Vonnis van 30 juni 2020 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBLIM:2020:4725 en herstelvonnis van 29 juli 2020, niet gepubliceerd.
Rb. Amsterdam, 07-06-2023, nr. C/13/728790 / HA ZA 23-096
ECLI:NL:RBAMS:2023:6872
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
07-06-2023
- Zaaknummer
C/13/728790 / HA ZA 23-096
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2023:6872, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 01‑11‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2023:3442, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 07‑06‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 01‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Een vrouw en haar bedrijf, een groothandel in consumentengoederen, moeten ruim 318.000 euro schadevergoeding betalen, omdat zij hebben geprofiteerd van een schijnconstructie waarmee een schuld werd ontlopen.
Partij(en)
RECHTBANK Amsterdam
Team handel
Zaaknummer: C/13/728790 / HA ZA 23/096
Vonnis van 1 november 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
[naam 1] ., te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat: mr. P.J.T. Austen te Valkenburg aan de Geul,
tegen
1. [naam 2] , te [woonplaats 2] ,
en 2. GJJ TRADING B.V., te Uithoorn,
gedaagden,
advocaat: mr. J.S. de Gram te Den Haag,
Partijen worden hierna genoemd: ‘ [naam 1] ’, ‘ [naam 2] ’ en ‘GJJ Trading’. [naam 2] en GJJ Trading worden gezamenlijk ‘gedaagden’ genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 juni 2023;
- de akte van 21 juni 2023 van gedaagden, met aanvullende producties;
- de akte van 18 juli 2023 van eiseres, met aanvullende producties;
- de akte van 16 augustus 2023 van gedaagden, met aanvullende producties;
- de akte van 6 september 2023 van eiseres.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Waar dit vonnis over gaat en wat de rechtbank beslist
2.1.
In het tussenvonnis is aan gedaagden opgedragen om de facturen van GJJ Trading en GJJ Riooltechniek B.V. (hierna: ‘GJJ Riooltechniek’) in het geding te brengen. Dit om [naam 1] in de gelegenheid te stellen om haar stelling nader te onderbouwen dat de heer [naam 3] (hierna: ‘ [naam 3] ’) de feitelijke zaakvoerder is van deze vennootschappen.
2.2.
[naam 1] heeft, nadat gedaagden de facturen hadden overgelegd, contact opgenomen met de betreffende klanten van GJJ Trading en GJJ Riooltechniek. Op basis daarvan heeft [naam 1] verschillende verklaringen van klanten en andere stukken overgelegd, waaruit volgens haar blijkt dat [naam 3] namens de vennootschappen optrad en niet [naam gedaagde] . De rechtbank oordeelt in dit vonnis dat [naam 1] met deze stukken voldoende heeft onderbouwd dat [naam 3] de feitelijke zaakvoerder is van GJJ Trading en GJJ Riooltechniek. Bij deze vennootschappen is dus sprake van een schijnconstructie. Daarmee komt vast te staan dat gedaagden hebben geprofiteerd van de wanprestatie van [naam 3] , Jezz Management B.V. en JJG Holding B.V. (hierna: ‘ [naam 3] c.s.’) en dat sprake is van bijkomende omstandigheden. Gedaagden moeten daarom de schade die [naam 1] hierdoor lijdt vergoeden. De rechtbank begroot die schade op € 102.250,00 voor de inkomsten uit GJJ Riooltechniek en € 137.500,00 voor de inkomsten uit GJJ Trading.
2.3.
Ook hebben gedaagden de factuur van de Porsche Panamera (hierna: ‘de Panamera’) in het geding gebracht. Daarmee kan het bedrag worden vastgesteld ter hoogte waarvan [naam gedaagde] heeft geprofiteerd van de wanprestatie van [naam 3] c.s. door het om niet verkrijgen van de Panamera en de ingeruilde Porsche, namelijk: € 78.350,00. Dit bedrag moet [naam gedaagde] aan [naam 1] betalen..
2.4.
De rechtbank licht deze beslissingen als volgt toe.
Schijnconstructie GJJ Trading en GJJ Riooltechniek
2.5.
Uit de door [naam 1] overgelegde verklaringen leidt de rechtbank het volgende af. Ten eerste zijn de facturen van GJJ Riooltechniek steeds verstuurd vanuit het e-mailadres van [naam 3] ( [naam 3] . Gedaagden voeren aan dat dat komt omdat het gestandaardiseerde e-mails zijn vanuit een factureringsprogramma, dat toevallig is gekoppeld aan dat e-mailadres. Uit de verklaring van [naam bedrijf] en de bijlagen daarbij (productie 42) blijkt echter dat [naam 3] handmatig de factuur en de opvolgende herinnering per e-mail heeft verstuurd. Verder stellen meerdere klanten telefonisch contact te hebben gehad met [naam 3] . Gedaagden hebben volstaan met algemene en voornamelijk technische betwistingen van de overgelegde verklaringen, maar hebben bijvoorbeeld niet zelf verklaringen van andere klanten in het geding gebracht waaruit blijkt dat die altijd contact hadden met [naam gedaagde] . Ook hebben gedaagden erkend dat [naam 3] onderdeel is geweest van de WhatsApp-groep van GJJ Riooltechniek. Net als tijdens de mondelinge behandeling is de uitleg van gedaagden hiervoor dat [naam 3] [naam gedaagde] wel eens hielp met haar werkzaamheden. Gedaagden hebben echter niet toegelicht waar die hulp dan uit bestond en hoe die zich verhield tot de werkzaamheden die [naam gedaagde] zelf deed.
2.6.
Uit de door [naam 1] overgelegde stukken blijkt dus dat de rol van [naam 3] in GJJ Riooltechniek groter is dan gedaagden betogen. Gedaagden hebben die stukken wel betwist, maar niks aangevoerd waaruit blijkt dat [naam gedaagde] daadwerkelijk zelf in of voor GJJ Riooltechniek werkt. Daarmee hebben zij de onderbouwde stellingen van [naam 1] dat [naam 3] de feitelijk zaakvoerder is van GJJ Riooltechniek onvoldoende gemotiveerd betwist.
2.7.
Hetzelfde geldt voor GJJ Trading. [naam 1] heeft haar stellingen nader onderbouwd met verklaringen van klanten van GJJ Trading. Daaruit blijkt dat [naam 3] ook namens GJJ Trading heeft opgetreden. Ook tegenover die verklaringen staan slechts algemene betwistingen. Gedaagden leunen als enige motivering voor hun betwisting nog altijd op twee mailtjes aan [naam gedaagde] van één klant, namelijk KLM, in 2021. Dat is tegenover de overgelegde verklaringen echter onvoldoende. Gedaagden hebben dan ook onvoldoende gemotiveerd betwist dat niet [naam 3] maar [naam gedaagde] zelf de zaakvoerder is van GJJ Trading en GJJ Riooltechniek.
2.8.
In het tussenvonnis had de rechtbank al geoordeeld dat gedaagden kennis hadden van de wanprestatie door [naam 3] c.s. Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat gedaagden van die wanprestatie hebben geprofiteerd. De conclusie is namelijk dat [naam 3] de feitelijk zaakvoerder is van deze vennootschappen, ondanks de oprichting daarvan door [naam gedaagde] . Het zijn echter gedaagden die met de werkzaamheden van [naam 3] in GJJ Trading en GJJ Riooltechniek inkomsten genieten. Er is dus sprake van een schijnconstructie. De inkomsten voor deze werkzaamheden komen bewust niet ten goede aan [naam 3] en blijven zodoende buiten bereik van zijn schuldeisers. Er zijn ook bijkomende omstandigheden die het profiteren van die wanprestatie onrechtmatig maken. Gedaagden hebben namelijk in aanzienlijke mate bijgedragen aan de wanprestatie door de schijnconstructie te faciliteren. Omdat de inkomsten uit de werkzaamheden van [naam 3] door de schijnconstructie niet ten goede gekomen aan diens schuldeisers, hebben zij diens wanprestatie bevorderd. Gedaagden hebben daardoor onrechtmatig gehandeld jegens [naam 1] , zodat zij gehouden zijn om de schade van [naam 1] te vergoeden.
2.9.
De schade die [naam 1] door dit onrechtmatig handelen heeft geleden bestaat uit de winsten en inkomsten die [naam 3] uit GJJ Trading en GJJ Riooltechniek zou hebben ontvangen als niet [naam gedaagde] maar hijzelf (middellijk) eigenaar en bestuurder van die vennootschappen was geweest. Als [naam 3] die winsten en inkomsten zou hebben genoten, had [naam 1] immers zich daarop kunnen verhalen. Omdat GJJ Trading en GJJ Riooltechniek echter geen jaarstukken hebben gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel stelt [naam 1] dat voor haar niet is te achterhalen om welke bedragen het gaat. Zij verzoekt de rechtbank dan ook in haar akte van 19 juli 2023 deze schade te begroten op minimaal het door [naam gedaagde] uit de vennootschappen theoretisch genoten loon op basis van de gebruikelijkloonregeling over de jaren 2021-2023.
2.10.
Gedaagden hadden in hun akte van 16 augustus 2023 kunnen reageren op deze voorgestelde wijze van schadebegroting, maar hebben dat niet gedaan. De rechtbank beschikt niet over enige informatie over de winsten en inkomsten uit GJJ Trading en GJJ Riooltechniek. De rechtbank ziet geen aanleiding om die informatie ambtshalve op te vragen, omdat de schijnconstructie met betrekking tot die bedrijven op voorhand al te veel twijfel oproept over de betrouwbaarheid van de cijfers. De rechtbank begroot daarom de schade aan de hand van de gebruikelijkloonregeling.
2.11.
Op grond van de gebruikelijkloonregeling was het loon in 2021 ten minste € 47.000,00, in 2022 ten minste € 48.000,00 en in 2023 ten minste € 51.000,00. GJJ Trading is eind 2020 opgericht. Voor de werkzaamheden in deze vennootschap gaat de rechtbank dus tot de datum van dit vonnis uit van heel 2021, heel 2022 en 10 maanden in 2023, oftewel € 47.000,00 + € 48.000,00 + € 42.500,00 = € 137.500,00. GJJ Riooltechniek is opgericht in september 2021. Voor de werkzaamheden in deze vennootschap gaat de rechtbank tot de datum van dit vonnis uit van 3 maanden in 2021, heel 2022 en 10 maanden in 2023, oftewel € 11.750,00 + 48.000,00 + € 42.500,00 = € 102.250,00. Omdat niet is gebleken dat in GJJ Holding werkzaamheden zijn verricht, rekent de rechtbank daarvoor geen loon.
Het profiteren van de wanprestatie door het verkrijgen van de Panamera
2.12.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank al geoordeeld dat [naam gedaagde] heeft geprofiteerd van de wanprestatie van [naam 3] c.s. doordat zij zonder tegenprestatie de Porsche Panamera van [naam 3] had gekregen. Op grond van de overgelegde factuur kan worden vastgesteld tot welke bedrag [naam gedaagde] heeft geprofiteerd van die wanprestatie. Zoals door de rechtbank verzocht hebben gedaagden de factuur van de Panamera overgelegd. Daaruit blijkt dat [naam 3] op 31 december 2020 de Panamera heeft gekocht voor € 83.350,00. Ook blijkt uit de factuur dat [naam 3] de Porsche die hij eerder aan [naam gedaagde] had geschonken, voor € 40.000,00 heeft ingeruild, en dus niet voor € 12.000,00, zoals [naam 3] op de zitting heeft verklaard.
2.13.
Met deze gegevens kan worden vastgesteld dat [naam gedaagde] voor
€ 43.350,00 heeft geprofiteerd van de wanprestatie van [naam 3] c.s. bovenop de € 35.000,00 die [naam 3] , dan wel Jezz Management B.V., aan het Openbaar Ministerie had betaald om de ingeruilde Porsche na inbeslagname voor [naam gedaagde] terug te kopen. Dit betekent dat [naam gedaagde] in ieder geval € 78.350,00 aan schadevergoeding aan [naam 1] zal moeten betalen.
Conclusie
2.14.
Dat betekent dat [naam gedaagde] aan [naam 1] € 78.350,00 moet betalen (voor de Panamera) + € 102.250,00 (voor de inkomsten uit GJJ Riooltechniek) = € 180.600,00. Gedaagden moeten daarnaast samen nog € 137.500,00 betalen (voor de inkomsten uit GJJ Trading) te betalen. In totaal komt dat uit op € 318.100,00.
2.15.
[naam 1] heeft op de zitting haar eis gewijzigd omdat [naam 3] c.s. na de dagvaarding nog betalingen hadden gedaan. Volgens die eiswijziging resteert na die betalingen, en vanwege de doorlopende rente sinds 23 maart 2020, per 20 april 2023 nog een bedrag van € 318.501,34. Het bedrag dat gedaagden moeten betalen is dus minder dan het bedrag dat [naam 3] c.s. aan [naam 1] moeten betalen op grond van het vonnis van de voorzieningenrechter van 30 juni 2020 (€ 274.753,00 met wettelijke handelsrente vanaf 23 maart 2020). Het meerdere wordt dan ook afgewezen. Bovendien bepaalt de rechtbank dat het totaal van de bedragen die door [naam 3] c.s. al aan [naam 1] zijn (of nog worden) betaald en de bedragen waartoe gedaagden nu worden veroordeeld nooit meer kan bedragen dan het bedrag (inclusief wettelijke handelsrente) dat [naam 3] c.s. moeten betalen op grond van genoemd vonnis van de voorzieningenrechter. Als [naam 3] c.s. zelf nog bedragen aan [naam 1] betalen, wordt de schade van [naam 1] (die door gedaagden vergoed moet worden) immers lager.
2.16.
De vordering van [naam 1] op gedaagden vloeit voort uit onrechtmatige daad, niet uit een handelsovereenkomst. Gedaagden zijn dus niet de wettelijke handelsrente, maar de gewone wettelijke rente verschuldigd. Bij de eiswijziging heeft [naam 1] gevorderd dat de rente wordt toegewezen vanaf 20 april 2023. Dat wordt toegewezen.
2.17.
Gedaagden zijn de partijen die ongelijk krijgen en zij worden daarom in de proceskosten veroordeeld. Daarbij rekent de rechtbank voor de dagvaarding en de zitting 1 punt en voor de twee aktes na de zitting elk 0,5 punt. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [naam 1] als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding € 85,81
- griffierecht € 4.200,00
- salaris advocaat € 7.935,00
- nakosten € 173,00
Totaal € 12.393,81
2.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.19.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
veroordeelt [naam gedaagde] om aan [naam 1] te betalen een bedrag van € 180.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 april 2023, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan [naam 1] te betalen een bedrag van € 137.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 april 2023, tot de dag van volledige betaling,
3.3.
bepaalt dat het totaal van de bedragen die door [naam 3] c.s. al aan [naam 1] zijn (of nog worden) betaald naar aanleiding van het vonnis van de voorzieningenrechter van 30 juni 2020 en de bedragen waartoe gedaagden nu worden veroordeeld nooit meer kan bedragen dan het bedrag (inclusief wettelijke handelsrente) dat [naam 3] c.s. aan [naam 1] moeten betalen op grond van genoemd vonnis van de voorzieningenrechter,
3.4.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [naam 1] tot dit vonnis vastgesteld op € 12.393,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan dienen gedaagden € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening. In dat geval worden zij ook veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg, rechter, bijgestaan door mr. K.L. Klokke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2023.
Uitspraak 07‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Een vrouw van een inmiddels failliete bestuurder van een afvalrecyclingbedrijf moet met meer bewijs en onderbouwing komen in een zaak over het ontlopen van een schuld, aldus de rechtbank in een tussenvonnis.
Partij(en)
RECHTBANK Amsterdam
Team handel
Zaaknummer: C/13/728790 / HA ZA 23/096
Vonnis van 7 juni 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
COLLIN B.V., te Venlo,
eiseres,
advocaat: mr. P.J.T. Austen te Valkenburg aan de Geul,
tegen
1. [gedaagde 1] , te [woonplaats] ,
en 2. [gedaagde 2], te [plaats] ,
gedaagden,
advocaat: mr. J.S. de Gram te Den Haag,
Partijen worden hierna genoemd: ‘Collin’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden gezamenlijk ‘gedaagden’ genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 juni 2021, met producties, die is geregistreerd onder nummer C/13/703647 / HA ZA 21/585;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- het tussenvonnis van 27 oktober 2021 in waarin een mondelinge behandeling is gelast;
- het eenstemmig verzoek van 7 februari 2022 tot doorhaling van de zaak;
- het verzoek van Collin van 11 mei 2022 om de doorgehaalde zaak weer op te brengen, waarna de zaak is geregistreerd onder nummer C/13/717158 / HA ZA 22/374,
- de brief van de rechtbank van 24 mei 2022, waarin een nieuwe datum voor een mondelinge behandeling is bepaald,
- het eenstemmig verzoek van 12 oktober 2022 tot doorhaling van de zaak,
- het verzoek van Collin van 1 februari 2023 om de doorgehaalde zaak weer op te brengen, waarna de zaak is geregistreerd onder nummer C/13/728790 / HA ZA 23/96,
- de brief van de rechtbank van 13 februari 2023, waarin een nieuwe datum voor een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 april 2023, met de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
De kern van de zaak
2.1.
Collin heeft uit hoofde van een samenwerkingsovereenkomst een opeisbare vordering van in hoofdsom groot € 274.753,00 op Jezz Management B.V. (hierna: ‘Jezz’), een vennootschap waarvan de echtgenoot van [gedaagde 1] , de heer [naam 1] (hierna: ‘ [naam 1] ’), middellijk bestuurder is. [naam 1] en zijn holdingmaatschappij [holding 1] (hierna gezamenlijk met Jezz te noemen: ‘ [bedrijven] ’) hebben zich beide voor deze vordering borg gesteld. Alle drie de partijen zijn op 30 juni 2020 in kort geding hoofdelijk veroordeeld om de vordering aan Collin te voldoen1.. In 2020 is een bedrag van in totaal € 26.000,00 aan Collin voldaan. De vordering is verder oninbaar gebleken. [naam 1] is in 2022 persoonlijk failliet verklaard, welk faillissement in 2023 bij gebrek aan baten is opgeheven.
2.2.
[gedaagde 1] heeft op 30 oktober 2020 als enig eigenaar en bestuurder [gedaagde 2] opgericht. In september 2021 heeft zij ook nog [holding 2] opgericht, die vervolgens [bedrijf 1] (hierna: ‘ [bedrijf 1] ’) heeft opgericht.
2.3.
In deze procedure spreekt Collin gedaagden aan op grond van onrechtmatige daad, omdat zij onrechtmatig zouden handelen jegens Collin door te profiteren van het feit dat [naam 1] en zijn vennootschappen de vordering van Collin onbetaald laten. Collin vordert het gehele bedrag dat [bedrijven] nog aan haar verschuldigd zijn nu van gedaagden, met rente. Na dagvaarding is in totaal nog € 7.500,00 aan Collin betaald.
2.4.
De rechtbank kan nog geen eindbeslissing nemen over de vordering. Zij zal gedaagden gebieden om nadere stukken in het geding te brengen.
Grondslag van de vordering
2.5.
Collin baseert haar vordering op het bepaalde in artikel 6:162 BW. Zij stelt dat gedaagden onrechtmatig hebben geprofiteerd van de wanprestatie van [bedrijven] , te weten het onbetaald laten van de vordering van Collin. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het profiteren van een wanprestatie op zichzelf tegenover de derde niet onrechtmatig. Van onrechtmatigheid is pas sprake als (in dit geval) gedaagden wisten of behoorden te weten dat [bedrijven] wanprestatie pleegt tegenover Collin, en bovendien sprake is van bijkomende omstandigheden2.. Het profiteren van de wanprestatie bestaat er volgens Collin uit dat gedaagden actief geld buiten bereik van de schuldeisers van [naam 1] houden.
2.6.
Bij de bespreking van de verschillende verwijten van Collin aan gedaagden gaat de rechtbank ervan uit dat gedaagden wetenschap hadden van de vordering van Collin op [bedrijven] Dat wordt namelijk onder randnummer 5 onder a van de conclusie van antwoord erkend, met de toelichting dat dit ook logisch is, omdat [gedaagde 1] en [naam 1] nou eenmaal getrouwd zijn. De rechtbank rekent die wetenschap ook toe aan [gedaagde 2] , omdat [gedaagde 1] enig bestuurder van die vennootschap is. Daarmee neemt de rechtbank ook aan dat gedaagden wetenschap hadden van de wanprestatie van [bedrijven] Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] nog de echtheid van enkele handtekeningen betwist en aangevoerd dat zij voor medio 2021 geen kennis had van de vordering van Collin op [bedrijven] [gedaagde 1] wordt daarin gezien de erkenning en de toelichting in de conclusie van antwoord niet gevolgd.
2.7.
Omdat uit het vonnis van 30 juni 2020 tussen Collin en [bedrijven] blijkt dat [bedrijven] op 16 maart 2020 in gebreke zijn gesteld en er vervolgens geen betaling aan Collin heeft plaatsgevonden, neemt de rechtbank aan dat vanaf 23 maart 2020 daadwerkelijk sprake was van de wanprestatie van [bedrijven] [gedaagde 1] was vanaf dit moment ook op de hoogte hiervan en [gedaagde 2] vanaf de datum van haar oprichting op 30 oktober 2020. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een eerdere datum, omdat Collin niet heeft gespecificeerd welke facturen wanneer opeisbaar waren. Dit betekent dat pas vanaf 23 maart 2020, dan wel 30 oktober 2020 sprake heeft kunnen zijn van enig profiteren de wanprestatie van [bedrijven]
Geen sprake van profiteren van de wanprestatie door [gedaagde 1] m.b.t. salaris uit Jezz, aanschaf luxegoederen en onverklaarbare uitgaven
2.8.
In haar akte van 11 april 2023 licht Collin onder andere toe dat uit het rapport van de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ‘ILT’) blijkt dat [gedaagde 1] in de periode januari 2019 tot en met februari 2020 ten onrechte een salaris uit Jezz heeft genoten. Hierdoor heeft zij voor een bedrag van € 24.956,81 geprofiteerd van de wanprestatie van [bedrijven] aldus Collin. Daarnaast heeft Collin veelvuldig verwezen naar andere constateringen uit het ILT-rapport, waaronder onverklaarbare contante uitgaven en het aantreffen van waardevolle goederen in de woning van [naam 1] en [gedaagde 1] . De salarisbetalingen en de overige omstandigheden kunnen echter niet leiden tot de conclusie dat [gedaagde 1] heet geprofiteerd van de wanprestatie. De aangehaalde constateringen uit het ILT-rapport zien namelijk op de periode voorafgaand aan 23 maart 2020. Voorafgaand aan die datum was er nog geen sprake van wanprestatie van [bedrijven]
Geen sprake van profiteren van de wanprestatie door [gedaagde 1] m.b.t. Audi en Jaguar
2.9.
In de dagvaarding stelt Collin daarnaast dat het niet rijmt dat [naam 1] ondanks zijn wanprestatie ‘zichtbaar een leuk leven heeft’, wat zij onderbouwt met een foto van dure auto’s op de parkeerplaats bij [gedaagde 2] . Aangezien deze niet in eigendom zijn van [bedrijven] stelt Collin dat deze aan een van de gedaagden moeten toebehoren.
2.10.
Collin wordt in zijn stellingen niet gevolgd voor zover deze zien op de Audi Q8 en de Jaguar op de foto. Gedaagden betwisten dat deze auto’s van hen zijn. De Audi is volgens gedaagden van de buurman op het bedrijventerrein. Dit wordt door Collin betwist, maar het is volgens de algemene regel van artikel 150 Rv aan Collin om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de Audi eigendom is gedaagden. Dit heeft zij nagelaten. Het enkele feit dat de auto op het openbare parkeerterrein bij het bedrijfspand van [gedaagde 2] staat, wil nog niet zeggen dat die auto eigendom is van een van de gedaagden en zodoende aan de schuldeisers van [naam 1] wordt onttrokken. Collin heeft daarom onvoldoende gesteld dat de Audi aan gedaagden toebehoort.
2.11.
Gedaagden hebben daarnaast hun betwisting van eigendom van de Jaguar onderbouwd met verwijzing naar een leaseovereenkomst van Jezz met LFH Lease en een bijbehorende factuur. De leaseovereenkomst wordt wederom door Collin betwist, maar opnieuw is het aan haar om voldoende te stellen en zo nodig te bewijzen dat de Jaguar van gedaagden is. Gezien de onderbouwde betwisting van gedaagden, heeft Collin dat wederom onvoldoende gedaan.
Profiteren van wanprestatie wel het geval m.b.t. de eerste Porsche en de Panamera
2.12.
Dat is anders als het gaat om de Porsches. [gedaagde 1] heeft namelijk erkend dat de Porsche Panamera met kenteken [kenteken] (hierna te noemen: ‘Panamera’) haar eigendom was en een kentekenbewijs overgelegd waaruit blijkt dat de Panamera sinds januari 2021 op haar naam staat. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam 1] daarnaast verklaard dat hij een eerder aangekochte Porsche als huwelijksgift aan [gedaagde 1] heeft geschonken. Het om niet verkrijgen van de eerste Porsche bij het huwelijk in 2019 door [gedaagde 1] geldt echter nog niet als profiteren van de wanprestatie, omdat er op dat moment nog geen sprake was van een wanprestatie van [bedrijven]
2.13.
[naam 1] heeft verder toegelicht dat die eerste Porsche bij de inval door de ILT in beslag was genomen door het Openbaar Ministerie. Uit het dossier blijkt dat die inval op 20 augustus 2019 was. [naam 1] heeft verder verklaard dat hij, althans Jezz, acht à negen maanden later de auto voor [gedaagde 1] heeft teruggekocht voor € 35.000,00. Dit terugkopen heeft dus plaatsgevonden na 23 maart 2020. Er is dus na de wanprestatie een aanzienlijk bedrag van [naam 1] , dan wel Jezz, ten goede gekomen aan [gedaagde 1] . Zij heeft hierdoor geprofiteerd van de wanprestatie van [bedrijven]
2.14.
[naam 1] heeft op de mondelinge behandeling verder verklaard dat hij de eerste Porsche in 2021 voor [gedaagde 1] heeft ingeruild voor de Panamera, met bijbetaling van € 12.000,00 uit het vermogen van Jezz. Jezz, dan wel [naam 1] , heeft dus na de wanprestatie nog een aanzienlijk bedrag voldaan om de Panamera voor [gedaagde 1] te kopen. Ook in die situatie heeft [gedaagde 1] dus geprofiteerd van de wanprestatie van [bedrijven] tegenover Collin.
2.15.
Deze uitgaven van [bedrijven] ten behoeve van [gedaagde 1] hebben ertoe geleid dat er aanzienlijk vermogen van [bedrijven] is onttrokken, dat daarmee buiten het bereik van diens schuldeisers is gekomen. Bovendien heeft [gedaagde 1] geen tegensprestatie geleverd voor de Porsche en de Panamera, maar deze om niet verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee ook sprake van bijkomende omstandigheden om het vastgestelde profiteren van de wanprestatie onrechtmatig tegenover Collin te maken. Dat betekent dat [gedaagde 1] daarom de schade die Collin door dat handelen lijdt dient te vergoeden.
2.16.
Collin stelt dat haar schade € 90.000,00 bedraagt, aangezien de Panamera een cataloguswaarde van € 164.065,00 heeft. [naam 1] moet dan in januari 2021 minimaal € 90.000,00 voor de Panamera hebben betaald, aldus Collin.
2.17.
Voor het overige begrijpt de rechtbank de stellingen van Collin zo dat de eerste Porsche kennelijk zo’n € 35.000,00 waard was, gelet op de aankoopprijs van € 52.000,00 in 2019 en het bedrag waarvoor [naam 1] , althans Jezz, deze van het OM heeft teruggekocht. Dat zou dan volgens Collin betekenen dat [naam 1] , althans Jezz bovenop de inruil van de eerste Porsche minimaal een bedrag van € 55.000,00 voor de Panamera moet hebben betaald. Dit wordt aan de zijde van [gedaagde 1] betwist, aangezien [naam 1] aanvoert dat in 2021 na inruil van de eerste Porsche slechts € 12.000,00 is bijbetaald. De rechtbank kan hierover nog geen beslissing nemen. Omdat dit debat pas tijdens de mondelinge behandeling voldoende is gevoerd, en omdat gedaagden de door Collin gestelde cataloguswaarde niet hebben betwist, worden gedaagden met toepassing van artikel 22 Rv opgedragen om hun betwisting te onderbouwen. De rechtbank draagt gedaagden op om de aankoopfactuur van de Panamera uit 2021 in het geding te brengen. Als gedaagden nalaten deze factuur in te brengen, zal de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.
De rechtbank kan nog niet concluderen dat sprake is van een schijnconstructie
2.18.
De belangrijkste verwijten van Collin hebben verder betrekking op de verschillende vennootschappen waarbij [gedaagde 1] betrokken is, in het bijzonder als bestuurder van [gedaagde 2] en indirect bestuurder van [bedrijf 1] . Volgens Collin is er sprake van een schijnconstructie, omdat [naam 1] feitelijk de zaakvoerder is van deze vennootschappen. Gedaagden profiteren via deze weg van de wanprestatie van [bedrijven] Samengevat onderbouwt Collin dat als volgt:
- -
[naam 1] heeft al meerdere vennootschappen gehad die hij heeft laten failleren en zo berokkent hij schade toe aan zijn schuldeisers;
- -
[naam 1] tracht zijn persoonlijke aansprakelijkheid voor ontstane schulden te ontlopen;
- -
[gedaagde 1] heeft in augustus 2019 verklaard dat ze sinds ze is gaan samenwonen met [naam 1] nooit meer heeft gewerkt;
- -
[gedaagde 2] is enkel opgericht om de schuldeisers van [bedrijven] buiten de deur te houden. Het startkapitaal voor [gedaagde 2] kan ook alleen maar afkomstig zijn van geld van [naam 1] ;
- -
Tijdens het bedrijfsbezoek van Collin op 4 maart 2021 bij [gedaagde 2] voerde alleen [naam 1] namens deze vennootschap het woord;
- -
[naam 1] handelde op hetzelfde moment als [gedaagde 2] met zijn eigen vennootschap in mondkapjes;
- -
Op de Facebook-pagina van [bedrijf 1] staat het mobiele nummer van [naam 1] /Jezz vermeld en [naam 1] is functionaris gegevensbescherming bij [bedrijf 1] .
Collin heeft op de mondelinge behandeling verzocht om nog een incident te mogen opwerpen om op grond van artikel 843a Rv inzage te krijgen in facturen van beide vennootschappen. Met die facturen zou zij vervolgens de contractanten kunnen benaderen om te verifiëren of [gedaagde 1] daadwerkelijk de bedrijven voert of dat [naam 1] dat doet.
2.19.
Op basis van de stellingen van Collin kan de rechtbank nog niet concluderen dat [naam 1] feitelijk [gedaagde 2] en [bedrijf 1] bestuurt en dat daarom sprake is van een schijnconstructie. Dat [naam 1] eerder vennootschappen heeft gehad die failliet zijn verklaard, betekent namelijk nog niet dat hij ook eerder schijnconstructies heeft gebruikt, noch dat daarvan in deze situatie sprake is. Daarnaast baseert Collin zich voor de stelling dat [naam 1] zijn persoonlijke aansprakelijkheid voor schulden probeert te ontlopen enkel op vermoedens uit het ILT-rapport. Dat rapport bevat echter geen concrete informatie over schijnconstructies of over [gedaagde 2] en [bedrijf 1] . Ook dit rapport is dus onvoldoende om te oordelen dat [naam 1] feitelijk genoemde bedrijven bestuurt.
2.20.
Ook de verklaringen van [gedaagde 1] in augustus 2019 en maart 2020 kunnen deze conclusie niet dragen. Haar verklaring in 2019 dat ze nooit meer heeft gewerkt sinds haar samenwoning met [naam 1] zegt namelijk niets over haar rol in de vennootschappen die ze eind 2020 en eind 2021 heeft opgericht. Datzelfde geldt voor haar verklaring in maart 2020 dat ze ‘alleen ondersteunende werkzaamheden’ verrichtte in vennootschappen van [naam 1] .
2.21.
Verder heeft Collin haar stellingen over de oprichting van [gedaagde 2] niet onderbouwd, zodat de rechtbank niet kan vaststellen dat [gedaagde 2] is opgericht met het enige doel om de verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers van [bedrijven] te frustreren en daarnaast is opgericht met het vermogen van [bedrijven] Ook de stellingen over het bedrijfsbezoek van Collin zijn onvoldoende om de schijnconstructie aan te nemen. Gedaagden hebben namelijk betwist dat [naam 1] tijdens dat gesprek namens [gedaagde 2] optrad. Volgens gedaagden wilde Collin juist specifiek [naam 1] spreken, omdat hij en zijn vennootschappen een schuld hebben aan Collin en niet gedaagden. Omdat [bedrijf 2] , een nieuwe onderneming van [naam 1] , op hetzelfde adres gevestigd is als [gedaagde 2] , was het logisch dat [naam 1] op datzelfde bedrijfsadres aanwezig was, aldus gedaagden. Collin heeft haar stellingen tegenover deze gemotiveerde betwisting onvoldoende toegelicht, zodat de rechtbank niet kan aannemen dat [naam 1] tijdens deze bespreking namens [gedaagde 2] optrad.
2.22.
Collin heeft daarbij nog wel vraagtekens gezet achter de noodzaak van de oprichting van [gedaagde 2] naast [bedrijf 2] . Beide vennootschappen handelden immers in mondkapjes. Omdat beide vennootschappen in dezelfde markt actief waren, concludeert Collin dat [naam 1] hierbij (ook) actief was voor [gedaagde 2] . Dat wordt door gedaagden betwist. Voor de rechtbank is van belang dat [bedrijf 2] al in oktober 2019 was opgericht maar in elk geval in april 2021 nog actief was naast [gedaagde 2] . Dat blijkt uit een factuur die gedaagden hebben overgelegd. Het is dus niet zo dat [gedaagde 2] na haar oprichting in naam alle bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 2] heeft overgenomen, waarna [bedrijf 2] leeg achterbleef, terwijl [naam 1] feitelijk hetzelfde bedrijf bleef voeren. De enkele omstandigheid dat de beide echtgenoten ondernemingen hadden die gelijktijdig zaken deden in dezelfde branche, is onvoldoende om een schijnconstructie aan te nemen.
2.23.
[naam 1] heeft wel verklaard dat hij [gedaagde 1] heeft geholpen met haar bedrijfsuitoefening door onder andere zijn netwerk ter beschikking te stellen. Ook heeft hij verklaard dat hij sinds de afwikkeling van zijn persoonlijke faillissement zijn vrouw soms helpt met [bedrijf 1] . Collin stelt dat de rol van [naam 1] veel groter is en dat hij feitelijk zaakvoerder is van [gedaagde 2] en [bedrijf 1] . Gedaagden hebben niet betwist dat [naam 1] voor zijn werkzaamheden geen vergoeding ontvangt. Als de werkzaamheden van [naam 1] voor beide vennootschappen inderdaad substantieel zijn (geweest), zou dat kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een schijnconstructie. De stellingen van Collin zijn daarvoor op dit moment echter nog onvoldoende.
2.24.
Ook het feit dat [naam 1] volgens de website functionaris gegevensbescherming is van [bedrijf 1] en dat hij in die hoedanigheid met zijn eigen telefoonnummer en een e-mailadres [e-mailadres] op de website staat vermeld, is onvoldoende om te oordelen dat hij voor die vennootschap substantiële werkzaamheden (heeft) verricht. Het is niet goed voorstelbaar dat een functionaris gegevensbescherming binnen een riooltechniekbedrijf een grote rol vervult. Collin heeft haar stellingen op dit punt ook niet nader toegelicht.
2.25.
Daartegenover staat dat [gedaagde 1] de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling ook niet ervan heeft kunnen overtuigen dat zij daadwerkelijk zelf [gedaagde 2] en [bedrijf 1] bestuurt. Collin is echter degene die zich beroept op de rechtsgevolgen van de stelling dat [gedaagde 1] niet de zaakvoerder is van deze vennootschappen. Op grond van artikel 150 Rv rust dan ook de stelplicht en de bewijslast hiervan op Collin. Tegen die achtergrond ziet de rechtbank aanleiding voor het volgende. Gedaagden hebben op de mondelinge behandeling aangegeven dat ze er voorstander van zijn dat de contacten van [gedaagde 2] en [bedrijf 1] worden benaderd. Zij hebben echter bezwaar gemaakt tegen een 843a Rv-incident, onder andere vanwege de vertraging in de procedure die dat zou opleveren. Om deze reden bepaalt de rechtbank nu dat gedaagden facturen van [gedaagde 2] en [bedrijf 1] in het geding moeten brengen. Voor het doel dat Collin voor ogen staat, namelijk het benaderen van de wederpartijen van beide vennootschappen, is niet nodig dat alle facturen worden overgelegd. Een steekproef van voldoende omvang is daarvoor voldoende. De rechtbank draagt gedaagden op grond van artikel 22 Rv op om de eerste tien facturen (met opvolgende nummering) van [gedaagde 2] en [bedrijf 1] van elk van de jaren 2020 tot en met 2023 in het geding te brengen. Als gedaagden dit nalaten, zal de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Collin zal daarna in de gelegenheid worden gesteld om bij akte haar stelling dat [naam 1] [gedaagde 2] en [bedrijf 1] feitelijk bestuurt, nader te onderbouwen, waarna gedaagden nog bij akte mogen reageren.
2.26.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 21 juni 2023 voor het nemen van een akte door gedaagden voor het overleggen van de aankoopfactuur van de Panamera uit januari 2021 en voor het overleggen van de eerste tien facturen (met opvolgende nummering) van [gedaagde 2] en [bedrijf 1] van elk van de jaren 2020 tot en met 2023,
3.2.
bepaalt dat Collin vervolgens op de rol van 4 weken daarna bij akte haar standpunt dat [naam 1] [gedaagde 2] en [bedrijf 1] feitelijk bestuurt, nader kan onderbouwen, waarop gedaagden op een termijn van 4 weken kunnen reageren,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg, rechter, bijgestaan door mr. K.L. Klokke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑06‑2023
Zie het arrest van de Hoge Raad van 17 mei 1985, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:1985:AG5024.