zo te worden geïnterpreteerd dat hiermee enkel ‘eigen inkomsten’ van de derdelander worden beoogd?
- 2)
Of volstaat het hierbij dat die inkomsten de onderdaan van een derde land ter beschikking staan, zonder dat enige vereiste wordt gesteld met betrekking tot de herkomst van die inkomsten, zodat deze dus ook aan de derdelander kunnen worden ter beschikking gesteld door een familielid of door een andere derde?
- 3)
Zo op de laatste vraag positief wordt geantwoord, volstaat in dat geval een door een derde aangegane verbintenis tot tenlasteneming waarin deze derde zich ertoe verbindt ervoor te zorgen dat de aanvrager van de status van langdurig ingezetene ‘voor zichzelf en voor zijn gezinsleden die te zijnen laste zijn, beschikt over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de overheden’ om aan te tonen dat de aanvrager kan beschikken over inkomsten in de zin van artikel 5, [lid] 1, onder a), van […] richtlijn 2003/109/EG?’
16.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door X, de Belgische, de Tsjechische, de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Oostenrijkse regering en door de Europese Commissie.
IV. Analyse
17.
Met zijn drie prejudiciële vragen, die ik gezamenlijk zal behandelen, wil de verwijzende rechter in wezen vernemen of de in artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 gestelde voorwaarde dat de aanvrager over vaste, regelmatige en voldoende inkomsten beschikt, uitsluitend doelt op ‘eigen inkomsten’ van de derdelander dan wel of deze inkomsten, ongeacht de herkomst ervan, ook inkomsten omvatten die aan de derdelander ter beschikking zijn gesteld door een derde of een familielid. In voorkomend geval wenst de verwijzende rechter te vernemen of een door een derde of een familielid aangegane verbintenis tot tenlasteneming zoals die in het hoofdgeding aan de orde is, volstaat als bewijs dat de inkomsten ter beschikking van de aanvrager staan.
18.
Ik stel vast dat de verwijzende rechter in het verzoek om een prejudiciële beslissing geen definitie geeft van de in de eerste prejudiciële vraag gebezigde term ‘eigen inkomsten’. Gezien de context waarbinnen de prejudiciële vragen worden gesteld en gelet op de formulering van deze vragen, vat ik deze term aldus op dat de verwijzende rechter wil weten of inkomsten die niet door de aanvrager zijn gegenereerd door middel van een door hem uitgeoefende economische activiteit of op grond van een hem toekomend recht6., buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de beoordeling van de vraag of aan de voorwaarde van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 is voldaan.
19.
Met andere woorden, onderzocht moet worden welke rol de herkomst van de inkomsten speelt bij het vervullen van de voorwaarde van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109.
20.
Op dit punt kunnen de standpunten van de deelnemers aan de procedure globaal in drie categorieën worden ingedeeld.
21.
Volgens X en de Commissie is de herkomst van de in artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 bedoelde inkomsten niet relevant en staat in beginsel niets eraan in de weg dat financiële steun van een derde aan de in deze bepaling genoemde criteria kan voldoen. Wat een verbintenis tot tenlasteneming zoals die van het hoofdgeding betreft, staat het aan de verwijzende rechter om met name te bepalen of de weldoener die deze verbintenis aangaat, daadwerkelijk over voldoende middelen beschikt om zowel in zijn eigen onderhoud als dat van de aanvrager en diens gezin te voorzien, en of de relatie tussen de weldoener en de aanvrager voldoende stabiel is om aan te nemen dat de verbintenis, indien nodig, daadwerkelijk zal worden nagekomen.
22.
De Duitse, de Franse en de Oostenrijkse regering zijn in wezen van mening dat richtlijn 2003/109 niet uitsluit dat de inkomsten afkomstig zijn van een familielid van de aanvrager van de status van langdurig ingezetene of van een derde, op voorwaarde dat de inkomsten voortvloeien uit een recht dat in rechte geldend kan worden gemaakt door deze aanvrager, zoals een recht op alimentatie jegens een andere persoon of inkomsten die verband houden met het huwelijksvermogensstelsel van de aanvrager.7. Deze regeringen concluderen derhalve dat artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 niet doelt op een verbintenis tot tenlasteneming zoals die van het hoofdgeding, omdat een dergelijke verbintenis niet op enige wettelijke verplichting berust.8.
23.
De Belgische, de Italiaanse en de Tsjechische regering stellen zich ten slotte op het standpunt dat de in artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 bedoelde inkomsten beperkt zijn tot inkomsten die door de aanvrager van de status van langdurig ingezetene worden gegenereerd.9.
24.
Het Hof heeft zich nog niet eerder gebogen over de in casu gestelde vragen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist de eenvormige toepassing van het Unierecht dat, wanneer een Uniehandeling voor de definitie van een bepaald begrip niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten, aan dat begrip een autonome uitlegging wordt gegeven, waarbij het Hof niet alleen rekening houdt met de bewoordingen van de betrokken bepaling, maar ook met de context ervan en met het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.10. De gestelde vragen moeten op basis van deze elementen worden beantwoord.
A. Letterlijke uitlegging van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109
25.
Ik merk meteen op dat artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109, zoals dit is geformuleerd, geen uitdrukkelijk vereiste met betrekking tot de herkomst van de bestaansmiddelen bevat.
26.
Daarnaast wijs ik erop dat een vergelijkend onderzoek van de verschillende taalversies van deze bepaling uitwijst dat een aanzienlijk aantal versies uiteenlopende termen gebruikt om het begrip ‘middelen’ in zijn gebruikelijke betekenis tot uitdrukking te brengen.11.
27.
Verschillende taalversies bezigen namelijk het equivalent van de term ‘middelen’ in de ruim opgevatte betekenis van ‘financiële middelen’12., hetgeen erop zou kunnen duiden dat de herkomst van deze middelen van weinig belang is, terwijl in andere taalversies de term ‘inkomsten’ wordt gebruikt, die een meer beperkte betekenis suggereert waarbij een beloning, zoals de beloning van arbeid, wordt voorondersteld en die de indruk wekt dat het veeleer om door de aanvrager gegenereerde middelen gaat.13.
28.
Gelet op deze verschillen, moet worden geconstateerd dat het begrip ‘middelen’ geen eenduidige betekenis heeft.14.
29.
Dit gezegd zijnde, zou deze engere uitlegging als gevolg van het gebruik van de term ‘inkomsten’ in sommige taalversies steun kunnen vinden in het feit dat de zevende overweging van richtlijn 2003/109 preciseert dat de lidstaten bij het beantwoorden van de vraag of er sprake is van vaste en regelmatige inkomsten, rekening kunnen houden met factoren zoals bijdragen aan het pensioenstelsel en het vervullen van de fiscale verplichtingen, omdat deze bijdragen en betalingen naar hun aard zijn gebaseerd op door de aanvrager gegenereerde inkomsten.
30.
Met name tegen deze achtergrond betogen de Belgische, de Tsjechische en de Italiaanse regering dat de in artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 bedoelde middelen beperkt zijn tot door de aanvrager gegenereerde inkomsten.
31.
Naar mijn mening staat vast dat door de derdelander gegenereerde inkomsten, zoals loon, inkomsten uit een beroepsactiviteit of een ouderdomspensioen, inkomsten zijn waarvan algemeen wordt aanvaard dat zij naar hun aard een stabiel en regelmatig karakter hebben in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109, zoals de zevende overweging van deze richtlijn doet vermoeden.
32.
Niettemin lijkt een dergelijke beperkte opvatting van het begrip ‘middelen’ naar mijn mening niet duidelijk voort te vloeien uit de bewoordingen van deze bepaling, omdat een expliciete verwijzing naar de herkomst van de middelen ontbreekt en veeleer sprake is van een omschrijving van de kenmerken ervan in die zin dat zij ter beschikking van de aanvrager moeten staan en vast, regelmatig en voldoende moeten zijn, zodat de om toekenning van de status van langdurig ingezetene verzoekende derdelander ermee kan voorzien in zijn eigen onderhoud en dat van zijn gezinsleden.
33.
Anders gezegd, de letterlijke uitlegging van deze bepaling brengt mij tot de conclusie dat deze bepaling weliswaar in eerste instantie doelt op door de aanvrager gegenereerde inkomsten15., maar dat door een derde ter beschikking gestelde middelen niet zijn uitgesloten, op voorwaarde dat deze, afgaand op de aard ervan, stabiel, regelmatig en toereikend zijn zoals door de derdelander zelf gegenereerde inkomsten.
34.
Naar mijn mening wordt dit standpunt bevestigd door de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 (punt B), alsook door de teleologische uitlegging van deze richtlijn en van artikel 5, lid 1, onder a), ervan en door de context van deze bepaling (punt C).
B. Totstandkomingsgeschiedenis van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109
35.
Allereerst wil ik opmerken dat de kwestie van de herkomst van de in artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 bedoelde middelen geen onderwerp van debat lijkt te zijn geweest bij de vaststelling van deze richtlijn.
36.
Daarnaast brengt het onderzoek van de voorbereidende werkzaamheden van deze richtlijn naar mijn mening een soortgelijk gebrek aan eenduidigheid ten aanzien van het gebruik van de term ‘middelen’ aan het licht als wat ik in punt 27 van deze conclusie heb vastgesteld in het kader van de letterlijke uitlegging van dit begrip.
37.
Zo wordt in sommige taalversies van het oorspronkelijke richtlijnvoorstel in de toelichting op de betrokken voorwaarde gepreciseerd16. dat de stabiliteit van de ‘middelen’ van de aanvrager van de status van langdurig ingezetene moet worden beoordeeld aan de hand van de aard en de regelmaat van de ‘inkomsten’ van de betrokkene, terwijl in diezelfde taalversies in de voorgestelde redactie van de bepaling uitsluitend de term ‘middelen’ wordt gebruikt voor de beoordeling van hetzelfde criterium.17. Andere taalversies hanteren uitsluitend de term ‘inkomsten’.18.
38.
Dit gebrek aan eenduidigheid is ook terug te vinden in het vervolg van de voorbereidende werkzaamheden. Zo verwijzen sommige taalversies van het advies van het Comité van de Regio's uitdrukkelijk naar de ‘eigen middelen’ van de aanvrager van de status van langdurig ingezetene19., terwijl andere taalversies op dit punt minder expliciet zijn.20.
39.
De totstandkomingsgeschiedenis van richtlijn 2003/109 biedt dus geen aanknopingspunten om het vraagstuk van de herkomst van de inkomsten te kunnen ophelderen.
40.
Niettemin blijkt uit de toelichting op de betrokken bepaling in het oorspronkelijke richtlijnvoorstel dat de beoordelingscriteria van artikel 5 nauwkeurig zijn omschreven om te voorkomen dat de mogelijkheden om de status van langdurig ingezetene te verkrijgen teniet worden gedaan, en om de voorwaarden voor verkrijging van deze status in alle lidstaten op elkaar af te stemmen.21.
41.
Dit punt van het voorstel van de Commissie suggereert mijns inziens dat in het kader van de uitlegging van voornoemd artikel 5 niet kan worden verlangd dat de inkomsten van de aanvrager van een bepaalde herkomst zijn wanneer de wetgever een dergelijke herkomst niet duidelijk heeft voorgeschreven.
C. Teleologische uitlegging van richtlijn 2003/109 en artikel 5, lid 1, onder a), ervan, en context van deze bepaling
42.
Wat om te beginnen het doel van richtlijn 2003/109 aangaat, dit vereist volgens mij niet dat de in artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 bedoelde middelen een bepaalde herkomst hebben.
43.
Het hoofddoel van richtlijn 2003/109 is namelijk de integratie van onderdanen van derde landen die duurzaam in een lidstaat zijn gevestigd.22. Met het oog daarop bepaalt deze richtlijn in artikel 4, lid 1, ervan dat de verblijfsduur het belangrijkste criterium is voor de verkrijging van de status van langdurig ingezetene. Zo vereist deze bepaling dat de derdelander gedurende een periode van vijf jaar voorafgaand aan de indiening van het betrokken verzoek legaal en ononderbroken op het grondgebied van de betrokken lidstaat heeft verbleven.23. Zoals de Franse regering onderstreept, is richtlijn 2003/109 krachtens artikel 3, lid 1, ervan van toepassing op onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven, ongeacht of zij daar al dan niet een economische activiteit uitoefenen.24.
44.
Uit dit oogpunt is de herkomst van de middelen niet van bijzonder belang en vereist het doel van richtlijn 2003/109 niet dat de middelen afkomstig zijn van de economische activiteit van de aanvrager.
45.
Deze uitlegging vindt in mijn ogen steun in de algemene opzet van deze richtlijn. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat richtlijn 2003/109, met inbegrip van artikel 5 ervan, welbepaalde materiële voorwaarden vaststelt waaraan moet zijn voldaan voordat de betrokken lidstaten de gevraagde verblijfsvergunningen afgeven, en dat, gelet op het door richtlijn 2003/109 nagestreefde doel en het daarbij ingevoerde stelsel, onderdanen van derde landen die voldoen aan de voorwaarden van die richtlijn, recht hebben op verkrijging van de status van langdurig ingezetene en de andere rechten genieten die voortvloeien uit die status.25.
46.
Hieruit volgt mijns inziens dat richtlijn 2003/109 op uitputtende wijze de materiële voorwaarden opsomt waaraan de aanvrager van de status van langdurig ingezetene moet voldoen, alsook de gronden voor weigering van deze status. Uit dit oogpunt acht ik het in strijd met de algemene opzet en het doel van deze richtlijn om een aanvraag om toekenning van deze status af te wijzen louter op grond dat de middelen afkomstig zijn van een derde.
47.
Wat in de tweede plaats het doel van de voorwaarde van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 betreft, dit bestaat erin te voorkomen dat de derdelander een last voor de lidstaat wordt, zoals in de zevende overweging van deze richtlijn staat vermeld. De vraag die aan de orde is, is dus of dit doel vereist dat de inkomsten van een bepaalde herkomst zijn.
48.
In dat verband kunnen volgens mij een aantal nuttige uitleggingselementen worden geput uit de rechtspraak van het Hof inzake het inkomstenvereiste van artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38, ofschoon de bewoordingen en de context van deze bepaling, alsook het doel van deze richtlijn afwijken van die van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109.
49.
Meer concreet bepaalt artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38, zoals uitgelegd in het licht van de tiende overweging van deze richtlijn, dat een van de alternatieve voorwaarden waaronder iedere burger van de Unie en de hem begeleidende familieleden het recht verkrijgen om gedurende meer dan drie maanden tot maximaal vijf jaar op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven26., is dat hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf een onredelijke last wordt voor het stelsel van sociale bijstand van het gastland.27.
50.
Het Hof heeft geoordeeld dat de term ‘beschikt’ over voldoende bestaansmiddelen in voornoemd artikel 7, lid 1, onder b), aldus moet worden uitgelegd dat het volstaat dat die bestaansmiddelen de burgers van de Unie ter beschikking staan, zonder dat die bepaling het minste vereiste stelt met betrekking tot de herkomst van die middelen, die met name door een onderdaan van een derde land ter beschikking kunnen zijn gesteld.28. Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat indien de voorwaarde inzake toereikende bestaansmiddelen in die zin werd uitgelegd dat de betrokkene zelf over dergelijke bestaansmiddelen moet beschikken en in dat verband geen beroep mag doen op de bestaansmiddelen van het familielid dat hem begeleidt, aan die voorwaarde zoals zij in richtlijn 2004/38 is geformuleerd, een vereiste met betrekking tot de herkomst van de bestaansmiddelen zou worden toegevoegd. Dit vereiste zou een onevenredige inmenging vormen in de uitoefening van het door artikel 21 VWEU gewaarborgde fundamentele recht van vrij verkeer en verblijf, aangezien het niet noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het beoogde doel, te weten de bescherming van de overheidsfinanciën van de lidstaten.29.
51.
Het Hof heeft het als onevenredig aangemerkt om te vereisen dat er een juridische band bestaat tussen de verstrekker en de ontvanger van de inkomsten, omdat het verlies van toereikende bestaansmiddelen een latent risico blijft, ongeacht of die middelen persoonlijk dan wel van een derde afkomstig zijn, zelfs indien die derde zich ertoe heeft verbonden om de houder van het verblijfsrecht financieel te ondersteunen. De herkomst van die bestaansmiddelen is dus volgens het Hof niet automatisch van invloed op het risico dat een dergelijk verlies zich voordoet, daar het intreden van dit risico van de evolutie van de omstandigheden afhangt.30.
52.
Mijns inziens kan deze rechtspraak slechts worden toegepast op de uitlegging van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 voor zover deze bepaling evenmin een vereiste met betrekking tot de herkomst van de bestaansmiddelen bevat.
53.
Met betrekking tot de uitlegging van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 — dat evenmin als artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38 een uitdrukkelijke verwijzing naar de herkomst van de bestaansmiddelen bevat en een eender doel nastreeft, te weten bescherming van de overheidsfinanciën van de lidstaten — ben ik van mening dat een specifieke herkomst inderdaad geen noodzakelijk vereiste is voor de verwezenlijking van het doel van artikel 5, lid 1, onder a). Zoals het Hof heeft uiteengezet, is de herkomst van de bestaansmiddelen niet automatisch van invloed op het risico van het verlies van deze bestaansmiddelen.31.
54.
Zoals de Belgische, de Oostenrijkse, de Duitse en de Franse regering terecht aanvoeren, is artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 echter strenger dan artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38, onder meer omdat artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109, in tegenstelling tot voornoemde bepaling, aanvullende criteria bevat, namelijk dat de bestaansmiddelen vast en regelmatig dienen te zijn. Bovendien vereist de tweede alinea van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 dat de bestaansmiddelen onder meer worden beoordeeld op basis van hun aard.32.
55.
Om te kunnen vaststellen in hoeverre de herkomst van de bestaansmiddelen van invloed is op het antwoord op de vraag of aan deze criteria is voldaan (afdeling 2), moet allereerst de strekking van deze criteria worden bepaald (afdeling 1).
1. Strekking van de criteria van stabiliteit en regelmaat van de bestaansmiddelen in verhouding tot de aard ervan
56.
Ten aanzien van de strekking van de criteria van stabiliteit en regelmaat wijs ik in de eerste plaats erop dat het Hof zich hierover reeds heeft uitgesproken in het kader van richtlijn 2003/86 inzake het recht op gezinshereniging.
57.
Artikel 7, lid 1, onder c), van deze richtlijn bevat namelijk een inkomstenvereiste waarvan de bewoordingen en het doel overeenstemmen met die van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109. Op grond van eerstgenoemde bepaling kunnen de lidstaten bij de indiening van een verzoek tot gezinshereniging de gezinshereniger verzoeken het bewijs te leveren dat hij beschikt over ‘stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat’33..
58.
Het Hof heeft geoordeeld dat uit het gebruik van de termen ‘stabiele’ en ‘regelmatige’ volgt dat de in artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 bedoelde inkomsten in zekere mate een bestendig en continu karakter moeten hebben. Het Hof heeft verduidelijkt dat de betrokkene moet aantonen dat hij op het moment waarop zijn aanvraag wordt beoordeeld, over voldoende inkomsten beschikt, en dat, voor zover uit de bewoordingen van artikel 7, lid 1, onder c), van deze richtlijn volgt dat de inkomsten van de betrokkene niet alleen moeten ‘volstaan’, maar ook ‘stabiel’ en ‘regelmatig’ moeten zijn, dergelijke vereisten, met name gelet op de formulering en het doel van deze bepaling, noodzakelijkerwijs impliceren dat de bevoegde nationale autoriteit een prospectief onderzoek naar deze inkomsten verricht, dat wil zeggen een onderzoek naar de toekomstige ontwikkeling van de financiële situatie van de betrokkene nadat de aangevraagde verblijfstitel is verkregen.34.
59.
In navolging van de Franse en de Oostenrijkse regering ben ik van mening dat deze analyse van het Hof kan worden toegepast op de uitlegging van de vereisten van stabiliteit en regelmaat van de inkomsten die ingevolge artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 gelden voor de verkrijging van de status van langdurig ingezetene. Dit betekent dat de bevoegde autoriteiten in het kader van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 aan de hand van een prospectief onderzoek moeten nagaan of de inkomsten van de aanvrager in zekere mate een bestendig en continu karakter hebben.
60.
Anders gezegd, de criteria van stabiliteit en regelmaat vooronderstellen dat de nationale autoriteiten redelijkerwijs moeten kunnen uitsluiten dat de aanvrager een last voor de lidstaat zal worden doordat hij een beroep zal doen op sociale bijstand.
61.
In de tweede plaats impliceert het feit dat dit prospectief onderzoek moet plaatsvinden aan de hand van de aard van de inkomsten, zoals de tweede alinea van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 vereist, naar mijn mening dat rekening moet worden gehouden met alle karakteristieke kenmerken van de betrokken inkomsten die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van hun bestendigheid, continuïteit en toereikendheid, en dus met het risico dat de aanvrager een last voor de lidstaat zal worden.
62.
In mijn optiek tonen deze vereisten van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 aan dat de wetgever heeft willen verzekeren dat de bevoegde autoriteiten, alvorens de status van langdurig ingezetene toe te kennen, een onderzoek verrichten dat met een grotere mate van zekerheid dan in het kader van artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38 uitsluit dat de aanvrager een last voor de betrokken lidstaat zal worden.
63.
Dit onderscheid vloeit volgens mij met name voort uit het feit dat artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 — in tegenstelling tot richtlijn 2004/38, die het fundamentele beginsel van vrij verkeer van personen formuleert en beoogt te versterken35., waarbij artikel 7, lid 1, onder b), een voorwaarde aan dit door het VWEU gewaarborgde recht stelt — geen voorwaarde aan een dergelijk primair recht stelt.
64.
Voorts kent richtlijn 2003/109, in tegenstelling tot richtlijn 2004/38, volgens welke de bevoegde nationale autoriteit de verblijfstitel van een burger van de Unie en zijn familieleden kan intrekken wanneer hij niet meer over voldoende inkomsten beschikt36., niet een dergelijk mechanisme.
65.
Artikel 9 van richtlijn 2003/109, dat de verschillende gevallen opsomt waarin de status van langdurig ingezetene verloren gaat of wordt ingetrokken, doelt namelijk niet op het geval waarin niet langer wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 5, lid 1, onder a), ervan. Bovendien biedt artikel 12 van deze richtlijn de langdurig ingezetene bescherming tegen verwijdering en bepaalt lid 2 van dit artikel uitdrukkelijk dat verwijdering niet op economische gronden mag berusten.
66.
Met andere woorden, uit artikel 9 juncto artikel 12 van richtlijn 2003/109 vloeit voort dat de status van langdurig ingezetene niet op economische gronden mag worden ingetrokken, ook al heeft het inkomstenvereiste tot doel te voorkomen dat de onderdaan van het derde land een last voor de betrokken lidstaat wordt. Bovendien geniet de betrokkene, wanneer hij de status van langdurig ingezetene heeft verkregen, krachtens artikel 11 van deze richtlijn dezelfde behandeling als de eigen onderdanen op een aantal gebieden, zoals sociale zekerheid, sociale bijstand en sociale bescherming.
67.
Mijns inziens tonen de vereisten van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 tevens aan dat de wetgever de nationale autoriteiten een zekere beoordelingsmarge heeft willen laten wanneer zij de relevante feiten beoordelen teneinde vast te stellen of de voorwaarden zijn vervuld om redelijkerwijs te kunnen uitsluiten dat de aanvrager een last voor de betrokken lidstaat zal worden. Zoals het Hof heeft uiteengezet, hangt het intreden van het risico van het verlies van bestaansmiddelen immers af van de evolutie van de omstandigheden.37.
68.
Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld of, en in voorkomend geval in welke mate, de herkomst van de inkomsten van invloed is op de beoordeling van de stabiele en regelmatige aard ervan.
2. Invloed van de herkomst van de inkomsten op de beoordeling van de criteria van stabiliteit en regelmaat in relatie tot de aard van de inkomsten
69.
Zoals reeds uiteengezet, moeten de inkomsten volgens de tweede alinea van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 worden beoordeeld op basis van hun aard, dat wil zeggen alle karakteristieke kenmerken van de betrokken inkomsten die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van hun bestendigheid, continuïteit en toereikendheid, en daarmee op het risico dat de aanvrager een last voor de lidstaat zal worden.
70.
Ik ben van mening dat de herkomst van de inkomsten een dergelijk karakteristiek element is. Met andere woorden, ik acht de herkomst van de inkomsten een relevant beoordelingselement waarvan de invloed afhangt van een concrete beoordeling van alle elementen van de betrokken situatie.
71.
Zoals de Duitse, de Franse en de Oostenrijkse regering hebben betoogd, kunnen inkomsten die afkomstig zijn van een derde namelijk verschillende gedaanten aannemen, terwijl, gelet op alle elementen van de concrete situatie, slechts in een aantal gevallen aan de criteria van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 zal kunnen worden voldaan.
72.
Meer in het bijzonder stellen de Franse, de Duitse en de Oostenrijkse regering, zoals ik hiervoor in punt 22 van mijn conclusie reeds kort heb uiteengezet, dat artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 inkomsten die formeel van een derde afkomstig zijn weliswaar niet uitsluit, maar dat dergelijke inkomsten naar hun aard slechts kunnen voldoen aan de in deze bepaling gestelde voorwaarde van stabiliteit, regelmaat en toereikendheid wanneer zij zijn gebaseerd op een recht dat de aanvrager in rechte geldend kan maken, zoals het recht op alimentatie jegens een andere persoon of inkomsten in verband met het huwelijksvermogensstelsel van de aanvrager.38.
73.
Ter onderbouwing van hun zienswijze merken deze regeringen in wezen op dat alleen dergelijke inkomsten de nationale autoriteiten in staat stellen met voldoende zekerheid uit te sluiten dat de betrokkene een last voor hun stelsel van sociale bescherming zal worden. De Duitse regering voert daartoe aan dat, indien het bewijs van de inkomsten de lidstaten in staat moet stellen om redelijkerwijs uit te sluiten dat de aanvrager in de toekomst ten laste van hun stelsel van sociale bescherming komt, enkel sprake kan zijn van specifieke inkomsten die bij de toekenning van sociale bijstand zouden moeten worden geverifieerd, zoals alimentatierechten en andere bronnen van inkomsten waarvoor de aanvrager een afdwingbare schuldvordering heeft, en zulks alleen wanneer die inkomsten een beletsel vormen voor de toekenning van sociale bijstand.
74.
Het doel van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 kan dus niet worden verwezenlijkt door een verbintenis tot tenlasteneming zoals in het hoofdgeding aan de orde is, aldus deze regeringen. Ook al zouden de betrokken financiële middelen namelijk voortvloeien uit een overeenkomst of een toezegging, het blijft een feit dat toezeggingen op elk moment kunnen worden herroepen en contractuele verhoudingen kunnen worden beëindigd.
75.
Deze argumenten komen mij overtuigend voor. Ik acht het namelijk niet erg waarschijnlijk dat inkomsten die door een derde louter op basis van een eenzijdige, niet op een wettelijke verplichting berustende toezegging, die naar goeddunken kan worden ingetrokken, ter beschikking worden gesteld, zodanig bestendig en continu zijn dat de nationale autoriteiten redelijkerwijs kunnen uitsluiten dat de aanvrager een last voor de betrokken lidstaat wordt. Daarentegen acht ik het zeer waarschijnlijk dat een onderdaan van een derde land die bijvoorbeeld aantoont dat hij in het kader van zijn huwelijksvermogensstelsel over voldoende inkomsten beschikt, of het nu om inkomsten van zijn echtgenoot dan wel om pensioenen gaat, dit bewijs kan leveren.
76.
Uit het voorgaande volgt dat aan de hand van de herkomst van de inkomsten op zich niet kan worden vastgesteld of al dan niet is voldaan aan de criteria van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109. Nagegaan moet namelijk worden of deze inkomsten, gelet op alle elementen die gezamenlijk de aard ervan bepalen, vast, regelmatig en voldoende zijn, zodat redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat de aanvrager een last voor de lidstaat zal worden.
77.
Met andere woorden, de nationale autoriteiten mogen de vergunning voor langdurig verblijf niet weigeren op de enkele grond dat de inkomsten afkomstig zijn van een derde, maar moeten de individuele situatie van de aanvrager van de status van langdurig ingezetene in haar geheel concreet beoordelen en motiveren waarom deze inkomsten al dan niet een zekere bestendigheid en continuïteit vertonen.
78.
Wanneer sprake is van een verbintenis tot tenlasteneming door een derde of een familielid van de aanvrager, vormen de omstandigheid dat de looptijd en het bedrag van de verbintenis onvoldoende nauwkeurig en concreet zijn en dat de verbintenis geen bestendige, juridisch bindende effecten teweegbrengt, relevante elementen die naar mijn mening het oordeel wettigen dat de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109.
79.
Uit dit oogpunt moet ik ten aanzien van de situatie in het hoofdgeding erkennen dat moeilijk valt in te zien hoe de verbintenis tot tenlasteneming door de broer van de aanvrager als voldoende nauwkeurig, bestendig en juridisch bindend zou kunnen worden aangemerkt, zodat de Belgische autoriteiten zich ervan zouden kunnen verzekeren dat de verbintenis zal worden nagekomen en de aanvrager geen last voor de betrokken lidstaat zal worden.39. Het staat echter aan de verwijzende rechter om dit in het kader van een concrete beoordeling van alle omstandigheden van het geval te evalueren.
80.
In dit verband zij opgemerkt dat het aan de aanvrager van de status van langdurig ingezetene staat om de nodige bewijselementen ter onderbouwing van zijn aanvraag over te leggen. Met andere woorden, de nationale autoriteiten hoeven geen onderzoek te verrichten dat het kader van de door de aanvrager verstrekte bewijselementen overschrijdt.40.
V. Conclusie
81.
Gelet op de voorgaande overwegingen stel ik het Hof voor, de drie vragen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling geen specifieke eisen stelt aan de herkomst van de inkomsten. Indien de inkomsten afkomstig zijn van een derde of van een familielid van de aanvrager, zoals in de omstandigheden van het hoofdgeding, moeten zij toereikend zijn en in zekere mate een bestendig en continu karakter hebben, zodat redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat de aanvrager ten laste komt van het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Daartoe dienen de nationale autoriteiten alle relevante omstandigheden van het concrete geval in aanmerking te nemen, waaronder de vraag of de door een derde aangegane verbintenis tot tenlasteneming voldoende nauwkeurig, van bestendige aard en juridisch bindend is.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑06‑2019
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2004, L 16, blz. 44.
Zie artikel 1, onder a), van richtlijn 2003/109.
Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77).
X verwijst naar het arrest Singh e.a. (C-218/14, EU:C:2015:476, punten 74 en 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ik wijs erop dat de omzendbrief van 14 juli 2009 betreffende de status van langdurig ingezetene ( Belgisch staatsblad van 11 augustus 2009), waarop de Belgische autoriteiten zich in het hoofdgeding beroepen, preciseert dat het bewijs van de bestaansmiddelen in de zin van artikel 15 bis, § 3, van de vreemdelingenwet geleverd kan worden ‘door middel van beroepsinkomsten, een werkloosheidsuitkering, een invaliditeitsuitkering, een vervroegd pensioen, een ouderdomsuitkering, een uitkering van een arbeidsongevallen- of beroepsziektenverzekering […]. Deze lijst is niet exhaustief.’
Meer bepaald bezigt de Duitse regering de bewoordingen ‘te ontvangen financiële middelen […] die berusten op concrete en in rechte afdwingbare aanspraken van de aanvrager’, terwijl de Franse regering spreekt van ‘[i]nkomsten op grond van een wettelijke verplichting of een juridische band op basis waarvan de betrokken onderdaan van een derde land aanspraak kan maken op de betaling en/of het behoud ervan’, zodat het inderdaad om ‘eigen inkomsten’ van de aanvrager gaat waarmee hij aantoont financieel autonoom te zijn. De Oostenrijkse regering ten slotte verwijst naar inkomsten die ‘in zekere mate een bestendig en continu karakter hebben en berusten op een juridisch afdwingbaar recht’.
Deze argumenten worden nader toegelicht in de punten 72 tot en met 74 van deze conclusie.
Ik merk op dat de Belgische en de Italiaanse regering de term ‘eigen inkomsten’ van de aanvrager bezigen, terwijl de Tsjechische regering verwijst naar inkomsten ‘die afkomstig zijn uit een eigen economische activiteit’ van de aanvrager. Ik vat deze standpunten aldus op dat het gaat om door de aanvrager gegenereerde inkomsten in de zin van punt 18 van deze conclusie.
Zie onder meer arresten van 9 maart 2017, Pula Parking (C-551/15, EU:C:2017:193, punt 42), en 27 september 2017, Nintendo (C-24/16 en C-25/16, EU:C:2017:724, punt 70).
Met betrekking tot een letterlijke uitlegging zij opgemerkt dat het vaste rechtspraak van het Hof is dat de betekenis en de draagwijdte van begrippen waarvoor het Unierecht geen definitie geeft, moeten worden bepaald in overeenstemming met de gebruikelijke betekenis die zij in de omgangstaal hebben. Zie arresten van 22 december 2008, Wallentin-Hermann (C-549/07, EU:C:2008:771, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 11 juni 2015, Zh. en O. (C-554/13, EU:C:2015:377, punt 42).
Dit is het geval voor de Franse taalversie (‘ressources’), alsook voor de Engelse (‘resources’), de Spaanse (‘recursos’), de Italiaanse (‘risorse’), de Roemeense (‘resurse’), de Griekse (‘πÏŒρους’), de Finse (‘varat’), de Maltese (‘riżorsi’), de Portugese (‘recursos’), de Litouwse (‘išteklių’) en de Slowaakse taalversie (‘zdroje’). In de Kroatische (‘izvore sredstava’), de Sloveense (‘vire’) en de Zweedse (‘försörjningsmedel’) taalversie is sprake van formuleringen als ‘middelen om in iemands onderhoud te voorzien’ of ‘bestaansmiddelen’.
Dit is het geval voor de Nederlandse taalversie (‘inkomsten’), alsook voor de Duitse (‘Einkünfte’), de Bulgaarse (‘дoxoди’), de Tsjechische (‘příjmy’), de Estse (‘sissetulek’), de Hongaarse (‘jövedelemforrások’), de Letse ‘ienākumi’), de Poolse (‘dochody’) en de Deense taalversie (‘indtægter’).
Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan immers een zuiver letterlijke uitlegging van een of meerdere taalversies van een Unierechtelijke tekst niet prevaleren boven alle andere taalversies, omdat de uniforme toepassing van de bepalingen van Unierecht vereist dat deze worden uitgelegd in het licht van onder meer de in alle talen opgestelde versies: zie onder meer arresten van 4 september 2014, Vnuk (C-162/13, EU:C:2014:2146, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 26 april 2017, Popescu (C-632/15, EU:C:2017:303, punt 35), en 27 september 2017, Nintendo (C-24/16 en C-25/16, EU:C:2017:724, punt 72).
Zie in die zin ook arresten van 6 december 2012, O e.a. (C-356/11 en C-357/11, EU:C:2012:776, punt 72), en 4 maart 2010, Chakroun (C-578/08, EU:C:2010:117, punten 46 en 47), met betrekking tot artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003, L 251, blz. 12).
Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, ingediend door de Commissie op 13 maart 2001 [COM(2001) 127 def.] (PB 2001, C 240 E, blz. 79). De litigieuze voorwaarde is opgenomen in artikel 6, lid 1, onder a), van dit voorstel.
Dit geldt bijvoorbeeld voor de taalversies in het Frans (‘ressources’ en ‘revenus’), het Engels (‘resources’ en ‘income’) en het Deens (‘midler’ en ‘ indtægter’).
Dit geldt bijvoorbeeld voor de taalversies in het Nederlands (‘inkomsten’) en het Duits (‘Einkünfte’).
Advies van het Comité van de Regio's over het ‘Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen’ van 19 september 2001 (PB 2002, C 19, blz. 18). Dit is bijvoorbeeld het geval in de Franse (‘ressources propres’), de Nederlandse (‘eigen middelen’) en de Deense (‘egne midler’) taalversie.
Dit is bijvoorbeeld het geval voor de Engelse taalversie, waar de uitdrukking ‘ressources propres’ wordt vertaald met ‘possession of adequate resources’ (beschikking over toereikende middelen), en de Duitse taalversie, die de term ‘Existenzmitteln’ (bestaansmiddelen) bezigt.
COM(2001) 127 def. (PB 2001, C 240 E, blz. 79).
Zie vierde, zesde en twaalfde overweging van richtlijn 2003/109 en arresten van 26 april 2012, Commissie/Nederland (C-508/10, EU:C:2012:243, punt 66), en 4 juni 2015, P en S (C-579/13, EU:C:2015:369, punt 46).
Dat dit het belangrijkste criterium is, blijkt uit de zesde overweging van richtlijn 2003/109; zie ook arrest van 18 oktober 2012, Singh (C-502/10, EU:C:2012:636, punt 46).
Weliswaar blijkt dit niet expliciet uit deze bepaling, maar volgens het richtlijnvoorstel [COM(2001) 127 def.] (PB 2001, C 240 E, blz. 79) is richtlijn 2003/109 van toepassing op alle onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, ongeacht de redenen voor hun oorspronkelijke toelating, met inbegrip dus van de onderdanen van derde landen die zijn toegelaten om in loondienst of als zelfstandige te werken, degenen die in het kader van gezinshereniging zijn toegelaten, degenen die zijn toegelaten om niet-winstgevende activiteiten te verrichten, en degenen die als niet-actieven zijn toegelaten. Ik wijs er bovendien op dat uit artikel 14, lid 2, onder c), van richtlijn 2003/109, gelezen in samenhang met de negentiende overweging van deze richtlijn, voortvloeit dat gebruik kan worden gemaakt van het recht van verblijf in een andere lidstaat — waarvoor het inkomstenvereiste van artikel 5, lid 1, onder a), eveneens geldt — zonder dat een economische activiteit wordt uitgeoefend.
Zie arrest van 26 april 2012, Commissie/Nederland (C-508/10, EU:C:2012:243, punten 67 en 68).
Krachtens artikel 16, lid 1, van richtlijn 2004/38 heeft iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, aldaar een duurzaam verblijfsrecht, welk recht niet is onderworpen aan het inkomstenvereiste van artikel 7, lid 1, onder b), van deze richtlijn.
Zie arrest van 19 september 2013, Brey (C-140/12, EU:C:2013:565, punt 72).
Zie arrest van 16 juli 2015, Singh e.a. (C-218/14, EU:C:2015:476, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 16 juli 2015, Singh e.a. (C-218/14, EU:C:2015:476, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 23 maart 2006, Commissie/België (C-408/03, EU:C:2006:192, punten 46 en 47). Dit arrest heeft betrekking op artikel 1, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 90/364/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht (PB 1990, L 180, blz. 26), dat is vervangen door artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38.
Zie arrest van 23 maart 2006, Commissie/België (C-408/03, EU:C:2006:192, punt 47).
Volgens artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/109 moeten de inkomsten ook worden beoordeeld op basis van hun regelmaat. Dit criterium is niet meteen relevant voor de beantwoording van de gestelde vragen en zal dan ook niet verder worden behandeld in deze conclusie.
Opgemerkt zij dat het doel van artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 niet uitdrukkelijk blijkt uit de overwegingen van deze richtlijn, zoals wel het geval is in richtlijn 2003/109, maar dat het Hof dit doel heeft verduidelijkt in het arrest van 21 april 2016, Khachab (C-558/14, EU:C:2016:285, punt 39).
Zie arrest van 21 april 2016, Khachab (C-558/14, EU:C:2016:285, punten 30 e.v.).
Zie derde en vierde overweging van richtlijn 2004/38.
Zie artikel 14, lid 2, van richtlijn 2004/38. Ik herinner er echter aan dat deze voorwaarde niet meer geldt wanneer een burger van de Unie een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven (zie voetnoot 26 van deze conclusie).
Zie arrest van 23 maart 2006, Commissie/België (C-408/03, EU:C:2006:192, punt 47).
Zie voetnoot 7 van deze conclusie.
De Belgische regering doet in dit verband opmerken dat haar nationale rechtsorde een algemeen beginsel kent dat ‘niemand zich voor het leven kan verbinden’.
Ik wijs erop dat richtlijn 2003/109 geen nauwkeurige criteria bevat ten aanzien van het type bewijsstukken dat de derdelander moet overleggen om aan te tonen dat hij over de vereiste inkomsten beschikt om de status van langdurig ingezetene te verkrijgen. Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn bepaalt namelijk dat het verzoek vergezeld gaat van in de nationale wet te bepalen bewijsstukken waaruit blijkt dat hij aan de in de artikelen 4 en 5 van deze richtlijn geformuleerde voorwaarden voldoet.