Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.2.3
3.2.3 Erfrechtelijke verkrijgingen krachtens making: erfstellingen en legaten
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948111:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie F.W.J.M. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 111.
Zie Asser/Perrick 4 2021/151. Zie over makingen onder tijdsbepalingen en onder voorwaarde uitvoerig hoofdstuk 8.
Zie F.W.J.M. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 155.
Zie F.W.J.M. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 156 en Asser/Perrick 4 2021/154.
Zie Asser/Perrick 4 2021/154. Zie ook F.W.J.M. Schols, Handboek erfrecht 2020, p. 156.
Zie F.W.J.M. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 155.
Zie Asser/Perrick 4 2021/154 en 558. Zie tevens F.W.J.M. Schols, in: Handboek erfrecht 2020, p. 155.
Zie F.W.J.M. Schols, in: Handboek erfrecht 2020, p. 15, met verdere verwijzingen. In de in het eerste deel uitgewerkte alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap is dit niet meer dan logisch. Omdat ieder van de erfgenamen in die alternatieve opvatting eigenaar is van het gelegateerde goed als zodanig, krijgt de erfgenaam-legataris het goed als zodanig (‘als geheel’) geleverd, en niet slechts de aandelen van de overige erfgenamen in dat goed als afzonderlijke vermogensrechten sui generis. De erfgenaam-legataris (her)verkrijgt dan door overdracht een goed dat hij daarvóór ook reeds had. Er zijn geen ‘goederenrechtelijke beginselen’ die zich daartegen verzetten, nu de goederenrechtelijke positie van de erfgenaam-legataris door de overdracht daadwerkelijk wijzigt. Vgl. mijn opmerkingen in paragraaf 4.5 van hoofdstuk 5 over de herverkrijging van goederen krachtens verdeling.
Zie Kamerstukken II 2013/14, 33 987, nrs. 3 en 6, p. 1-2 en 5.
Zie paragraaf 4.3 van hoofdstuk 7.
Zie in gelijke zin C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 154; Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 136; Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/291; en S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/15.
Zie Kamerstukken II 2016/17, 33 987, nr. 17. Zie ook paragraaf 4.2.1 van dit hoofdstuk, met verdere literatuurverwijzingen.
Zie paragraaf 3.2 van hoofdstuk 7.
Zie S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/15.
291. Wil een erflater niet dat het in de vorige paragraaf beschreven wettelijke versterferfrecht (volledig) van toepassing is, dan dient hij een uiterste wilsbeschikking te maken. Artikel 4:42 lid 1 BW omschrijft een uiterste wilsbeschikking als ‘een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn overlijden en die in dit Boek is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt’. Met die laatste zinsnede maakt de wetgever duidelijk dat er een gesloten systeem van uiterste wilsbeschikkingen bestaat.1 In Titel 4.5 BW, met als opschrift ‘Onderscheiden soorten van uiterste wilsbeschikkingen’, worden in zeven afdelingen verschillende soorten uiterste wilsbeschikkingen behandeld. Dat zijn de erfstellingen, de legaten, de testamentaire lasten, stichtingen, makingen onder tijdsbepaling en onder voorwaarde, executeurs en testamentair bewind.2 Middels een erfstelling of een legaat (de eerste twee soorten wilsbeschikking) wijst een erflater bij uiterste wilsbeschikking één of meerdere erfgenamen aan. Erfstellingen en de legaten worden tezamen als ‘makingen’ aangeduid.3 Deze term komt ook terug in artikel 1:94 lid 2 sub a BW. Volgens artikel 4:115 BW is een erfstelling een uiterste wilsbeschikking krachtens welke de erflater aan één of meer daarbij aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een evenredig deel daarvan nalaat. Een legaat is een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan één of meer personen een vorderingsrecht toekent (zie artikel 4:117 lid 1 BW). Het vorderingsrecht kan zien op goederen, maar ook op bepaalde diensten.4 Een legaat kan ook (het recht op vestiging van) een beperkt recht bevatten, zoals het recht van vruchtgebruik van alle of van een gedeelte van de goederen van de erflater.5 Ook een legataris kan op zijn beurt belast zijn met een legaat. Een dergelijk legaat wordt ook wel een ‘sublegaat’ genoemd.6 Een legaat tegen inbreng van de waarde zal, ervan uitgaande dat aan de met het legaat belaste persoon een vorderingsrecht toekomt, een legaat van een goed met een sublegaat van een geldsom zijn.7 Maakt de erflater een legaat aan meer personen gezamenlijk, dan volgt uit artikel 6:15 BW of aan ieder van de legatarissen een vorderingsrecht toekomt en, zo ja, voor welk deel; is de prestatie deelbaar dan heeft ieder van de legatarissen een vordering voor een gelijk deel, tenzij uit de uiterste wilsbeschikking anders voortvloeit of de vordering in een gemeenschap valt (zie artikel 6:15 lid 1 en 2 BW); is de prestatie ondeelbaar, of valt het recht daarop in een gemeenschap, dan hebben de legatarissen gezamenlijk één (gemeenschappelijk) vorderingsrecht.8 Omdat middels een legaat aan één of meer personen ‘slechts’ een vorderingsrecht wordt toegekend, is van opvolging in een geheel of een evenredig deel van het vermogen van erflater geen sprake. Aldus is geen sprake van een verkrijging onder algemene titel krachtens erfopvolging, maar van een verkrijging krachtens erfrecht onder bijzondere titel.9 Heeft het legaat betrekking op goederen, dan rust op degene(n) die met het legaat is belast de verbintenis om de gelegateerde goederen over te dragen. De legataris verkrijgt dat goed dan krachtens overdracht, waarbij het legaat de titel voor die overdracht vormt.10 Ook in dat geval verkrijgt de legataris dus niet onder algemene titel, maar is sprake van een verkrijging krachtens erfrecht onder bijzondere titel (artikel 3:80 lid 3 BW).11 Over het algemeen wordt aangenomen dat dit óók geldt wanneer door middel van een legaat een vorderingsrecht is toegekend aan een legataris die ook erfgenaamis. Hij verkrijgt dan het gehele goed onder bijzondere titel, en (dus) niet slechts de aandelen van de overige erfgenamen in dat goed.12
292. Waar artikel 1:94 lid 2 sub a BW bepaalt dat buiten de huwelijksgemeenschap vallen alle goederen die ‘krachtens making’ zijn verkregen, betekent dit dus dat alle goederen die krachtens erfstelling en legaat zijn verkregen buiten de huwelijksgemeenschap vallen. Gaat het om een legaat, dan geldt deze uitzondering niet alleen voor het vorderingsrecht, maar heeft deze ook rechtstreeks betrekking op hetgeen op dat vorderingsrecht wordt geïnd. Ook hier geldt dat dit geheel in overeenstemming is met de bedoeling van de Wet beperking gemeenschap van goederen om enkel hetgeen door inspanning van beide echtelieden gedurende het huwelijk is opgebouwd in de huwelijksgemeenschap te laten vallen, om welke reden erfrechtelijke verkrijgingen en giften juist van die beperkte gemeenschap zijn uitgesloten (vgl. mijn opmerkingen onder randnummer 290 hiervóór over de versterferfrechtelijke wilsrechten).13 Ook hetgeen op het legaat wordt geïnd, is niet door gemeenschappelijke inspanning van de echtgenoten verkregen. Aldus mag worden aangenomen dat ook het op het legaat geïnde rechtstreeks onder de werking van artikel 1:94 lid 2 sub a BW valt. Zou daar anders over worden gedacht, dan geldt dat het geïnde in ieder geval op grond van artikel 1:94 lid 6 BW buiten de beperkte huwelijksgemeenschap valt. Dat geïnde kwalificeert immers als ‘hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt’ als bedoeld in dat artikel.14 Betreft het een legaat tegen inbreng, dan zal het krachtens legaat verkregen goed ook altijd op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW buiten de huwelijksgemeenschap vallen, óók wanneer de inbrengschuld volledig uit middelen van de huwelijksgemeenschap is voldaan.15 Dat komt doordat de inbrengschuld als een ‘schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ in de zin van artikel 1:94 lid 7 sub a/artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW kwalificeert, óók als deze met middelen van de huwelijksgemeenschap is voldaan.16 Zou dat niet het geval zijn, dan heeft bovendien te gelden dat artikel 1:95 lid 1 BW slechts als een uitzondering op de werking van boedelmenging kwalificeert. Daardoor kan een goed dat reeds op andere gronden buiten de huwelijksgemeenschap valt, nimmer op grond van artikel 1:95 lid 1 BW alsnog tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren. In hoofdstuk 7 zal dat nog nader worden toegelicht.17 Ook indien de inbrengschuld volledig met middelen van de huwelijksgemeenschap is voldaan, valt het door afgifte van het legaat verkregen goed dus hoe dan ook buiten de huwelijksgemeenschap. Indien en voor zover de inbrengschuld met middelen van de huwelijksgemeenschap is voldaan, ontstaat op grond van artikel 1:96 lid 5 BW wel een vergoedingsverplichting van de betreffende echtgenoot jegens de huwelijksgemeenschap, waarvan het beloop wordt bepaald overeenkomstig artikel 1:87 lid 2 en 3 BW. Perrick denkt daar anders over. Hij acht de laatste zin van artikel 1:95 lid 1 BW alléén van toepassing indien zich zaaksvervanging overeenkomstig de eerste zin van artikel 1:95 lid 1 BW heeft voorgedaan.18 Het vergoedingsrecht is in dit geval echter niet op artikel 1:95 lid 1 BW gebaseerd, maar op artikel 1:96 lid 5 BW, in welk geval het beloop van het vergoedingsrecht wel degelijk door artikel 1:87 lid 2 en 3 wordt bepaald.