HR, 07-03-2025, nr. 22/04093, nr. 23/00142, nr. 23/00143, nr. 24/00420
22/04093, 23/00142, 23/00143, 24/00420
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-03-2025
- Zaaknummer
22/04093
23/00142
23/00143
24/00420
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑03‑2025
ECLI:NL:HR:2025:357, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑03‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:487
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:474
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:2760
ECLI:NL:HR:2025:361, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑03‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:487
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:475
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:231
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑03‑2025
ECLI:NL:HR:2025:336, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑02‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:2605
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:487
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:473
ECLI:NL:HR:2025:248, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑02‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:2696
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:472
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:487
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑02‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:475, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:361
ECLI:NL:PHR:2024:473, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:336
ECLI:NL:PHR:2024:474, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:357
ECLI:NL:PHR:2024:487, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:248
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:361
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:336
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:357
ECLI:NL:PHR:2024:472, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:248
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/429
Viditax (FutD) 2025030702
FutD 2025-0490
NLF 2025/0537 met annotatie van Michiel Hennevelt
V-N 2025/12.10 met annotatie van Redactie
NTFR 2025/493 met annotatie van Mr. M.W.C. Soltysik
BNB 2025/78 met annotatie van W.J. Blokland
NDFR Nieuws 2025/431
Viditax (FutD) 2025030711
FutD 2025-0491
NTFR 2025/449 met annotatie van Mr. M.B. Weijers
NLF 2025/0536 met annotatie van Michiel Hennevelt
V-N 2025/12.11 met annotatie van Redactie
BNB 2025/79 met annotatie van W.J. Blokland
Viditax (FutD) 2025022814
NDFR Nieuws 2025/381
FutD 2025-0437
NLF 2025/0621
NTFR 2025/898
Viditax (FutD) 2025022814
NDFR Nieuws 2025/382
FutD 2025-0437
NTFR 2025/411 met annotatie van mr. R. Zeldenrust
V-N 2025/11.13 met annotatie van Redactie
NLF 2025/0597 met annotatie van Heleen Elbert
BNB 2025/76 met annotatie van W.J. Blokland
NDFR Nieuws 2024/834
NLF 2024/1187 met annotatie van Michiel Hennevelt
NTFR 2024/976 met annotatie van Mr. M.B. Weijers
Viditax (FutD) 2024051306
FutD 2024-1140
NLF 2024/1223
NTFR 2024/969
Viditax (FutD) 2024051306
FutD 2024-1140
NDFR Nieuws 2024/836
NLF 2024/1185 met annotatie van Michiel Hennevelt
NTFR 2024/967
Viditax (FutD) 2024051306
FutD 2024-1140
V-N 2024/23.18 met annotatie van Redactie
NLF 2024/1183 met annotatie van Michiel Hennevelt
V-N 2024/23.17 met annotatie van Redactie
NLF 2024/1184 met annotatie van Michiel Hennevelt
NTFR 2024/968
Viditax (FutD) 2024051306
FutD 2024-1140
Beroepschrift 07‑03‑2025
Onderwerp: Aanvulling gronden beroep in cassatie
Geachte heer, mevrouw,
Bij deze stel ik mij als gemachtigde voor belanghebbende, [X], wonende te [Z], en vul ik de gronden aan van het beroep in cassatie, gericht tegen de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 20-09-2022 met kenmerk 21/00363.
1. Feiten en procesverloop
Op 28-03-2019 kocht belanghebbende de onderstaande auto in [Q] (Duitsland):
- —
Merk: BMW
- —
Type: 5351 XDRIVE
- —
VIN: [0001]
Bij aankoop was de auto in Duitsland geregistreerd in het kentekenregister (kentekennummer [kenteken 1]).
Na de aankoop wendde belanghebbende zich tot de plaatselijke Duitse RDW (kraftfahrzulassungsstelle) en werd een kenteken op naam van belanghebbende gesteld (kentekennummer [kenteken 2]).
Op 26-04-2019 deed belanghebbende bij de RDW aanvraag tot afgifte van het Nederlandse kentekenbewijs. Tijdens die aanvraag nam de RDW het Duitse kentekenbewijs in. Ter zake van de inschrijving in het kentekenregister stelde de RDW een ‘Voertuigbeeld’ op, zie bijlage 1. Daarop staat vermeld: Land van herkomst Bondsrepubliek Duitsland.
Op 01-05-2019 deed belanghebbende de BPM aangifte ter registratie in het kentekenregister van de auto. Belanghebbende deed aangifte met gebruikmaking van een taxatierapport, opgesteld door de firma [A].
In opdracht van de inspecteur werd een hertaxatie verricht door de Dienst Domeinen.
Bij besluit van 12-12-2020 legde de inspecteur een naheffingsaanslag op.
Bij brief van 05-03-2020 diende ik bezwaar in tegen de naheffingsaanslag.
Op 18-06-2020 vond een hoorgesprek plaats.
Bij besluit van 18-08-2020 verklaarde de inspecteur het bezwaarschrift deels gegrond.
Bij brief van 08-09-2020 diende ik beroep in bij de rechtbank.
Op 19-03-2021 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij uitspraak van 16-04-2021 verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond.
Bij brief van 20-05-2021 diende ik hoger beroep in en bij brief van 22-06-2021 vulde ik de gronden van het hoger beroep aan.
Op 06-09-2022 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats in Amsterdam.
Bij uitspraak van 20-09-2022 verklaarde het gerechtshof het hoger beroep ongegrond.
2. Geschil
In geschil zijn de volgende onderwerpen:
- 1.
Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
- 2.
Is het Europese recht van toepassing?
- 3.
Komt belanghebbende een beroep toe op de koerslijst van Eurotaxglass's met toepassing van de daarin opgenomen correctiefactoren ‘bijstelling markt- en dealersituatie’?
3. Overwegingen
3.1. Is het Europese recht van toepassing?
Belanghebbende kocht de auto in Duitsland.
In bijlage 2 treft u in dit verband mijn e-mail aan belanghebbende aan, alsmede zijn antwoord.
In bijlage 2a treft u belanghebbendes verklaring aan.
In bijlagen 2b tot en met 21 treft u de foto's die bij belanghebbendes verklaring horen aan.
In rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.4 overweegt het Hof, ik citeer:
5.1.
‘[…] De inspecteur heeft betwist dat artikel 110 VWEU in casu toepassing kan vinden, omdat uit de stukken van het geding niet kan worden afgeleid dat het een auto van de Duitse markt betreft en het zeer wel mogelijk is dat belanghebbende de auto in Canada heeft aangeschaft. Het ligt daarom op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat zich in dit geval een situatie voordoet als bedoeld in artikel 110 VWEU. Het Hofoverweegt terzake als volgt. […]
5.2.
[…] Het Hofstelt voorop dat het op de weg van belanghebbende ligt om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 110 VWEU.
Het gaat daarbij in het bijzonder om feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat de onderwerpelijke auto een product van een andere lidstaat is. In dat kader is door belanghebbende aangevoerd dat de auto in Duitsland is vervaardigd voor de Canadese markt en vervolgens naar Canada is verscheept en aldaar op 25 oktober 2013 voor het eerst in gebruik is genomen. Dit is tussen partijen niet in geschil. Belanghebbende heeft de auto op enig moment gekocht. Wanneer belanghebbende de auto heeft gekocht en van wie is onbekend: belanghebbende heeft daaromtrent niets gesteld en heeft geen factuur overgelegd. Daarnaar gevraagd heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij de factuur niet bij zijn cliënt heeft opgevraagd, omdat hij de factuur niet relevant acht en zijn cliënt — als particulier — bovendien geen bewaarplicht heeft. Uit de omstandigheid dat de auto in Duitsland is geregistreerd blijkt genoegzaam dat sprake is van een auto die afkomstig is van de Duitse markt, aldus de gemachtigde.
5.3.
Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Indien belanghebbende de auto heeft gekocht in Canada mist artikel 110 VWEU toepassing. De omstandigheid dat de auto in Duitsland is vervaardigd brengt niet mee dat de auto reeds daarom moet worden aangemerkt als ‘een product van een andere lidstaat’ als bedoeld in artikel 110 VWEU. Ook de door belanghebbende genoemde omstandigheid dat de auto eerst in Duitsland is geregistreerd alvorens deze in Nederland werd geregistreerd, is daarvoor onvoldoende. Deze omstandigheid sluit immers geenszins uit dat belanghebbende de auto heeft gekocht in Canada, te minder nu de registratie in Duitsland heeft plaatsgevonden op naam van [B] KG, een onderneming die facilitaire diensten verleent bij de im- en export van auto's.
5.4.
Gelet op het vorenoverwogene is belanghebbende niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de auto kan worden aangemerkt als een ‘product van de overige lidstaten’ als bedoeld in artikel 110 VWEU. Nu alle door belanghebbende aangevoerde grieven zijn gebaseerd op de toepassing van artikel 110 VWEU is het hoger beroep reeds daarom ongegrond. […]
Ik ben van mening dat dit oordeel van het gerechtshof onbegrijpelijk en onjuist is en van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Tijdens de procedure bij het gerechtshof was tussen partijen immers niet in geschil dat:
De auto in Duitsland geregistreerd was in het Duitse kentekenregister; De RDW dit heeft bevestigd en daaraan heeft toegevoegd dat het land van herkomst Bondsrepubliek Duitsland is.
Gelet op deze niet-in-geschil-zijnde feiten is het oordeel van het gerechtshof, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een ‘product van een overige lidstaat’ en daarom het Europese recht niet van toepassing is, onbegrijpelijk en onjuist. Dit geldt temeer nu ingevolge de Richtlijn 1999/37/EG van de raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PB L 138 van 1.6.1999, blz. 57)1. het Europese recht van toepassing is zodra een auto in een lidstaat van de Europese gemeenschap is geregistreerd. Het andersluidende toetsingskader van het gerechtshof, dat kennelijk hierin bestaat dat je moet aantonen dat je de auto in Duitsland hebt gekocht, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Tenslotte nog het volgende. In bijlage 18 bij het verweerschrift in eerst aanleg heeft de inspecteur een kopie van de Duitse registratiebewijs overgelegd. Ik overleg deze hierbij opnieuw als bijlage 3. Op dit kentekenbewijs staat onder punt 17 een 'E'. Dit staat voor 'Einzelabnahme'. Dat betekent dat de auto feitelijk en fysiek in Duitsland aanwezig was en ter zake van de inschrijving in het Duitse kentekenregister een individuele keuring heeft ondergaan. Dit heb ik het gerechtshof tijdens de zitting ook uitgelegd (zie ook het proces-verbaal), maar helaas heeft het gerechtshof hier geen acht op geslagen. Het staat dus vast dat de auto feitelijk in Duitsland was en ook daarom is het Europese recht van toepassing.
Uit het Duitse kentekenbewijs blijkt overigens ook dat de auto in Duitsland op naam van belanghebbende is gesteld. Zijn naam staat namelijk op het kenteken vermeld. Dit sluit aan bij zijn verklaring.
Gelet op belanghebbendes verklaring met de daarbij overgelegde foto's staat nu ook vast dat hij de auto in Duitsland heeft gekocht, daar heeft opgehaald en vervolgens naar Nederland heeft getransporteerd. Het Europese recht is dus van toepassing. Geen rechtsregel belet belanghebbende om voor het eerst in de cassatiefase met een verklaring en foto's te komen. Deze feiten kunnen door uw college worden onderzocht en betrokken in de beoordeling van het geschil. Als dat anders is, dan moet de zaak naar mijn mening worden terugverwezen naar een ander gerechtshof.
3.2. Eurotaxglass's met bijstelling markt- en dealersituatie
Als in casu komt vast te staan dat het Europese recht van toepassing is, dan is tussen partijen niet langer in geschil dat de verschuldigde BPM € 7.685 bedraagt en de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 3.059, overeenkomstig rechtsoverweging 5.18 van de uitspraak van het gerechtshof.
4. conclusie
Op grond van het voorgaande verzoek ik uw college, namens belanghebbende:
- —
Dit beroep in cassatie gegrond te verklaren;
- —
De uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof te vernietigen;
- —
De uitspraak op bezwaar partieel te vernietigen;
- —
De naheffingsaanslag te verminderen tot € 3.059;
- —
De inspecteur te veroordelen in de proceskosten.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 07‑03‑2025
Uitspraak 07‑03‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/04093
Datum 7 maart 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 september 2022, nr. 21/003631., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 20/5135) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld.Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 26 april 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.
1.3
Belanghebbende heeft op 12 november 2024 verzocht om de Minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft op 3 mei 2019 een gebruikte personenauto (hierna: de personenauto) doen registreren in het Nederlandse kentekenregister.De personenauto was in Duitsland geproduceerd voor verkoop op de Canadese markt en is in 2013 in Canada voor het eerst in gebruik genomen.De personenauto is naar Nederland overgebracht. Voorafgaand aan de registratie in Nederland is de personenauto in Duitsland geregistreerd geweest op naam van een Duitse onderneming die facilitaire diensten verleent bij de im- en export van auto’s.
2.2
Belanghebbende heeft met het oog op de registratie van de personenauto in Nederland aangifte voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) gedaan. Vanwege de gebruikte staat van de personenauto heeft hij volgens die aangifte een vermindering als bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2019; hierna: de Wet) in aanmerking genomen. Voor het bepalen van de hoogte van die vermindering (de afschrijving) is gebruikgemaakt van de zogenoemde taxatiemethode als omschreven in artikel 10, lid 8, van de Wet.
2.3
Op uitnodiging van de Inspecteur heeft belanghebbende de personenauto op 8 mei 2019 getoond aan de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) voor een hertaxatie. Omdat de personenauto volgens DRZ geen andere schade dan normale gebruiksschade vertoonde, heeft DRZ de handelsinkoopwaarde van de personenauto niet met toepassing van de taxatiemethode bepaald maar met gebruikmaking van de zogenoemde koerslijstmethode zoals omschreven in artikel 10, lid 7, van de Wet. Op basis van de door Eurotax aangeboden koerslijst (hierna: de koerslijst van Eurotax) heeft DRZ de handelsinkoopwaarde bepaald op € 22.444.
2.4
Naar aanleiding van de bevindingen van DRZ heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat bij gebrek aan schade het bij de aangifte gevoegde taxatierapport terzijde moet worden geschoven. Belanghebbende heeft volgens de Inspecteur te weinig bpm voldaan omdat voor de personenauto een te lage handelsinkoopwaarde, en daarmee een te hoge afschrijving aan bpm, in aanmerking is genomen. De Inspecteur heeft het verschuldigde bedrag aan bpm opnieuw berekend met gebruikmaking van de koerslijst van Eurotax zoals die raadpleegbaar was op de datum van registratie van de personenauto. De volgens die berekening méér verschuldigde bpm heeft hij nageheven.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur de naheffingsaanslag te hoog heeft vastgesteld.
3.2.1
Belanghebbende voerde voor het Hof daartoe diverse grieven aan. Al die grieven baseerde hij op het standpunt dat hij met succes een beroep kan doen op artikel 110 VWEU waarin is bepaald dat het elke lidstaat is verboden om op producten van andere lidstaten hogere binnenlandse belastingen te heffen dan die welke op gelijksoortige nationale producten worden geheven.De Inspecteur stelde zich voor het Hof op het standpunt dat die grieven niet konden slagen, reeds omdat uit de stukken van het geding niet kan worden afgeleid dat de personenauto is aan te merken als een product van een andere lidstaat zoals bedoeld in artikel 110 VWEU, in dit geval, naar belanghebbende had gesteld, van Duitsland.Het Hof heeft geoordeeld dat het op de weg van belanghebbende ligt om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat de personenauto een product is van een andere lidstaat in de zin van artikel 110 VWEU. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aan die bewijslast voldaan. Aangezien daarom artikel 110 VWEU toepassing mist, is naar het oordeel van het Hof het hoger beroep van belanghebbende reeds daarom ongegrond.
3.2.2
Het Hof heeft niettemin, alvorens het hoger beroep ongegrond te verklaren, de door belanghebbende aangevoerde grieven beoordeeld, indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat artikel 110 VWEU wel toepassing kan vinden. Tot die grieven behoorde de grief dat het hiervoor in 2.3 vermelde bedrag van de handelsinkoopwaarde had moeten worden verminderd met 15 procent omdat de koerslijst van Eurotax de mogelijkheid geeft om bij de waardebepaling van gebruikte motorvoertuigen rekening te houden met de factoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’ en dat alsdan de naheffingsaanslag in beginsel verder zou moeten worden verminderd tot € 3.059. Het Hof heeft geoordeeld dat deze grief terecht is aangevoerd, maar niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep kan leiden aangezien belanghebbende niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de personenauto dient te worden aangemerkt als ‘product van de overige lidstaten’.
4. Beoordeling van de in het principale beroep in cassatie aangevoerde klacht en het in het voorwaardelijke incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel
4.1.1
De in het principale beroep aangevoerde klacht richt zich tegen het hiervoor in 3.2.1 weergegeven oordeel van het Hof. Volgens de klacht is artikel 110 VWEU in dit geval wel van toepassing en heeft het Hof het hoger beroep daarom ten onrechte ongegrond verklaard.
4.1.2
Het in het voorwaardelijke incidentele beroep voorgestelde middel bestrijdt het hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordeel van het Hof. Daartoe voert het middel onder meer aan dat dit oordeel berust op de onjuiste rechtsopvatting dat het enkele beroep op de factoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’ volstaat voor het in aanmerking nemen van die factoren en dat belanghebbende had moeten onderbouwen waarom het in aanmerking nemen van die factoren in zijn geval terecht is. In dat verband wijst het middel erop dat deze factoren met ingang van 4 oktober 2021 niet meer in de koerslijst van Eurotax voorkomen zodat niet meer van deze factoren kan worden uitgegaan zonder dat daarvoor een onderbouwing voor het individuele geval wordt gegeven.
4.2.1
Gelet op de omstandigheid dat de Inspecteur – in hoger beroep onbestreden – de verschuldigde bpm heeft berekend met gebruikmaking van de methode als omschreven in artikel 10, lid 7, van de Wet (hierna: de koerslijstmethode), lenen de hiervoor in 4.1.1 omschreven klacht en het in 4.1.2 omschreven middel zich voor een gezamenlijke behandeling.
4.2.2
Bij gebruikmaking van de koerslijstmethode moet worden uitgegaan van een koerslijst als omschreven in artikel 10, lid 7, van de Wet zoals die geldt ten tijde van het belastbare feit. Alsdan moet – in het licht van artikel 110 VWEU – rekening worden gehouden met alle in de desbetreffende koerslijst opgenomen factoren om te voorkomen dat een uit een andere lidstaat afkomstig gebruikt motorvoertuig bij registratie in Nederland wordt onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die in bepaalde gevallen nog rust op gelijksoortige in het binnenland verhandelde, geregistreerde motorvoertuigen. Zo mogen de in de koerslijst van Eurotax opgenomen factoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’, die geen verband houden met de staat waarin het te registreren motorvoertuig verkeert, zonder nader bewijs worden toegepast indien zij volgens die koerslijst de handelsinkoopwaarde van een gebruikt motorvoertuig neerwaarts kunnen beïnvloeden.Verder geldt dat, aangezien voor de factoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’ geen nader bewijs wordt verlangd, de inspecteur deze factoren uit eigen beweging moet toepassen indien hij bij naheffing gebruikmaakt van de koerslijstmethode en in dat kader een koerslijst kiest waarin deze factoren voorkomen.3.
4.2.3
De in artikel 1 van de Wet omschreven belastbare feiten maken geen onderscheid al naar gelang een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto al of niet een product is van een andere lidstaat in de zin van artikel 110 VWEU. Voor toepassing van de in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet opgenomen artikelen, waaronder artikel 10, leden 2, 7 en 8, van de Wet, maakt het volgens de tekst van de Wet evenmin verschil of een gebruikte personenauto, een gebruikt motorrijwiel of een gebruikte bestelauto een product is van een andere lidstaat in de zin van artikel 110 VWEU of niet.De wetgever heeft met de invoering van de in artikel 10, leden 7 en 8, van de Wet omschreven methoden om de afschrijving als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet te bepalen, beoogd om voor gebruikte personenauto’s, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto’s de in artikel 10, lid 1, van de Wet bedoelde vermindering te berekenen op een wijze die waarborgt dat – in overeenstemming met artikel 110 VWEU – de verschuldigde bpm niet meer bedraagt dan de bpm die nog rust op een identieke of gelijksoortige gebruikte personenauto die in Nederland in nieuwstaat is geregistreerd (de zogenoemde referentieauto).4.Dat oogmerk maakt echter niet dat de wetgever met deze wettelijk voorgeschreven methoden een andere uitleg of toepassing ervan voor ogen heeft gestaan als het gaat om gebruikte personenauto’s, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto’s die niet producten van een andere lidstaat in de zin van artikel 110 VWEU zijn. In het licht van het voorgaande moet dan ook worden aangenomen dat het bepaalde in artikel 10, leden 2, 7 en 8 van de Wet op dezelfde wijze wordt toegepast op personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s die niet een product van een andere lidstaat zijn. Dat geldt ook wanneer de Hoge Raad aan de hiervoor vermelde wettelijke bepalingen een uitleg geeft in overeenstemming met artikel 110 VWEU. Het hiervoor in 3.2.1 weergegeven oordeel van het Hof dat het hoger beroep ongegrond is omdat artikel 110 VWEU toepassing mist, geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
4.3
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.3 is overwogen, slaagt de hiervoor in 4.1.1 omschreven klacht voor zover deze inhoudt dat het Hof het hoger beroep niet ongegrond had mogen verklaren omdat artikel 110 VWEU toepassing mist.Uit hetgeen hiervoor in 4.2.2 en 4.2.3 is overwogen, volgt ook dat het in het voorwaardelijke incidentele beroep voorgestelde middel faalt, aangezien de hiervoor in 3.2.2 weergegeven beslissing van het Hof om de handelsinkoopwaarde met 15 procent verder te verlagen niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
4.4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Zowel de in het principale beroep aangevoerde klacht als het in het voorwaardelijke incidentele beroep voorgestelde middel behoeft voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.4.2
De hiervoor in 3.2.2 weergegeven vaststelling van het Hof dat de Inspecteur vanwege de gebruikmaking van de koerslijst van Eurotax de naheffingsaanslag zou hebben moeten verminderen tot € 3.059, is in cassatie niet bestreden. De naheffingsaanslag zal dan ook worden verminderd tot € 3.059 en de beschikking inzake belastingrente dienovereenkomstig.
5. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
5.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 12 november 2024 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
5.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 3 november 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden.Omdat het financiële belang bij deze cassatieprocedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.5.
6. Proceskosten
Wat betreft het principale beroep in cassatie zal de Staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken. De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond,
- verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur,
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.059,
- vermindert de beschikking inzake belastingrente dienovereenkomstig,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 274 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 270 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 178,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.721 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 2.721 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 2.721 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑03‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:474, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:487.
Vgl. voor dit een en ander HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783, rechtsoverweging 2.4.3, en HR 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248, rechtsoverweging 4.2.3.
Vgl. HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:421, rechtsoverweging 2.4.2, en HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:422, rechtsoverweging 2.4.2.
Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverweging 3.4.3.
Uitspraak 07‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; procesrecht; art. 79 Wet RO; art. 29e AWR; art. 10, leden 2, 8 en 9, Wet BPM 1992; art. 7:15, lid 2, Awb; kostenvergoeding voor de bezwaarfase; aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid; handelsinkoopwaarde gebruikte personenauto; taxatiemethode; gebruik van koerslijst door de inspecteur als uitgangspunt voor bepalen van de taxatiewaarde.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/00420
Datum 7 maart 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 januari 2024, nr. BK-22/9691., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/1147) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 26 april 2024 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft in 2017 een gebruikte personenauto (hierna: de personenauto) doen registreren in het Nederlandse kentekenregister. Met het oog daarop heeft belanghebbende op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan. Volgens de aangifte vertoonde de personenauto meer dan normale gebruiksschade en heeft belanghebbende de volgens artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2017; hierna: de Wet) verschuldigde bpm berekend met gebruikmaking van de gegevens van een door een taxateur uitgevoerd onderzoek en het daarvan door die taxateur opgemaakte taxatierapport.
2.2
Nadat de dienst Domeinen Roerende Zaken op verzoek van de Inspecteur de personenauto alsmede de in de aangifte en het taxatierapport vermelde gegevens had gecontroleerd, heeft de Inspecteur op basis van de bevindingen van die controle belanghebbende op 22 mei 2019 een naheffingsaanslag opgelegd.De naheffing was onder meer erop gegrond dat de taxateur de taxatiewaarde van de personenauto te laag heeft geschat. Voor de naheffing heeft de Inspecteur de taxatiewaarde van de personenauto bepaald door op een in de koerslijst van XRAY vermelde handelsinkoopwaarde van € 42.027 voor een gelijksoortige personenauto in onbeschadigde staat een bedrag wegens schade in mindering te brengen.
2.3
Namens belanghebbende heeft een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener (hierna: de gemachtigde) bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Bij uitspraak op bezwaar van 1 augustus 2020 heeft de Inspecteur dat bezwaar afgewezen. Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld.
2.4
Voor de Rechtbank was onder meer in geschil de hoogte van de op de voet van artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet in aanmerking te nemen vermindering aan bpm. Niet was in geschil dat de bevonden schade meer behelsde dan normale gebruiksschade en dat de vermindering aan bpm kan worden bepaald met gebruikmaking van de taxatiemethode. Belanghebbende stelde voor de Rechtbank – voor het eerst – dat zij de taxatie van de handelsinkoopwaarde van de personenauto in onbeschadigde staat wilde baseren op de koerslijst van EurotaxGlass’s (hierna: de koerslijst van Eurotax), en de koerslijstwaarde voor een daarin voorkomende gelijksoortige personenauto wilde verminderen met 15 procent tot € 37.664, vanwege de in die koerslijst tot 4 oktober 2021 opgenomen mogelijkheid om bij de waardebepaling rekening te houden met de factoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’. De Inspecteur heeft zich daarmee akkoord verklaard. Ook heeft de Inspecteur het standpunt van belanghebbende gevolgd dat zij recht heeft op een verdere vermindering van de verschuldigde bpm vanwege een zogenoemde extra leeftijdskorting.
2.5
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 30 augustus 2022 het beroep gegrond verklaard op de hiervoor vermelde gronden, de uitspraak op bezwaar vernietigd, en de naheffingsaanslag verminderd. Daarbij heeft zij belanghebbende een vergoeding toegekend voor de kosten die verband hielden met de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, maar uitsluitend op de voet van artikel 8:75, lid 1, Awb voor kosten die verband hielden met de behandeling van het beroep.Voor een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar op de voet van artikel 7:15, lid 2, Awb heeft de Rechtbank geen aanleiding gezien. De Rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het beroep uitsluitend is gegrond vanwege de hiervoor in 2.4 bedoelde toepassing van de koerslijst van Eurotax en een extra leeftijdskorting, terwijl belanghebbende deze standpunten niet al in de bezwaarfase aan de orde heeft gesteld.
2.6.1
Het Hof heeft – in cassatie niet bestreden – geoordeeld dat er geen reden is om de naheffingsaanslag zoals door de Rechtbank vastgesteld, verder te verminderen.
2.6.2
Verder heeft het Hof geoordeeld dat de beslissing van de Rechtbank om belanghebbende niet een vergoeding toe te kennen voor de kosten van verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar, juist is. Daartoe heeft het Hof onder meer overwogen dat de Hoge Raad in het arrest van 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783, weliswaar heeft geoordeeld dat met de hiervoor in 2.4 genoemde factoren in de koerslijst van Eurotax rekening mag worden gehouden, maar dat de taxateur van belanghebbende voor toepassing van die factoren geen aanleiding heeft gezien. De Inspecteur valt ter zake van de naheffing ook niet een onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, Awb te verwijten, aldus het Hof. Anders dan belanghebbende heeft gesteld, kan naar het oordeel van het Hof uit het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:440, niet worden afgeleid dat de Inspecteur verplicht is om zelfstandig op zoek te gaan naar gegevens die tot een gunstiger resultaat voor de belastingplichtige kunnen leiden. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag dan ook mogen opleggen zonder rekening te houden met de factoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’ in de koerslijst van Eurotax.
3. Beoordeling van de klacht
3.1
De klacht richt zich tegen de hiervoor in 2.6.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het Hof heeft miskend, aldus de klacht, dat de Inspecteur op grond van artikel 110 VWEU is gehouden ervoor te waken dat met de heffing van bpm niet wordt getreden buiten de grenzen van artikel 110 VWEU. Deze last brengt mee dat de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag ook de factoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’ als waardedrukkende factoren in aanmerking had moeten nemen. De klacht vindt voor dit standpunt steun in de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8230. Dat de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft nagelaten die factoren als waardedrukkende factoren in aanmerking te nemen, moet worden aangemerkt als een aan hem te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, Awb. Het Hof had de Inspecteur dus moeten veroordelen in de kosten van rechtsbijstand die belanghebbende heeft gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar, aldus de klacht.
3.2
De Staatssecretaris heeft bij verweerschrift de juistheid van deze klacht onderschreven en daaraan verbonden dat het ingestelde cassatieberoep op die grond tot cassatie van de uitspraak van het Hof zal kunnen leiden.
3.3
Naar aanleiding van de hiervoor in 3.2 weergegeven opvatting van de Staatssecretaris dat het onderschrijven van de klacht tot vernietiging van de uitspraak van het Hof zal kunnen leiden, en van de gevolgtrekking die de Advocaat-Generaal in onderdeel 4.9 van haar conclusie aan die opvatting verbindt, wordt het volgende vooropgesteld.Op grond van artikel 79, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: de Wet RO) heeft de Hoge Raad tot taak om te beoordelen of uitspraken van gerechtshoven en rechtbanken moeten worden vernietigd wegens – kortweg – schending van het recht dan wel wegens verzuim van vormen voor zover de niet-inachtneming daarvan uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm. Die beoordeling vindt plaats op grond van daartoe door een procespartij aangevoerde gronden dan wel op ambtshalve bijgebrachte gronden.Dat de procespartijen het in cassatie erover eens zijn dat een rechtbank of een gerechtshof een of meer klachten of grieven van een van die partijen – anders dan die rechtbank of dat gerechtshof heeft gedaan – had moeten honoreren, betekent op zich niet dat de uitspraak van die rechtbank of dat gerechtshof zich met betrekking tot die grieven voor vernietiging leent. Alleen wanneer de Hoge Raad oordeelt dat die rechtbank of dat gerechtshof de desbetreffende klachten had moeten honoreren, omdat zich een schending van het recht en/of een verzuim van vormen als bedoeld in artikel 79, lid 1, van de Wet RO heeft voorgedaan die dwingt tot vernietiging van die uitspraak, zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 29e, lid 2, AWR op die grond(en) de uitspraak van de rechtbank of het gerechtshof vernietigen.De Hoge Raad zal dan ook hierna onderzoeken of de hiervoor in 3.1 weergegeven klacht, uitgaande van de vastgestelde feiten, tot vernietiging van de uitspraak van het Hof moet leiden.
3.4
In dit geval staat vast dat belanghebbende voor het berekenen van de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde vermindering (afschrijving), heeft gekozen voor de in artikel 10, lid 8, van de Wet bedoelde taxatiemethode. Het hiervoor in 3.1 weergegeven standpunt, dat in het verweerschrift is onderschreven, berust op de opvatting dat indien de inspecteur bij naheffing van bpm een vermindering als bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet in aanmerking neemt die mede is gebaseerd op een koerslijst van Eurotax die de hiervoor in 2.4 vermelde factoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’ bevat, hij steeds is gehouden die factoren toe te passen. Die opvatting is niet juist.Zoals de Advocaat-Generaal in onderdeel 4.4 van de conclusie op basis van rechtspraak van de Hoge Raad heeft geconcludeerd, is de inspecteur gehouden de hiervoor bedoelde factoren uit eigen beweging toe te passen, maar alleen wanneer hij de afschrijving van een gebruikt motorvoertuig vaststelt met gebruikmaking van de zogenoemde koerslijstmethode als bedoeld in artikel 10, lid 7, van de Wet en aan de hand van de koerslijst van Eurotax van vóór 4 oktober 2021, waaruit de koerslijstwaarde van dat motorvoertuig op de datum van registratie volgt.Blijft de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgaan van de keuze van de belastingplichtige voor toepassing van de taxatiemethode – zoals in dit geval –, dan volgt uit hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverwegingen 3.2.2 tot en met 3.2.6 van het arrest van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, heeft uiteengezet dat de inspecteur de hiervoor bedoelde factoren niet uit eigen beweging hoeft toe te passen.
3.5
Uitgaande van de hiervoor in onderdeel 2 vermelde uitgangspunten in cassatie en gelet op hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen, was de Inspecteur niet gehouden om bij het vaststellen van de naheffingsaanslag of bij het doen van de uitspraak op bezwaar de hiervoor in 2.4 bedoelde factoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’ toe te passen. De omstandigheid dat hij dat niet heeft gedaan, brengt daarom niet mee dat de naheffingsaanslag is herroepen wegens een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. De klacht faalt dus.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑03‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:475, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:487.
Beroepschrift 07‑03‑2025
Onderwerp: Beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof Den Haag van 17-01-2024 met kenmerk BK-22/969
Geachte heer, mevrouw,
Bij deze stel ik mij als gemachtigde voor belanghebbende, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V., gevestigd te [Z], en dien ik beroep in cassatie in tegen de in de aanhef genoemde uitspraak, zie bijlage 1.
1. Feiten en procesverloop
Op 06-07-2015 werd de onderstaande auto in het buitenland toegelaten:
- | Merk: | Mercedes-Benz |
- | Type: | M-klasse 250 Bluetec |
- | VIN: | [0001] |
Op 30-09-2016 werd de auto voor het eerst in Nederland geregistreerd als bestelauto.
Op 17-02-2017 deed belanghebbende aangifte ter zake van de registratie als personenauto.
Op 02-03-2017 werd in opdracht van de inspecteur de auto getaxeerd door de Dienst Domeinen.
Op 10-03-2017 werd de auto geregistreerd als personenauto.
Bij besluit van 22-05-2019, door belanghebbende ontvangen op 01-05-2019, legde de inspecteur de naheffingsaanslag op.
Bij brief van 22-05-2019 diende ik bezwaar in tegen de naheffingsaanslag.
Op 17-06-2020 vond een hoorgesprek plaats.
Bij besluit van 01-08-2020 verklaarde de inspecteur het bezwaarschrift ongegrond.
Bij brief van 06-08-2020 diende ik beroep in.
Bij brief van 28-09-2020 diende de inspecteur een verweerschrift in.
Op 19-07-2022 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij uitspraak van 30-08-2022 verklaarde de rechtbank het beroep gegrond.
Bij brief van 30-09-2022 diende ik hoger beroep in.
Op 30-11-2023 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij brief van 30-11-2023 verzocht ik om heropening van het vooronderzoek.
Bij brief van 12-12-2023 reageerde de inspecteur hierop.
Bij uitspraak van 09-01-2024 verklaarde het hof het hoger beroep ongegrond.
2. Geschil
In geschil zijn de volgende onderwerpen:
- 1.
Komt belanghebbende in aanmerking voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase?
- 2.
In beroep heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd, omdat hij de correctiefactoren in de koerslijst van Eurotaxglass's heeft aanvaard. Volgens het hof is niet komen vast te staan waarom de inspecteur dat heeft gedaan. Staat daarmee vast dat geen sprake is van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid, zoals bedoeld in artikel 7:15 Awb?
3. Overwegingen
3.1. Kostenvergoeding in de bezwaarfase
Bij het opleggen van de naheffingsaanslag stelde de inspecteur de inkoopwaarde in onbeschadigde staat vast op basis van de koerslijst van X-Ray die in het rapport van hertaxatie van de Dienst Domeinen zit.
In mijn beroepschrift bij de rechtbank stelde ik me op het standpunt dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd, omdat in het rapport van hertaxatie ook de koerslijst van Eurotaxglass's zit. Als in die koerslijst de bijstellingen ‘markt- en dealersituatie’ worden toegepast, dan leidt dat tot een lagere inkoopwaarde dan de koerslijst van X-Ray. In zijn verweerschrift aanvaardde de inspecteur de toepassing van deze correctiefactoren. De inspecteur aanvaardde de vermindering van de naheffingsaanslag op deze grond en bevestigde dat het beroepschrift gereed ligt voor gegrondverklaring. Volgens de inspecteur komt belanghebbende evenwel niet in aanmerking voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase.
De rechtbank onderschrijft dit standpunt. Volgens de rechtbank is voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase geen aanleiding, omdat het beroep uitsluitend gegrond verklaard is als gevolg van toepassing van de koerslijst Eurotaxglass's met de correctiefactoren ‘markt- en dealersituatie’ en dit in bezwaar niet aan de orde is gesteld.
Met een andere motivering oordeelt het hof dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase. In dit kader overweegt het hof in rechtsoverwegingen 5.9 en 5.10, met zoveel woorden en voor zover hier van belang, dat in het arrest van uw college van 15-11-2019, ECLI:NL:HR:2019:1783 is beslist dat in de koerslijst van Eurotaxglass's met de bijstellingen ‘markt- en dealersituatie’ rekening mag worden gehouden, maar dat dit niet moet als daarvoor geen onderbouwing of nader bewijs voor het individuele geval is gegeven. Volgens het hof is de inspecteur in dit geval — naar hij ter zitting heeft verklaard, om onbekende redenen — tegemoet gekomen aan het verzoek om toepassing van de correctiefactoren. Het hof voegt daaraan toe dat uit het arrest van uw college van 23-03-2023, ECLI:NL:HR:2023:440 volgt dat indien de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag aan de hand van de hem op dat moment ter beschikking staande gegevens het desbetreffende motorrijtuig in staat is om het voor de belastingplichtige meest gunstige BPM-tarief of de meest gunstige maatstaf van heffing te bepalen, hij uit eigen beweging dat meest gunstige tarief of die meest gunstige heffingsmaatstaf moet toepassen. Volgens het hof is onduidelijk is gebleven waarom de inspecteur in beroep alsnog akkoord is gegaan met toepassing van de twee correctiefactoren. Het hof heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven tot het in aanmerking nemen daarvan. Gelet hierop is het hof van oordeel dat geen sprake is van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid en belanghebbende daarom niet in aanmerking komt voor een kostenvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:15 Awb.
Ik ben van mening dat het hof het recht heeft geschonden. In het arrest van uw college van 23-12-2022, ECLI:NL:HR:2022:1917 staat het volgende in rechtsoverweging 4.2.4:
‘De Inspecteur heeft bij de uitspraak op bezwaar het bedrag van de naheffingsaanslag verminderd, kennelijk omdat deze hoger was dan het bedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op een vergelijkbare, binnenlands geregistreerde personenauto. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat die aanslag aanvankelijk tot een te hoog bedrag was vastgesteld en in zoverre in strijd is met artikel 110 VWEU. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.3 is overwogen, betekent dit dat de naheffingsaanslag een bezwarend besluit is waarmee het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht. De Inspecteur was dus bij het opleggen van de naheffingsaanslag gehouden tot naleving van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. In zoverre faalt het middel.’
Gelet op dit toetsingskader ben ik van mening dat het hof het recht heeft geschonden door te stellen dat uit de gedingstukken niet duidelijk is geworden waarom de inspecteur de correctiefactoren in de koerslijst van Eurotaxglass's in de beroepsfase heeft aanvaard en de naheffingsaanslag op deze grond heeft verminderd. Dit is namelijk niet relevant. Kennelijk was de inspecteur van mening dat deze correctiefactoren moeten worden toegepast. Reeds daarom moet het ervoor worden gehouden dat de naheffingsaanslag aanvankelijk tot een te hoog bedrag was vastgesteld en in zoverre in strijd is met artikel 110 VWEU. Dat de inspecteur geen verklaring heeft gegeven waarom hij de naheffingsaanslag heeft verminderd of onduidelijk is gebleven waarom hij dit heeft gedaan, doet hieraan niet af. Naar mijn mening is de consequentie hiervan dat sprake is van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid, zoals bedoeld in artikel 7:15 Awb, en belanghebbende daarom in aanmerking komt voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase.
In de redenering van het hof ligt besloten dat de inspecteur geen rekening met de correctiefactoren hoefde te houden, omdat uit het hiervoor genoemde arrest van 15-11-2019 niet volgt dat dit moet. Dit oordeel getuigt naar mijn mening van een onjuiste rechtsopvatting. Naar mijn mening was de inspecteur, op wie de last rust ervoor te waken dat met de heffing van BPM niet wordt gereden buiten de in artikel 110 VWEU neergelegde begrenzing van de heffingsbevoegdheden, verplicht de correctiefactoren uit eigen beweging toe te passen. Door dit na te laten is sprake van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. In gelijke zin oordeelde het hof Arnhem/Leeuwarden, zie de uitspraak van 26-09-2023, BK-ARN 22/511:
‘4.14.
Wat betreft die kosten van bezwaar is in artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven dat deze door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Als een belastingaanslag, zoals in dit geval de naheffingsaanslag, wordt verminderd of vernietigd, is de onrechtmatigheid daarvan in beginsel gegeven. Dit onrechtmatig handelen wordt aan het betrokken bestuursorgaan toegerekend (vgl. HR (civiel) 20februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588).
4.15.
Dit laatste geldt temeer nu de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag BPM is gehouden te blijven binnen de grenzen van artikel 110 VWEU. Indien de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag aan de hand van de hem op dat moment ter beschikking staande gegevens over het desbetreffende motorrijtuig in staat is om het voor de belastingplichtige meest gunstige BPM-tarief of de meest gunstige heffingsmaatstafte bepalen aan de hand van de regeling die sinds de ingebruikneming van het motorrijtuig heeft gegolden — zoals in dit geval een waardecorrectie in verband met de markt- en dealersituatie, gebaseerd op HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783 — moet hij uit eigen beweging dat meest gunstige tariefofdie meest gunstige heffingsmaatstaf toepassen. Daarmee draagt hij ervoor zorg dat hij bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid tot het opleggen van naheffingsaanslagen in de BPM blijft binnen de begrenzing van artikel 110 VWEU (vgl. HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:440, r.o. 3.2.2). Indien de inspecteur dit nalaat en de naheffingsaanslag op grond van een daartegen ingesteld beroep of hoger beroep wordt verminderd of vernietigd, heeft deze naheffingsaanslag berust op een onjuiste uitleg van de van toepassing zijnde regeling en is deze naheffingsaanslag derhalve onrechtmatig. Dit onrechtmatig handelen wordt aan de inspecteur toegerekend.
4.16.
Het vorenstaande brengt mee dat de kosten van rechtsbijstand in dit geval voor vergoeding in aanmerking komen. Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, bestaat er geen grond om voor de toewijsbaarheid van een verzoek tot vergoeding van de in de bewaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand, de aanvullende eis te stellen dat de vermindering van de belastingaanslag het gevolg moet zijn van hetgeen de belanghebbende in de bezwaarfase heeft aangevoerd. De Rechtbank had daarom een bezwaarkostenvergoeding moeten toekennen. Nu het Hof zelf deze kostenvergoeding vaststelt, moet de puntwaarde worden gehanteerd zoals die geldt ten tijde van deze uitspraak (2023: € 296), waardoor deze € 592 bedraagt (1 punt voor bezwaarschrift, 1 punt voor hoorzitting).’
Gelet op de hiervoor geciteerde rechtsoverweging 4.16 getuigt het oordeel van de rechtbank, dat de vermindering van de naheffingsaanslag het gevolg moet zijn van hetgeen in de bezwaarfase is aangevoerd, ook van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof het oordeel van de rechtbank op dit punt heeft gevolgd, is dat oordeel dus rechtens ook onjuist.
4. Conclusie
Op grond van het voorgaande verzoek ik uw college:
- —
Dit beroep in cassatie gegrond te verklaren;
- —
De uitspraak van het hof partieel te vernietigen;
- —
De inspecteur te veroordelen in een kostenvergoeding in de bezwaarfase;
- —
De inspecteur te veroordelen in de proceskosten in de hoger beroepsfase;
- —
De staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten in de cassatiefase;
Uitspraak 28‑02‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/00143
Datum 28 februari 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 december 2022, nrs. BK-21/01123 en BK-21/011861., op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 20/5746) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Voor zover deze conclusie klachten bevat die niet anders kunnen worden begrepen dan als nieuwe, buiten de daarvoor geldende termijn voorgestelde gronden van het beroep in cassatie, gaat de Hoge Raad aan die klachten voorbij.2.De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 26 april 2024 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.3.
1.3
Belanghebbende heeft op 20 januari 2025 verzocht om de Minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2. Beoordeling van de klacht
2.1
De klacht slaagt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/00142, ECLI:NL:HR:2025:248.
2.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.3.1
In het hogerberoepschrift van belanghebbende is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Bij het opleggen van de naheffingsaanslag stelde de inspecteur de inkoopwaarde vast op € 27.669. Dit is de inkoopwaarde volgens de koerslijst van AutotelexPro, die in het rapport van hertaxatie van de Dienst Domeinen zit.In dit rapportage zit ook een koerslijst van Eurotaxglass's, zie bijlage 2a. Die koerslijst genereert een lagere inkoopwaarde, als daarin tenminste de correctiefactoren 'bijstelling markt- en dealersituatie' worden toegepast.
Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 15-11-2019, ECLI:NL:HR:2019:1783, geldt dat alle correctiefactoren in Eurotaxglass's mogen worden toegepast. Bij deze pas ik de bovengenoemde bijstellingen toe. Dat leidt tot een vermindering van 15%. De inkoopwaarde komt op € 25.414.”
2.3.2
Vaststaat dat in deze zaak ten tijde van het belastbare feit (de registratie van de in het geding zijnde personenauto op 13 juni 2018) de koerslijst van EurotaxGlass’s de factoren ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’ bevatte. Belanghebbende heeft voor het Hof berekend dat bij toepassing van die koerslijst en die factoren de handelsinkoopwaarde van de in het geding zijnde personenauto moet worden gesteld op het hiervoor in 2.3.1 vermelde bedrag van € 25.414 en dat alsdan de voor de registratie van die personenauto verschuldigde belasting van personenauto’s en motorrijwielen € 4.441 bedraagt. De juistheid van deze berekening is als zodanig door de Inspecteur niet bestreden. Dit betekent dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 3.613.
3. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 20 januari 2025 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 10 januari 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden.Omdat het financiële belang bij deze cassatieprocedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.4.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 23/00142 en 23/00143 met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover deze de naheffingsaanslag betreft,
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.613,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 274 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 5.442, oftewel € 2.721, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑02‑2025
Vgl. HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7103, rechtsoverweging 3.1.
ECLI:NL:PHR:2024:473, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:487.
Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverweging 3.4.3.
Uitspraak 28‑02‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/00142
Datum 28 februari 2025
ARREST
in de zaak van
de vennootschap onder firma [X]
(hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 december 2022, nrs. BK-21/01193 en BK-21/011941., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 21/1379 en SGR 21/1381) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Voor zover deze conclusie klachten bevat die niet anders kunnen worden begrepen dan als nieuwe, buiten de daarvoor geldende termijn voorgestelde gronden van het beroep in cassatie, gaat de Hoge Raad aan die klachten voorbij.2.De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 26 april 2024 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.3.
1.3
Belanghebbende heeft op 20 januari 2025 verzocht om de Minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft op 26 juli 2018 een gebruikte, uit een andere lidstaat afkomstige personenauto (hierna: de personenauto) doen registreren in het Nederlandse kentekenregister. In verband met die registratie heeft zij op 2 juli 2018 aangifte voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) gedaan. Het volgens die aangifte voor de personenauto verschuldigde bedrag aan bpm heeft zij voldaan.
2.2
Volgens de aangifte heeft belanghebbende vanwege de gebruikte staat van de personenauto een vermindering als bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2018; hierna: de Wet) in aanmerking genomen. Voor het bepalen van de hoogte van die vermindering (de afschrijving) heeft zij gebruik gemaakt van de zogenoemde taxatiemethode als omschreven in artikel 10, lid 8, van de Wet.Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van een op 27 juni 2018 verrichte taxatie. In het taxatierapport is met gebruikmaking van een door EurotaxGlass’s (hierna: Eurotax) aangeboden koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland (hierna: de koerslijst van Eurotax) de handelsinkoopwaarde van de personenauto in onbeschadigde staat bepaald op € 9.124. Omdat de personenauto volgens de taxateur meer dan normale gebruiksschade vertoonde, heeft hij op deze handelsinkoopwaarde een bedrag van afgerond € 6.499 in mindering gebracht, zodat volgens de aangifte de taxatiewaarde van de personenauto € 2.625 bedroeg.
2.3
Desgevraagd heeft belanghebbende de personenauto op 16 juli 2018 bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) getoond voor een hertaxatie. Omdat de personenauto volgens DRZ geen andere schade dan normale gebruiksschade vertoonde, heeft DRZ het hiervoor in 2.2 vermelde bedrag aan schade buiten beschouwing gelaten en de handelsinkoopwaarde van de personenauto aan de hand van de koerslijst van Eurotax vastgesteld op € 9.009. Op grond van deze bevindingen van DRZ heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende een te hoog bedrag aan afschrijving in aanmerking heeft genomen en in verband daarmee te weinig bpm op aangifte heeft voldaan. Hij heeft op die grond voor de personenauto bpm nageheven.
2.4
De door de taxateur en DRZ gebruikte koerslijst van Eurotax bood de mogelijkheid om bij het bepalen van de inkoopwaarde van een in Nederland geregistreerd gebruikt motorvoertuig rekening te houden met de factoren ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’. De invloed van deze factoren op de handelsinkoopwaarde van een motorrijtuig was standaard ingesteld op nul procent. Na het aanvinken van ‘marksituatie handelaar’ of ‘marktsituatie’ in de koerslijst kon de gebruiker van de koerslijst de invloed van de marktsituatie (van de handelaar) op de inkoopwaarde van een gebruikte auto verhogen of verlagen met maximaal vijf procent wegens ‘marksituatie handelaar’ en met maximaal 10 procent wegens ‘marktsituatie’.Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783 (hierna: het arrest van 15 november 2019), heeft Eurotax de door haar samengestelde koerslijst met ingang van 4 oktober 2021 gewijzigd in die zin dat deze niet langer de mogelijkheid biedt om bij het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van een gebruikte personenauto rekening te houden met de hiervoor bedoelde factoren. In de koerslijst heeft Eurotax sindsdien daarover het volgende opgenomen:
“Het gebruik van de schuifknoppen “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie” worden niet meer toegelaten. Eurotax is van mening dat dergelijke prijsverhogings- en prijsverlagingsindicatoren niet meer relevant zijn voor de handelsinkoopwaarde te bepalen zoals vermeld in het arrest ECLI:NL:HR:2019:1783 van de Hoge Raad. Eveneens is Eurotax van mening dat het gebruik van eender welke correctiefactoren gegrond moet zijn en effectief bewezen moet worden door de gebruiker zelf, waar het arrest dit anders heeft belicht. Daarom zijn de indicatoren “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie” voortaan op 0% vastgelegd.”
3. De oordelen van het Hof
3.1
Het Hof heeft in de eerste plaats – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat de Inspecteur, anders dan belanghebbende in hoger beroep betoogde, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de personenauto niet meer dan normale gebruiksschade vertoonde.
3.2
Vervolgens heeft het Hof het standpunt van belanghebbende verworpen dat op het door DRZ als handelsinkoopwaarde van de personenauto vastgestelde bedrag van € 9.009 nog een vermindering van 15 procent moet worden toegepast vanwege de hiervoor in 2.4 bedoelde factoren met betrekking tot de marktsituatie bij inkoop. Naar het oordeel van het Hof kan, gelet op de inmiddels door Eurotax gehanteerde disclaimer (zoals hiervoor in 2.3 weergegeven), in afwijking van het arrest van 15 november 2019 thans niet meer worden uitgegaan van een aftrek vanwege ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’ zonder daarvoor een onderbouwing voor het individuele geval te geven. Een dergelijke onderbouwing heeft belanghebbende niet gegeven. Anders dan belanghebbende lijkt te stellen, kan deze aftrek niet in zijn algemeenheid worden toegepast, aldus het Hof.
4. Beoordeling van de klacht
4.1
De klacht richt zich tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen van het Hof. Betoogd wordt, met verwijzing naar het arrest van 15 november 2019, dat die oordelen berusten op een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof had voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde moeten uitgaan van de koerslijst van Eurotax zoals die gold ten tijde van het belastbare feit (26 juli 2018). Aangezien die koerslijst op dat moment nog voorzag in ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’, mag belanghebbende die waardeverminderende factoren toepassen zonder dat belanghebbende daarvoor nader bewijs hoeft te leveren, aldus de klacht.
4.2.1
Belanghebbende heeft bij het op aangifte voldoen van de voor de personenauto verschuldigde bpm ervoor gekozen om met het oog op vaststelling van de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde vermindering (afschrijving) de handelsinkoopwaarde ervan te bepalen met toepassing van de taxatiemethode als bedoeld in artikel 10, lid 8, van de Wet. Gelet op het in cassatie onbestreden oordeel van het Hof dat de personenauto bij registratie geen aanwijsbare schade vertoonde die viel aan te merken als “meer dan normale gebruiksschade” en het feit dat de personenauto wel voorkomt op een koerslijst, mag op grond van artikel 10, lid 8, van de Wet de taxatiemethode niet worden toegepast.4.Aangezien de Inspecteur voor de naheffing van bpm de handelsinkoopwaarde van de personenauto heeft bepaald met gebruikmaking van de koerslijst van Eurotax, heeft het Hof vervolgens kennelijk, en terecht, tot uitgangspunt genomen dat toepassing van de in artikel 10, lid 7, van de Wet neergelegde koerslijstmethode aan de orde was. Daarvan uitgaande heeft het Hof, eveneens terecht, de juistheid beoordeeld van de stelling van belanghebbende dat bij gebruikmaking van die koerslijst de factoren ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’ moeten worden gebruikt.
4.2.2
Volgens artikel 10, lid 7, van de Wet wordt de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 5, van de Wet en de bpm op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, verminderd met de waarde vermeld in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland. Van zo’n koerslijst mag worden aangenomen dat de daarin opgenomen koerswaarden zijn gebaseerd op prijzen die wederverkopers daadwerkelijk aan particulieren hebben betaald voor de daarin opgenomen motorrijtuigen. Bij toepassing van de in artikel 10, lid 7, van de Wet neergelegde koerslijstmethode moet rekening worden gehouden met alle in de desbetreffende koerslijst opgenomen factoren om te voorkomen dat een uit een andere lidstaat afkomstig gebruikt motorvoertuig bij registratie in Nederland wordt onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die in bepaalde gevallen nog rust op gelijksoortige in het binnenland verhandelde, geregistreerde motorvoertuigen. Een andere uitleg van artikel 10, lid 7, van de Wet zou niet verenigbaar zijn met artikel 110 VWEU. De belastingplichtige hoeft in dit verband geen verder bewijs te leveren.5.
4.2.3
In dit kader verdient opmerking dat wanneer de belastingplichtige een beroep doet op een in een koerslijst opgenomen waardedrukkende factor die verband houdt met de staat van een gebruikt motorvoertuig zoals een huurverleden, die belastingplichtige moet bewijzen dat voor het desbetreffende motorvoertuig terecht met die factor rekening wordt gehouden. Slaagt hij niet in dat bewijs, dan wordt met deze factor geen rekening gehouden.6.De factoren ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’ houden echter niet verband met de staat van een in te kopen gebruikt motorvoertuig. Voor die factoren geldt daarom dat zij bij gebruikmaking van de koerslijstmethode als bedoeld in artikel 10, lid 7, van de Wet zonder nader bewijs mogen worden toegepast indien zij volgens de gebruikte koerslijst de handelsinkoopwaarde van een gebruikt motorvoertuig neerwaarts kunnen beïnvloeden.Verder geldt dat, aangezien voor de factoren ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’ geen nader bewijs wordt verlangd, de inspecteur deze factoren uit eigen beweging moet toepassen indien hij bij naheffing gebruik maakt van de koerslijstmethode en in dat kader een koerslijst kiest waarin deze factoren voorkomen.
4.2.4
De voor een personenauto verschuldigde bpm wordt berekend naar het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt.7.Dit brengt mee dat alle relevante factoren die van belang zijn voor de hoogte van de verschuldigde bpm moeten worden beoordeeld naar dat tijdstip.8.Tot die factoren behoren ook de gegevens uit een koerslijst die van belang zijn voor het bepalen van de in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet bedoelde vermindering. Bij gebruikmaking van de koerslijstmethode als bedoeld in artikel 10, lid 7, van de Wet moet daarom worden uitgegaan van de koerslijst zoals die geldt ten tijde van het belastbare feit, met inbegrip van alle gegevens en factoren die op dat moment daarin zijn opgenomen.
4.3
Met zijn hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordelen heeft het Hof hetgeen hiervoor in 4.2.2 tot en met 4.2.4 is overwogen, miskend. Die oordelen berusten op een onjuiste rechtsopvatting. De klacht slaagt.
4.4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.4.2
Vaststaat dat ten tijde van het belastbare feit (de registratie van de personenauto op 26 juli 2018) de koerslijst van Eurotax de factoren ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’ bevatte. Tussen partijen is niet in geschil dat indien rekening wordt gehouden met die factoren de voor de registratie van de personenauto verschuldigde bpm € 1.578 bedraagt en de Inspecteur ter zake van de personenauto niet meer dan € 1.025 heeft mogen naheffen. De naheffingsaanslag – die mede de naheffing betreft van verschuldigde bpm ter zake van een andere personenauto die belanghebbende heeft doen registreren – moet daarom worden verminderd tot een bedrag van € 1.880.
5. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
5.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 20 januari 2025 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
5.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 10 januari 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden.Omdat het financiële belang bij deze cassatieprocedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.9.
6. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 23/00142 en 23/00143 met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover deze de naheffingsaanslag betreft,
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.880,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 548 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 5.442 oftewel € 2.721, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑02‑2025
Vgl. HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7103, rechtsoverweging 3.1.
ECLI:NL:PHR:2024:472, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:487.
Vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, rechtsoverweging 3.6.1.
Vgl. het arrest van 15 november 2019, rechtsoverweging 2.4.3.
Vgl. HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, rechtsoverweging 2.3.5.
Vgl. HR 26 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, rechtsoverweging 3.5.1.
Vgl. HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695, rechtsoverweging 2.3.3, en HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, rechtsoverweging 3.6.2.
Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverweging 3.4.4.
Beroepschrift 28‑02‑2025
Onderwerp: Beroep in cassatie tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 15-12-2022 met kenmerken BK-21/01193 en BK-21/01194
Geachte heer, mevrouw,
Bij deze stel ik mij als gemachtigde voor belanghebbende, [X] VOF, h.o.d.n. [A], gevestigd en kantoorhoudende te [Z], en dien ik beroep in cassatie in tegen de in de aanhef genoemde uitspraak van het gerechtshof Den Haag, waarvan u een kopie aantreft in bijlage 1.
De uitspraak van het gerechtshof heeft betrekking op 2 uitspraken van de rechtbank en gaat over 2 verschillende auto's (die in één naheffingsaanslag zaten). In dit beroep in cassatie heeft betrekking op één auto, de Nissan Qashqai met chassisnummer [0001] en kenteken [kenteken 1]. Het oorspronkelijke rechtbanknummer dat bij deze auto hoort is BRE 19/3952. Vervolgens heeft de rechtbank Den Haag deze zaak onder zich genomen en hieraan zaaknummer SGR 21/1379 gekoppeld. Het is mij niet gelukt te achterhalen welk zaaknummer van het gerechtshof bij de auto hoort. Dat heeft het gerechtshof niet gespecificeerd.
1. Procesverloop
Op 02-07-2018 deed belanghebbende aangifte ter registratie in het kentekenregister van de onderstaande auto:
- —
Merk: Nissan
- —
Type: Qashqai
- —
VIN: [0001]
Belanghebbende deed aangifte met gebruikmaking van een taxatierapport, opgesteld door [B].
In opdracht van de inspecteur werd een hertaxatie verricht door de Dienst Domeinen.
Bij besluit van 20-11-2018 legde de inspecteur de naheffingsaanslag + boete op.
Bij brief van 03-12-2018 diende ik bezwaar in tegen de naheffingsaanslag + boete.
Op 09-05-2019 vond een hoorgesprek plaats in Almelo.
Bij besluit van 21-06-2019 verklaarde de inspecteur het bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond en vernietigde hij de boete.
Bij brief van 26-07-2019 diende ik beroep in.
Op 16-09-2021 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij uitspraak van 28-10-2021 verklaarde de Rechtbank het beroep deels gegrond.
Bij brief van 30-11-2021 diende ik hoger beroep in en bij brief van 23-12-2021 vulde ik de gronden van het hoger beroep aan.
Op 03-11-2022 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij uitspraak van 15-12-2022 verklaarde het gerechtshof het hoger beroep deels gegrond.
2. Geschil
In geschil zijn de volgende onderwerpen:
- 1.
Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
- 2.
Komt belanghebbende een beroep toe op de correctiefactoren uit de koerslijst van Eurotaxglass's?
3. Overwegingen
3.1. Kan er gebruik worden gemaakt van de correctiefactoren in de koerslijst van Eurotaxglass's?
Bij het opleggen van de naheffingsaanslag stelde de inspecteur de inkoopwaarde vast op € 9.009 op basis van de koerslijst van Eurotaxglass's, zie bijlage 2. De inspecteur verzuimde daarbij evenwel de correctiefactoren ‘bijstelling dealersituatie’ en ‘bijstelling marktsituatie’ toe te passen. Deze correctiefactoren zijn samen 15%. Dat is tussen partijen niet in geschil.
Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 15-11-2019, ECLI:NL:HR:2019:1783, geldt dat alle correctiefactoren in Eurotaxglass's mogen worden toegepast. Op basis hiervan stel ik de waarde met 15% bij. Deze komt op € 7.671:
Eurotax basiswaarde (07.2018) | € 8.446 |
Maandaanpassing: | € 99 |
Kilometerbijstelling −30.755 km (98.466 km) | € 371 |
Correctie levering: | € 0,00 |
Bijstelling marktsituatie: | − € 891,60 |
Bijstelling dealersituatie: | − € 446,80 |
Bijstelling aantal eigenaren 0% | € 0,00 |
Totaal opties: | € 93 |
Totaal waardeverhogende zaken: | € 0,00 |
Inkoopwaarde (incl. BPM incl. BTW, margevoertuig) | € 7.671 |
De naheffingsaanslag dient daarmee met € 320 te worden verlaagd tot € 1.025. In bijlage 3 treft u de exacte berekening aan. In deze berekening heb ik ook een subsidiaire berekening gemaakt waarin ik uitsluitend de dealersituatie heb toegepast.
Het gerechtshof aanvaardt de koerslijst van Eurotaxglass's met de correctiefactoren ‘markt- en dealersituatie’ niet, omdat de aanbieder van de koerslijst van Eurotaxglass's op deze correctiefactoren 04-10-2021 heeft verwijderd uit het systeem en op die datum de volgende opmerking in het systeem heeft geplaatst:
‘Het gebruik van de schuifknoppen ‘Marktsituatie handelaar’ en ‘Marktsituatie’ worden niet meer toegelaten. Eurotax is van mening dat dergelijke prijsverhogings- of prijsverlagingsindicatoren niet meer relevant zijn voor de handelsinkoopwaarde te bepalen zoals vermeld in het Arrest HR_2019_1783 van de Hoge Raad. Eveneens is Eurotax van mening dat het gebruik van eender welke correctiefactoren gegrond moet zijn en effectief bewezen niet worden door de gebruiker zelf waar het Arrest die anders heeft belicht. Daarom zijn de indicatoren ‘Marktsituatie handelaar’ en ‘Marktsituatie’ voortaan op 0% vastgelegd.’
Gelet op deze disclaimer is het gerechtshof van oordeel dat belanghebbende geen beroep meer toekomt op de correctiefactoren zonder daarvoor een onderbouwing voor het individuele geval is gegeven.
Ik ben van mening het gerechtshof hiermee het recht heeft geschonden. Het gerechtshof had zijn beslissing moeten baseren op basis van de feiten, omstandigheden en het geldende recht zoals die bestonden op het moment waarop het belastbare feit plaatsvond (ex tunc-toetsing). Tussen partijen is niet in geschil dat de hoogte van de afschrijving moest worden vastgesteld op het moment van de BPM-aangifte. Op dat moment maakte de correctiefactoren nog onderdeel uit van het koerslijstprogramma van Eurotaxglass's. Dat betekent dat daarmee rekening mag worden gehouden.
Uw college heeft een toetsingskader gegeven voor het gebruik van koerslijsten, de toepassing van de daarin opgenomen correctiefactoren en de bewijslast dit in dat kader geldt. Dat de koerslijstprovider van Eurotaxglass's het voortaan niet meer eens is met dit toetsingskader, en dat voorheen aanvaardde correctiefactoren niet meer relevant zijn, doet er niet aan af dat ten tijde van het doen van de BPM aangifte deze correctiefactoren nog wel relevant waren en belanghebbende er een beroep op kan doen en dat belanghebbende geen aanvullend bewijs hoeft te leveren, zie ECLI:NL:HR:2019:1783, r.o. 2.4.3:
‘2.4.3
In dit geding zijn partijen en het Hof kennelijk ervan uitgegaan dat de koerslijst die hier is gehanteerd, een koerslijst is die in de handel algemeen wordt toegepast bij de inkoop van gebruikte motorvoertuigen door wederverkopers in Nederland. De Hoge Raad zal eveneens uitgaan van dit — in cassatie niet bestreden — uitgangspunt, dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Aangenomen moet worden dat alle in een dergelijke koerslijst gespecificeerde factoren van invloed kunnen zijn op de prijs die een wederverkoper bereid is te betalen bij de inkoop van een particulier van een in Nederland geregistreerd, gebruikt motorvoertuig. Tot de factoren waarmee de koerslijst van Eurotaxglass's rekening houdt, behoort de ‘marktsituatie handelaar’. Bij toepassing van deze koerslijst mag met die factor rekening worden gehouden, omdat anders niet is uitgesloten dat een uit een andere lidstaat afkomstig gebruikt motorvoertuig bij registratie in Nederland wordt onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die in bepaalde gevallen nog rust op gelijksoortige in het binnenland verhandelde, geregistreerde motorvoertuigen. Dat zou niet verenigbaar zijn met artikel 110 VWEU. Anders dan waarvan het Hofkennelijk bij zijn hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen is uitgegaan, hoeft een belastingplichtige in dit verband geen verder bewijs te leveren. De klachten slagen.’
De fout van het gerechtshof zit met name in de volgende zin van rechtsoverweging 5.2.3, ik citeer:
‘Sterker nog, belanghebbende lijkt te stellen dat deze aftrek in zijn algemeenheid kan worden toegepast. Dit is geenszins het geval.’
Naar mijn mening is het juist wel toegestaan de correctiefactoren in zijn algemeenheid toe te passen. Het gaat er namelijk om dat de ingevoerde auto nooit zwaarder mag worden belast dan de BPM die nog rust op referentievoertuigen (zelfs niet in uitzonderingsgevallen). Dat betekent dat als de omstandigheid waar de correctiefactor betrekking op heeft zich op de binnenlandse markt in één situatie voordoet, de door belanghebbende ingevoerde auto zwaarder wordt belast als de correctiefactor voor die auto niet wordt toegepast.
We moeten ons beseffen dat de correctiefactoren ‘markt- en dealersituatie’ geen betrekking hebben op voertuigeigenschappen. Bij de correctiefactor ‘ex-rental’ bijvoorbeeld, gaat het om een voertuigeigenschap. Vanzelfsprekend mag deze correctiefactor niet ‘in zijn algemeenheid’ worden toegepast voor alle auto's. Als een auto geen rentalverleden heeft, mag je deze correctiefactor dus niet toepassen. Dat geldt dus niet voor de correctiefactoren markt- en dealersituatie, omdat deze factoren niets hebben uit te staan met de voertuigeigenschappen.
Deze bijstelling dealersituatie corrigeert de waarde van een auto voor het geval deze wordt ingekocht door een officiële (merk)dealer. Dergelijke handelaren kunnen minder voor een auto bieden, aangezien zij meer overheadkosten hebben. Zo hebben zij bijvoorbeeld een prestigieuze showroom, met hooggeschoold personeel, en zijn zij voorts gebonden aan distributieovereenkomsten van officiële importeurs en fabrikanten. In dergelijke overeenkomsten staan bepalingen omtrent marketing, after-sales, garantie, financieringsmogelijkheden, (fiscale)bedrijfsinrichting, showroompresentatie, scholing, personeelszaken, etc. etc. Deze verkoopemolumenten, die de werkelijke handelsinkoopwaarde van de auto ‘vervuilen’, moeten buiten de maatstaf van heffing blijven, zie ook de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 03-08-2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BN4420:
‘[…]Uitgegaan wordt immers van verkoopprijzen die, naar belanghebbende stelt en het Hof aannemelijk acht, mede afhankelijk zijn van verkoopomstandigheden zoals de kosten voor het rijklaarmaken, te geven garantie en inruilmogelijkheden, welke omstandigheden de werkelijke prijs vervuilen.[…]’
Verschillende koerslijsten bieden verschillende correctiefactoren om de waarde van een auto vast te stellen. De koerslijst X-Ray kent bijvoorbeeld een correctiefactor voor een Marge-auto, een parallel ingevoerde auto en een ex-huurauto. Dergelijke correcties worden aanvaard door de Belastingdienst.
Eurotaxglass's kent weer andere correctiefactoren, zoals in casu de bijstelling dealersituatie. Ik ben van mening dat het oordeel van het gerechtshof om deze correctie niet toe te staan, onbegrijpelijk is gemotiveerd en bovendien getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
We zijn op zoek naar de inkoopwaarde van de auto. Dat is de prijs die een handelaar betaalt bij inkoop van een particulier. Handelaren maken gebruik van koerslijsten om die inkoopwaarde vast te stellen. Bij het gebruik daarvan zijn de voertuigkenmerken, zoals leeftijd en kilometrage van belang. Maar ook marktomstandigheden zijn belangrijk. Bijvoorbeeld of in de markt een prijsverschil bestaat tussen BTW-auto's of Marge-auto's. Dit is geen voertuigkenmerk, maar een marktomstandigheid die tot een prijsverschil leidt en waarmee rekening wordt gehouden.
Hetzelfde geldt naar mijn mening voor de bijstelling dealersituatie. Als een handelaar zich richt op de verkoop van auto's uit het lagere segment, dan kan hij niet zomaar een zeer exclusieve auto inkopen, zoals een Bently Continental. Hij heeft hier helemaal geen klantenkring voor. Die omstandigheid maakt dat hij minder voor de auto kan bieden bij de inkoop.
Als een handelaar in een slechte financiële positie verkeert, dan kan hij niet zomaar een exclusieve auto kopen. Exclusieve auto's hebben een langere statijd en daar moet de handelaar — indachtig zijn slechte liquiditeitspositie — rekening mee houden. Met het oog op dit risico kan hij minder bieden bij inkoop.
Als een handelaar aan iemand een nieuwe auto verkoopt en een oude inruilt, dan kan hij voor de inruiler meer bieden, dan wanneer hij geen nieuwe auto verkoopt.
Dit zijn zomaar voorbeelden van marktomstandigheden die betrekking hebben op de marktsituatie en de specifieke situatie van een handelaar. Ik ben van mening dat moet worden geabstraheerd van dergelijke omstandigheden, omdat ze de waarde van de auto kunnen beïnvloeden. Verkoopemolumenten, handelsmarges of persoonlijke omstandigheden van de handelaar moeten buiten de maatstaf van heffing blijven, omdat ingevolge artikel 110 VWEU als uitgangspunt heeft te gelden de laagst denkbare objectief te bepalen inkoopwaarde.
Eurotaxglass's biedt hiertoe de mogelijkheid middels de bijstelling marktsituatie (10%) en dealersituatie (5%). Door deze correctie zijn alle persoonlijke omstandigheden van de handelaar, die de prijs positief kunnen beïnvloeden, gecorrigeerd en is ervoor gewaakt dat de inkoopwaarde daardoor niet vervuild is.
Naar mijn mening hoeft belanghebbende niet gemotiveerd aan te tonen waar de 15% vandaan komt, net zo min als belanghebbende hoeft aan te tonen waarom en op welke manier de koerslijst de kilometercorrectie bepaalt, of de maandaanpassing, of de Marge-correctie, of de ex-rental correctie, etc. etc. Door anders te oordelen, heeft het gerechtshof naar mijn mening het recht geschonden.
Door de correctiefactoren met terugwerkende kracht niet meer toe te staan, handelt het gerechtshof niet alleen in strijd met de jurisprudentie van uw college, maar ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
4. Conclusie
Op grond van al het voorgaande verzoek ik uw college, namens belanghebbende:
Dit beroep in cassatie gegrond te verklaren;
De uitspraak van het gerechtshof gedeeltelijk te vernietigen;
De uitspraak van de rechtbank gedeeltelijk te vernietigen;
De uitspraak op bezwaar gedeeltelijk te vernietigen;
Primair: de inkoopwaarde van de Nissan Qashqai met chassisnummer [0001] en kenteken [kenteken 1] vast te stellen op € 7.671 (koerslijst Eurotaxglass's met bijstellingen markt- en dealersituatie), de verschuldigde BPM vast te stellen op € 1.578 en de naheffingsaanslag te verminderen tot € 1.025;
Subsidiair: de inkoopwaarde van de Nissan Qashqai met chassisnummer [0001] en kenteken [kenteken 1] vast te stellen op € 8.563 (koerslijst Eurotaxglass's met bijstelling dealersituatie), de verschuldigde BPM vast te stellen op € 1.762 en de naheffingsaanslag te verminderen tot € 1.209;
De inspecteur te veroordelen in de proceskosten van de cassatiefase.
Hoogachtend,
Conclusie 26‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2024:487 Bpm; proceskostenvergoeding; art. 7:15, lid 2, Awb; noodzaak tot instellen beroep uitsluitend te wijten aan de belanghebbende? Moet inspecteur 'bijstelling marksituatie' en 'bijstelling dealersituatie' in koerslijst EurotaxGlass's uit eigen beweging toepassen? In deze zaak staat de vraag centraal of vergoeding van de proceskosten voor de bezwaarfase op de voet van art. 7:15(2) Awb achterwege kan blijven, omdat geen sprake is van aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Meer in het bijzonder komt dit neer op de vraag of de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag bpm gehouden was de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s uit eigen beweging toe te passen. A-G Ettema komt in deze conclusie tot de slotsom dat de inspecteur gehouden kan zijn de bijstellingen uit eigen beweging toe te passen bij het opleggen van een naheffingsaanslag doch alleen als hij de koerslijstmethode toepast en een uitdraai van de koerslijst EurotaxGlass’s van vóór 4 oktober 2021 behoort tot de hem ter beschikking staande gegevens. In deze zaak staat vast dat bij de aangifte en de naheffing de taxatiemethode is toegepast voor het berekenen van het verschuldigde bedrag aan bpm. Dit brengt mee dat de Inspecteur niet gehouden was de bijstellingen uit eigen beweging toe te passen. Het oordeel van het Hof op dit punt getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onvoldoende gemotiveerd. Het cassatieberoep is niettemin gegrond, omdat tussen partijen niet meer in geschil is dat belanghebbende een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toekomt.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00420
Datum 26 april 2024
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Belasting pers.auto's en motorrijw. 2017
Nr. Gerechtshof 22/969
Nr. Rechtbank 21/1147
CONCLUSIE
C.M. Ettema
In de zaak van
[X] B.V.
tegen
de staatssecretaris van Financiën
1. Inleiding
1.1
In deze zaak staat de vraag centraal of sprake is van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid, zodat belanghebbende een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toekomt op de voet van art. 7:15(2) Awb. Deze vraag houdt meer specifiek verband met een andere vraag, namelijk of de Inspecteur gehouden is uit eigen beweging de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s toe te passen.
1.2
Het Hof oordeelt dat de bijstellingen in de koerslijst EurotaxGlass’s niet in aanmerking kunnen worden genomen zonder dat belanghebbende de toepassing hiervan aannemelijk maakt. Volgens het Hof kan uit jurisprudentie van de Hoge Raad niet worden afgeleid dat een inspecteur verplicht is zelfstandig op zoek te gaan naar gegevens die tot een gunstiger resultaat voor de belastingplichtige kunnen leiden. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag dan ook mogen opleggen zonder de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s toe te passen. De vermindering van de naheffingsaanslag berust in zoverre, aldus het Hof, niet op een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid, zodat geen aanleiding bestaat voor toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. De enige cassatieklacht van belanghebbende komt op tegen dit oordeel.
1.3
Vanaf 4 oktober 2021 biedt de aanbieder van de koerslijst EurotaxGlass’s niet langer de mogelijkheid de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ toe te passen. De aanbieder heeft een disclaimer opgenomen in de koerslijst waarin deze keuze wordt toegelicht. Bij deze conclusie gaat een gemeenschappelijke bijlage waarin ik onder meer de vraag behandel of en, zo ja, in welke gevallen het na opname van deze disclaimer nog mogelijk is de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s toe te passen. Voorts behandel ik de vraag of en, zo ja, onder welke omstandigheden de inspecteur gehouden is deze bijstellingen uit eigen beweging toe te passen bij het opleggen van een naheffingsaanslag. In deze bijlage kom ik tot de slotsom dat de inspecteur gehouden is de bijstellingen uit eigen beweging toe te passen, doch alleen als hij de koerslijstmethode toepast en de koerslijst EurotaxGlass’s behoort tot de hem ter beschikking staande gegevens.
1.4
In de onderhavige zaak staat vast dat bij de aangifte en de naheffing de taxatiemethode is toegepast voor het berekenen van het verschuldigde bedrag aan bpm. Dit brengt mee dat de Inspecteur niet gehouden was uit eigen beweging deze bijstellingen toe te passen bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is overigens niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
1.5
Maar wat hiervan ook zij, tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toekomt. Om die reden geef ik de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie gegrond te verklaren.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 2.950 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Mercedes-Benz ML 250 Bluetec 4Matic (de auto). In de aangifte is de te betalen bpm berekend op basis van een taxatierapport. Daarin is de nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 79.902 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 27.400. Hierop heeft de taxateur in mindering gebracht een bedrag van € 11.400 in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 16.000.
2.2
De Inspecteur heeft een bedrag van € 4.030 aan bpm nageheven. Daarbij heeft hij zich, met uitzondering van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto, gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 10 maart 2017. Bij de vaststelling van de verschuldigde bpm is de Inspecteur uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 86.238, een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 42.027 gebaseerd op de koerslijst XRAY (marge) en is een bedrag van € 1.593 aan schade aannemelijk geacht. Van dat schadebedrag is €1.222 (77%) in aanmerking genomen, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 40.805.
2.3
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag afgewezen.
De Rechtbank1.
2.4
Belanghebbende stelt beroep in bij de rechtbank Den Haag (de Rechtbank). In geschil is de hoogte van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto en de omvang van de schade. De Rechtbank oordeelt dat belanghebbende de door haar voorgestane handelsinkoopwaarde niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit geldt ook voor de door haar verdedigde schade.
2.5
Bij de Rechtbank is de Inspecteur alsnog akkoord gegaan met toepassing van de koerslijst EurotaxGlass’s, inclusief de daarin opgenomen ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’. Voorts is ter zitting tussen partijen komen vast te staan dat verweerder ten onrechte geen extra leeftijdskorting in aanmerking heeft genomen bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Gelet op het voorgaande verklaart de Rechtbank het beroep gegrond.
2.6
Voor het geding in cassatie is voornamelijk het oordeel van de Rechtbank over de vergoeding van de proceskosten van belang. De Rechtbank veroordeelt de Inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor de beroepsfase. Voor een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase ziet de Rechtbank geen aanleiding. De Rechtbank acht hiervoor redengevend dat het beroep uitsluitend gegrond is verklaard voor wat betreft de verlaging van de handelsinkoopwaarde als gevolg van de toepassing van de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s en toepassing van de extra leeftijdskorting, terwijl een en ander in bezwaar niet aan de orde is gesteld.
Het Hof2.
2.7
Belanghebbende stelt hoger beroep in bij het gerechtshof Den Haag (het Hof). Voor het Hof is de hoogte van de naheffingsaanslag in geschil. Het Hof oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat een hoger bedrag aan schade en een lagere handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat in aanmerking moeten worden genomen, zodat geen reden bestaat voor een vermindering van de naheffingsaanslag zoals deze is vastgesteld door de Rechtbank.
2.8
Belanghebbende heeft voor het Hof aangevoerd dat de Rechtbank, gelet op de tekst van art. 7:15(2) Awb, ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend. De naheffingsaanslag is na toepassing van de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s verminderd. Volgens belanghebbende is sprake van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid, nu hij in strijd met het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019, nr. 18/002463., heeft verzuimd de correctiefactoren toe te passen bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Hier doet, aldus belanghebbende, niet aan af dat belanghebbende eerst in de beroepsfase om toepassing van die correctiefactoren heeft verzocht.
2.9
Het Hof verwerpt dit betoog van belanghebbende. In voornoemd arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat met de bijstellingen in de koerslijst EurotaxGlass’s rekening mag worden gehouden. Voorts heeft het Hof eerder geoordeeld dat niet van toepassing van de ‘bijstelling marksituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ kan worden uitgegaan, zonder daarvoor een onderbouwing of nader bewijs voor het individuele geval te geven.4.Belanghebbende heeft een dergelijke onderbouwing niet gegeven en de taxateur van belanghebbende heeft voor de toepassing van de bijstellingen evenmin aanleiding gezien.
2.10
Uit het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 2023, nr. 21/034565., volgt dat indien de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag aan de hand van de hem op dat moment ter beschikking staande gegevens over het desbetreffende motorrijtuig in staat is om het voor de belastingplichtige meest gunstige bpm-tarief of de meest gunstige maatstaf van heffing te bepalen, hij uit eigen beweging dat meest gunstige tarief of die meest gunstige heffingsmaatstaf moet toepassen. Volgens het Hof kan uit dit arrest niet worden afgeleid dat de Inspecteur verplicht is om zelfstandig op zoek te gaan naar gegevens die tot een gunstiger resultaat voor de belastingplichtige kunnen leiden. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag dan ook mogen opleggen zonder rekening te houden met de pas in beroep gevraagde ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s. Er is volgens het Hof dus geen sprake van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid, zodat de Rechtbank terecht geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend.
2.11
Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
3. Het geding in cassatie
Beroepschrift in cassatie
3.1
Het beroep in cassatie van belanghebbende bestrijdt het oordeel van het Hof over de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Volgens de klacht oordeelt het Hof ten onrechte dat de Inspecteur in bezwaar geen rekening hoefde te houden met de bijstellingen in de koerslijst EurotaxGlass’s. Volgens de klacht was de Inspecteur, op wie de last rust ervoor te waken dat met de heffing van bpm niet wordt getreden buiten de grenzen van art. 110 VWEU, gehouden de bijstellingen uit eigen beweging toe te passen.
3.2
De klacht wijst in dit verband op een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 september 2023.6.Voor de volledigheid citeer ik de relevante overwegingen uit die uitspraak:
“4.14 Wat betreft die kosten van bezwaar is in artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven dat deze door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Als een belastingaanslag, zoals in dit geval de naheffingsaanslag, wordt verminderd of vernietigd, is de onrechtmatigheid daarvan in beginsel gegeven. Dit onrechtmatig handelen wordt aan het betrokken bestuursorgaan toegerekend (vgl. HR (civiel) 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588).
4.15
Dit laatste geldt temeer nu de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag BPM is gehouden te blijven binnen de grenzen van artikel 110 VWEU. Indien de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag aan de hand van de hem op dat moment ter beschikking staande gegevens over het desbetreffende motorrijtuig in staat is om het voor de belastingplichtige meest gunstige BPM-tarief of de meest gunstige heffingsmaatstaf te bepalen aan de hand van de regeling die sinds de ingebruikneming van het motorrijtuig heeft gegolden – zoals in dit geval een waardecorrectie in verband met de markt- en dealersituatie, gebaseerd op HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783 – moet hij uit eigen beweging dat meest gunstige tarief of die meest gunstige heffingsmaatstaf toepassen. Daarmee draagt hij ervoor zorg dat hij bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid tot het opleggen van naheffingsaanslagen in de BPM blijft binnen de begrenzing van artikel 110 VWEU (vgl. HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:440, r.o. 3.2.2). Indien de inspecteur dit nalaat en de naheffingsaanslag op grond van een daartegen ingesteld beroep of hoger beroep wordt verminderd of vernietigd, heeft deze naheffingsaanslag berust op een onjuiste uitleg van de van toepassing zijnde regeling en is deze naheffingsaanslag derhalve onrechtmatig. Dit onrechtmatig handelen wordt aan de inspecteur toegerekend.
4.16
Het vorenstaande brengt mee dat de kosten van rechtsbijstand in dit geval voor vergoeding in aanmerking komen (…)”
Verweerschrift in cassatie
3.3
Het verweerschrift van de staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond moet worden verklaard. Volgens de Staatssecretaris stelt belanghebbende terecht dat ten onrechte geen vergoeding voor de kosten in de bezwaarfase is toegekend.
4. Beoordeling van de klacht
4.1
Bij de beoordeling van de klacht stel ik het volgende voorop. Op grond van art. 10(2) Wet BPM kan een bpm-vermindering in aanmerking worden genomen voor gebruikte voertuigen.7.Deze vermindering bedraagt de procentuele afschrijving van de historische nieuwprijs van de auto. Art. 10(2) Wet BPM reikt twee methoden aan voor het bepalen van deze afschrijving, namelijk de koerslijstmethode (art. 10(7) Wet BPM) en de taxatiemethode (art. 10(8) Wet BPM).8.Beide methoden bieden de mogelijkheid een koerslijst te hanteren voor het bepalen van de afschrijving, maar de wijze waarop de koerslijst wordt gebruikt verschilt afhankelijk van de gebruikte methode. Voor een uitgebreide uiteenzetting verwijs ik naar onderdeel 4.6 e.v. van de gemeenschappelijke bijlage.
4.2
Bij toepassing van de koerslijstmethode mogen in beginsel alle factoren worden toegepast waarmee de gehanteerde koerslijst rekening houdt.9.Dit omdat anders niet is uitgesloten dat de verschuldigde bpm hoger is dan de rest-bpm die nog rust op soortgelijke voertuigen in Nederland. De Hoge Raad heeft dit ook expliciet geoordeeld over de correctiefactor ‘marktsituatie handelaar’ in de koerslijst EurotaxGlass’s.10.Het voorgaande leidt uitzondering indien bepaalde correctiefactoren in de gehanteerde koerslijst betrekking hebben op specifieke voertuigkenmerken, zoals een verhuurverleden (ex rental).11.Dergelijke factoren mogen slechts worden toegepast indien het te registreren voertuig ook de desbetreffende voertuigkenmerken bezit.12.
4.3
Bij toepassing van de taxatiemethode vormt de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst daarentegen slechts een uitgangspunt.13.De getaxeerde waarde zal immers verschillen van de koerswaarde vanwege meer dan normale gebruiksschade of de bijzondere kenmerken en eigenschappen van het te waarderen voertuig.14.In dat geval kunnen zowel de belastingplichtige als de inspecteur een aanvullende waardevermindering respectievelijk waardevermeerdering bepleiten ten opzichte van de handelsinkoopwaarde die volgt uit de koerslijst.15.
4.4
In de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie bespreek ik de vraag of de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag in de bpm gehouden is de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s uit eigen beweging toe te passen.16.Ik kom tot de slotsom dat de inspecteur gehouden is de bijstellingen uit eigen beweging toe te passen, doch alleen als hij de koerslijstmethode toepast en een uitdraai van de koerslijst van vóór 4 oktober 2021 behoort tot de hem ter beschikking staande gegevens.17.Blijft de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag daarentegen bij toepassing van de (door belanghebbende gekozen) taxatiemethode, dan behoeft hij de bijstelling niet uit eigen beweging toe te passen.18.
4.5
Belanghebbende heeft het verschuldigde bedrag aan bpm in de aangifte berekend op basis van een taxatierapport en zodoende de taxatiemethode toegepast. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft de Inspecteur een bedrag van € 1.593 aan schade aannemelijk geacht en in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. Het in aanmerking nemen van meer dan normale gebruiksschade is slechts mogelijk bij toepassing van de taxatiemethode, zodat de Inspecteur belanghebbende klaarblijkelijk in de toepassing van deze methode heeft gevolgd. De Rechtbank en het Hof hebben de naheffingsaanslag in stand gelaten, behoudens een vermindering wegens extra leeftijdskorting en belanghebbende komt in cassatie niet op tegen de hoogte van de naheffingsaanslag. In cassatie staat dus vast dat de taxatiemethode is toegepast.
4.6
Nu de taxatiemethode is toegepast komt belanghebbende niet in zijn algemeenheid een beroep toe op de bijstellingen in de koerslijst EurotaxGlass’s. De taxateur van belanghebbende had de bijstellingen in beginsel wel in aanmerking kunnen nemen bij de waardebepaling van de auto. De Inspecteur hoefde de bijstellingen dus niet uit eigen beweging toe te passen. Dat de Inspecteur in eerste aanleg akkoord is gegaan met toepassing van de bijstellingen doet hieraan niet af.
4.7
Het Hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid, zodat de Rechtbank heeft mogen beslissen om geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toe te kennen. Gezien het voorgaande getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige is het ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
4.8
Dat de naheffingsaanslag mede is verminderd wegens extra leeftijdskorting maakt dit niet anders. De Rechtbank heeft geoordeeld dat deze vermindering evenmin aanleiding geeft voor het toekennen van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, aangezien belanghebbende deze vermindering in bezwaar niet aan de orde heeft gesteld.19.Het Hof oordeelt dat belanghebbende ter zitting van het Hof het standpunt onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven dat ook het pas in de beroepsfase toekennen van de extra leeftijdskorting tot vergoeding van proceskosten voor bezwaar leidt.20.Belanghebbende komt in cassatie niet op tegen dit oordeel.
4.9
Hoewel de klacht op zichzelf niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak kan leiden, is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toekomt. Ik meen dat dit tot gevolg moet hebben dat het beroep in cassatie alsnog gegrond wordt verklaard.
5. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie gegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑04‑2024
Rechtbank Den Haag 30 augustus 2022, nr. SGR 21/1147, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Gerechtshof Den Haag 9 januari 2024, nr. BK-22/969, ECLI:NL:GHDHA:2024:231.
HR 15 november 2019, nr. 18/00246, ECLI:NL:HR:2019:1783.
Gerechtshof Den Haag 15 december 2021, nrs. BK-21/01193 en BK-21/01194, ECLI:NL:GHDHA:2022:2696. In deze zaak is cassatie ingesteld en hierin neem ik op dezelfde datum als de onderhavige zaak conclusie. De zaak is bij de Hoge Raad bekend onder nummer 23/00142.
HR 23 maart 2023, nr. 21/03456, ECLI:NL:HR:2023:440.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 september 2023, nr. 22/511, ECLI:NL:GHARL:2023:8230, punten 4.14 t/m 4.16.
Zie onderdeel 2 van de gemeenschappelijke bijlage voor een uitgebreide bespreking van het wettelijke systeem van de afschrijvingsmethoden.
Zie onderdeel 4.8 en 4.9 van de gemeenschappelijke bijlage.
ECLI:NL:HR:2019:1783, r.o. 2.4.3.
Zie onderdeel 4.10 van de gemeenschappelijke bijlage.
HR 28 februari 2020, nr. 19/00619, ECLI:NL:HR:2020:331, 2.3.5.
Zie onderdeel 4.11 van de gemeenschappelijke bijlage.
HR 12 mei 2023, nr. 21/00182, ECLI:NL:HR:2023:692.
ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3, laatste volzin. Vgl. HR 20 mei 2022, nr. 19/04563, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.3.2.
Zie onderdelen 4.12 t/m 4.21 van de gemeenschappelijke bijlage.
Vgl. onderdeel 4.23 van de gemeenschappelijke bijlage.
Zie onderdeel 4.21 van de gemeenschappelijke bijlage.
Zie punt 18 van de uitspraak van de Rechtbank, zoals ook geciteerd door het Hof in onderdeel 3 van de bestreden uitspraak.
Zie punt 5.11 van de bestreden uitspraak.
Conclusie 26‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2024:487 Bpm; koerslijst EurotaxGlass's; 'bijstelling marksituatie' en 'bijstelling dealersituatie'; disclaimer; mag de belastingplichtige de bijstellingen toepassen na opname van de disclaimer in de koerslijst? Is de inspecteur gehouden de bijstellingen uit eigen beweging toe te passen? De koerslijst EurotaxGlass’s biedt de mogelijkheid de handelsinkoopwaarde te corrigeren met de zogenaamde ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’. Uit HR 15 november 2019, 18/00246 volgt dat de belastingplichtige bij toepassing van de koerslijstmethode rekening mag houden met deze bijstellingen, zonder dat hij nader bewijs hoeft te leveren. Vanaf 4 oktober 2021 biedt EurotaxGlass’s niet langer de mogelijkheid de bijstellingen in de koerslijst toe te passen. De aanbieder van de koerslijst heeft een disclaimer geplaatst in de koerslijst waarin deze keuze wordt toegelicht. De aanbieder acht de bijstellingen niet langer relevant voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde. Voorts dient de toepassing van de bijstellingen volgens de aanbieder effectief bewezen te worden door de gebruiker van de koerslijst. In geschil is of de opname van de disclaimer tot gevolg heeft dat het vanaf 4 oktober 2021 niet meer mogelijk is de bijstellingen zonder nader bewijs toe te passen, ook als de aangifte is gedaan vóór deze datum. A-G Ettema komt tot de slotsom dat de belastingplichtige zonder onderbouwing een beroep kan blijven doen op de bijstellingen in de koerslijst EurotaxGlass’s, op voorwaarde dat hij aangifte heeft gedaan vóór 4 oktober 2021 en de koerslijstmethode van toepassing is. Het maakt daarbij geen verschil of de koerslijstmethode reeds bij de aangifte is toegepast of pas in bezwaar of (hoger) beroep. Volgens de A-G kan de inspecteur daarnaast gehouden zijn de bijstellingen uit eigen beweging toe te passen bij het opleggen van een naheffingsaanslag doch alleen als hij de koerslijstmethode toepast en een uitdraai van de koerslijst EurotaxGlass’s van vóór 4 oktober 2021 behoort tot de hem ter beschikking staande gegevens. Het voorgaande brengt mee dat het Hof ten onrechte van belanghebbende verlangt dat zij de toepassing van de bijstellingen aannemelijk maakt. A-G Ettema geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie gegrond te verklaren.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00143
Datum 26 april 2024
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Belasting pers.auto's en motorrijw. 2018
Nr. Gerechtshof 21/01123 en 21/01186
Nr. Rechtbank 50/5746
CONCLUSIE
C.M. Ettema
In de zaak van
[X]
tegen
de staatssecretaris van Financiën
1. Inleiding
1.1
In deze zaak staat de vraag centraal of voor de heffing van bpm ter zake van de registratie van een gebruikte auto rekening mag worden gehouden met de zogenoemde ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s nadat die koerslijst de keuzemogelijkheid om die factoren toe te passen heeft geschrapt.
1.2
Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019, nr. 18/002461., volgt dat bij toepassing van de koerslijstmethode in beginsel met alle in de koerslijst gespecificeerde factoren, en dus ook de voornoemde, rekening mag worden gehouden bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde. Een belastingplichtige hoeft in dit verband geen verder bewijs te leveren.
1.3
Voornoemd arrest was aanleiding voor de aanbieder van de koerslijst EurotaxGlass’s vanaf 4 oktober 2021 niet langer de mogelijkheid te bieden de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ toe te passen. In de koerslijst heeft de aanbieder een disclaimer opgenomen waarin deze keuze wordt toegelicht. Volgens de aanbieder zijn de factoren niet langer relevant voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde en moet toepassing van de factoren effectief worden bewezen door de gebruiker van de koerslijst.
1.4
In de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie behandel ik de vraag of het na het opnemen van de disclaimer in de koerslijst EurotaxGlass’s nog mogelijk is de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ toe te passen, zonder dat de belastingplichtige nader bewijs levert. In deze bijlage kom ik tot de slotsom dat deze mogelijkheid blijft bestaan, doch alleen als de aangifte is gedaan voor 4 oktober 2021 en de koerslijstmethode wordt toegepast. Het maakt daarbij niet uit of de koerslijstmethode reeds bij de aangifte is toegepast of de belastingplichtige eerst in bezwaar of (hoger) beroep de methode voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde wenst te wijzigen naar de koerslijstmethode, als de handelsinkoopwaarde maar volgens de koerslijstmethode wordt bepaald.
1.5
Het Hof heeft het voorgaande miskend. Het heeft aan de opname van de disclaimer in EurotaxGlass’s het gevolg verbonden dat de correctiefactoren niet (langer) in hun algemeenheid kunnen worden toegepast, zonder onderbouwing voor het individuele geval. De klacht, die opkomt tegen dit oordeel van het Hof, treft doel.
1.6
De Hoge Raad kan de zaak afdoen. In het dossier bevindt zich een uitdraai van de koerslijst EurotaxGlass’s van 22 juni 2018. In deze uitdraai zijn de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ niet toegepast. Niet in geschil is dat de bijstellingen optellen tot een correctie van maximaal 15% van de handelsinkoopwaarde. Voorts heeft belanghebbende voor het Hof onweersproken gesteld dat toepassing van deze correctie op de handelsinkoopwaarde die volgt uit de koerslijst EurotaxGlass’s leidt tot een vermindering van de naheffingsaanslag voor een bedrag van € 393, zodat de aanslag moet worden verminderd tot € 3.613.
1.7
Het beroep in cassatie is gegrond.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
Belanghebbende doet op 6 juni 2018 aangifte bpm ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een Volkswagen Golf 2.0 TSI GTI Performance (de auto). De auto heeft een datum van eerste toelating van 13 juli 2017. Op aangifte is een bedrag van € 828 aan bpm voldaan.
2.2
Bij de aangifte is een taxatierapport van 4 juni 2018 gevoegd van [A] (het taxatierapport). In het taxatierapport is opgenomen dat de auto op 9 januari 2018 en op 10 mei 2018 is getaxeerd. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde vastgesteld op € 4.600. De handelsinkoopwaarde is berekend op basis van een koerslijstwaarde van AutotelexPro (€ 28.800) verminderd met de volledige herstelkosten van de schade (€ 24.200).
2.3
Op 13 juni 2018 is de auto voor controle onderzocht door de dienst Domeinen Roerende Zaken van het ministerie van Financiën (DRZ). Van de controle is een rapport (DRZ-rapport) opgemaakt, dat is ondertekend op 22 juni 2018. Het DRZ-rapport vermeldt een historische nieuwprijs van € 46.564, een netto catalogusprijs van € 31.615 en een handelsinkoopwaarde van € 27.669. De handelsinkoopwaarde is vastgesteld aan de hand van de laagste waarde van de koerslijst AutotelexPro. DRZ heeft geen schade aan de auto waargenomen.
2.4
De Inspecteur heeft aan de hand van het DRZ-rapport de verschuldigde bpm vastgesteld op € 4.938. Verminderd met de op aangifte voldane bpm (€ 828) bedraagt de naheffingsaanslag € 4.110.
2.5
Belanghebbende maakt bezwaar tegen de naheffingsaanslag. Bij uitspraak op bezwaar van 5 juni 2019 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Rechtbank Den Haag2.
2.6
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) tegen de uitspraak op bezwaar.
2.7
De Rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van het doen van aangifte sprake was van meer dan normale gebruiksschade die in mindering moet worden gebracht op de waarde van de auto. Nu belanghebbende de taxatie door DRZ onvoldoende onderbouwd heeft weersproken, is het gelijk wat de betreft de omvang van de in aanmerking te nemen schade aan de Inspecteur. De Rechtbank acht wel aannemelijk dat de auto fors beschadigd is geweest voordat hij op een zeker moment voorafgaande aan de taxatie door DRZ is hersteld. Gelet op de waarde van de auto stelt de Rechtbank de aftrek wegens een schadeverleden in goede justitie vast op € 4.000. Voorts heeft belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat ten onrechte geen extra leeftijdskorting is toegepast.
2.8
Belanghebbende voert aan dat de waarde van de auto in onbeschadigde staat moet worden verminderd op basis van de koerslijst EurotaxGlass’s3.met toepassing van de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’. De Rechtbank is van oordeel dat deze stelling, die eerst ter zitting door belanghebbende is ingenomen, als tardief buiten beschouwing dient te worden gelaten. Zij neemt hierbij in aanmerking dat de Inspecteur in reactie op deze stelling onder andere heeft verklaard een berekening te moeten maken om de door belanghebbende gestelde vermindering te kunnen controleren en dat belanghebbende in zijn beroepschrift nog expliciet heeft gesteld dat de waarde van de auto in onbeschadigde staat niet in geschil is. Volgens de Rechtbank is niet duidelijk waarom de nieuwe stelling van belanghebbende niet eerder in geding kon worden gebracht.
2.9
De Rechtbank vermindert de naheffingsaanslag in verband met de waardevermindering wegens een schadeverleden van € 4.000, zodat het beroep gegrond is.
Gerechtshof Den Haag4.
2.10
Zowel belanghebbende als de Inspecteur hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (het Hof) tegen de uitspraak van de Rechtbank. In geschil is of (i) de Rechtbank ten onrechte en ongemotiveerd in goede justitie een waardevermindering vanwege het veronderstelde schadeverleden van de auto van € 4.000 heeft toegekend, of (ii) belanghebbende aanspraak kan maken op extra leeftijdskorting, en of (iii) gebruik kan worden gemaakt van de correctiefactoren in de koerslijst van EurotaxGlass’s.
2.11
In de eerste plaats oordeelt het Hof dat de Rechtbank de bewijslast ten aanzien van de waardevermindering vanwege een schadeverleden verkeerd heeft verdeeld. Belanghebbende dient aannemelijk te maken dat voor de auto een waardevermindering in aanmerking moet worden genomen vanwege een schadeverleden. Naar het oordeel van het Hof en gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, slaagt belanghebbende niet in deze bewijslast, zodat hem geen vermindering vanwege een schadeverleden toekomt.
2.12
In de tweede plaats overweegt het Hof dat partijen ter zitting het erover eens zijn geworden dat belanghebbende recht heeft op extra leeftijdskorting ten bedrage van € 103. Het beroep van de Inspecteur op interne compensatie wordt door het Hof verworpen.
2.13
In de derde plaats stelt belanghebbende, onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 15 november 20195., dat alle correctiefactoren die in de koerslijst van EurotaxGIass’s zijn opgenomen dienen te worden toegepast en dat derhalve ten aanzien van de auto nog een correctie op de handelsinkoopwaarde dient te worden toegepast van 15%.
2.14
Met ingang van 4 oktober 2021 is de koerslijst van EurotaxGlass’s aangepast, zodat sinds die datum niet meer de mogelijkheid wordt geboden om de correctiefactoren ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ toe te passen. De uitgever van de koerslijst heeft in de koerslijst de volgende disclaimer opgenomen:
“Het gebruik van de schuifknoppen “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie” worden niet meer toegelaten. Eurotax is van mening dat dergelijke prijsverhogings- en prijsverlagingsindicatoren niet meer relevant zijn voor de handelsinkoopwaarde te bepalen zoals vermeld in het arrest ECLI:NL:HR:2019:1783 van de Hoge Raad. Eveneens is Eurotax van mening dat het gebruik van eender welke correctiefactoren gegrond moet zijn en effectief bewezen moet worden door de gebruiker zelf, waar het arrest dit anders heeft belicht. Daarom zijn de indicatoren “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie” voortaan op 0% vastgelegd.”
2.15
Gelet op de voorgaande disclaimer en in afwijking van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad, is het Hof van oordeel dat thans de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ niet meer kunnen worden toegepast, zonder daarvoor een onderbouwing voor het individuele geval te geven. Belanghebbende heeft deze onderbouwing niet gegeven. Voor zover belanghebbende stelt dat deze correctiefactoren in hun algemeenheid kunnen worden toegepast, volgt het Hof deze stelling niet. De taxateur van belanghebbende heeft voor toepassing van deze correctiefactoren geen aanleiding gezien. Het Hof ziet geen aanleiding een aftrek in aanmerking te nemen.
2.16
Het Hof verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond met betrekking tot de vermindering wegens extra leeftijdskorting en het hoger beroep van de inspecteur gegrond met betrekking tot de vermindering wegens een schadeverleden.
3. Het geding in cassatie
Beroepschrift
3.1
Belanghebbende komt in cassatie met een rechtsklacht en motiveringsklacht op tegen het oordeel van het Hof dat de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ niet kunnen worden toegepast zonder nadere onderbouwing. Op het moment van de bpm-aangifte bood de koerslijst EurotaxGlass’s nog de mogelijkheid deze correctiefactoren toe te passen. Belanghebbende betoogt dat zij, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 15 november 20196., deze factoren in aanmerking mag nemen zonder verder bewijs te leveren. Dat de correctiefactoren inmiddels niet meer kunnen worden toegepast is volgens belanghebbende niet relevant, aangezien het Hof zijn oordeel dient te baseren op de feiten, de omstandigheden en het geldende recht ten tijde van het belastbare feit (toetsing ex tunc). Volgens belanghebbende hebben de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ daarnaast geen betrekking op de eigenschappen die specifiek zijn aan een bepaald voertuig, maar mogen deze, in afwijking van het oordeel van het Hof, in hun algemeenheid worden toegepast.
3.2
Voorts voert belanghebbende, onder verwijzing naar de toelichting op het met ingang van 1 januari 2013 gewijzigde art. 8 Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Uitv.reg. BPM)7., aan dat een belastingplichtige bij toepassing van een koerslijst mag uitgaan van de waarde die resulteert in de hoogste afschrijving en het laagste bedrag aan bpm. Hieruit volgt dat alle waardeverminderingsfactoren mogen worden toegepast die de koerslijst biedt. Dit sluit volgens belanghebbende ook aan op het arrest van de Hoge Raad van 6 december 20028..
3.3
Het oordeel van het Hof om de correctiefactoren niet toe te staan getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is onbegrijpelijk gemotiveerd, aldus belanghebbende. Hierdoor handelt het Hof niet alleen in strijd met de jurisprudentie van de Hoge Raad, maar ook met het rechtszekerheidsbeginsel.
Verweerschrift
3.4
De staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) voert in verweer aan dat de bewijslast voor een vermindering van het verschuldigde bpm-bedrag rust op de belastingplichtige, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 20229.. Volgens de Staatssecretaris is het oordeel van het Hof dat belanghebbende de correctiefactoren moet onderbouwen in lijn met dit arrest van de Hoge Raad. De verwijzing naar de toelichting op art. 8 Uitv.reg. BPM maakt dit niet anders. Volgens de Staatssecretaris valt uit deze toelichting niet op te maken dat de correcties zonder meer van toepassing zijn in het geval van een taxatie. Ook doet de toelichting geen afbreuk aan de bewijslastverdeling uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad.
3.5
Het arrest van 15 november 2019 ziet op de situatie dat een belastingplichtige de bpm-vermindering bepaalt aan de hand van de koerslijstmethode. In de onderhavige zaak heeft belanghebbende echter de taxatiemethode gebruikt. Binnen de taxatiemethode kan een koerslijst worden gebruikt om de handelsinkoopwaarde te bepalen, maar naar de mening van de Staatssecretaris betekent dit niet dat ook alle correctiefactoren binnen een koerslijst zonder meer van toepassing zijn. Het voorgaande betekent dat de rechtsklacht geen doel treft, aldus nog steeds de Staatssecretaris.
3.6
Voor zover de klacht van belanghebbende nog een motiveringsklacht bevat, faalt deze volgens de Staatssecretaris ook. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet heeft onderbouwd dat de correctiefactoren in dit geval niet van toepassing zijn is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Voor het overige is het Hof naar de mening van de Staatssecretaris uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, welke niet met vrucht kan worden bestreden met een motiveringsklacht.10.
Repliek
3.7
In repliek voert belanghebbende aan dat zij gebruik wenst te maken van de koerslijst EurotaxGlass’s en dat deze ‘switch’ naar een andere koerslijst in het cassatieberoep is toegestaan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 201611.. Het verweer van de Staatssecretaris dat belanghebbende moet bewijzen dat de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ van toepassing zijn, betreft volgens belanghebbende een onjuiste toepassing van het recht. Ter aanvulling verwijst belanghebbende naar drie standpunten van de Kennisgroep auto12.van de Belastingdienst. Hieruit volgt volgens belanghebbende ondubbelzinnig dat zij alsnog de koerslijst EurotaxGlass’s mag hanteren en dat zij de hierin opgenomen ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ zonder meer mag toepassen.
Dupliek
3.8
In dupliek stelt de Staatssecretaris dat belanghebbende zich noch in zijn beroepschrift in cassatie, noch daarvoor, op de koerslijstmethode heeft beroepen. Op het moment van het doen van aangifte bpm heeft belanghebbende gekozen voor toepassing van de taxatiemethode. De Staatssecretaris meent dat belanghebbende de afschrijvingsmethode niet wenst te wijzigen, maar dat zij in plaats daarvan binnen de taxatiemethode van koerslijst wenst te wisselen om de handelsinkoopwaarde te bepalen. Dit komt volgens de Staatssecretaris neer op cherry picking en vindt volgens hem geen steun in de door belanghebbende aangehaalde kennisgroepstandpunten.
3.9
Als belanghebbende wel heeft bedoeld de taxatiemethode geheel te verlaten en de koerslijstmethode volledig toe te passen, dan merkt de Staatssecretaris op dat toepassing van de koerslijstmethode met zich brengt dat geen plaats meer is voor het in aanmerking nemen van de door belanghebbende gestelde schade, nu afschrijving wegens schade enkel aan de orde kan zijn bij toepassing van de taxatiemethode.
4. Beoordeling van de klacht
4.1
Voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, oordeelt het Hof als volgt:
“Correctiefactoren EurotaxGlass’s
5.7.
Belanghebbende heeft gesteld dat gelet op HR 15 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783, BNB 2020/23, alle correctiefactoren die in de koerslijst van EurotaxGIass’s zijn opgenomen dienen te worden toegepast en dat derhalve ten aanzien van de auto nog een correctie op de door de Inspecteur bepaalde handelsinkoopwaarde dient te worden toegepast van 15 percent (…)
5.8.
De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep toegelicht dat de koerslijst van EurotaxGlass’s inmiddels niet meer de mogelijkheid biedt de genoemde correctiefactoren aan te vinken. EurotaxGlass’s heeft inmiddels een disclaimer opgenomen in de koerslijst:
‘Het gebruik van de schuifknoppen ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’ worden niet meer toegelaten. Eurotax is van mening dat dergelijke prijsverhogings- en prijsverlagingsindicatoren niet meer relevant zijn voor de handelsinkoopwaarde te bepalen zoals vermeld in het arrest ECLI:NL:HR:2019:1783 van de Hoge Raad. Eveneens is Eurotax van mening dat het gebruik van eender welke correctiefactoren gegrond moet zijn en effectief bewezen moet worden door de gebruiker zelf, waar het arrest dit anders heeft belicht. Daarom zijn de indicatoren ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’ voortaan op 0% vastgelegd.’
5.9.
Gelet op de inmiddels door de koerslijstprovider gehanteerde disclaimer is het Hof van oordeel dat thans niet meer van een aftrek ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’ kan worden uitgegaan zonder daarvoor een onderbouwing voor het individuele geval te geven. Een dergelijke onderbouwing is door belanghebbende niet gegeven. Sterker nog, belanghebbende lijkt te stellen dat deze in zijn algemeenheid dienen te worden toegepast. Dit is geenszins het geval. In het door belanghebbende aangehaalde arrest heeft de Hoge Raad overigens, anders dan belanghebbende meent, geoordeeld dat met dergelijke factoren in voorkomend geval - dus niet in het algemeen -rekening mag worden gehouden. De taxateur van belanghebbende heeft geen aanleiding gezien met de hiervoor genoemde factoren rekening te houden. Het Hof ziet geen aanleiding in dit geval een aftrek in aanmerking te nemen.”
4.2
De klacht richt zich tegen dit oordeel. De klacht voert aan dat het Hof zijn beslissing had moeten baseren op de feiten en omstandigheden en het geldende recht ten tijde van het doen van bpm-aangifte door belanghebbende. Op dat moment maakten de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ nog deel uit van het koerslijstprogramma van EurotaxGlass’s, zodat belanghebbende hiermee rekening mocht houden, aldus de klacht. Volgens de klacht behoeft belanghebbende daarbij geen nader bewijs te leveren, maar mogen de correctiefactoren in hun algemeenheid worden toegepast. Door anders te oordelen heeft het Hof het recht geschonden, aldus nog steeds de klacht.
4.3
Bij de beoordeling van de klacht stel ik het volgende voorop. Op grond van art. 10(2) Wet BPM kan een bpm-vermindering in aanmerking worden genomen voor gebruikte voertuigen.13.Deze vermindering bedraagt de procentuele afschrijving van de historische nieuwprijs van de auto. Art. 10(2) Wet BPM reikt twee methoden aan voor het bepalen van deze afschrijving, namelijk de koerslijstmethode (art. 10(7) Wet BPM) en de taxatiemethode (art. 10(8) Wet BPM).14.Beide methoden bieden de mogelijkheid een koerslijst te hanteren voor het bepalen van de afschrijving, maar de wijze waarop de koerslijst wordt gebruikt verschilt afhankelijk van de gebruikte methode. Voor een uitgebreide uiteenzetting verwijs ik naar onderdeel 4.6 e.v. van de gemeenschappelijke bijlage.
4.4
Bij toepassing van de koerslijstmethode mogen in beginsel alle factoren worden toegepast waarmee de gehanteerde koerslijst rekening houdt.15.Dit omdat anders niet is uitgesloten dat de verschuldigde bpm hoger is dan de rest-bpm die nog rust op soortgelijke voertuigen in Nederland. De Hoge Raad heeft dit ook expliciet geoordeeld over de correctiefactor ‘marktsituatie handelaar’ in de koerslijst EurotaxGlass’s.16.Het voorgaande leidt uitzondering indien bepaalde correctiefactoren in de gehanteerde koerslijst betrekking hebben op specifieke voertuigkenmerken, zoals een verhuurverleden (ex rental).17.Dergelijke factoren mogen slechts worden toegepast indien het te registreren voertuig ook de desbetreffende voertuigkenmerken bezit.18.
4.5
Bij toepassing van de taxatiemethode vormt de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst daarentegen slechts een uitgangspunt.19.De getaxeerde waarde zal immers verschillen van de koerswaarde vanwege meer dan normale gebruiksschade of de bijzondere kenmerken en eigenschappen van het te waarderen voertuig.20.In dat geval kunnen zowel de belastingplichtige als de inspecteur een aanvullende waardevermindering respectievelijk waardevermeerdering bepleiten ten opzichte van de handelsinkoopwaarde die volgt uit de koerslijst.21.
4.6
Per 1 januari 2015 heeft de wetgever toepassing van de taxatiemethode beperkt tot voertuigen met meer dan normale gebruiksschade, niet zijnde schadevoertuigen, en/of voertuigen die niet voorkomen op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland.22.Hiermee heeft de wetgever de taxatiemethode willen beperken tot voertuigen met fysiek aanwijsbare, dus waarneembare, schade.23.
4.7
Belanghebbende heeft bij de aangifte ter zake van de registratie van de auto, de afschrijving bepaald aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft. DRZ heeft een onderzoek waardebepaling uitgevoerd en vastgesteld dat geen sprake is van schade aan de auto. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aan de hand van de koerslijst AutotelexPro bepaald op € 27.669. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag gebaseerd op deze handelsinkoopwaarde en overigens geen vermindering wegens schade toegepast. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer dan normale gebruiksschade had, dat dit tot gevolg heeft dat het gebruik van de taxatiemethode niet is toegestaan en dat moet worden teruggevallen op de koerslijst(methode) dan wel de forfaitaire tabel.24.Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
4.8
De Inspecteur heeft de handelsinkoopwaarde, zoals gezegd, bepaald met gebruikmaking van de koerslijst AutotelexPro. Nu in cassatie vaststaat dat toepassing van de taxatiemethode niet mogelijk is en toepassing van de forfaitaire tabel achterwege is gebleven, brengt dit mee dat de koerslijstmethode is toegepast.25.
4.9
Belanghebbende heeft in zijn hogerberoepschrift opgemerkt dat bij het DRZ-rapport een uitdraai van de koerslijst EurotaxGlass’s is gevoegd en aangevoerd dat toepassing van de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in deze koerslijst leidt tot een lagere handelsinkoopwaarde dan de Inspecteur tot uitgangspunt heeft genomen bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Voorts heeft belanghebbende in hoger beroep betoogd dat hem een beroep op deze bijstellingen toekomt op grond van het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019, nr. 18/0024626.. Dit betoog van belanghebbende, in samenhang met het oordeel van het Hof dat toepassing van de taxatiemethode niet mogelijk is, had het Hof ertoe moeten brengen de toepassing van de bijstellingen toe te staan, zonder nader bewijs te verlangen van belanghebbende.
4.10
Het andersluidende oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat de koerslijst EurotaxGlass’s niet meer de mogelijkheid biedt deze correctiefactoren toe te passen en dat hierin inmiddels een disclaimer is opgenomen, is van geen belang. Beslissend is de handelsinkoopwaarde van de referentieauto op het moment van het doen van aangifte, te weten 6 juni 2018. Op dat moment bood de koerslijst EurotaxGlass’s de mogelijkheid rekening te houden met de correctiefactoren ‘marktsituatie’ en ‘dealersituatie’. Dit brengt mee dat belanghebbende in hoger beroep alsnog een beroep kon doen op de correctiefactoren zonder een onderbouwing voor het individuele geval te geven.27.De omstandigheid dat de taxateur van belanghebbende deze factoren niet in aanmerking heeft genomen doet hieraan niet af. Bij toepassing van de taxatiemethode vormt de handelsinkoopwaarde immers, anders dan bij toepassing van de koerslijstmethode, slechts een uitgangspunt. De klacht treft doel.
4.11
In dupliek voert de Staatssecretaris nog aan dat belanghebbende naar zijn mening niet wenst van methode te wisselen, maar hij binnen de taxatiemethode de bijstellingen wil toepassen. Deze gelden, aldus de Staatssecretaris, enkel voor de koerslijstmethode.28.Het standpunt van belanghebbende komt volgens de Staatssecretaris neer op cherry picking. Dit betoog faalt, nu de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag de afschrijving heeft bepaald volgens de koerslijstmethode en de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat hem bij het opleggen van deze aanslag een uitdraai van de koerslijst EurotaxGlass’s ter beschikking stond van vóór 4 oktober 202129.. Onder die omstandigheden diende de Inspecteur uit eigen beweging de bijstellingen in de koerslijst EurotaxGlass’s toe te passen, zodat belanghebbende niet kan worden tegengeworpen dat hij niet wenste te wisselen van afschrijvingsmethode.30.
4.12
De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Niet in geschil is dat de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ optellen tot een correctie van maximaal 15% van de handelsinkoopwaarde. Uit de door DRZ geraadpleegde uitdraai van de koerslijst EurotaxGlass’s volgt een handelsinkoopwaarde van € 29.581. Toepassing van de correctiefactoren ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ leidt tot een handelsinkoopwaarde van € 25.414.31.Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat deze handelsinkoopwaarde leidt tot een verlaging van de naheffingsaanslag met € 393 tot een bedrag van € 3.613. Deze berekening is als zodanig in hoger beroep niet bestreden door de Inspecteur32., zodat in cassatie kan worden uitgegaan van de juistheid ervan. De naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 3.613.
5. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie gegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑04‑2024
HR 15 november 2019, 18/00246, ECLI:NL:HR:2019:1783.
Rechtbank Den Haag 28 oktober 2021, SGR 20/5746, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
De Rechtbank vermeldt in punt 14 dat belanghebbende heeft aangevoerd dat de waarde van de auto in onbeschadigde staat moet worden verminderd op basis van de koerslijst Eurotax XchangeNet. De koerslijst Eurotax XchangeNet is een andere benaming voor de koerslijst EurotaxGlass’s, zodat deze benamingen voor zover hier van belang inwisselbaar zijn. Vanuit het oogpunt van consistentie noem ik de koerslijst in deze conclusie: EurotaxGlass’s, onder meer omdat dit het opschrift is van de koerslijstuitdraai die als bijlage is opgenomen bij het DRZ-rapport.
Gerechtshof Den Haag 15 december 2022, BK-21/01123 en BK-21/01186, ECLI:NL:GHDHA:2022:2605.
ECLI:NL:HR:2019:1783. Zie voornamelijk r.o. 2.4.3.
Toelichting op de wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen en van enige overige uitvoeringsregeling, Stcrt. 2012, nr. 26349. Belanghebbende citeert de toelichting bij art. IX, onderdeel D, op p. 36-37.
HR 6 december 2002, 37666, ECLI:NL:HR:2002:AE4811.
HR 20 mei 2022, 19/04563, ECLI:NL:HR:2022:640.
De Staatssecretaris verwijst naar: HR 25 september 1996, 31557, ECLI:NL:HR:1996:AA2030, r.o. 3.6.
HR 18 maart 2016, 14/04111, ECLI:NL:HR:2016:422.
Kennisgroep auto van 18 maart 2020, 200130185, Waardeverminderende factoren in de koerslijst EurotaxGlass’s; Kennisgroep auto van 24 november 2022, KG:013:2022:6, Toepassing koerslijst EurotaxGlass’s en de daarin opgenomen schuifjes ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’; Kennisgroep auto van 26 mei 2023, KG:013:2023:5, Toepassing schuifjes EurotaxGlass’s bij wijzigen afschrijvingsmethode.
Zie onderdeel 2 van de gemeenschappelijke bijlage voor een uitgebreide bespreking van het wettelijke systeem van de afschrijvingsmethoden.
Zie onderdeel 4.8 en 4.9 van de gemeenschappelijke bijlage.
ECLI:NL:HR:2019:1783, r.o. 2.4.3.
Zie onderdeel 4.10 van de gemeenschappelijke bijlage.
HR 28 februari 2020, nr. 19/00619, ECLI:NL:HR:2020:331, 2.3.5.
Zie onderdeel 4.11 van de gemeenschappelijke bijlage.
HR 12 mei 2023, nr. 21/00182, ECLI:NL:HR:2023:692.
ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3, laatste volzin. Vgl. ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.3.2.
Zie ook onderdeel 2.15 van de gemeenschappelijke bijlage.
Kamerstukken II 2014/15, 34002, nr. 3, p. 31 en 64; vgl. HR 2 februari 2024, nr. 22/00653, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.2.3.
Zie punt 5.5 van de bestreden uitspraak.
Vgl. ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.2.
ECLI:NL:HR:2019:1783, r.o. 2.4.3.
Zie p. 2 van de conclusie van dupliek.
De uitdraai van de koerslijst EurotaxGlass’s die als bijlage bij het DRZ-rapport is opgenomen heeft als datum 22 juni 2018
Zie hierover onderdeel 4.12 t/m 4.21 van de gemeenschappelijke bijlage.
Het Hof vat het betoog van belanghebbende aldus op dat de handelsinkoopwaarde inclusief correcties uitkomt op € 25.143 (zie punt 5.7 van de bestreden uitspraak). Dit is onjuist, aangezien de door DRZ berekende handelsinkoopwaarde deels bestaat uit een bedrag aan opties (€ 1.805). De correcties dienen te worden toegepast op de handelsinkoopwaarde exclusief opties. Dit leidt tot een handelsinkoopwaarde van € 25.414, namelijk (29.581 – 1.805) * 0,85 + 1.805.
De Inspecteur heeft slechts in het algemeen een beroep gedaan op interne compensatie, maar dit betoog wordt door het Hof verworpen in punt 5.11 en in cassatie wordt dit oordeel niet bestreden.
Conclusie 26‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2024:487 BPM; art. 110 VWEU; product van de overige lidstaten? Koerslijst EurotaxGlass's; 'bijstelling marksituatie' en 'bijstelling dealersituatie'; disclaimer; mag belastingplichtige bijstellingen toepassen na opname disclaimer in koerslijst? De koerslijst EurotaxGlass’s biedt de mogelijkheid de handelsinkoopwaarde te corrigeren met de zogenaamde ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’. Uit HR 15 november 2019, 18/00246 volgt dat de belastingplichtige bij toepassing van de koerslijstmethode rekening mag houden met deze bijstellingen, zonder dat hij nader bewijs hoeft te leveren. Vanaf 4 oktober 2021 biedt EurotaxGlass’s niet langer de mogelijkheid de bijstellingen in de koerslijst toe te passen. De aanbieder van de koerslijst heeft een disclaimer geplaatst in de koerslijst waarin deze keuze wordt toegelicht. De aanbieder acht de bijstellingen niet langer relevant voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde. Voorts dient de toepassing van de bijstellingen volgens de aanbieder effectief bewezen te worden door de gebruiker van de koerslijst. In deze zaak staat de vraag centraal of belanghebbende de bijstellingen in de koerslijst EurotaxGlass’s mag toepassen zonder nader bewijs te leveren, ook na opname van de disclaimer. Het Hof oordeelt dat belanghebbende de bijstellingen niet mag toepassen, omdat geen sprake is van een product van de overige lidstaten als bedoeld in art. 110 VWEU. A-G Ettema komt in deze conclusie tot de slotsom dat het Hof de juiste beoordelingsmaatstaf heeft aangelegd, aangezien het Hof doorslaggevend heeft geacht waar de auto is aangekocht. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging het principale beroep van belanghebbende ongegrond te verklaren. Het Hof heeft veronderstellenderwijs overwogen dat belanghebbende de bijstellingen zonder nader bewijs had kunnen toepassen als art. 110 VWEU van toepassing was geweest. Het voorwaardelijke incidentele beroep van de Staatssecretaris keert zich tegen dit oordeel. De A-G komt tot de slotsom dat belanghebbende de bijstellingen zonder nader bewijs mag toepassen, doch slechts indien hij aangifte heeft gedaan vóór 4 oktober 2021 en de koerslijstmethode van toepassing is. Nu in deze zaak de taxatiemethode van toepassing is, staat het belanghebbende niet vrij de bijstellingen toe te passen zonder nader bewijs te leveren. Het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris is dan gegrond. Het principale beroep in cassatie is ongegrond. Het voorwaardelijke incidentele beroep van de Staatssecretaris behoeft geen behandeling.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04093
Datum 26 april 2024
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Belasting pers.auto's en motorrijw. 2019
Nr. Gerechtshof 21/00363
Nr. Rechtbank 20/5135
CONCLUSIE
C.M. Ettema
In de zaak van
[X]
tegen
de staatssecretaris van Financiën
1. Inleiding
1.1
Belanghebbende heeft op aangifte bpm voldaan voor een gebruikte BMW. De auto is in Duitsland geproduceerd voor de Canadese markt, daarna naar Canada verscheept, aldaar voor het eerst in gebruik genomen, en na enige tijd als gebruikte auto naar Nederland overgebracht en geregistreerd. Voorafgaand aan deze registratie is de auto in Duitsland geregistreerd. In deze procedure is de vraag gerezen of deze auto een ‘product van de overige lidstaten’ is als bedoeld in artikel 110 VWEU. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het Hof heeft daarbij als uitgangspunt genomen dat voor de vraag of een ingevoerde auto een ‘product van de overige lidstaten’ is, doorslaggevend is waar deze auto wordt gekocht. Het principale beroep in cassatie van belanghebbende is tegen dat oordeel gericht. Volgens de klacht is het voldoende dat de auto zich feitelijk in Duitsland bevond en aldaar is geregistreerd.
1.2
Voor het geval belanghebbendes klacht mocht slagen, wordt toegekomen aan de vraag of de zogenoemde ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s mogen worden toegepast nadat die koerslijst die keuzemogelijkheid heeft geschrapt. Deze tweede vraag speelt ook in andere bij de Hoge Raad aanhangige zaken, onder meer de zaken met nummers 23/00142 en 23/00143. In die zaken heeft het Hof de toepassing van de correctiefactoren geweigerd.
1.3
In de onderhavige zaak komt het Hof daarentegen tot het oordeel dat belanghebbende in beginsel wel aanspraak kan maken op de correctiefactoren, ware het niet dat belanghebbende in dit geval niet wordt beschermd door art. 110 VWEU en toch ongelijk krijgt. Het incidentele beroep van de staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) is gericht tegen dit oordeel. Het is ingesteld onder de voorwaarde dat het principale beroep gegrond is. Bij deze zaak gaat een gemeenschappelijke bijlage, waarin ik deze tweede vraag bespreek.
1.4
Ik kom tot de slotsom dat het Hof voor de beoordeling of art. 110 VWEU is geschonden terecht van doorslaggevend belang heeft geacht waar de auto is aangekocht. Het Hof heeft de juiste maatstaf aangelegd. Ik geef de Hoge Raad in overweging het principale beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.
1.5
Het voorwaardelijke incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris behoeft dan geen behandeling. Mocht daar toch aan worden toegekomen, dan geef ik de Hoge Raad in overweging het incidentele beroep in cassatie gegrond te verklaren. Het Hof heeft de bijstellingen (veronderstellenderwijs) van toepassing geacht, zonder nader bewijs te verlangen van belanghebbende. Nu de taxatiemethode van toepassing is, getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is het onvoldoende gemotiveerd. Verwijzing moet dan volgen.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
Belanghebbende heeft in mei 2019 een bedrag van € 4.626 aan bpm op aangifte voldaan ter zake van de registratie van een BMW 535Xi High Executive xDrive (de auto).
2.2
De auto is oorspronkelijk geproduceerd in Duitsland voor de Canadese markt. De auto is na de productie naar Canada verscheept en aldaar op 25 oktober 2013 voor het eerst in gebruik genomen.1.Belanghebbende heeft de auto op enig moment gekocht.
2.3
De auto is in Nederland ingevoerd en op 3 mei 2019 geregistreerd in het Nederlandse kentekenregister. Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie. Voor de berekening van de bpm heeft belanghebbende gebruikgemaakt van een taxatierapport.
2.4
De inspecteur heeft met dagtekening 12 februari 2020 aan belanghebbende een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 7.609, vermeerderd met een bedrag van € 16 aan belastingrente. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 augustus 2020 de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.023 en de beschikking belastingrente verminderd tot € 8.
De Rechtbank2.
2.5
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank). Voor zover van belang in cassatie is in geschil of belanghebbende de correctiefactoren ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s mag toepassen.
2.6
De Rechtbank overweegt dat niet is weersproken dat de auto niet voorkomt op de koerslijst van Eurotaxglass’s. Om die reden komt belanghebbende geen beroep toe op de correctiefactoren in die koerslijst.3.
2.7
De Rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Het Hof4.
2.8
Voor zover van belang in cassatie is in hoger beroep in geschil of belanghebbende met vrucht een beroep kan doen op art. 110 VWEU en, zo ja, of belanghebbende de correctiefactoren ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s kan toepassen.
2.9
Het Hof stelt voorop dat het op de weg van belanghebbende ligt aannemelijk te maken dat sprake is van een situatie als bedoeld in art. 110 VWEU. In het bijzonder dient hij daarbij aannemelijk te maken dat de auto een product van een andere lidstaat is. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de auto afkomstig is van de Duitse markt. De omstandigheid dat de auto in Duitsland is vervaardigd brengt niet mee dat de auto reeds daarom moet worden aangemerkt als ‘een product van een andere lidstaat’ als bedoeld in art. 110 VWEU. Ook de omstandigheid dat de auto eerst in Duitsland is geregistreerd alvorens deze in Nederland werd geregistreerd, is volgens het Hof onvoldoende. Deze omstandigheid sluit volgens het Hof niet uit dat de auto in Canada is gekocht, te minder nu de auto in Duitsland is geregistreerd door een onderneming die facilitaire diensten verleent bij de import en export van auto’s. Gelet hierop kan de auto volgens het Hof niet worden aangemerkt als een product van de overige lidstaten in de zin van art. 110 VWEU en is het hoger beroep ongegrond.
2.10
Indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat art. 110 VWEU wel toepassing vindt, volgt het Hof belanghebbende niet in zijn stelling dat de Inspecteur gehouden is de ‘bijstellingen’ in de koerslijst EurotaxGlass’s ambtshalve toe te passen, nu de Hoge Raad in zijn arrest 15 november 2019, nr. 18/002465.heeft geoordeeld dat de belastingplichtige met de bijstellingen rekening mag houden. Dit neemt volgens het Hof niet weg dat het belanghebbende vrij staat alsnog een beroep te doen op een voor hem gunstiger koerslijst, ook indien de daaruit voortvloeiende handelsinkoopwaarde enkel is terug te voeren op het (alsnog) toepassen van in die koerslijst voorziene bijstellingen. Nu belanghebbende zich beroept op de door de Inspecteur ingebrachte koerslijst en niet in geschil is dat de bijstellingen tezamen 15% bedragen en leiden tot een handelsinkoopwaarde van € 19.937, hoeft belanghebbende geen nieuwe uitdraai van de koerslijst over te leggen. Toepassing van de bijstellingen leidt volgens het Hof tot een vermindering van de naheffingsaanslag tot € 3.059. Tot een gegrondverklaring van het hoger beroep kan dit evenwel niet leiden, nu art. 110 VWEU toepassing mist.
3. Het geding in cassatie
Beroepschrift in cassatie
3.1
Het principale beroep in cassatie van belanghebbende bestrijdt het oordeel van het Hof dat de auto niet een ‘product van de overige lidstaten’ is en dat art. 110 VWEU zodoende toepassing mist. Volgens de klacht is het Europese recht van toepassing zodra een auto in een lidstaat van de Europese Unie is geregistreerd. Dit volgt ook uit Richtlijn 1999/37/EG, aldus de klacht. Door voor de beoordeling of sprake is van een ‘product van de overige lidstaten’ doorslaggevend te achten waar de auto is gekocht, is het Hof uitgegaan van een onjuist toetsingskader. Volgens de klacht is het voldoende dat de auto zich feitelijk in Duitsland bevond en aldaar is geregistreerd.
Verweerschrift
3.2
De staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) stelt voorop dat vaststaat dat de auto in Duitsland is geproduceerd voor de Canadese markt en dat de auto op 25 oktober 2013 in Canada voor het eerst in gebruik is genomen. Gelet op deze feiten is naar zijn mening geen sprake van ‘een product van een andere lidstaat’, aangezien de auto vanuit de markt van een derde land wordt binnengebracht in Nederland. Art. 110 VWEU mist dan toepassing, aldus de Staatssecretaris. De verwijzing door belanghebbende naar Richtlijn 1999/37/EG maakt dit volgens hem niet anders.
3.3
Volgens de Staatssecretaris oordeelt het Hof terecht dat voor toepassing van art. 110 VWEU niet voldoende is dat de auto in Duitsland is vervaardigd en de auto eerder in Duitsland geregistreerd is geweest. De rechtsklachten treffen daarom volgens hem geen doel. Voor het overige is het oordeel van het Hof van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Op grond van het voorgaande faalt de klacht volgens de Staatssecretaris.
Incidenteel beroep in cassatie
3.4
De Staatssecretaris stelt tevens voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie in voor het geval de Hoge Raad oordeelt dat het principale beroep in cassatie slaagt en art. 110 VWEU van toepassing is. Daarbij stelt hij één middel voor, bestaande uit een rechtsklacht en twee motiveringsklachten.
3.5
Voor zover het Hof in punt 5.18 oordeelt dat het enkele beroep op de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ reeds voldoende is voor toepassing ervan, getuigt het oordeel volgens het middel van een onjuiste rechtsopvatting. De belastingplichtige dient aannemelijk te maken dat de desbetreffende correctiefactoren op hem van toepassing zijn. Het Hof heeft dit miskend, aldus het middel.
3.6
Volgens de twee motiveringsklachten is het Hof voorts ten onrechte en ongemotiveerd voorbijgegaan aan het betoog van de Inspecteur dat de correctiefactoren in het onderhavige geval niet van toepassing zijn en dat de aanbieder van de koerslijst EurotaxGlass’s inmiddels een disclaimer in de koerslijst heeft opgenomen die erop neerkomt dat de desbetreffende bijstellingen op nihil moeten worden gesteld.
4. Beoordeling van de klacht
4.1
Bij de beoordeling van de klacht stel ik het volgende voorop. Art. 110 VWEU bepaalt, voor zover hier van belang, dat een uit een andere lidstaat afkomstig product niet zwaarder mag worden belast dan een gelijksoortig nationaal product. Art. 110 VWEU heeft in zoverre ook betrekking op de heffing van registratiebelastingen, zoals de bpm.6.Art. 110 VWEU luidt:
“De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.
Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.”
4.2
Deze bepaling heeft tot doel het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten onder normale mededingingsvoorwaarden te verzekeren. Het strekt ertoe elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van producten uit andere lidstaten.7.
4.3
Daartoe verbiedt art. 110 VWEU elke lidstaat om op producten van andere lidstaten hogere binnenlandse belastingen te heffen dan die welke op gelijksoortige nationale producten worden geheven.8.
4.4
Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat de ‘producten van de overige lidstaten’, producten zijn die in de andere lidstaat worden verkocht. Met betrekking tot tweedehands motorvoertuigen heeft het Hof van Justitie dit als volgt verwoord (cursiveringen CE):9.
“24 Het is dienaangaande vaste rechtspraak dat de uit andere lidstaten afkomstige tweedehands motorvoertuigen, die de ‘producten van de overige lidstaten’ zijn in de zin van artikel 110 VWEU, de in de andere lidstaten dan de betrokken lidstaat verkochte voertuigen betreffen die, ingeval zij door een inwoner van deze laatste lidstaat worden gekocht, in die lidstaat kunnen worden ingevoerd en aldaar in het verkeer worden gebracht (…)”
4.5
In iets andere bewoordingen overweegt het Hof van Justitie in het arrest Tatu als volgt:10.
“55 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de in een lidstaat in de handel zijnde motorvoertuigen ‘nationale producten’ van deze lidstaat in de zin van artikel 110 VWEU zijn. Wanneer deze producten op de markt voor tweedehands voertuigen van die lidstaat te koop worden aangeboden, moeten zij worden beschouwd als ‘gelijksoortige producten’ als ingevoerde tweedehands voertuigen van hetzelfde type, met dezelfde kenmerken en slijtage. Op de markt van die lidstaat gekochte tweedehands voertuigen en tweedehands voertuigen die met het oog op de invoer en het in het verkeer brengen ervan in die lidstaat worden gekocht in andere lidstaten, zijn immers concurrerende producten (…)”
4.6
Voort wijs ik op de volgende overweging van het Hof van Justitie in het arrest dos Santos (cursiveringen CE):11.
“16 Wagens die zich in een lidstaat op de markt bevinden, zijn nationale producten van deze lidstaat in de zin van artikel 110 VWEU. Wanneer deze producten op de markt voor tweedehands voertuigen van die lidstaat te koop worden aangeboden, moeten zij worden beschouwd als gelijksoortige producten als ingevoerde tweedehands voertuigen van hetzelfde type, met dezelfde kenmerken en slijtage. Op de markt van die lidstaat gekochte tweedehands voertuigen en tweedehands voertuigen die met het oog op de invoer en het in het verkeer brengen ervan in die lidstaat worden gekocht in andere lidstaten, zijn immers concurrerende producten (…)”
4.7
Voor de beoordeling of sprake is van een ‘product van de overige lidstaten’, is dus bepalend of het product op de markt voor tweedehandsvoertuigen van een andere lidstaat is gekocht.
4.8
Het is dus niet zo dat een tweedehandsvoertuig reeds als een ‘product van de overige lidstaten’ als bedoeld in art. 110 VWEU wordt beschouwd als deze auto zich op enig moment feitelijk in een andere lidstaat bevindt en aldaar is geregistreerd. Dat volgt ook niet uit Richtlijn 1999/37/EG.
4.9
Art. 110 VWEU heeft niet ten doel rechtstreeks in een niet-EU land aangekochte producten te beschermen.
4.10
Ik merk voor de volledigheid op dat het arrest Grundig Italiana12.dit niet anders maakt. Op het eerste gezicht zou uit dit arrest kunnen worden afgeleid dat de waarborgen van art. 110 VWEU gelden voor alle producten die zich in het vrije verkeer van een lidstaat bevinden, dus ook voor uit derde landen ingevoerde producten:
“11 Volgens vaste rechtspraak heeft artikel 95 van het Verdrag tot doel, het vrije goederenverkeer tussen de lidstaten onder normale mededingingsvoorwaarden te verzekeren door elke vorm van bescherming uit te sluiten die het resultaat kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn voor producten uit andere lidstaten. Deze bepaling heeft betrekking op alle producten uit de lidstaten, daaronder begrepen producten van oorsprong uit derde landen, die zich in de lidstaten in het vrije verkeer bevinden (arrest van 7 mei 1987, Co-Frutta, zaak 193/85, Jurispr. blz. 2085, punten 25, 26 en 29).”
4.11
Mijns inziens overweegt het Hof van Justitie hier slechts dat art. 95 (thans: art. 110 VWEU) geen onderscheid maakt naargelang de oorsprong13.van het product. Dat betekent dat dit artikel zowel van toepassing is op producten van oorsprong uit de lidstaten als een product dat van buiten de Unie in het vrije verkeer is gebracht. Voor beide soorten producten geldt echter nog wel, buiten redelijke twijfel, dat deze moeten worden gekocht op de markt van een lidstaat, alvorens zij worden aangemerkt als een product van de lidstaten in de zin van art. 110 VWEU.
4.12
Het Hof heeft voor de beoordeling of art. 110 VWEU is geschonden van doorslaggevend belang geacht waar de auto is aangekocht. Zodoende heeft het Hof de juiste beoordelingsmaatstaf aangelegd. Voor zover de klacht hiertegen opkomt faalt deze.
4.13
In het oordeel van het Hof ligt besloten dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de auto in een andere lidstaat heeft gekocht. Dit feitelijke (bewijs)oordeel lijkt mij niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De klacht faalt dus ook voor het overige.
4.14
Hoewel de klacht zich hiertegen niet keert, merk ik op dat het Hof kennelijk tot uitgangspunt neemt dat de in het arrest van de Hoge Raad van 15 november 201914.geformuleerde regel dat de belastingplichtige de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s in aanmerking mag nemen zonder dat hij verder bewijs hoeft te leveren, slechts opgaat indien art. 110 VWEU van toepassing is. Dit uitgangspunt acht ik juist. Hiervoor verwijs ik naar onderdeel 4.9 van de gemeenschappelijke bijlage.
4.15
Nu het principale beroep ongegrond is, behoeft het voorwaardelijke incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris geen behandeling.
4.16
Mocht de Hoge Raad het principale beroep gegrond verklaren, dan is voldaan aan de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld. Voor dat geval bespreek ik hierna of het incidentele beroep in cassatie gegrond is.
Beoordeling van het incidentele beroep in cassatie
4.17
Het voorwaardelijk incidenteel beroep van de Staatssecretaris bevat een rechtsklacht en twee motiveringsklachten. De rechtsklacht komt op tegen het oordeel van het Hof dat reeds het enkele beroep op de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s volstaat voor het in aanmerking nemen ervan. Volgens de klacht dient belanghebbende de toepassing van de bijstellingen aannemelijk te maken. Bovendien kent de koerslijst EurotaxGlass’s thans niet meer de mogelijkheid genoemde bijstellingen toe te passen. De motiveringsklachten voeren aan dat het Hof ongemotiveerd voorbij gaat aan het betoog van de Inspecteur in hoger beroep dat de bijstellingen niet kunnen worden toegepast, in het bijzonder de stelling van de Inspecteur dat de aanbieder van de koerslijst EurotaxGlass’s inmiddels een disclaimer heeft opgenomen in de koerslijst met de strekking dat de bijstellingen voortaan niet meer kunnen worden toegepast.
4.18
Bij de beoordeling van de klachten stel ik het volgende voorop. Op grond van art. 10(2) Wet BPM kan een bpm-vermindering in aanmerking worden genomen voor gebruikte voertuigen.15.Deze vermindering bedraagt de procentuele afschrijving van de historische nieuwprijs van de auto. Art. 10(2) Wet BPM reikt twee methoden aan voor het bepalen van deze afschrijving, namelijk de koerslijstmethode (art. 10(7) Wet BPM) en de taxatiemethode (art. 10(8) Wet BPM).16.Beide methoden bieden de mogelijkheid een koerslijst te hanteren voor het bepalen van de afschrijving, maar de wijze waarop de koerslijst wordt gebruikt verschilt afhankelijk van de gebruikte methode. Voor een uitgebreide uiteenzetting verwijs ik naar onderdeel 4.6 e.v. van de gemeenschappelijke bijlage.
4.19
Bij toepassing van de koerslijstmethode mogen in beginsel alle factoren worden toegepast waarmee de gehanteerde koerslijst rekening houdt.17.Dit omdat anders niet is uitgesloten dat de verschuldigde bpm hoger is dan de rest-bpm die nog rust op soortgelijke voertuigen in Nederland. De Hoge Raad heeft dit ook expliciet geoordeeld over de correctiefactor ‘marktsituatie handelaar’ in de koerslijst EurotaxGlass’s.18.Het voorgaande leidt uitzondering indien bepaalde correctiefactoren in de gehanteerde koerslijst betrekking hebben op specifieke voertuigkenmerken, zoals een verhuurverleden (ex rental).19.Dergelijke factoren mogen slechts worden toegepast indien het te registreren voertuig ook de desbetreffende voertuigkenmerken bezit.20.
4.20
Bij toepassing van de taxatiemethode vormt de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst daarentegen slechts een uitgangspunt.21.De getaxeerde waarde zal immers verschillen van de koerswaarde vanwege meer dan normale gebruiksschade of de bijzondere kenmerken en eigenschappen van het te waarderen voertuig.22.In dat geval kunnen zowel de belastingplichtige als de inspecteur een aanvullende waardevermindering respectievelijk waardevermeerdering bepleiten ten opzichte van de handelsinkoopwaarde die volgt uit de koerslijst.23.
4.21
Per 1 januari 2015 heeft de wetgever toepassing van de taxatiemethode beperkt tot voertuigen met meer dan normale gebruiksschade, niet zijnde schadevoertuigen, en/of voertuigen die niet voorkomen op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland.24.
4.22
Belanghebbende heeft bij zijn aangifte een beroep gedaan op een taxatierapport, waarin door de taxateur een bedrag van € 9.955 aan schade in aanmerking is genomen. Bij opname van de auto door DRZ is echter geen schade bevonden. De Inspecteur heeft daarom het taxatierapport terzijde geschoven. Vervolgens heeft hij voor de berekening van het verschuldigde bpm-bedrag een viertal koerslijsten geraadpleegd en de afschrijving gebaseerd op de laagst bevonden handelsinkoopwaarde (EurotaxGlass’s).25.Het Hof overweegt, in cassatie onbestreden, dat de auto als zodanig niet voorkomt in een koerslijst, zodat de Inspecteur terecht aansluiting heeft gezocht bij de handelsinkoopwaarde die volgt uit een koerslijst voor de Europese uitvoering van de auto.26.
4.23
Ik trek uit het voorgaande de volgende conclusie. Belanghebbende heeft in zijn aangifte de afschrijving bepaald aan de hand van de taxatiemethode. Aangezien de auto niet als zodanig voorkomt op enige koerslijst, voldeed belanghebbende aan de voorwaarden voor toepassing van de taxatiemethode27.; de omstandigheid dat het door belanghebbende gebruikte taxatierapport is verworpen, doet hieraan niet af.28.Uit de stukken van het geding maak ik niet op dat partijen de bedoeling hadden op enig moment af te wijken van de taxatiemethode. Een en ander brengt mee dat de taxatiemethode is toegepast voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde.
4.24
Zoals gezegd vormt de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst bij toepassing van de taxatiemethode slechts een uitgangspunt (4.20). Mijns inziens brengt dit mee dat voor toepassing van de bijstellingen dan slechts plaats is, indien dit geboden is in verband met de specifieke kenmerken en eigenschappen van de getaxeerde auto.29.De belastingplichtige die de bijstellingen wenst toe te passen zal, in het geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk moeten maken die meebrengen dat die bijstellingen in zijn geval mogen worden toegepast.30.
4.25
Het andersluidende oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft de bijstellingen in de koerslijst EurotaxGlass’s (veronderstellenderwijs) van toepassing geacht op de auto, zonder nader bewijs te verlangen van belanghebbende. Voor zover het Hof wel is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. De klacht van de Staatssecretaris treft doel.
4.26
Mocht het principale beroep gegrond worden verklaard, dan geef ik de Hoge Raad in overweging het incidentele beroep van de Staatssecretaris gegrond te verklaren. In dat geval moet verwijzing volgen en dient het verwijzingshof te onderzoeken of belanghebbende de feiten aannemelijk kan maken die meebrengen dat hij de bijstellingen mag toepassen.
5. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑04‑2024
Zie 5.2 van de bestreden uitspraak.
Rechtbank Noord-Holland 16 april 2021, nr. HAA 20/5135, niet gepubliceerd.
De Rechtbank verwijst naar HR 23 oktober 2020, nr. 19/00101, ECLI:NL:HR:2020:1666.
Gerechtshof Amsterdam 20 september 2022, nr. 21/00363, ECLI:NL:GHAMS:2022:2760.
HR 15 november 2019, nr. 18/00246, ECLI:NL:HR:2019:1783.
Vgl. HvJ 14 april 2015 (grote kamer), Manea, C-76/14, ECLI:EU:C:2015:216 (conclusie A-G Szpunar), punten 33 en 34.
Manea, ECLI:EU:C:2015:216, punt 28.
Manea, ECLI:EU:C:2015:216, punt 29.
HvJ 9 juni 2016, Budișan, C-586/14, ECLI:EU:C:2016:421; zie in gelijke zin Manea, ECLI:EU:C:2015:216, punt 31.
HvJ 7 april 2011, Tatu, C-402/09, ECLI:EU:C:2011:219 (conclusie A-G Sharpton).
HvJ 17 april 2018, dos Santos, C-640/17, ECLI:EU:C:2018:275.
HvJ 17 juni 1998, Grundig Italiana, C-68/96, ECLI:EU:C:1998:299 (conclusie A-G Lenz).
Vgl. met name punt 26 van HvJ 7 mei 1987, Co-Frutta, C-193/85, ECLI:EU:C:1987:210 (conclusie A-G Lenz); waarnaar het Hof van Justitie in punt 11 van Grundig Italiana ook verwijst.
Zie onderdeel 2 van de gemeenschappelijke bijlage voor een uitgebreide bespreking van het wettelijke systeem van de afschrijvingsmethoden.
Zie onderdeel 4.8 en 4.9 van de gemeenschappelijke bijlage.
ECLI:NL:HR:2019:1783, r.o. 2.4.3.
Zie onderdeel 4.10 van de gemeenschappelijke bijlage.
HR 28 februari 2020, nr. 19/00619, ECLI:NL:HR:2020:331, 2.3.5.
Zie onderdeel 4.11 van de gemeenschappelijke bijlage.
HR 12 mei 2023, nr. 21/00182, ECLI:NL:HR:2023:692.
ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3, laatste volzin. Vgl. HR 20 mei 2022, nr. 19/04563, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.3.2.
Zie ook onderdeel 2.15 van de gemeenschappelijke bijlage.
Zie punt 5.10 van de bestreden uitspraak.
Zie punt 5.11 en 5.12 van de bestreden uitspraak.
Onderdeel 2.15 van de gemeenschappelijke bijlage.
Zie voor het geval waarin de taxatiemethode niet van toepassing kan zijn: HR 2 februari 2024, nr. 22/00653, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.1 en 3.3.2.
Zie onderdeel 4.21 van de gemeenschappelijke bijlage.
Vgl. ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.2, 3.2.4 en 3.2.7.
Conclusie 26‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 26 april 2024 inzake: 22/04093 ECLI:NL:PHR:2024:474 23/00142 ECLI:NL:PHR:2024:472 23/00143 ECLI:NL:PHR:2024:473 en 24/00420 ECLI:NL:PHR:2024:475
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
C.M. Ettema
ADVOCAAT-GENERAAL
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 26 april 2024 inzake:
Nrs. 22/04093, 23/00142, 23/00143 en 24/00420
Derde Kamer A
1. Overzicht
Inleiding
1.1
Deze bijlage hoort bij de conclusies met de bovengenoemde zaaknummers. De bijlage behandelt het door de belanghebbenden in deze vier zaken ingenomen standpunten over de toepassing van de zogenoemde ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s. Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019, nr. 18/002461.volgt dat bij toepassing van de koerslijstmethode, in beginsel met alle in de koerslijst gespecificeerde factoren rekening mag worden gehouden bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde. Een belastingplichtige hoeft in dit verband geen verder bewijs te leveren.2.
1.2
Voornoemd arrest was aanleiding voor de aanbieder van de koerslijst EurotaxGlass’s vanaf 4 oktober 2021 niet langer de mogelijkheid te bieden de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ toe te passen. In de koerslijst heeft de aanbieder een disclaimer opgenomen waarin deze keuze is toegelicht (zie 5.5). Volgens de aanbieder zijn deze factoren niet langer relevant voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde en moet toepassing van de factoren effectief worden bewezen door de gebruiker van de koerslijst.
1.3
Voor drie van de vier zaken waarop deze bijlage ziet, heeft het gerechtshof Den Haag geoordeeld dat de opname van de disclaimer in de koerslijst EurotaxGlass’s tot gevolg heeft dat de belastingplichtige de correctiefactoren thans niet meer kan toepassen zonder een onderbouwing voor het individuele geval te geven.3.De belanghebbenden in deze zaken komen in cassatie op tegen dit oordeel. In de vierde zaak oordeelt het gerechtshof Amsterdam daarentegen dat het de belastingplichtige thans nog vrijstaat een beroep te doen op voornoemde bijstellingen, zonder dat het hof verlangt dat verder bewijs wordt geleverd.4.Tegen die uitspraak heeft de Staatssecretaris voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld, waarin hij met een rechts- en twee motiveringsklachten opkomt tegen het oordeel van het gerechtshof dat belanghebbende aanspraak kan maken op de bijstellingen.
1.4
In deze bijlage bespreek ik of en, zo ja, onder welke voorwaarden het na het opnemen van de disclaimer in de koerslijst EurotaxGlass’s nog mogelijk is de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ toe te passen.
Opbouw gemeenschappelijke bijlage
1.5
In onderdeel 2 beschrijf ik op welke wijze de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen wordt bepaald die volgens de Wet BPM in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de verschuldigde bpm. Hierbij bespreek ik in het bijzonder de koerslijstmethode en de taxatiemethode.
1.6
In onderdeel 3 behandel ik de voor de bpm-vermindering bepalende ‘afschrijving’ als bedoeld in art. 10(2) Wet BPM. Ik beschrijf hoe de afschrijving wordt berekend en bespreek zowel de koerslijstmethode als de taxatiemethode. Onderdeel 4 beschrijft vervolgens het gebruik van koerslijsten en het verschil in gebruik daarvan bij de koerslijstmethode en de taxatiemethode. Ik doe dat, omdat het antwoord op de vraag of de belanghebbenden in de zaken met nummer 23/00142 en 23/00143 aanspraak kunnen maken op toepassing van de bijstellingen in de koerslijst EurotaxGlass’s, zo zal ik verderop in deze bijlage zal toelichten, verschilt naargelang de koerslijstmethode of de taxatiemethode wordt toegepast. In onderdeel 4 bespreek ik daarnaast de vraag of en, zo ja, in welke situaties de inspecteur gehouden is de bijstellingen uit eigen beweging toe te passen bij het opleggen van een naheffingsaanslag.
1.7
In onderdeel 5 ga ik in op de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s en de disclaimer die de aanbieder van die koerslijst op 4 oktober 2021 heeft opgenomen in de koerslijst. Voorts behandel ik drie standpunten van de Kennisgroep Auto van de Belastingdienst die ingaan op deze correctiefactoren.
Slotsom
1.8
Ik kom tot de slotsom dat een belastingplichtige ook na het opnemen van de disclaimer in de koerslijst EurotaxGlass’s de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ mag toepassen, zonder dat hij hiervoor nader bewijs hoeft te leveren. Als voorwaarde geldt wel dat de aangifte is gedaan vóór 4 oktober 2021 en dat de koerslijstmethode is toegepast. In dit kader is niet van belang of de belastingplichtige de koerslijstmethode reeds bij de aangifte heeft toegepast of dat hij in bezwaar of (hoger) beroep de afschrijvingsmethode wenst te wijzigen naar de koerslijstmethode. In het geval de methode wordt gewijzigd is wel vereist dat geen tweede controle van het voertuig nodig is en dat een (historische) uitdraai van de gebruikte koerslijst kan worden overgelegd. Voorts kom ik tot de slotsom dat de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag is gehouden de bijstellingen in de koerslijst EurotaxGlass’s uit eigen beweging toe te passen, doch alleen als hij de koerslijstmethode hanteert en een koerslijstuitdraai van vóór 4 oktober 2021 behoort tot de hem ter beschikking staande gegevens.
2. Wettelijke systeem van de bpm
Afschrijvingsmethoden
2.1
In Nederland wordt met betrekking tot personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s een belasting geheven onder de naam ‘belasting van personenauto’s en motorrijwielen’ (bpm). De belasting is verschuldigd ter zake van de registratie van motorvoertuigen in het Nederlandse kentekenregister.5.Art. 1(1) en art. 1(2) Wet BPM bepalen in dit verband:
“1 Onder de naam ‘belasting van personenauto’s en motorrijwielen’ wordt een belasting geheven met betrekking tot personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s.
2 De belasting is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto in het kentekenregister.”
2.2
Ingevolge art. 9(1) Wet BPM wordt de voor een personenauto verschuldigde bpm bepaald aan de hand van de CO2 -uitstoot van de auto.
2.3
Voor gebruikte motorrijtuigen regelt art. 10(1) Wet BPM dat voor de berekening van de verschuldigde bpm een vermindering van het belastingbedrag in aanmerking wordt genomen. Deze vermindering wordt ingevolge art. 10(2) van die wet gevormd door de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de inkoopwaarde in Nederland op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen. De bepalingen luiden:
“1 Met betrekking tot gebruikte personenauto's, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto's wordt het bij de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto behorende bedrag aan belasting, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met het derde lid, berekend met inachtneming van een vermindering.
2 De vermindering, bedoeld in het eerste lid, is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen.”
2.4
Deze bepalingen moeten aldus worden uitgelegd dat bij de heffing van bpm ter zake van gebruikte personenauto’s rekening wordt gehouden met een (bij benadering) reële waardedaling van het desbetreffende voertuig.6.De wetgever heeft als uitgangspunt genomen dat het bedrag van de bpm na de registratie van een ongebruikte auto in gelijke mate daalt als de waarde in het economische verkeer van de gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde gebruikte auto (de referentieauto).7.
2.5
De wet- en regelgever heeft drie manieren aangereikt waarop de vermindering voor gebruikte motorrijtuigen als bedoeld in art. 10(1) Wet BPM kan worden berekend: een berekening volgens (i) een forfaitaire tabel, (ii) een koerslijst of (iii) een taxatierapport.8.Art. 10 Wet BPM verwoordt dit als volgt:
“6 In afwijking van het tweede lid wordt de vermindering, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, vastgesteld aan de hand van een bij ministeriële regeling vast te stellen tabel.
7 De afschrijving, bedoeld in het tweede lid, wordt, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, verminderd met de waarde vermeld in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland.
8 Indien sprake is van:
a. een voertuig met meer dan normale gebruiksschade, niet zijnde een schadevoertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de Wegenverkeerswet 1994, of
b. een motorrijtuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland,
wordt de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, verminderd met de taxatiewaarde vermeld in een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.”
2.6
De belastingplichtige dient bij de aangifte een verzoek te doen voor toepassing van een van de drie methoden. Ook moet hij opgaaf doen van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de vermindering. Dit is geregeld in art. 10(9) Wet BPM:
“9 Bij de aangifte wordt een opgaaf gedaan van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, dan wel voor de toepassing van de tabel, bedoeld in het zesde lid. Wanneer naar het oordeel van de inspecteur gegevens ontbreken die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde vermindering, worden de ontbrekende gegevens toegevoegd. Gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, kunnen door degene die gehouden is de belasting op aangifte te voldoen niet op een later tijdstip alsnog worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen.”
2.7
Art. 10(10) Wet BPM bepaalt dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van art. 10 Wet BPM. De regelgever heeft van deze bevoegdheid gebruikgemaakt in de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Uitv. reg. BPM). Art. 8 Uitv. reg. BPM regelt welke gegevens in de opgaaf als bedoeld in art. 10(9) Wet BPM moeten worden verstrekt:
“4 De opgaaf, bedoeld in artikel 10, negende lid, van de wet, bestaat uit:
a. een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de bij de aangifte toegepaste afschrijving, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, is ontleend; of
b. het bij de aangifte gebruikte taxatierapport:
– dat is opgemaakt met inachtneming van de voorwaarden opgenomen in bijlage I; en
– dat is opgemaakt ten hoogste een maand vóór het tijdstip dat de belasting ingevolge artikel 1 van de wet is verschuldigd, in de staat waarin het motorrijtuig op dat tijdstip verkeert, door een onafhankelijke, erkende taxateur, in overeenstemming met het eerste aandachtsstreepje.
Bij het doen van de opgaaf wordt slechts gebruikgemaakt van de gegevens van niet meer dan één koerslijst als bedoeld onder a
5 Bij toepassing van de artikelen 10, zesde lid en 10a, eerste lid, van de wet is de afschrijving, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, een percentage van het belastingbedrag, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met derde lid, van de wet, welk percentage is aangegeven in de navolgende tabel. Het vierde lid blijft in dat geval buiten toepassing.
[CE: afschrijvingstabel niet overgenomen]”
2.8
Doordat art. 10 Wet BPM in samenhang met art. 8 Uitv.reg. BPM bij de heffing van bpm rekening houdt met een bpm-vermindering, wordt beoogd deze belasting in overeenstemming met art. 110 VWEU te heffen. Deze laatste bepaling vereist, voor zover hier van belang, dat een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto niet zwaarder wordt belast dan een gelijksoortige gebruikte personenauto die reeds in Nederland is geregistreerd. Art. 110 VWEU luidt:
“De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.
Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.”
2.9
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie strekt art. 110 VWEU ertoe “de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen producten die zich reeds op de binnenlandse markt bevinden en ingevoerde producten”.9.Volgens het Hof van Justitie verzet art. 110 VWEU zich tegen een stelsel van belastingheffing waarbij niet kan worden uitgesloten dat een ingevoerde auto in bepaalde gevallen is onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op gelijksoortige, reeds in die lidstaat geregistreerde, voertuigen.10.Deze discriminatie kan slechts worden voorkomen, indien kan worden gekozen voor het laagste restbedrag van de bpm dat nog is vervat in de waarde van gelijksoortige op het nationale grondgebied geregistreerde tweedehands voertuigen.11.Voor de toepassing van art. 110 VWEU is niet alleen het tarief van de betrokken binnenlandse belasting van belang, maar ook de grondslag en de heffingsmodaliteiten.12.Voor een meer uitgebreide bespreking van de rechtspraak van het Hof van Justitie over (de voorloper van) art. 110 VWEU verwijs ik naar de conclusie van mijn hand voor de bij de Hoge Raad aanhangige zaak met nr. 23/0102113.en de conclusie van mijn ambtgenoot Wattel voor arresten van de Hoge Raad van 12 juli 201914..
2.10
Zoals gezegd, biedt de Wet BPM drie methoden voor het berekenen van de vermindering van bpm voor gebruikte motorrijtuigen (2.5). De forfaitaire vermindering op basis van de afschrijvingstabel in art. 8(5) Uitv. reg. BPM laat ik hier verder rusten. Hierna bespreek ik de in art. 10(2) Wet BPM bedoelde methoden ter bepaling van de werkelijke afschrijving, te weten de koerslijstmethode en de taxatiemethode.
De koerslijstmethode en de taxatiemethode
2.11
Tot 1 januari 2004 was het alleen mogelijk aan de hand van een forfaitaire afschrijvingstabel een bpm-vermindering te berekenen. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie Gomes Valente15.is de vraag opgekomen of het Nederlandse stelsel in zoverre strookt met het Unierecht. In dit arrest oordeelde het Hof van Justitie in een zaak over de Portugese registratiebelasting dat (thans) art. 110 VWEU zich in beginsel niet verzet tegen een forfaitaire vermindering, mits wordt gewaarborgd dat de belasting die is verschuldigd, het bedrag van de belasting die nog rust op de waarde van vergelijkbare voertuigen die reeds op het nationale grondgebied zijn geregistreerd, niet overschrijdt.16.
2.12
Vooruitlopend op nieuwe wetgeving, heeft de staatssecretaris van Financiën per 1 januari 2004 goedgekeurd dat het werkelijke afschrijvingspercentage in aanmerking mag worden genomen bij het bepalen van de bpm-vermindering, indien dit werkelijke afschrijvingspercentage hoger is dan het percentage dat volgt uit de forfaitaire tabel.17.Deze goedkeuring staat ook wel bekend als de ‘tegenbewijsregeling’. De tegenbewijsregeling bood de belastingplichtige twee manieren het werkelijke afschrijvingspercentage aannemelijk te maken, namelijk aan de hand van een “in de branche18.algemeen gebruikelijke koerslijst zoals die wordt gehanteerd voor de verkoop aan particulieren in Nederland” of aan de hand van een taxatierapport.
2.13
2.14
Aanvankelijk stelde de wet geen voorwaarden aan de toepassing van respectievelijk de koerslijstmethode en de taxatiemethode. Van de belastingplichtige werd slechts verlangd dat hij bij toepassing van een van beide methoden bij de aangifte opgaaf deed van de gegevens die zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, zoals op dit moment ook nog is vereist (zie 2.6). Op grond van art. 8(4) Uitv.reg. BPM (tekst tot en met 31 december 2014) bestaat de opgaaf uit een verwijzing naar een koerslijst of het bij de aangifte gebruikte taxatierapport. De koerslijst of het taxatierapport zelf moeten wel aan bepaalde vereisten voldoen alvorens deze kunnen worden gebruikt voor het bepalen van de afschrijving. De vereisten voor een koerslijst behandel ik hierna in deze conclusie (vanaf 4.1). De vereisten voor een taxatierapport laat ik verder rusten. Ik volsta met een verwijzing naar onderdeel 6 van de eerdergenoemde conclusie van mijn ambtgenoot Wattel van 22 maart 201922., waarin hij de vereisten uitgebreid bespreekt.
2.15
Per 1 januari 2015 heeft de wetgever de toepassing van de taxatiemethode ingeperkt23.ten einde misbruik in de vorm van te hoog vastgestelde of gefingeerde schade, met hoge afschrijvingen en lage bpm-betalingen tot gevolg, te bestrijden. Volgens de reguliere importbranche leidde de praktijk van te lage taxaties en bpm-betalingen tot ernstige concurrentieverstoring.24.Vanaf genoemde datum kan de taxatiemethode slechts worden toegepast indien sprake is van (a) een voertuig met meer dan normale gebruiksschade, niet zijnde een schadevoertuig als bedoeld in art. 1(1)u Wegenverkeerswet25., en/of (b) een motorrijtuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland. Onder normale gebruiksschade wordt verstaan: slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig (art. 2(c) Wet BPM). De wetgever heeft de taxatiemethode in zoverre willen beperken tot voertuigen met fysiek aanwijsbare, dus waarneembare, schade.26.Van een motorvoertuig dat op een relevante koerslijst voorkomt is sprake, indien het motorvoertuig als zodanig, dat wil zeggen naar merk, model, transmissie, brandstof, vermogen, carrosserie en uitvoering, in een relevante koerslijst is benoemd.27.Bij voertuigen zonder waarneembare schade is het gebruik van een taxatierapport dus voornamelijk beperkt tot exclusieve auto’s (‘exoten’) of zeer jonge voertuigen.
2.16
De invoering van de voorwaarde dat een voertuig niet in een koerslijst voorkomt (art. 10(8)b Wet BPM), laat overigens onverlet dat de koerslijstmethode kan worden toegepast indien het te registreren voertuig niet als zodanig wordt benoemd in een koerslijst.28.
2.17
Ik vat het voorgaande als volgt samen. Een belastingplichtige kan voor het bepalen van de vermindering als bedoeld in art. 10(2) Wet BPM kiezen tussen de taxatiemethode en de koerslijstmethode.29.Vanaf 1 januari 2015 is toepassing van de taxatiemethode beperkt tot voertuigen met meer dan normale gebruiksschade en voertuigen die niet als zodanig in een koerslijst voorkomen. Voor toepassing van de koerslijstmethode gelden in beginsel geen specifieke voorwaarden. Wel dient de koerslijst zelf aan bepaalde vereisten te voldoen. Deze vereisten behandel ik hierna (4.1 e.v.).
Wijzigen van de afschrijvingsmethode
2.18
Ik benoemde hiervoor al dat een belastingplichtige bij de aangifte opgaaf dient te doen van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het berekenen van de afschrijving (2.6 en 2.14). Voor het leesgemak citeer ik art. 10(9) Wet BPM op deze plek nogmaals:
“Bij de aangifte wordt een opgaaf gedaan van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, dan wel voor de toepassing van de tabel, bedoeld in het zesde lid. Wanneer naar het oordeel van de inspecteur gegevens ontbreken die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde vermindering, worden de ontbrekende gegevens toegevoegd. Gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, kunnen door degene die gehouden is de belasting op aangifte te voldoen niet op een later tijdstip alsnog worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen.”
2.19
Art. 10(9) Wet BPM bepaalt dat de gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, niet op een later moment kunnen worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen. Ik breng ook in herinnering dat toepassing van zowel de koerslijstmethode als de taxatiemethode vereist dat opgaaf wordt gedaan, bestaande uit een verwijzing naar een koerslijst onderscheidenlijk het bij de aangifte gebruikte taxatierapport (art. 8(4) Uitv.reg. BPM).
2.20
Uit deze bepaling zou kunnen worden afgeleid dat het niet mogelijk is in bezwaar of (hoger) beroep alsnog een andere methode ter bepaling van de (hogere) afschrijving te kiezen of uit te gaan van gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt. Uit twee arresten van de Hoge Raad van 18 maart 201630.volgt evenwel dat die mogelijkheden er in beginsel wel zijn. Ik citeer het arrest met nr. 14/04111:
“2.4.2 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bepaalde in artikel 10, [lid 9], van de Wet ertoe strekt tegen te gaan dat met het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een op aangifte voldaan bedrag aan bpm aanspraak wordt gemaakt op een hogere vermindering in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet (en daarmee op een teruggaaf van bpm) met behulp van gegevens die verband houden met de staat waarin het motorrijtuig verkeerde ten tijde van het op aangifte voldoen van de bpm en welke gegevens niet waren overgelegd bij die aangifte of wel waren overgelegd maar niet zijn gebruikt voor het berekenen van de verschuldigde bpm. Zodoende wordt volgens de wetgever de inspecteur in staat gesteld zich volledig te richten op de controle van de aangifte en de daarbij gekozen wijze voor vaststelling van de afschrijving, en behoeft hij geen aandacht te besteden aan gegevens die wellicht van belang waren geweest als de belastingplichtige een andere keuze had gemaakt voor de wijze van vaststelling van de afschrijving (zie voor dit een en ander Kamerstukken II 2011/12, 33 004, nr. 6, blz. 10).
Met het oog daarop voorziet artikel 10 van de Wet in voorschriften (…) die waarborgen dat de waardebepaling van een gebruikt motorrijtuig op een verantwoorde wijze plaatsvindt bij gelegenheid van het doen van de aangifte bpm in het kader waarvan het desbetreffende motorrijtuig beschikbaar moet worden gehouden voor controle door de inspecteur met het oog op een juiste vaststelling van de gegevens die van belang zijn voor het vaststellen van het afschrijvingspercentage. De hiervoor in 2.4.1 beschreven wettelijke bepalingen stellen aldus de belastingplichtige in staat voor gebruikte personenauto’s, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto’s aan de hand van alle door hem relevant geachte gegevens de in artikel 10, lid 1, van de Wet bedoelde vermindering te berekenen op een wijze die waarborgt dat in alle gevallen – in overeenstemming met artikel 110 VWEU – de verschuldigde bpm niet meer bedraagt dan de bpm die nog rust op de zogenoemde referentieauto.
2.4.3
Voor een belastingplichtige zal het in de regel niet onmogelijk of uiterst moeilijk zijn om bij het doen van de aangifte bpm opgaaf te doen van de gegevens die nodig zijn voor het bepalen van de reële waardevermindering van het desbetreffende motorvoertuig in overeenstemming met artikel 110 VWEU. Dat bij het aanwenden van rechtsmiddelen op het punt van het vaststellen van de afschrijving van een gebruikt voertuig de belastingplichtige gehouden wordt aan de bij het doen van de aangifte aangeleverde en gebruikte gegevens, vindt zijn rechtvaardiging in de hiervoor in 2.4.2 weergegeven overwegingen van de wetgever om een doelmatige en controleerbare wijze van heffen van bpm te bewerkstelligen.
In het licht van de hiervoor bedoelde overwegingen staat het bepaalde in artikel 10, [lid 9], derde volzin, van de Wet evenwel niet eraan in de weg om door het aanwenden van rechtsmiddelen te kiezen voor een andere in of bij de Wet voorziene methode ter bepaling van de afschrijving dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan of een beroep te doen op gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt voor de berekening van de bpm, mits voor het vaststellen van de juistheid ervan geen (tweede) controle van het voertuig nodig is zodat een vergelijking van de aangedragen gegevens en de bij de aangifte gebruikte gegevens volstaat om vast te stellen of het bij de aangifte gebezigde afschrijvingspercentage te laag is geweest. (…)”
2.21
In bezwaar of (hoger) beroep kan dus worden gekozen voor een andere afschrijvingsmethode dan die is gebruikt bij de aangifte of een beroep worden gedaan op gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor de berekening van de afschrijving. Als voorwaarde geldt dat voor het vaststellen van de juistheid van de berekening van de bepleite bpm, geen (tweede) controle van het voertuig nodig is. Aan die voorwaarde was voldaan in de zaak die heeft geleid tot het hiervoor in 2.20 geciteerde arrest van 18 maart 2016 met nr. 14/0411131.. De belastingplichtige in die zaak wenste gebruik te maken van een andere dan de bij de aangifte gebruikte koerslijst. Nu beide koerslijsten dezelfde consumentenprijs hanteerden en de op de koerslijsten vermelde verschillen in calculatiedatum (één dag) en kilometerstand (één kilometer) verwaarloosbaar waren, werd het die belastingplichtige toegestaan zich te beroepen op een andere koerslijst dan die hij bij de aangifte had gebruikt.
2.22
Dat was anders in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 18 maart 2016 met nr. 14/0411232.. De belastingplichtige in die zaak wilde in bezwaar de koerslijstmethode toepassen, in plaats van de forfaitaire afschrijvingstabel die hij bij de aangifte had gebruikt. De door de belastingplichtige overgelegde koerslijst vermeldde echter een substantieel aantal kilometers, waarvan zonder (tweede) controle van het voertuig niet meer kon worden nagegaan of dit overeenkwam met het daadwerkelijk aantal gereden kilometers. Het inbrengen van de koerslijst – en daarmee het wijzigen van de methode – was onder die omstandigheden niet meer mogelijk.
2.23
Ik merk op dat een ‘switch’ van de forfaitaire tabel naar de koerslijstmethode in de regel niet mogelijk zal zijn, omdat bij een aangifte op basis van de forfaitaire tabel maar weinig voertuiggegevens moeten en zullen worden opgegeven.33.Het komt mij voor dat de wijziging van de koerslijstmethode naar de taxatiemethode in de praktijk doorgaans evenmin mogelijk zal zijn, omdat de (latere) taxatie in de regel gebaseerd zal zijn op gegevens die niet in de bij de aangifte gebruikte koerslijst zijn vermeld. De meest gangbare methodewijziging zal dan ook een wijziging van de taxatiemethode naar de koerslijstmethode betreffen. Een bij de aangifte gebruikt taxatierapport zal in de regel immers de gegevens vermelden die het gebruik van een koerslijst op een later moment mogelijk maken, zonder dat een (tweede) controle van het voertuig is vereist.
3. De afschrijving
Het afschrijvingspercentage
3.1
Zoals gezegd, wordt op grond van art. 10(1) Wet BPM bij de berekening van de verschuldigde bpm voor gebruikte voertuigen een bpm-vermindering in aanmerking genomen. Ingevolge art. 10(2) Wet BPM betreft de vermindering de afschrijving, uitgedrukt in een percentage van de som van de catalogusprijs en de bpm op het tijdstip van eerste ingebruikname (de historische nieuwprijs).
3.2
Na de invoering van de tegenbewijsregeling en de hierin opgenomen mogelijkheid gebruik te maken van een koerslijst, bestond enige tijd onduidelijkheid welke koerslijstwaarde moest worden gebruikt om de afschrijving te bepalen. Wat in dit verband precies onduidelijk was, komt aan de orde in onderdeel 4.4. Voor nu merk ik slechts op dat volgens de regelgever moest worden gebruikgemaakt van een koerslijst voor de verkoop aan particulieren. De Hoge Raad oordeelde echter in 200934.dat alleen een koerslijst voor de inkoop door handelaren kan worden gebruikt, hetgeen over het algemeen tot een hogere afschrijving – en dus een lagere heffing – leidt dan door de regelgever was voorzien.
3.3
Om het gemis aan bpm-inkomsten te compenseren wenste de wetgever de afschrijving in art. 10(2) Wet BPM voortaan uit te drukken in een percentage van de inkoopwaarde in nieuwe staat, in plaats van de (hogere) historische nieuwprijs. De inkoopwaarde in nieuwe staat betreft de inkoopwaarde die geldt voor de handelaar die een vergelijkbaar voertuig in nieuwe staat heeft verkocht. Met ingang van 1 januari 2010 werd art. 10(2) Wet BPM op dit punt aangepast.35.De wetswijziging had tot gevolg dat de afschrijving doorgaans iets lager zou uitvallen en het verschuldigde bpm-bedrag iets hoger. Deze berekeningswijze kon echter volgens de Hoge Raad de toets aan art. 110 VWEU niet doorstaan. Hij oordeelt in een arrest van 2 maart 201236.namelijk:
“3.5.3. De wetgever heeft met ingang van 1 januari 2010 gekozen voor een andere wijze van berekening van de vermindering van BPM. Daarbij is – anders dan daarvoor – tot uitgangspunt genomen de inkoopwaarde die geldt voor de handelaar die een vergelijkbaar motorrijtuig in nieuwe staat heeft verkocht, op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen. Bij deze wijze van berekening is niet uitgesloten dat een ingevoerde gebruikte auto in bepaalde gevallen is onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de referentieauto. Zoals ook de wetgever tot uitgangspunt neemt, moet ervan worden uitgegaan dat het bedrag van de BPM na de registratie van een ongebruikte auto in gelijke mate daalt als de waarde in het economische verkeer van de referentieauto. Het uitgangspunt is aldus de vermindering van het bedrag aan BPM dat is begrepen in de waarde van de referentieauto op het moment dat deze auto met het oog op het eerste gebruik in Nederland is geregistreerd. Deze waarde is gelijk te stellen aan de prijs - waarin de BPM dus is begrepen - waarvoor de referentieauto op dat tijdstip van een onafhankelijke derde zou zijn aangeschaft.
Op grond van dit een en ander moet voor de berekening van de waardedaling van de referentieauto worden uitgegaan van enerzijds de prijs waarvoor de referentieauto in nieuwe staat is aangekocht (en bij welke prijsvorming rekening wordt gehouden met het wettelijk verschuldigde bedrag aan BPM ter zake van de registratie als ongebruikte auto) en van anderzijds de prijs waarvoor die auto in dezelfde gebruikte staat als de auto waarvoor het bedrag aan verschuldigde BPM moet worden bepaald, wordt verkocht.
De hiervoor bedoelde aankoopprijs is over het algemeen niet gelijk aan de inkoopprijs van de handelaar die de referentieauto in nieuwe staat heeft verkocht. Derhalve sluit de hiervoor vermelde, in de wettelijke bepalingen neergelegde, wijze van berekening een door artikel 110 VWEU verboden benadeling van ingevoerde gebruikte auto's niet uit.”
3.4
Naar aanleiding van dit arrest is de tekst van art. 10(2) Wet BPM per 1 januari 2013 teruggebracht naar die van vóór de wetswijziging per 1 januari 2010.37.Sindsdien wordt de afschrijving weer uitgedrukt in een percentage van de historische nieuwprijs. Het enige taalkundige verschil met de wettekst van voor 1 januari 2010 is dat de in de bepaling genoemde catalogusprijs de catalogusprijs is als bedoeld in art. 9(4) (thans lid 5) Wet BPM. Het komt mij voor dat de wetgever hiermee geen inhoudelijke wijziging maar enkel een verduidelijking heeft beoogd.38.De memorie van toelichting licht deze verwijzing niet toe, doch vermeldt slechts het volgende (voetnoot in origineel):39.
“Artikel IX, onderdeel C (artikel 10 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)
Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2012, nr. 11/00785, wordt de vermindering van de BPM voor gebruikte motorrijtuigen, opgenomen in artikel 10, tweede lid, van de Wet BPM 1992, voortaan weer uitgedrukt in een percentage van de som van de catalogusprijs (de geadviseerde verkoopprijs) en de BPM. Hierdoor verloopt de afschrijving voor de BPM wat sneller dan bij de afschrijving op basis van de inkoopwaarde in nieuwe staat, zoals die naar aanleiding van een eerder arrest van de Hoge Raad40.in artikel 10 was opgenomen. Door de snellere afschrijving wordt het te betalen BPM-bedrag voor gebruikte motorrijtuigen wat lager.”
Berekening van de afschrijving
3.5
Met de constatering dat de afschrijving wordt uitgedrukt in een percentage van de historische nieuwprijs, wordt nog niet direct duidelijk hoe de afschrijving wordt bepaald. Ik breng in herinnering dat art. 10(2) Wet BPM twee methoden aanreikt om de werkelijke afschrijving te bepalen, namelijk de koerslijstmethode en de taxatiemethode. De koerslijstmethode vindt haar grondslag in art. 10(7) Wet BPM. Bij toepassing van de koerslijstmethode wordt het afschrijvingspercentage berekend door de som van de catalogusprijs en de bruto-bpm (historische nieuwprijs) af te zetten tegen de handelsinkoopwaarde van de referentieauto die volgt uit een koerslijst.
3.6
Het kan voorkomen dat het bedrag aan bruto-bpm van de te registreren auto en de referentieauto verschilt, bijvoorbeeld als zij niet dezelfde CO2-uitstoot hebben. Dit kan zich voordoen als de ingevoerde auto als zodanig niet voorkomt in een gangbare koerslijst, zodat moet worden aangesloten bij de koers van een ander voertuig waarvan de eigenschappen en kenmerken het dichtst aanleunen bij die van de te registreren auto.41.Ik vermoed dat de wetgever geen rekening heeft gehouden met deze mogelijkheid. Bij de totstandkoming van art. 10(7) Wet BPM lijkt het uitgangspunt te zijn geweest dat de koerslijstmethode niet kan worden gebruikt als een bepaald voertuig als zodanig niet in een koerslijst voorkomt. Ik citeer (cursivering van mijn hand):42.
“De leden van de fractie van de SP vragen waarom de taxatierapporten niet geheel worden afgeschaft en wat daarbij de specifieke bezwaren zijn. (…) De heffing van BPM bij registratie van ingevoerde gebruikte voertuigen moet (…) plaatsvinden naar de werkelijke waarde van dit voertuig. Bij waardering van een voertuig op basis van een forfaitaire tabel of een gangbare koerslijst wordt niet (of niet volledig) rekening gehouden met eventuele schade, anders dan normale gebruiksschade. Tevens komen bepaalde bijzondere voertuigen (zogenaamde exoten) niet voor in de gangbare koerslijsten, zodat een waardebepaling op basis van genoemde koerslijsten niet mogelijk is. In deze beide gevallen is het gebruik van taxatierapporten de enige mogelijkheid om ten behoeve van de heffing van BPM bij de registratie na de invoer van deze voertuigen de werkelijke waarde vast te stellen. Worden de voertuigen naar een te hoge waarde – wat leidt tot een hogere heffing – belast met een bedrag aan BPM, dan het bedrag aan BPM dat nog rust op vergelijkbare voertuigen die reeds in Nederland zijn geregistreerd, is dit in strijd met het Europese recht.”
3.7
De vraag die desondanks opkomt is of het afschrijvingspercentage aan de hand van de gegevens, waaronder het bpm-bedrag, van de te registreren auto of van de referentieauto moet worden bepaald. In mijn conclusie van 22 december 2023 in de zaak met nr. 22/03099 kwam ik tot de slotsom dat het bpm-bedrag moet worden gebruikt dat voor de referentieauto verschuldigd is geworden op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen en waarvan ook de handelsinkoopwaarde wordt gebruikt, en zodoende moet volgen uit de koerslijst van die referentieauto.43.Voor de gronden voor deze slotsom verwijs ik naar onderdelen 4.63 tot en met 4.74 van die conclusie. De Hoge Raad oordeelt in een arrest van dezelfde dag in een andere zaak echter anders.44.Bij het bepalen van het afschrijvingspercentage in de zin van art. 10(2) Wet BPM dient het bedrag aan bpm te worden gebruikt dat zou zijn verschuldigd indien het te registreren voertuig in nieuwe staat zou zijn geregistreerd. Dit geldt bij toepassing van zowel de koerslijstmethode als de taxatiemethode. De Hoge Raad overweegt (voetnoten in origineel):
“3.2.3 De wijze van vaststellen van het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde afschrijvingspercentage wordt niet in artikel 10, lid 2, van de Wet geregeld maar, afhankelijk van de voor die vaststelling gekozen methode, in artikel 10, lid 7, van de Wet (de koerslijstmethode) of artikel 10, lid 8, van de Wet (de taxatiemethode). Die methoden beogen te komen tot een waarde die de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig zo goed mogelijk benadert en aldus een reële waardedaling van het desbetreffende motorrijtuig vast te stellen.Wat betreft de koerslijstmethode geldt dat wanneer het te registreren motorrijtuig niet voorkomt in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, een (bij benadering) reële waardedaling van dat motorrijtuig kan worden bepaald door uit te gaan van de handelsinkoopwaarde van een referentievoertuig, dat wil zeggen een in zo’n koerslijst voorkomend gelijksoortig, in Nederland geregistreerd motorrijtuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het te registreren motorrijtuig.45.Bij toepassing van de taxatiemethode geldt dat de taxateur als referentie voor het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van het te registreren motorrijtuig ook gebruik kan maken van de handelsinkoopwaarde die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor een referentievoertuig.46.In dat geval is de in die koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde slechts een uitgangspunt. De door taxatie berekende waarde zal in dat geval van die koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht.47.
3.2.4
Bij de beide hiervoor in 3.2.3 omschreven methoden wordt het afschrijvingspercentage volgens de Wet bepaald door de verhouding tussen de handelsinkoopwaarde respectievelijk de taxatiewaarde van het te registreren motorrijtuig en de som van de catalogusprijs van het te registreren motorrijtuig en het bedrag aan bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop het voor het eerst in gebruik werd genomen.”
3.8
De Hoge Raad vervolgt dat het voorgaande anders is wanneer de belastingplichtige met een beroep op art. 110 VWEU bepleit dat toepassing van art. 10(2) Wet BPM leidt tot een te hoog bedrag aan bpm.48.Slaagt dit beroep, dan kan de afschrijving worden bepaald aan de hand van de gegevens van een referentievoertuig, waarbij zowel de som van de catalogusprijs en de bruto-bpm, als de handelsinkoopwaarde volgen uit een koerslijst.
3.9
Hoewel niet van belang voor de onderhavige zaken, merk ik op dat art. 10(7) Wet BPM met ingang van 1 januari 2024 is gewijzigd.49.Deze wijziging heeft tot gevolg dat bij het berekenen van het afschrijvingspercentage aan de hand van de koerslijstmethode, de bpm moet blijken uit de gehanteerde koerslijst. Met andere woorden, vanaf 2024 dient binnen de koerslijstmethode dus alsnog te worden aangesloten bij de bruto-bpm van het referentievoertuig, zulks in afwijking van de hiervoor behandelde arresten van de Hoge Raad50.. Ik citeer het nieuwe art. 10(7) Wet BPM:
“De afschrijving, bedoeld in het tweede lid, wordt, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, en belasting van personenauto’s en motorrijwielen, op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen en zoals deze blijkt uit een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, verminderd met de handelsinkoopwaarde die voor dat motorrijtuig eveneens blijkt uit deze koerslijst.”
3.10
De wijziging per 1 januari 2024 van art. 10(7) Wet BPM heeft tot doel het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 202251.te codificeren. De memorie van toelichting vermeldt (voetnoot in origineel):52.
“2.7 Codificatie uitspraak Hoge Raad over gebruik van handelskoerslijsten
De afschrijving van een gebruikt motorrijtuig voor de bpm kan worden bepaald met behulp van een in de handel algemeen gebruikte handelskoerslijst.
(…)
Zowel de historische nieuwprijs als de handelsinkoopwaarde van dezelfde koerslijst (en dus van het referentievoertuig) dienen aldus te worden gevolgd voor het bepalen van de juiste afschrijving. Er wordt voorgesteld een uitspraak van de Hoge Raad hierover te codificeren in de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM 1992).
(…)
Artikel V, onderdeel C (artikel 10 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)
Er wordt voorgesteld een uitspraak van de Hoge Raad53.te codificeren in de Wet BPM 1992. Deze uitspraak heeft betrekking op het gebruik van handelskoerslijsten in de bpm voor het bepalen van de afschrijving van een geïmporteerd motorrijtuig. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar het algemeen deel van deze memorie.”
3.11
Opvallend is dat de wijziging van art. 10(7) Wet BPM is ingegeven door een onjuiste interpretatie van het arrest van 20 mei 2022, zo blijkt uit de arresten van 22 december 202354.. In deze arresten oordeelt de Hoge Raad immers dat de bruto-bpm van de te registreren auto moet worden gebruikt, wanneer het afschrijvingspercentage wordt berekend volgens de wettelijke systematiek van art. 10(2), in samenhang met art. 10(7) respectievelijke art. 10(8) Wet BPM. Het arrest van 20 mei 2022 ziet daarentegen op de situatie dat het afschrijvingspercentage met een beroep op art. 110 VWEU wordt berekend in afwijking van de wet, aldus de Hoge Raad.
3.12
Tot dusver heb ik slechts de berekening van de afschrijving volgens de koerslijstmethode besproken. Art. 10(8) Wet BPM regelt de afschrijving aan de hand van de taxatiemethode. Bij toepassing van de taxatiemethode wordt de afschrijving berekend door de som van de catalogusprijs en de bpm bij eerste ingebruikname (de historische nieuwprijs) af te zetten tegen de taxatiewaarde zoals vermeld in een taxatierapport. Ik benadruk dat de historische nieuwprijs ook binnen de taxatiemethode betrekking heeft op het te registreren voertuig, zo blijkt eveneens uit het arrest van 22 december 202355..
3.13
Het gebruik van de taxatiemethode sluit niet uit dat binnen deze methode een koerslijst wordt gebruikt voor het bepalen van de afschrijving. De taxatiewaarde kan namelijk worden gebaseerd op de handelsinkoopwaarde die volgt uit een koerslijst van de referentieauto.56.De wijze waarop een koerslijst wordt gebruikt verschilt echter wel binnen de taxatiemethode en de koerslijstmethode. Op deze verschillen kom ik later terug.
3.14
Bij de aangifte mag voor het bepalen van de afschrijving slechts worden gebruikgemaakt van de gegevens uit één koerslijst. Dit bepaalt art. 8(5), laatste volzin, Uitv.reg. BPM. Volgens de toelichting op de Uitv.reg. BPM geldt deze beperking bij toepassing van zowel de koerslijstmethode als de taxatiemethode.57.Gegevens die in de koerslijst ontbreken mogen overigens worden aangevuld. Daarnaast is het de belastingplichtige toegestaan de koerslijst te gebruiken die leidt tot de hoogste afschrijving en daarmee resulteert in het laagste bpm-bedrag.
4. Gebruik van koerslijsten
4.1
Eerder in deze conclusie schreef ik al dat het sinds 1 januari 2004 mogelijk is de bpm-vermindering te berekenen aan de hand van een koerslijst (2.11 en 2.12). Ook heb ik vermeld dat, hoewel toepassing van de koerslijstmethode niet aan strikte voorwaarden is gebonden, een koerslijst wél aan bepaalde vereisten dient te voldoen alvorens deze kan dienen ter berekening van de afschrijving (2.14). Een aantal van deze vereisten werd voor het eerst benoemd in de toelichting op de tegenbewijsregeling. Over het gebruik van koerslijsten vermeldt de regeling het volgende:58.
“Ad a. In de branche gebruikelijke koerslijsten
Voor de verkoop van gebruikte motorrijtuigen wordt in de autohandel in Nederland gebruik gemaakt van koerslijsten waarop onder meer de waarde bij verkoop aan particulieren wordt aangegeven. Uitgaande van een gemiddeld gebruik kan aan de hand van een dergelijke in de branche gebruikelijke koerslijst de waarde worden bepaald. Wordt in de koerslijst aangegeven hoe de waarde wordt beïnvloed bij een van het gemiddelde afwijkende kilometerstand, dan wordt daarmee in voorkomende gevallen rekening gehouden voor het bepalen van de waarde.
Uitgangspunt is dat alleen de meest recente koerslijsten kunnen worden gebruikt. Wanneer echter een motorrijtuig van een bepaald type en bepaalde leeftijd in geen van die koerslijsten is opgenomen, kan eventueel ook een minder recente koerslijst worden gebruikt als basis voor herrekening tot de juiste afschrijving op dit moment. De inspecteur kan daarbij aanvullende bewijsmiddelen vragen. Koerslijsten die in het buitenland zijn vastgesteld voor de situatie aldaar, kunnen geen basis vormen voor het bepalen van het afschrijvingspercentage in Nederland.
Wordt voor het bepalen van de waarde van het motorrijtuig gebruik gemaakt van een in de branche gebruikelijke koerslijst, dan dient voor de berekening van het werkelijke afschrijvingspercentage de historische nieuwprijs te worden ontleend aan deze zelfde koerslijst.”
4.2
Onder de tegenbewijsregeling gold als uitgangspunt dat de meest recente koerslijst moest worden gebruikt voor het bepalen van de afschrijving. Het was niet mogelijk een koerslijst te gebruiken die in het buitenland is vastgesteld voor de situatie aldaar. De koerslijstmethode is per 1 februari 2007 opgenomen in de Wet BPM (zie 2.13). De voorwaarde dat het moet gaan om een koerslijst voor de situatie “in Nederland” is daarbij opgenomen in art. 10(7) Wet BPM.
4.3
De Wet BPM noch de Uitv.reg. BPM bepaalt met zoveel woorden dat alleen de meest recente koerslijst mag worden gebruikt. Dit zal overigens niet tot problemen leiden, nu de meest recente koerslijst doorgaans tot de hoogste afschrijving voor de belastingplichtige zal leiden. Daarbij merk ik wel op dat het moment van het belastbare feit59.bepalend blijft voor het berekenen van de afschrijving. In de praktijk betekent dit dat een koerslijst van de datum van aangifte bepalend is, nu de aangifte voor de bpm wordt gedaan voordat het belastbare feit zich voordoet.60.Een uitzondering doet zich voor indien de inspecteur de belastingplichtige uitnodigt het voertuig te tonen voor controle bij Domeinen Roerende Zaken van het ministerie van Financiën (DRZ). Bij die controle bepaalt de beoordelaar van DRZ doorgaans de handelsinkoopwaarde op basis van koerslijstuitdraaien van de datum van de controle (en dus niet van de datum van de aangifte). De inspecteur baseert de naheffingsaanslag regelmatig op de door DRZ gehanteerde koerslijsten met de latere datum. Voor zover de latere datum de handelsinkoopwaarde beïnvloedt, zal dit in de regel in het voordeel van de belastingplichtige werken. In zoverre is het niet bezwaarlijk dat een koerslijst van een latere datum wordt gebruikt.
4.4
Ik merk op dat de tegenbewijsregeling daarnaast als voorwaarde stelde dat een koerslijst wordt gebruikt voor de verkoop aan particulieren in Nederland. De Hoge Raad heeft in 2009 geoordeeld dat bij het bepalen van het bedrag van de belasting die nog rust op gelijksoortige voertuigen die reeds zijn geregistreerd in Nederland, moet worden uitgegaan van de door een handelaar betaalde inkoopsom. Indien zou worden uitgegaan van de verkoopwaarde van de auto zou de marge van de handelaar in de heffing worden betrokken, waardoor de heffing hoger zou zijn dan de bpm die nog rust op gelijksoortige voertuigen.61.Voor de bpm-vermindering aan de hand van een koerslijst dient dus te rade worden gegaan een koerslijst voor de inkoop door wederverkopers in Nederland. De regelgever heeft dit met ingang van 1 januari 2010 aangepast in de Uitv.reg. BPM.62.
4.5
Voorts heeft de Hoge Raad in een arrest van 23 oktober 202063.geoordeeld dat een ‘koers’ pas bruikbaar is voor de berekening van de bpm-vermindering, wanneer deze is bepaald op de grondslag van daadwerkelijk in Nederland door wederverkopers betaalde inkoopprijzen, en niet door middel van schatting of theoretische benadering van de werkelijke waarde van een bepaald motorvoertuig. Wanneer daadwerkelijke handelstransacties ontbreken, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij zeer jonge of incourante voertuigen, zal geen gebruik kunnen worden gemaakt van een koerslijst. Ik citeer (voetnoot weggelaten):
“3.2.3 De regelgever heeft bij de invoering van artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling op 1 februari 2007 geen nadere toelichting gegeven op de zinsnede “een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de verkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland”. Gelet op de hiervoor in 3.2.2 weergegeven bedoeling van artikel 10, lid 2, van de Wet en met het oog op het onderscheid met de in artikel 8, lid 4, letter b, van de Uitvoeringsregeling bedoelde taxatiewaarde, kan met die zinsnede niet anders zijn bedoeld dan een overzicht van in Nederland geregistreerde gebruikte motorvoertuigen van een bepaald merk, model, type aandrijving, leeftijd en uitrusting, waarvoor de samensteller een algemeen geldende reële richtprijs (koers) heeft kunnen vaststellen. De door de gebruikers van een dergelijke koerslijst verlangde betrouwbaarheid van het realiteitsgehalte van de in die lijst opgegeven richtprijs vereist dat die richtprijs is bepaald op de grondslag van daadwerkelijk in Nederland door wederverkopers betaalde inkoopprijzen, en niet door middel van schatting of theoretische benadering van de werkelijke waarde van een bepaald motorvoertuig.Indien aannemelijk is dat de door een samensteller van een koerslijst opgegeven handelswaarde voor een gebruikt motorvoertuig van een bepaald merk, model, type aandrijving, leeftijd en uitrusting niet is gebaseerd op een of meer door wederverkopers in Nederland betaalde inkoopprijzen voor een gelijksoortig motorvoertuig, bijvoorbeeld omdat het een zeer jonge en incourante personenauto betreft, is die opgegeven handelswaarde niet de ‘koers’ die bruikbaar is om de afschrijving in de zin van artikel 10, lid 2, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 8, lid 4, letter a, van de Uitvoeringsregeling vast te stellen.”
4.6
Binnen koerslijsten wordt de waarde van voertuigen bepaald aan de hand van verscheidene factoren. Naast factoren als merk, type, uitvoering en leeftijd bieden aanbieders van koerslijsten doorgaans de mogelijkheid rekening te houden met onder meer brandstofsoort, transmissie, kilometerstand, vermogen, CO2-uitstoot, kleur en eventueel het bedrag aan opties. Daarnaast bieden sommige aanbieders ook de mogelijkheid een correctie toe te passen wegens factoren die specifiek zijn aan een bepaald voertuig of een bepaalde persoon. Zo biedt de koerslijst XRAY de mogelijkheid rekening te houden met het verhuurverleden van een voertuig (‘ex-rental’) en bood de koerslijst EurotaxGlass’s tot 4 oktober 2021 de mogelijkheid een correctie toe te passen wegens de marktsituatie in het algemeen of de marktsituatie voor een bepaalde handelaar (‘bijstelling marktsituaties’- en ‘bijstelling dealersituatie’). Op de koerslijst EurotaxGlass’s kom ik later uitgebreider terug.
4.7
Een aantal jaren terug speelde in de praktijk de discussie of het bij het gebruik van koerslijsten mogelijk was voor de berekening van de bpm-vermindering rekening te houden met correctiefactoren die geen betrekking hebben op de te registreren auto. Mag een belastingplichtige bijvoorbeeld een correctie ex-rental toepassen bij het berekenen van de afschrijving voor de bpm, terwijl de te registreren auto geen verhuurverleden heeft?
4.8
De Hoge Raad oordeelt in een arrest van 15 november 201964.dat bij toepassing van de koerslijstmethode alle factoren mogen worden toegepast waarmee de koerslijst rekening houdt, omdat anders niet is uitgesloten dat de verschuldigde bpm hoger is dan de rest-bpm die nog rust op soortgelijke voertuigen in Nederland. De Hoge Raad overweegt (voetnoten weggelaten):
“2.4.1 Met het oog op de behandeling van de klachten stelt de Hoge Raad het volgende voorop. Artikel 110, eerste alinea, VWEU beoogt te waarborgen dat de binnenlandse belastingen volstrekt neutraal zijn voor de mededinging tussen producten die zich reeds op de binnenlandse markt bevinden en producten die vanuit andere lidstaten worden binnengebracht. Daarom verbiedt deze bepaling elke lidstaat om op producten van de overige lidstaten hogere binnenlandse belastingen te heffen dan de belastingen die op gelijksoortige nationale producten worden geheven. Een schending van artikel 110 VWEU doet zich bij een belasting als de bpm voor wanneer het bedrag aan belasting ter zake van de registratie van een gebruikt voertuig dat uit een andere lidstaat afkomstig is, hoger is dan het restbedrag van de belasting dat is begrepen in de waarde van een gelijksoortig, reeds op het nationale grondgebied geregistreerd, gebruikt motorvoertuig.
2.4.2
De hiervoor in 2.4.1 bedoelde volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen vereist dus dat bpm zo wordt geheven dat deze de handel in nationale gebruikte voertuigen op de binnenlandse markt niet begunstigt, waardoor het binnenbrengen van gelijksoortige gebruikte voertuigen zou worden ontmoedigd. De voor de auto in aanmerking te nemen afschrijving als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet mag daarom in geen geval lager zijn dan de afschrijving die zich voordoet bij een gelijksoortig in Nederland geregistreerd, gebruikt motorvoertuig.
2.4.3 (…)
Aangenomen moet worden dat alle in een dergelijke koerslijst gespecificeerde factoren van invloed kunnen zijn op de prijs die een wederverkoper bereid is te betalen bij de inkoop van een particulier van een in Nederland geregistreerd, gebruikt motorvoertuig. Tot de factoren waarmee de koerslijst van Eurotaxglass’s rekening houdt, behoort de ‘marktsituatie handelaar’. Bij toepassing van deze koerslijst mag met die factor rekening worden gehouden, omdat anders niet is uitgesloten dat een uit een andere lidstaat afkomstig gebruikt motorvoertuig bij registratie in Nederland wordt onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die in bepaalde gevallen nog rust op gelijksoortige in het binnenland verhandelde, geregistreerde motorvoertuigen. Dat zou niet verenigbaar zijn met artikel 110 VWEU. Anders dan waarvan het Hof kennelijk bij zijn hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen is uitgegaan, hoeft een belastingplichtige in dit verband geen verder bewijs te leveren.”
4.9
De regel dat de belastingplichtige met alle factoren rekening mag houden zonder dat hij verder bewijs hoeft te leveren, houdt verband met de waarborgen die art. 110 VWEU biedt. Ingeval art. 110 VWEU toepassing mist, bijvoorbeeld doordat een personenauto buiten de Europese Unie wordt aangekocht, geldt voornoemde regel mijns inziens niet. In dat geval rusten op de belastingplichtige de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de hoogte van de afschrijving,65.zodat hij de toepassing van de correctiefactoren in de koerslijst bij betwisting aannemelijk moet maken.
4.10
Waar ik sprak over alle factoren uit een koerslijst, is overigens wel een nuancering op zijn plaats. De correctiefactoren die in de voornoemde zaak aan de orde waren houden – in mijn woorden – geen direct verband met de kenmerken en eigenschappen van specifieke voertuigen. Factoren die wel betrekking hebben op specifieke voertuigkenmerken, mogen slechts worden toegepast indien het te registreren voertuig deze kenmerken ook heeft. Zo oordeelt de Hoge Raad in een arrest van 28 februari 202066.dat een correctie ‘ex rental’ slechts mag worden toegepast indien het te registreren voertuig daadwerkelijk een verhuurverleden heeft. De Hoge Raad overweegt dat het alleen mogelijk is een dergelijke correctie toe te passen, indien de koerslijst hiertoe de mogelijkheid biedt. De gedachte hierachter is dat de koerslijstaanbieder deze (correctie)factor in een dergelijk geval blijkbaar niet relevant acht voor het bepalen van de koers. Ik citeer de Hoge Raad:
“2.3.2 Wanneer in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst “ex-rental” als variabele is opgenomen, moet ervan worden uitgegaan dat het in de handel voor de waardebepaling van een personenauto verschil maakt of de desbetreffende personenauto als “rental” is gebruikt of niet. Daaruit volgt dat bij toepassing van die koerslijst de aan deze variabele te verbinden waardevermindering alleen kan worden toegepast op personenauto’s die een “ex-rental” zijn.
2.3.3
Wanneer de belastingplichtige voor zijn aangifte gebruik maakt van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst waarin “exrental” niet als variabele is opgenomen, moet ervan worden uitgegaan dat dit gegeven bij de waardebepaling volgens deze koerslijst niet relevant is. Het staat de belastingplichtige in dat geval niet vrij om - los van de gekozen koerslijst - een vermindering wegens “ex-rental” in aanmerking te nemen. Er moet immers van worden uitgegaan dat de variabelen die de koerslijst in aanmerking neemt, een samenhangend geheel vormen.
(…)
2.3.5
De omstandigheid dat in de handel aan het verhuurverleden van een personenauto een waardedrukkende invloed wordt verbonden, brengt, anders dan middel I betoogt, niet mee dat met die waardedrukkende invloed ook rekening moet worden gehouden bij personenauto’s zonder verhuurverleden. In zoverre is immers niet sprake van gelijksoortige personenauto’s als hiervoor in 2.3.4 bedoeld. Evenmin brengt het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU mee dat de belastingplichtige die ervoor kiest de waarde van de te registreren personenauto te bepalen aan de hand van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst, een aanvullende vermindering in aanmerking mag nemen op grond van een factor die in deze koerslijst niet staat.”
4.11
Het voorgaande geldt voor het gebruik van koerslijsten bij toepassing van de koerslijstmethode. Ik merkte eerder op dat de taxatiemethode ook de mogelijkheid biedt gebruik te maken van koerslijsten (3.13).67.Bij toepassing van de taxatiemethode vormt de handelsinkoopwaarde in een koerslijst echter slechts een uitgangspunt.68.De ratio van deze regel is dat de taxatiemethode sinds 1 januari 2015 alleen kan worden gebruikt voor voertuigen met meer dan normale gebruiksschade en exoten (vgl. 2.15). Een koerslijst houdt geen rekening met de schade aan een specifiek voertuig of de bijzondere kenmerken van een exoot, zodat hiervoor bij toepassing van de taxatiemethode afzonderlijk een correctie moet volgen op de waarde uit een koerslijst. De Hoge Raad verwoordt dit als volgt in een arrest van 12 mei 202369.:
“2.4.3 Anders dan de Inspecteur bij het Hof heeft betoogd, is [bij toepassing van de taxatiemethode] de in een koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal in dat geval van die koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. Dergelijke kenmerken en eigenschappen leiden tot een bij de taxatie in aanmerking te nemen verschil ten opzichte van de koerslijstwaarde voor zover zij in die waarde niet of niet volledig zijn verdisconteerd. De invloed van dergelijke kenmerken en eigenschappen kan zowel waardedrukkend als waardeverhogend zijn.”
Moet de inspecteur uit eigen beweging de correctiefactoren in een koerslijst toepassen?
4.12
Hiervoor in onderdeel 4.8 kwam aan de orde dat de belastingplichtige bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijstmethode, in beginsel alle relevante (correctie)factoren in de gehanteerde koerslijst mag toepassen. In enkele zaken waar deze bijlage bij hoort, speelt de vraag of uit het voorgaande volgt dat de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag voor de bpm, gehouden is de correctiefactoren in een koerslijst – in het bijzonder de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s – uit eigen beweging toe te passen. Met andere woorden: moet de inspecteur uit eigen beweging de correctiefactoren toepassen die de belastingplichtige mag70.toepassen?
4.13
De vraag of de inspecteur de correctiefactoren uit eigen beweging moet toepassen, kan met name in twee situaties aan de orde komen. In de eerste plaats rijst die vraag in de situatie waarin de belastingplichtige aanvankelijk de taxatiemethode toepast, maar vervolgens in bezwaar of beroep een op de koerslijstmethode gebaseerde naheffingsaanslag bestrijdt met het betoog dat toepassing van een of meer correctiefactoren in de desbetreffende koerslijst leidt tot een verlaging van de door de inspecteur gehanteerde handelsinkoopwaarde die volgt uit die koerslijst.71.Dient de belastingplichtige in dat geval nadrukkelijk te ‘switchen’ of had de inspecteur reeds bij het opleggen van de naheffingsaanslag rekening moeten houden met de correctiefactoren die de door hem gehanteerde koerslijst biedt? In de tweede plaats kan deze vraag aan de orde komen in een situatie waarin een belanghebbende tevergeefs aanspraak maakt op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Alsdan kan de vraag rijzen of een geslaagd beroep op de correctiefactoren in de bezwaarfase het gevolg is van ‘aan het bestuursorgaan (CE: de inspecteur) te wijten onrechtmatigheid’ in de zin van art. 7:15(2) Awb.72.
4.14
De gerechtshoven oordelen uiteenlopend over de vraag of de inspecteur uit eigen beweging de correctiefactoren ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s moeten toepassen. Gerechtshof Den Haag73.en gerechtshof Amsterdam74.beantwoorden deze vraag ontkennend. Beide hoven leiden uit r.o. 2.4.3 van het in 4.8 geciteerde arrest van de Hoge Raad af dat de belastingplichtige rekening mag houden met de relevante factoren in een koerslijst. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden75.oordeelt daarentegen dat de inspecteur de correctiefactoren wél uit eigen beweging dient toe te passen. Dit gerechtshof overweegt dat de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag voor de bpm is gehouden te blijven binnen de grenzen van art. 110 VWEU. Dit brengt mee, aldus het gerechtshof, dat indien de inspecteur aan de hand van de hem ter beschikking staande gegevens over het motorrijtuig in staat is het voor de belastingplichtige meest gunstige bpm-tarief of de meest gunstige heffingsmaatstaf te bepalen aan de hand van de regeling die sinds de ingebruikneming van het motorrijtuig heeft gegolden, hij dit tarief of deze heffingsmaatstaf uit eigen beweging moet toepassen.76.Dit heeft volgens het gerechtshof ook te gelden voor de correctiefactoren in de koerslijst EurotaxGlass’s.
4.15
Mijns inziens dient te inspecteur inderdaad uit eigen beweging de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s toe te passen, mits deze koerslijst hem ter beschikking staat. Ik licht dit toe.
4.16
Ik wijs in de eerste plaats op het arrest van de Hoge Raad waarop het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zijn oordeel baseert.77.De Hoge Raad oordeelt:
“3.2.1 Artikel 10b, lid 1, van de Wet houdt in dat indien het bedrag aan bpm op enig tijdstip sinds eerste ingebruikneming van een gebruikt motorrijtuig op grond van wettelijke bepalingen met betrekking tot de maatstaf van heffing en het tarief zoals die op dat tijdstip golden, lager is dan het bedrag van de belasting op grond van artikel 9, na toepassing van artikel 9b, in afwijking van artikel 10, lid 1, van de Wet dat lagere bedrag aan belasting in aanmerking kan worden genomen.
3.2.2
De inspecteur is bij het opleggen van een naheffingsaanslag in de bpm gehouden te blijven binnen de grenzen van artikel 110 VWEU. Dat geldt ook bij toepassing van artikel 10b, lid 1, van de Wet, zo volgt uit het arrest van 19 december 2013. Daaraan kan niet afdoen dat deze bepaling is geformuleerd als een ‘kan-bepaling’. Deze wetsbepaling mag dan ook niet zo worden uitgelegd dat de inspecteur een keuze heeft. Indien de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag aan de hand van de hem op dat moment ter beschikking staande gegevens over het desbetreffende motorrijtuig in staat is om het voor de belastingplichtige meest gunstige bpm-tarief of de meest gunstige maatstaf van heffing als bedoeld in artikel 10b, lid 1, van de Wet te bepalen aan de hand van de regeling die sinds de ingebruikneming van het motorrijtuig heeft gegolden, moet hij uit eigen beweging dat meest gunstige tarief of die meest gunstige heffingsmaatstaf toepassen. Daarmee draagt hij ervoor zorg dat hij bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid tot het opleggen van naheffingsaanslagen in de bpm blijft binnen de begrenzing van artikel 110 VWEU.
3.2.3
Indien de inspecteur dit nalaat en de belastingplichtige daarover in beroep of in hoger beroep klaagt, kan daarom niet worden gezegd dat de noodzaak tot het instellen van beroep of hoger beroep uitsluitend aan de handelwijze van die belastingplichtige te wijten is geweest. De in het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX0985, weergegeven mogelijkheid voor de rechter om toekenning van een proceskostenvergoeding bij gegrondverklaring van een (hoger) beroep achterwege te laten, ziet dan ook niet op een dergelijk geval.”
4.17
De belanghebbenden in de zaken waarop deze bijlage betrekking heeft, betogen dat dit oordeel van de Hoge Raad kan worden doorgetrokken naar de toepassing van de correctiefactoren in de koerslijst EurotaxGlass’s, zodat de inspecteur ook deze factoren uit eigen beweging dient toe te passen. De Staatssecretaris voert daartegen aan, althans in sommige zaken, dat uit dat arrest niet volgt dat de inspecteur, in aanvulling op de gegevens waarover hij bij het opleggen van de naheffingsaanslag beschikt, zelf onderzoek dient te verrichten naar een mogelijk nog gunstiger handelsinkoopwaarde. Dit zou voor de inspecteur een praktisch onmogelijke opgave zijn, aldus de Staatssecretaris. Voorts betoogt de Staatssecretaris dat de bewijslast in dit verband op de belastingplichtige rust en dat de zorgplicht van de inspecteur hierin geen verandering brengt.78.
4.18
Opvallend genoeg geeft de Staatssecretaris in de zaak met nummer 24/00420 belanghebbende gelijk in haar betoog dat zij recht heeft op vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken. Dit betoog van belanghebbende strekt ertoe dat de inspecteur de correctiefactoren in EurotaxGlass’s uit eigen beweging had moeten toepassen bij het opleggen van de naheffingsaanslag. In zoverre lijkt zijn standpunt in de zaak 24/00420 lijnrecht te staan tegenover zijn standpunt in de overige zaken waarop deze bijlage betrekking heeft.
4.19
Ik volg het hiervoor in 4.17 weergegeven standpunt van de Staatssecretaris niet. Het is inderdaad zo dat de bewijslast in beginsel op de belastingplichtige rust. Dit neemt niet weg dat de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag de nodige zorgvuldigheid dient te betrachten bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde. Indien de inspecteur ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag een uitdraai van de koerslijst EurotaxGlass’s ter beschikking staat, bijvoorbeeld omdat hij of een door hem ingeschakelde deskundige deze koerslijst heeft geraadpleegd, zie ik niet in waarom het niet op zijn weg ligt die koerslijst toe te passen en rekening te houden met alle relevante correctiefactoren uit die koerslijst, indien dat tot een lagere handelsinkoopwaarde leidt dan de waarde die hij aanvankelijk zelf wil hanteren bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Dit lijkt mij ook geenszins een praktisch onmogelijke opgave. Laat de inspecteur na deze relevante correctiefactoren toe te passen, dan zie ik evenmin in waarom deze omstandigheid voor rekening van de belastingplichtige dient te komen. Mijns inziens maakt het daarbij geen verschil of de door de inspecteur ingeschakelde deskundige de relevante correctiefactoren al dan niet heeft toegepast bij het raadplegen van de desbetreffende koerslijst.
4.20
Dat de Hoge Raad in het arrest van 15 november 2019 overweegt dat de belastingplichtige rekening mag houden met de correctiefactoren in de koerslijst EurotaxGlass’s (zie 4.8), doet hieraan mijns inziens niet af. Uit dit arrest volgt namelijk ook dat, indien de toepassing van de correctiefactoren achterwege blijft, dit tot gevolg heeft dat niet kan worden uitgesloten dat (kort gezegd) meer bpm wordt geheven dan in bepaalde gevallen nog rust op gelijksoortige in Nederland verhandelde motorrijtuigen, zulks in strijd met art. 110 VWEU. Past de inspecteur de relevante correctiefactoren in een koerslijst niet uit eigen beweging toe, terwijl deze koerslijst wel behoort tot de gegevens die hem ter beschikking staan bij het opleggen van de naheffingsaanslag, dan moet de conclusie dus zijn dat hij daarmee buiten de grenzen van art. 110 VWEU treedt.79.
4.21
Ik benadruk dat het voorgaande geldt bij toepassing van de koerslijstmethode. Bij toepassing van de taxatiemethode vormt de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst slechts een uitgangspunt (zie 4.11). Mijns inziens brengt dit mee dat voor toepassing van de bijstellingen dan slechts plaats is indien dit geboden is in verband met de specifieke kenmerken en eigenschappen van de getaxeerde auto. In een dergelijk geval ligt het op de weg van de belastingplichtige aannemelijk te maken dat de bijstellingen kunnen worden toegepast.80.De inspecteur hoeft alsdan niet uit eigen beweging de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ toe te passen bij het opleggen van een naheffingsaanslag.
Slotsom
4.22
Ik sluit dit onderdeel af met de volgende samenvatting. De waarde van een voertuig wordt beïnvloed door een verscheidenheid aan factoren. Indien de koerslijstmethode wordt gebruikt voor het bepalen van de afschrijving, mag de belastingplichtige rekening houden met alle (correctie)factoren die de gebruikte koerslijst biedt, voor zover deze factoren niet direct betrekking hebben op de kenmerken of eigenschappen van specifieke voertuigen. Indien een correctiefactor wel betrekking heeft op een voertuigkenmerk, dient de belastingplichtige te bewijzen dat het te registreren voertuig dit kenmerk bezit. Factoren waarmee de gehanteerde koerslijst geen rekening houdt, mogen niet door de belastingplichtige als afzonderlijke correctie worden toegepast op de waarde die uit de koerslijst volgt. Bij toepassing van de taxatiemethode dient de waarde die uit een koerslijst volgt daarentegen slechts als uitgangspunt en bestaat de mogelijkheid rekening te houden met andere factoren die niet reeds in die koerslijstwaarde zijn verdisconteerd, zoals de bijzondere kenmerken of eigenschappen van de auto of de specifieke schade aan het te registreren voertuig.
4.23
Bij het opleggen van een naheffingsaanslag dient de inspecteur uit eigen beweging de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s toe te passen, doch alleen als hij de koerslijstmethode toepast en een uitdraai van de koerslijst EurotaxGlass’s van vóór 4 oktober 202181.behoort tot de hem ter beschikking staande gegevens. Hierdoor blijft hij binnen de grenzen van art. 110 VWEU. Laat hij na de relevante correctiefactoren uit eigen beweging toe te passen, dan kan de belastingplichtige niet worden tegengeworpen dat de onrechtmatigheid van de naheffingsaanslag niet aan de inspecteur te wijten is of dat hij nadrukkelijk de afschrijvingsmethode dient te wijzigen alvorens hij in aanmerking komt voor toepassing van de correctiefactoren.
5. De Koerslijst EurotaxGlass’s
Marktsituatie, dealersituatie en de disclaimer
5.1
Zoals gezegd kan voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde van een voertuig, rekening worden gehouden met verscheidene waardedrukkende of waardevermeerderende elementen, afhankelijk van de koerslijst die wordt gehanteerd. Tot 4 oktober 2021 bood de koerslijst EurotaxGlass’s de mogelijkheid rekening te houden met de marktsituatie en de marktsituatie van de dealer. Achter deze correctiefactoren stonden ‘schuifjes’ in de koerslijst, welke standaard op 0% stonden. De gebruiker van de koerslijst kon naar eigen inzicht deze twee percentages verminderen of vermeerderen naar maximaal (-)10% voor de marktsituatie of maximaal (-)5% voor de marktsituatie handelaar. Zodoende kon een gecombineerde correctie voor de ‘marktsituatie’ en ‘dealersituatie’ worden toegepast van 15% van de handelsinkoopwaarde.
5.2
De omstandigheden die onder de ‘marktsituatie’ en ‘dealersituatie’ kunnen vallen, lopen uiteen. De belanghebbende in de zaak met nummer 23/0014282.wijst in haar beroepschrift op mogelijke voorbeelden. Zo bieden de correctieposten de mogelijkheid rekening te houden met verschillende inkoopmarges die gelden voor een zelfstandige autohandelaar enerzijds en een officiële merkhandelaar anderzijds. Een merkhandelaar zal minder voor een auto kunnen bieden, aangezien hij onder meer te maken heeft met hogere overheadkosten door een showroom en hooggeschoold personeel en gebonden is aan distributieovereenkomsten met de officiële importeurs, aldus belanghebbende.
5.3
Ik merkte al op dat over de correctiefactoren ‘marktsituatie’ en ‘dealersituatie’ de vraag is opgekomen of deze factoren algemeen kunnen worden toegepast bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde voor de bpm, zonder dat zich daadwerkelijk bijzondere omstandigheden voordoen in het concrete geval. In het in 4.10 geciteerde arrest van 15 november 201983.oordeelde de Hoge Raad dat in beginsel alle in de koerslijst gespecificeerde factoren mogen worden gebruikt voor het bepalen van de koerslijstwaarde bij toepassing van de koerslijstmethode. De correctiefactoren ‘marktsituatie’ en ‘dealersituatie’ mochten dus worden toegepast, zonder dat de belastingplichtige hoefde te bewijzen dat deze factoren op hem betrekking hadden. Zie hierover uitgebreider onderdelen 4.7 tot en met 4.10 van deze conclusie.
5.4
Dit arrest van de Hoge Raad is ter sprake gekomen op het overleg van het platform koerslijsten.84.Tijdens dat overleg merkten de koerslijstaanbieders op dat de schuifjes ‘marktsituatie’ en ‘dealersituatie’ niet zijn bedoeld als (correctie)factoren voor de berekening van de afschrijving voor de bpm. Om die reden hebben de aanbieders besloten deze factoren voortaan uit de koerslijsten te laten.
5.5
Voor de koerslijst EurotaxGlass’s geldt dat het vanaf 4 oktober 2021 niet meer mogelijk is een correctie wegens marktsituatie en/of dealersituatie toe te passen. Eurotax heeft de volgende disclaimer geplaatst in de koerslijst (cursiveringen CE):
“Het gebruik van de schuifknoppen “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie” worden niet meer toegelaten. Eurotax is van mening dat dergelijke prijsverhogings- en prijsverlagingsindicatoren niet meer relevant zijn voor de handelsinkoopwaarde te bepalen zoals vermeld in het arrest ECLI:NL:HR:2019:1783 van de Hoge Raad. Eveneens is Eurotax van mening dat het gebruik van eender welke correctiefactoren gegrond moet zijn en effectief bewezen moet worden door de gebruiker zelf, waar het arrest dit anders heeft belicht. Daarom zijn de indicatoren “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie” voortaan op 0% vastgelegd.”
Kennisgroepstandpunten Belastingdienst
5.6
De kennisgroep Auto van de Belastingdienst (de kennisgroep) heeft drie standpunten ingenomen naar aanleiding van het arrest van 15 november 201985.respectievelijk de disclaimer in de koerslijst EurotaxGlass’s. Deze standpunten behandel ik hierna.
5.7
Allereerst heeft de kennisgroep op 18 maart 2020 vragen beantwoord over de correctiefactoren in de koerslijst Eurotaxglass’s.86.Dit document is voor zover ik kon nagaan niet gepubliceerd op de website van de Belastingdienst.87.Ik citeer het standpunt (voetnoot weggelaten):
“Casus:
Op 15 november 2019 heeft de Hoge Raad arrest gewezen inzake de toepasbaarheid van de algemene waardeverminderende factor ‘marktsituatie handelaar’ zoals opgenomen in de koerslijst EurotaxGlass's. De Hoge Raad heeft in dit arrest beslist dat met de waardeverminderende factor ‘marktsituatie handelaar’ rekening mag worden gehouden omdat anders niet is uitgesloten dat het in te voeren voertuig aan een hogere belasting is onderworpen dan de belasting die nog rust op gelijksoortige in het binnenland verhandelde, geregistreerde voertuigen. De belastingplichtige hoeft hiervoor geen verder bewijs te leveren.
In de koerslijst EurotaxGlass's zijn naast de factor ‘marktsituatie handelaar’ nog een tweetal algemene waardeverminderende factoren opgenomen:
- ‘marktsituatie’
- ‘vorige eigenaren’
Vragen:
1. Ziet het arrest van de Hoge Raad ook op de waardeverminderende factoren ‘marktsituatie’ en ‘vorige eigenaren’?
2. Moet de belastingplichtige wanneer hij aangifte heeft gedaan met een koerslijst EurotaxGlass's zonder toepassing van één van de waardeverminderende factoren, een nieuwe koerslijst aanleveren in het geval hij alsnog verzoekt om toepassing van één of meerdere genoemde waardeverminderende factoren?
3. Moet er ambtshalve rekening worden gehouden met de waardeverminderende factoren in het geval bij het opleggen van een naheffingsaanslag uitgegaan wordt van de koerslijst EurotaxGlass's?
4. Over welke waarde dient de waardeverminderende factor te worden toegepast?
Antwoorden:
1. Het arrest ziet ook op de waardeverminderende factor ‘marktsituatie’ maar niet op de situatie ‘vorige eigenaren’.
2. Nee.
3. Nee, belastingplichtige kan gebruik maken van de waardeverminderende factoren maar dient hier wel een beroep op te doen.
4. De Eurotaxglass's basiswaarde wordt gecorrigeerd met de maandaanpassing en kilometerbijstelling. De percentages worden in mindering gebracht op de gecorrigeerde waarde.”
5.8
De vragen 1, 2 en 4 acht ik niet van belang voor de onderhavige zaken, zodat ik deze verder laat rusten. Over vraag 3 merk ik op dat ik de beantwoording van deze vraag onjuist acht. Ik meen dat de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag en bij gebruik van de koerslijst EurotaxGlass’s, gehouden is de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ uit eigen beweging toe te passen. Ik verwijs naar de onderdelen 4.12 tot en met 4.21 van deze bijlage.
5.9
Het tweede kennisgroepstandpunt is van 24 november 2022.88.Dit standpunt ziet op de disclaimer die sinds 4 oktober 2021 in de koerslijst EurotaxGlass’s is opgenomen. De kennisgroep overweegt als volgt:
“Aanleiding
De koerslijst EurotaxGlass’s biedt vanaf 4 oktober 2021 niet langer de mogelijkheid bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde van een in Nederland geregistreerd gebruikt motorvoertuig rekening te houden met de ‘Marktsituatie handelaar’ en ‘Marktsituatie’. De gebruiker van de koerslijst kan de invloed van deze schuifjes, die standaard ingesteld staan op nul procent, niet langer verhogen tot (in totaal) 15%. Dit heeft tot gevolg dat de handelsinkoopwaarde van een gebruikte auto niet langer met dat percentage kan worden verminderd. In lopende procedures speelt de toepassing en het gebruik van de schuifjes in de koerslijst EurotaxGlass’s nog steeds. Dat leidt tot de volgende vragen.
Vragen
1. Kan een belanghebbende vanaf 4 oktober 2021 in zijn aangifte BPM, ingeval de afschrijving is bepaald aan de hand van de koerslijst EurotaxGlass’s, gebruik maken van de schuifjes ‘Marktsituatie handelaar’ en ‘Marktsituatie’?
2. Kan een belanghebbende in bezwaar of (hoger) beroep zich alsnog beroepen op de koerslijst EurotaxGlass’s met gebruikmaking van de daarin gespecificeerde schuifjes, ingeval de aangifte BPM is ingediend vóór 4 oktober 2021 en de afschrijving uitsluitend is gebaseerd op de koerslijst EurotaxGlass’s of een andere in de handel algemeen gebruikte koerslijst?
3. Kan een dergelijk beroep op toepassing van de koerslijst EurotaxGlass’s ook worden gedaan, ingeval de aangifte BPM is ingediend vóór 4 oktober 2021 en voor de afschrijving een taxatierapport is gebruikt? Zo ja, is dan een nieuw taxatierapport vereist?
Antwoorden
1. Nee, de koerslijst EurotaxGlass’s voorziet vanaf 4 oktober 2021 niet langer in de mogelijkheid om de in die koerslijst eerder gespecificeerde schuifjes te gebruiken.
2. Ja, ingeval de aangifte BPM is ingediend vóór 4 oktober 2021 en de heffing van de BPM nog niet onherroepelijk vaststaat, kan belanghebbende zich alsnog beroepen op toepassing van de koerslijst EurotaxGlass’s en de daarin gespecificeerde schuifjes. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar de volgende situaties:
a. Bij de aangifte is de handelsinkoopwaarde van de referentieauto gebaseerd op de koerslijst EurotaxGlass’s zonder toepassing van de schuifjes. In dat geval kan belanghebbende zich alsnog beroepen op het gebruik van de schuifjes waardoor de handelsinkoopwaarde (in totaal) met 15% kan worden verminderd. Het overleggen van een nieuw afschrift van de koerslijst is niet nodig.Let op! Deze afslag ziet alleen op de basis handelsinkoopwaarde + maandaanpassing + kilometerbijstelling. De afslag wordt niet toegepast op opties die een waardeverhogend effect hebben.
b. Bij de aangifte is de afschrijving gebaseerd op een andere koerslijst. In dat geval mag belanghebbende switchen naar de koerslijst EurotaxGlass’s op voorwaarde dat geen (tweede) fysieke controle van het motorvoertuig is vereist. Daarnaast is het aan belanghebbende om in dat geval een historisch overzicht uit de koerslijst EurotaxGlass’s te overleggen waaruit de handelsinkoopwaarde blijkt zoals die bij de aangifte BPM gebruikt had kunnen worden.
3. Nee, de taxateur heeft een individueel oordeel geveld over het motorrijtuig bij het taxeren van het motorrijtuig. Kennelijk zijn daarbij de factoren marktsituatie en marktsituatie handelaar niet relevant geacht. Voor het alsnog toepassen van deze schuifjes zou een nieuwe fysieke opname nodig zijn, hetgeen niet meer mogelijk is omdat de aangifte reeds is ingediend en het belastbare feit al is voltooid.”
5.10
De antwoorden op deze vragen zijn relevant voor drie van de vier zaken89.waarop deze gemeenschappelijk bijlage betrekking heeft. Ik beoordeel hierna of de beantwoording van deze vragen mij juist voorkomt.
5.11
Volgens het antwoord op de eerste vraag is het vanaf 4 oktober 2021 niet langer mogelijk gebruik te maken van de correcties vanwege de ‘marktsituatie’ en ‘dealersituatie’. Ik acht dit juist. Bij toepassing van de koerslijstmethode mag rekening worden gehouden met alle in de koerslijst gespecificeerde factoren die van invloed kunnen zijn op de handelsinkoopwaarde.90.Nu de schuifjes voor de ‘marktsituatie’ en de ‘dealersituatie’ niet meer kunnen worden toegepast91., kunnen deze niet in aanmerking worden genomen.92.
5.12
Ook de beantwoording van de tweede vraag komt mij juist voor. Uit twee arresten van de Hoge Raad van 18 maart 201693.volgt immers dat het de belastingplichtige vrij staat in bezwaar of beroep een bpm-bedrag te bepleiten aan de hand van gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt, mits een (tweede) controle van het voertuig hiervoor niet vereist is. Zie de onderdelen 2.20 en 2.21 van deze gemeenschappelijke bijlage.
5.13
De beantwoording van de derde vraag is in mijn optiek eveneens juist. Bij toepassing van de taxatiemethode vormt de handelsinkoopwaarde van de koerslijst slechts een uitgangspunt. Naar het oordeel van de taxateur kunnen aanvullende factoren in aanmerking worden genomen en kunnen factoren in de koerslijst achterwege worden gelaten, ongeacht of een en ander een waardedrukkend of waardeverhogend effect heeft.94.Voor een tweede taxatie zou daarnaast een (tweede) controle van het voertuig nodig zijn. Art. 10(9) Wet BPM staat een dergelijke controle niet toe.95.
5.14
Dan tot slot het derde kennisgroepstandpunt. Op 26 mei 2023 is een standpunt gepubliceerd over de mogelijkheid de correctiefactoren ‘marktsituatie’ en ‘dealersituatie’ toe te passen na wijziging van de afschrijvingsmethode.96.Ook deze vragen zijn relevant voor de zaken waarop deze gemeenschappelijk bijlage betrekking heeft. Ik citeer het standpunt:
“Aanleiding
Belastingplichtige heeft aangifte belasting op personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) gedaan en voor het bepalen van de afschrijving gebruik gemaakt van de methode taxatie, omdat er volgens hem sprake is van meer dan normale gebruikersschade. Uit de hertaxatie van DRZ blijkt dat er geen schade aanwezig is. Voor belastingplichtige is dit reden om tijdens de beroepsprocedure - in geval de rechter de hertaxatie volgt of de schade op een lager bedrag vaststelt - de afschrijvingsmethode van zijn aangifte BPM te willen wijzigen van taxatie naar koerslijst. Meer specifiek, wil belastingplichtige de koerslijst van EurotaxGlass’s toepassen met gebruikmaking van de schuifjes ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’. In het dossier is een uitdraai van de koerslijst EurotaxGlass’s aanwezig. De taxateur van belastingplichtige en/ of de taxateur van DRZ heeft echter de schuifjes marktsituatie en marktsituatie handelaar niet toegepast. De taxateur heeft kennelijk geen waardevermindering op grond van deze factoren aanwezig geacht.
Relevant is dat de aangifte is ingediend voor 4 oktober 2021. Na die datum is het namelijk niet meer mogelijk een koerslijstuitdraai te maken van EurotaxGlass’s met deze schuifjes.
Vragen
1. Mag een belastingplichtige tijdens de bezwaar- of beroepsfase de afschrijvingsmethode nog wijzigen van taxatie naar koerslijst?
2. Indien het antwoord op 1 bevestigend is, mag de belanghebbende dan bij toepassing van de koerslijstmethode alsnog de schuifjes toepassen?
Antwoorden
1. Ja, dat kan. De Hoge Raad heeft in 2016 (ECLI:NL:HR:2016:421) geoordeeld dat bij het aanwenden van rechtsmiddelen het wijzigen van de afschrijvingsmethode is toegestaan, mits voor de controle op de juistheid van deze nieuwe waarde geen fysieke opname vereist is. In casu betekent dit dat als er een historische uitdraai van de koerslijst EurotaxGlass’s aanwezig is, deze alsnog gebruikt mag worden omdat een nieuwe fysieke opname in dat geval niet nodig is.
2. Ja, in lijn met het eerdere standpunt van de Kennisgroep auto (KG:013:2022:6) wordt deze vraag bevestigend beantwoord. Er is een historische uitdraai EurotaxGlass’s aanwezig én de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:1783) heeft geoordeeld dat bij een aangifte BPM op basis van een koerslijst rekening gehouden mag worden met alle in deze koerslijst gespecificeerde factoren (waaronder de schuifjes). NB. Dit betekent wel dat het taxatierapport wordt losgelaten en geen extra waardeverminderingen (schade) in aftrek kunnen worden genomen.”
5.15
Ook de beantwoording van deze twee vragen is mijns inziens juist. Zoals gezegd is het mogelijk de afschrijvingsmethode te wijzigen na het doen van aangifte, mits geen controle van het voertuig nodig is. Zie hiervoor uitgebreider onderdelen 2.20 en 2.21 van deze gemeenschappelijke bijlage. Voorts is het dan binnen de koerslijstmethode alsnog mogelijk rekening te houden met de correctiefactoren ‘marktsituatie’ en ‘dealersituatie’, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 15 november 201997..
5.16
De belanghebbenden in twee zaken98.waarop deze bijlage betrekking heeft, doen een beroep op de hiervoor behandelde kennisgroepstandpunten. Hoewel een beroep op het vertrouwensbeginsel aan de hand van kennisgroepstandpunten in beginsel mogelijk is,99.kan dit de belanghebbenden in de twee zaken niet baten. De rechtsregels die volgen uit de kennisgroepstandpunten waarop de belanghebbenden zich beroepen, zijn juist. Zodoende doen zij in wezen een beroep op de (juiste) wetstoepassing, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel van geen belang is voor de onderhavige gevallen. Waar de Kennisgroep mijns inziens een onjuist standpunt inneemt (zie 5.7 en 5.8) kan dit de belanghebbenden niet baten, nu een beroep op het desbetreffende standpunt in hun nadeel werkt.
Slotsom
5.17
Het voorgaande brengt mij tot de volgende slotsom. Vanaf 4 oktober 2021 biedt de koerslijst EurotaxGlass’s niet langer de mogelijkheid de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ toe te passen. Vanaf deze datum kan met deze factoren dus niet langer rekening worden gehouden bij het bepalen van de bpm-afschrijving.
5.18
Dit doet echter geen afbreuk aan de mogelijkheid de correctiefactoren toe te passen in het geval het belastbare feit heeft plaatsgevonden, oftewel aangifte is gedaan (zie 4.3), vóór 4 oktober 2021. De koerslijsten van vóór deze datum houden immers nog rekening met deze factoren, in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019100.. Daarvoor geldt wel de voorwaarde dat de belastingplichtige de koerslijstmethode toepast, aangezien slechts voor deze methode de in de koerslijst gespecificeerde factoren mogen worden toegepast, zonder dat de belastingplichtige de toepassing van elke factor afzonderlijk hoeft te bewijzen. Dit in tegenstelling tot de taxatiemethode, waarvoor de handelsinkoopwaarde die volgt uit een koerslijst, slechts als uitgangspunt dient.
5.19
Mijns inziens maakt het geen verschil of de belastingplichtige reeds bij de aangifte gebruik heeft gemaakt van de koerslijstmethode of dat hij in bezwaar of beroep overstapt op de koerslijstmethode. In dat tweede geval is evenwel vereist dat geen tweede controle van het voertuig nodig is en dat een (historische) uitdraai van de gebruikte koerslijst kan worden overgelegd.
5.20
Tot slot heeft de Kennisgroep Auto van de Belastingdienst een drietal standpunten gepubliceerd over de toepassing van de correctiefactoren ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’. Mijns inziens is geen sprake van een begunstigend standpunt maar beschrijven de standpunten de correcte wetstoepassing, zodat een beroep van een belastingplichtige op deze standpunten in het onderhavige geval geen toegevoegde waarde heeft. Waar de Kennisgroep mijns inziens een onjuist standpunt inneemt, kan dit de belanghebbenden ook niet baten, nu het beroep op het desbetreffende standpunt in hun nadeel zou werken.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑04‑2024
HR 15 november 2019, nr. 18/00246, ECLI:NL:HR:2019:1783.
ECLI:NL:HR:2019:1783, r.o. 2.4.3.
Gerechtshof Den Haag 15 december 2021, nrs. BK-21/01193 en BK-21/01194, ECLI:NL:GHDHA:2022:2696, punt 5.2.3; gerechtshof Den Haag 15 december 2022, nrs. BK-21/01123 en BK-21/01186, ECLI:NL:GHDHA:2022:2605, punt 5.9; gerechtshof Den Haag 9 januari 2024, nr. BK-22/969, ECLI:NL:GHDHA:2024:231, punten 5.8 en 5.9. Het gaat om de zaken die bij de Hoge Raad bekend zijn onder de nummers 23/00142, 23/00143 en 24/00420.
Gerechtshof Amsterdam 20 september 2022, nr. 21/00363, ECLI:NL:GHAMS:2022:2760, punten 5.17 en 5.18. Het gaat om de zaak die bij de Hoge Raad bekend is onder nummer 22/04093.
De in deze bijlage genoemde wetteksten zijn geldend gedurende de jaren 2017 tot en met 2019, tenzij anders vermeld. Ik merk op dat met ingang van 1 januari 2022 het belastbare feit voor de Wet BPM is gewijzigd van de ‘registratie’ (inschrijving én tenaamstelling) naar uitsluitend de ‘inschrijving’. Zie: Wet van 16 december 2020 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2021), Stb. 2020, 540, p. 19 e.v.
HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.2 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.1.
HR 2 maart 2012, nr. 11/00785, ECLI:NL:HR:2012:BV7393, r.o. 3.5.3. Zie ook Kamerstukken II 2006/07, 30804, nr. 9, p. 18. Bij de wijziging van art. 10(2) Wet BPM per 1 februari 2007 wordt in de toelichting op de nota van wijziging opgemerkt dat heffing naar de werkelijke afschrijving (en dus de werkelijke waarde) het uitgangspunt wordt.
Vgl. HR 23 oktober 2020, nr. 19/00101, ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.2.
HvJ 19 september 2000, Tulliasiamies, en Antti Siilin, C-101/00, ECLI:EU:C:2002:505 (conclusie A-G Stix-Hackl), punt 52.
HvJ 19 december 2013, X, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857, punten 41 en 44.
X, ECLI:EU:C:2013:857, punt 42.
HvJ 9 juni 2016, Budişan, C-586/14, ECLI:EU:C:2021:421, punt 26.
Conclusie van 21 juli 2023, nr. 23/01021, ECLI:NL:PHR:2023:696, onderdeel 6.
Conclusie A-G Wattel van 22 maart 2019, nrs. 18/02951 t/m 18/02956, ECLI:NL:PHR:2019:276, 6.9 e.v.
HvJ 22 februari 2001, Gomes Valente, C-393/98, ECLI:EU:C:2001:109.
Gomes Valente, ECLI:EU:C:2001:109, punt 44.
Besluit Belasting op personenauto’s en motorrijwielen, afschrijvingslijn, mogelijkheid tot tegenbewijs van 3 december 2003, nr. DGB2003/6752M, Stcrt 2003, nr. 238, p. 16, par. 2.
Thans: in de handel. Ik meen dat dit slechts een terminologisch verschil betreft. Zie ook par. 3 van het voornoemde besluit, waar wordt gesproken van de ‘autohandel’.
Wet van 14 december 2006, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2007), Stb. 2006, 682.
Wijziging Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen alcoholvrije dranken en wijziging Uitvoeringsregeling belasting personenauto’s en motorrijwielen 1992 van 22 januari 2007, nr. DV 2007/40M, Stcrt. 2007, nr. 19, p. 19.
Zie Kamerstukken II 2006/07, 30804, nr. 9, p. 18.
Zie artikel XII van het Belastingplan 2015, Stb. 2014, 578.
Volgens de genoemde bepaling is een schadevoertuig een voertuig dat ten gevolge van een beschadiging niet langer deugdelijk van bouw en inrichting is.
HR 2 februari 2024, nr. 22/00653, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.2.3.
HR 20 mei 2022, nr. 19/04563, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.2.3.
HR 22 december 2023, nr. 22/00137, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3, tweede alinea. Zie ook mijn conclusie van dezelfde datum, nr. 23/03099, ECLI:NL:PHR:2023:1223, onderdelen 4.8 t/m 4.20.
HR 18 maart 2016, nr. 14/04111, ECLI:NL:HR:2016:422; HR 18 maart 2016, nr. 14/04112, ECLI:NL:HR:2016:421.
In gelijke zin: Van Brummelen, BNB 2016/144, onderdeel 6.
HR 10 juli 2009, nr. 43873, ECLI:NL:HR:2009:BJ2012, r.o. 3.3; HR 10 juli 2009, nr. 07/11237, ECLI:NL:HR:2009:BJ1971, r.o. 3.3.
Wet van 23 december 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2010), Stb. 2009, 610. De aanpassing van art. 10(2) Wet BPM werd bij derde nota van wijziging in het wetsvoorstel opgenomen. Zie Kamerstukken II 2009/10, 32129, nr. 14.
Wet van 20 december 2012 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2013), Stb. 2012, 669.
Kamerstukken II 2012/13, 33403, nr. 3, p. 27-28.
HR 10 juli 2009, nr. 07/11237.
Vgl. ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3, tweede alinea.
ECLI:NL:PHR:2023:1216.
HR 22 december 2023, nr. 22/00137, ECLI:NL:HR:2023:1703.
Vgl. HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323, rechtsoverweging 3.1.4.
Vgl. HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, rechtsoverweging 4.3.2.
Vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, rechtsoverweging 2.4.3.
ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.5. Zie ook: HR 22 december 2023, nr. 22/03829, ECLI:NL:HR:2023:1714, r.o. 3.3.1-3.3.4.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2024), Stb. 2023, 501.
Kamerstukken II 2023/24, 36420, nr. 3, p. 11-12 en 33.
HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640.
ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.3.2 en 3.3.4; ECLI:NL:HR:2023:1714, r.o. 3.2.5.
ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.4.
ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3, derde alinea.
Besluit tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen en van enige overige uitvoeringsregelingen van 21 december 2012, nr. DB-2012-475M, Stcrt 2012, 26349, p. 37.
Besluit Belasting op personenauto’s en motorrijwielen, afschrijvingslijn, mogelijkheid tot tegenbewijs van 3 december 2003, nr. DGB2003/6752M, Stcrt 2003, nr. 238, p. 16.
Sinds 1 januari 2022 betreft dit het moment van inschrijving in het kentekenregister. Vóór deze datum vormde de registratie (inschrijving + tenaamstelling) nog het belastbare feit. Zie art. 1(2) Wet BPM. Sinds 1 januari 2022 bepaalt art. 10(2) Wet BPM overigens ook nadrukkelijk dat het tijdstip van de inschrijving (belastbare feit) bepalend is voor de hoogte van de afschrijving.
In de regel moet de bpm ter zake van de inschrijving in het kentekenregister worden betaald voordat het motorrijtuig is ingeschreven (art. 6(2)a.1 Wet BPM). De aangifte vindt gelijktijdig met de betaling plaats (art. 6(2)b Wet BPM). De inschrijving wordt pas voltooid wanneer de bpm is voldaan (art. 49(1)b WvW 1994).
ECLI:NL:HR:2009:BJ2012, r.o. 3.3; ECLI:NL:HR:2009:BJ1971, r.o. 3.3.
Besluit Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen van 17 december 2009, nr. DB 2009-735M, Stcrt. 2009, nr. 20549.
Vgl. ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.2 en 3.2.4.
HR 28 februari 2020, nr. 19/00619, ECLI:NL:HR:2020:331.
ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.3.2.
Zie ook: HR 17 november 2023, nr. 21/05016, ECLI:NL:HR:2023:1499, r.o. 3.2; ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3, laatste alinea.
HR 12 mei 2023, nr. 21/00182, ECLI:NL:HR:2023:692. In de zaak die tot dit arrest heeft geleid had de omstandigheid dat het Nederlandse instructieboekje ontbrak een waardevermindering van € 61 tot gevolg.
Vgl. ECLI:NL:HR:2019:1783, r.o. 2.4.3 (geciteerd in 4.8), waarin de Hoge Raad overweegt dat met de desbetreffende correctiefactor rekening mag worden gehouden.
Deze vraag speelt in de zaken met nummers 23/00142 en 23/00143.
Deze vraag speelt in de zaak met nummer 24/00420.
ECLI:NL:GHDHA:2024:231, punten 5.8 en 5.9. Het gaat om de zaak die bij de Hoge Raad bekend is onder nummer 24/00420.
ECLI:NL:GHAMS:2022:2760, punten 5.17 en 5.18. Het gaat om de zaak die bij de Hoge Raad bekend is onder nummer 22/04093.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 september 2023, nr. 22/511, ECLI:NL:GHARL:2023:8230, punt 4.15. Belanghebbende heeft haar cassatieberoep tegen deze uitspraak ingetrokken. De Staatssecretaris heeft geen cassatieberoep ingesteld.
Het gerechtshof verwijst naar HR 24 maart 2023, nr. 21/03456, ECLI:NL:HR:2023:440, r.o. 3.2.2.
Hij verwijst naar ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.2, 3.2.4, 3.2.6 en 3.2.7.
In de zin van ECLI:NL:HR:2023:440, r.o. 3.2.2.
Vgl. ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.2, 3.2.4 en 3.2.7.
Ik breng in herinnering dat Eurotax vanaf deze datum de disclaimer heeft opgenomen en dat het vanaf deze datum niet langer mogelijk is de bijstellingen toe te passen. Dit brengt uiteraard mee dat de inspecteur de correctiefactoren vanaf deze datum niet uit eigen beweging meer kan , laat staan moet, toepassen.
Zie het beroepschrift in cassatie in deze zaak.
https://open.overheid.nl/documenten/ronl-33e5100f-3e24-498c-a89f-d6ac5737138d/pdf. Zie onder het kopje: “Actielijst platform koerslijsten 24nov/17dec 2020”.
Standpunt Kennisgroep Auto van 18 maart 2020, nr. 200130185, Waardeverminderende factoren in de koerslijst EurotaxGlass’s, niet gepubliceerd.
Het kennisgroepstandpunt is door een van de belanghebbenden opgenomen als bijlage op pagina 92 en 93 van de conclusie van repliek in de zaak met nummer 23/00142.
Standpunt Kennisgroep Auto van 24 november 2022, KG:013:2022:6, Toepassing koerlijst EurotaxGlass’s en de daarin opgenomen schuifjes ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’.
Het gaat om de zaken met nummers 22/04093, 23/00142 en 23/00143.
ECLI:NL:HR:2019:1783, r.o. 2.4.3. Dit is uiteraard met uitzondering van de factoren die direct betrekking hebben op kenmerken of eigenschappen van specifieke voertuigen. Zie onderdeel 4.13 van deze conclusie.
Strikt genomen zijn deze factoren nog wel opgenomen in de koerslijst, maar staan de schuifjes op 0% en kan dit door de gebruiker niet worden aangepast. Ik acht dit echter geen relevant verschil, nu het hoe dan ook niet meer mogelijk is om de correctieposten toe te passen.
Vgl. ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.5, laatste volzin.
Vgl. ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3.
Standpunt Kennisgroep Auto van 26 mei 2023, KG:013:2023:5, Toepassing schuifjes EurotaxGlass’s bij wijzigen afschrijvingsmethode.
Het gaat om de zaken met nummers 23/00142 en 23/00143.
Vgl. HR 9 april 2021, nr. 19/03791, ECLI:NL:HR:2021:439, r.o. 3.3-3.4.
Conclusie 26‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2024:487 Bpm; koerslijst EurotaxGlass's; 'bijstelling marksituatie' en 'bijstelling dealersituatie'; disclaimer; mag de belastingplichtige de bijstellingen toepassen na opname van de disclaimer in de koerslijst? Is de inspecteur gehouden de bijstellingen uit eigen beweging toe te passen? De koerslijst EurotaxGlass’s biedt de mogelijkheid de handelsinkoopwaarde te corrigeren met de zogenaamde ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’. Uit HR 15 november 2019, 18/00246 volgt dat de belastingplichtige bij toepassing van de koerslijstmethode rekening mag houden met deze bijstellingen, zonder dat hij nader bewijs hoeft te leveren. Vanaf 4 oktober 2021 biedt EurotaxGlass’s niet langer de mogelijkheid de bijstellingen in de koerslijst toe te passen. De aanbieder van de koerslijst heeft een disclaimer geplaatst in de koerslijst waarin deze keuze wordt toegelicht. De aanbieder acht de bijstellingen niet langer relevant voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde. Voorts dient de toepassing van de bijstellingen volgens de aanbieder effectief bewezen te worden door de gebruiker van de koerslijst. In geschil is of de opname van de disclaimer tot gevolg heeft dat het vanaf 4 oktober 2021 niet meer mogelijk is de bijstellingen zonder nader bewijs toe te passen, ook als de aangifte is gedaan vóór deze datum. A-G Ettema komt tot de slotsom dat de belastingplichtige zonder onderbouwing een beroep kan blijven doen op de bijstellingen in de koerslijst EurotaxGlass’s, op voorwaarde dat hij aangifte heeft gedaan vóór 4 oktober 2021 en de koerslijstmethode van toepassing is. Het maakt daarbij geen verschil of de koerslijstmethode reeds bij de aangifte is toegepast of pas in bezwaar of (hoger) beroep. Volgens de A-G kan de inspecteur daarnaast gehouden zijn de bijstellingen uit eigen beweging toe te passen bij het opleggen van een naheffingsaanslag doch alleen als hij de koerslijstmethode toepast en een uitdraai van de koerslijst EurotaxGlass’s van vóór 4 oktober 2021 behoort tot de hem ter beschikking staande gegevens. Het voorgaande brengt mee dat het Hof ten onrechte van belanghebbende verlangt dat zij de toepassing van de bijstellingen aannemelijk maakt. A-G Ettema geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie gegrond te verklaren.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00142
Datum 26 april 2024
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Belasting pers.auto's en motorrijw. 2018
Nr. Gerechtshof BK-21/01193 en BK-21/01194
Nr. Rechtbank 21/1379 en 21/1381
CONCLUSIE
C.M. Ettema
In de zaak van
V.o.f. [X], h.o.d.n. [A]
tegen
de staatssecretaris van Financiën
1. Inleiding
1.1
In deze zaak staat de vraag centraal of voor de heffing van bpm ter zake van de registratie van een gebruikte auto rekening mag worden gehouden met de zogenoemde ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s nadat die koerslijst de keuzemogelijkheid om die factoren toe te passen heeft geschrapt.
1.2
Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019, nr. 18/002461., volgt dat bij toepassing van de koerslijstmethode in beginsel met alle in de koerslijst gespecificeerde factoren, en dus ook de voornoemde, rekening mag worden gehouden bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde. Een belastingplichtige hoeft in dit verband geen verder bewijs te leveren.
1.3
Voornoemd arrest was aanleiding voor de aanbieder van de koerslijst EurotaxGlass’s vanaf 4 oktober 2021 niet langer de mogelijkheid te bieden de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ toe te passen. In de koerslijst heeft de aanbieder een disclaimer opgenomen waarin deze keuze wordt toegelicht. Volgens de aanbieder zijn de factoren niet langer relevant voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde en moet toepassing van de factoren effectief worden bewezen door de gebruiker van de koerslijst.
1.4
In de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie behandel ik de vraag of het na het opnemen van de disclaimer in de koerslijst EurotaxGlass’s nog mogelijk is de correctiefactoren ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ toe te passen, zonder dat de belastingplichtige nader bewijs levert. In deze bijlage kom ik tot de slotsom dat deze mogelijkheid blijft bestaan, mits de aangifte is gedaan voor 4 oktober 2021 en de koerslijstmethode wordt toegepast. Het maakt daarbij niet uit of de koerslijstmethode reeds bij de aangifte is toegepast of de belastingplichtige eerst in bezwaar of (hoger) beroep de methode voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde wenst te wijzigen naar de koerslijstmethode, als de handelsinkoopwaarde maar volgens de koerslijstmethode wordt bepaald.
1.5
Het Hof heeft het voorgaande miskend. Het heeft aan de opname van de disclaimer in EurotaxGlass’s het gevolg verbonden dat de correctiefactoren niet (langer) in hun algemeenheid kunnen worden toegepast, zonder onderbouwing voor het individuele geval. De klacht, die opkomt tegen dit oordeel van het Hof, treft doel.
1.6
De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag de afschrijving bepaald aan de hand van de koerslijst EurotaxGlass’s, echter zonder toepassing van de daarin gespecificeerde ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’. Belanghebbende, die vóór 4 oktober 2021 aangifte heeft gedaan ter zake van de registratie van een gebruikte auto en aanvankelijk de taxatiemethode heeft bepleit, heeft zich in hoger beroep terecht op het standpunt gesteld dat bij toepassing van de koerslijstmethode alsnog rekening moet worden gehouden met deze correctiefactoren.
1.7
Het beroep in cassatie is gegrond.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
De bestreden uitspraak heeft betrekking op de heffing van bpm ter zake van de registratie van twee personenauto’s. In cassatie beperkt het geschil zich tot een van de twee auto’s, door het Hof aangeduid als auto 1. Bij de weergave van de feiten en het geding beperk ik mij tot deze auto.
2.2
Belanghebbende heeft op 2 juli 2018 aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie in Nederland van een gebruikte Nissan Qashqai (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 28 juni 2013. Belanghebbende heeft de auto gekocht op 18 juni 2018 tegen een aankoopprijs van € 10.261. In de aangifte is de te betalen bpm berekend op € 553.
2.3
Naar aanleiding van een taxatie op 27 juni 2018 heeft [B] B.V. een taxatierapport opgemaakt. In het taxatierapport is aan de hand van de koerslijst EurotaxGlass’s de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto bepaald op € 9.124. De taxateur heeft bij de taxatie schade geconstateerd tot een bedrag van € 9.026 en een bedrag van € 6.499 (72% van € 9.026) in mindering gebracht op de waarde van de auto in onbeschadigde staat.
2.4
De dienst Domeinen Roerende Zaken van het ministerie van Financiën (DRZ) heeft een onderzoek waardebepaling van de auto uitgevoerd. Naar aanleiding van een fysieke schouw op 16 juli 2018 heeft de beoordelaar van DRZ de handelsinkoopwaarde van de auto aan de hand van de koerslijst EurotaxGlass’s bepaald op € 9.009.2.De beoordelaar heeft geen schade aan de auto vastgesteld en daarom geen vermindering wegens schade toegepast.
2.5
Bij brief van 26 september 2018 heeft de Inspecteur aangekondigd voornemens te zijn een naheffingsaanslag bpm op te leggen voor de auto ten bedrage van € 1.346, bestaande uit de herrekende bpm tot een bedrag van € 1.899 verminderd met een bedrag aan op aangifte voldane bpm van € 553. Voorts heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat hij voornemens is een vergrijpboete op te leggen als bedoeld in art. 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) ter hoogte van 50% van het nageheven bedrag.
2.6
Met dagtekening 20 november 2018 zijn de naheffingsaanslag en de vergrijpboete conform de vooraankondiging opgelegd. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2019 de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd.
De Rechtbank3.
2.7
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij rechtbank Den Haag (de Rechtbank). Het geschil voor de Rechtbank spitst zich toe op de vraag of voor de auto terecht geen schade in aanmerking is genomen.
2.8
De Rechtbank overweegt dat het op de weg van belanghebbende ligt te bewijzen dat een waardevermindering door schade in mindering komt bij de waardebepaling van de auto. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur slaagt belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank niet in deze bewijslast. Belanghebbende heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte dan wel ten tijde van het moment van registratie, meer dan normale gebruiksschade had.
2.9
Belanghebbende betoogt dat de op basis van de koerslijst van EurotaxGlass’s bepaalde waarde van de auto in onbeschadigde staat met toepassing van de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ moet worden verminderd. De Rechtbank laat deze stelling als tardief buiten beschouwing op de gronden dat de stelling eerst ter zitting door belanghebbende is ingenomen en niet duidelijk is waarom deze niet eerder in het geding kon worden gebracht.
2.10
Tussen partijen is niet in geschil dat dan de forfaitaire afschrijvingstabel voor de auto kan worden toegepast, zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd met een bedrag van € 278. Het beroep is derhalve gegrond.
Het Hof4.
2.11
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep aangetekend bij het gerechtshof Den Haag (het Hof). In geschil is, voor zover in cassatie van belang,5.of alle correctiefactoren die in de koerslijst van EurotaxGlass’s zijn opgenomen dienen te worden toegepast.
2.12
Op het tijdstip van registratie van de auto waren op de koerslijst van EurotaxGlass’s correctiefactoren opgenomen voor ‘marktsituatie’ en ‘dealersituatie’. Belanghebbende stelt, onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 15 november 20196.dat alle correctiefactoren op de koerslijst dienen te worden toegepast, zonder dat zij per correctiefactor afzonderlijk verder bewijs hoeft te leveren. Dit moet leiden tot een verlaging van de handelsinkoopwaarde van de auto met 15%, aldus belanghebbende.
2.13
Met ingang van 4 oktober 2021 is de koerslijst van EurotaxGlass’s aangepast, zodat sinds die datum niet meer de mogelijkheid wordt geboden de correctiefactoren ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ toe te passen. De aanbieder heeft in de koerslijst de volgende disclaimer opgenomen:
“Het gebruik van de schuifknoppen “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie” worden niet meer toegelaten. Eurotax is van mening dat dergelijke prijsverhogings- en prijsverlagingsindicatoren niet meer relevant zijn voor de handelsinkoopwaarde te bepalen zoals vermeld in het arrest ECLI:NL:HR:2019:1783 van de Hoge Raad. Eveneens is Eurotax van mening dat het gebruik van eender welke correctiefactoren gegrond moet zijn en effectief bewezen moet worden door de gebruiker zelf, waar het arrest dit anders heeft belicht. Daarom zijn de indicatoren “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie” voortaan op 0% vastgelegd.”
2.14
Gelet op deze disclaimer en in afwijking van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad, is het Hof van oordeel dat de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ thans niet meer kunnen worden toegepast zonder dat een onderbouwing voor het individuele geval wordt gegeven. Belanghebbende heeft deze onderbouwing niet gegeven. Voor zover belanghebbende stelt dat deze correctiefactoren in hun algemeenheid kunnen worden toegepast, volgt het Hof deze stelling niet. De taxateur van belanghebbende heeft voor toepassing van deze correctiefactoren geen aanleiding gezien. Daarnaast overweegt het Hof dat de Hoge Raad in voornoemd arrest oordeelt dat met de desbetreffende correctiefactoren rekening mag worden gehouden. Het Hof ziet geen aanleiding een aftrek in aanmerking te nemen.
3. Het geding in cassatie
Beroepschrift
3.1
Belanghebbende komt in cassatie met een rechtsklacht en motiveringsklacht op tegen het oordeel van het Hof dat de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ niet kunnen worden toegepast zonder die factoren voor het individuele geval te onderbouwen. Op het moment van de bpm-aangifte bood de koerslijst EurotaxGlass’s nog de mogelijkheid deze correctiefactoren toe te passen. Belanghebbende betoogt dat zij, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 15 november 20197., deze factoren in aanmerking mag nemen zonder verder bewijs te leveren. Dat de correctiefactoren inmiddels niet meer kunnen worden toegepast is volgens belanghebbende niet relevant, aangezien het Hof zijn oordeel dient te baseren op de feiten, de omstandigheden en het geldende recht ten tijde van het belastbare feit (toetsing ex tunc). Volgens belanghebbende hebben de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ daarnaast geen betrekking op de eigenschappen die specifiek zijn aan een bepaald voertuig, maar mogen deze, in afwijking van het oordeel van het Hof, in hun algemeenheid worden toegepast.
3.2
Het oordeel van het Hof om de correctiefactoren niet toe te staan getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is onbegrijpelijk gemotiveerd, aldus belanghebbende. Hierdoor handelt het Hof niet alleen in strijd met de jurisprudentie van de Hoge Raad, maar ook met het rechtszekerheidsbeginsel.
Verweerschrift
3.3
De staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) voert in verweer aan dat de bewijslast voor een vermindering van het verschuldigde bpm-bedrag rust op de belastingplichtige. Hij verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 20228.. Volgens de Staatssecretaris is het oordeel van het Hof dat belanghebbende de correctiefactoren moet onderbouwen in lijn met dit arrest van de Hoge Raad.
3.4
Het arrest van 15 november 2019 ziet op de situatie dat een belastingplichtige de bpm-vermindering bepaalt aan de hand van de koerslijstmethode. In de onderhavige zaak heeft belanghebbende echter de taxatiemethode gebruikt. Binnen de taxatiemethode kan een koerslijst worden gebruikt om de handelsinkoopwaarde te bepalen, maar naar de mening van de Staatssecretaris betekent dit niet dat ook alle correctiefactoren binnen een koerslijst zonder meer van toepassing zijn. Daarbij merkt de Staatssecretaris op dat zowel de taxateur van belanghebbende als de waarderingsdeskundige van DRZ geen reden zagen om de correctiefactoren toe te passen. Het voorgaande betekent dat de rechtsklacht geen doel treft, aldus nog steeds de Staatssecretaris.
3.5
Voor zover de klacht van belanghebbende nog een motiveringsklacht bevat, faalt deze volgens de Staatssecretaris ook. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet heeft onderbouwd dat de correctiefactoren in dit geval niet van toepassing zijn is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Voor het overige is het Hof naar de mening van de Staatssecretaris uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, welke niet met vrucht kan worden bestreden met een motiveringsklacht.9.
Repliek
3.6
In repliek citeert belanghebbende een standpunt van de Kennisgroep auto10.van de Belastingdienst. Uit dit standpunt maakt belanghebbende op dat zij alsnog mag wisselen van de taxatiemethode naar de koerslijstmethode en dat zij binnen de koerslijstmethode alsnog gebruik mag maken van de koerslijst EurotaxGlass’s, met toepassing van de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’. Het is hiervoor niet nodig een nieuwe koerslijst te overleggen, aldus belanghebbende.
3.7
Belanghebbende meent voorts dat het in casu niet nodig zou moeten zijn te wisselen naar de koerslijstmethode. De Inspecteur is immers verplicht om bij het opleggen van de naheffingsaanslag, waarbij hij de afschrijving bepaalt aan de hand van de koerslijst EurotaxGlass’s, de daarin opgenomen correctiefactoren ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ toe te passen. Bij het opleggen van een naheffingsaanslag dient de Inspecteur te blijven binnen de grenzen van art. 110 VWEU, zodat hij uit eigen beweging de meest gunstige waarde moet toepassen die tot de laagste bpm-druk leidt. Dit volgt ook uit art. 10b Wet BPM en het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 202311., aldus nog steeds belanghebbende.
3.8
Tot slot betoogt belanghebbende dat de Inspecteur handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Hoewel de Inspecteur volgens de standpunten van de Kennisgroep auto niet is gehouden de correctiefactoren ambtshalve toe te passen, doet hij dit feitelijk wel in een groot aantal vergelijkbare gevallen. Daarbij handelde de Inspecteur op basis van een schaduwbeleid, aldus belanghebbende. Als de Inspecteur (CE: bedoeld zal zijn de Staatssecretaris) in de onderhavige procedure het standpunt verdedigt dat geen sprake is van beleid, dan handelt hij volgens belanghebbende willekeurig en onrechtmatig.
Dupliek
3.9
In dupliek voert de Staatssecretaris aan dat belanghebbende vóór 1 oktober 2021 op aangifte bpm heeft voldaan, waarbij gebruik is gemaakt van de taxatiemethode. Op deze situatie is het beleid uit vraag 3 van het kennisgroepstandpunt van 24 november 202212.van toepassing, waaruit volgens de Staatssecretaris volgt dat geen beroep kan worden gedaan op de correctiefactoren. Als belanghebbende met haar stellingen heeft bedoeld de taxatiemethode geheel te verlaten en de koerslijstmethode toe te passen, dan zou belanghebbende volgens de Staatssecretaris wel recht hebben op toepassing van de correctiefactoren, zij het dat toepassing van de koerslijstmethode met zich brengt dat geen plaats is voor het in aanmerking nemen van de door belanghebbende gestelde schade.
3.10
De Staatssecretaris vervolgt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 202313.niet kan worden afgeleid dat de Inspecteur ook bij het vaststellen van een inkoopwaarde uit eigen beweging de voor de belastingplichtige meest gunstige (laagste) waarde moet toepassen. Voorts doet dit arrest niet af aan de bewijslastverdeling die volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 202214., welke verdeling in overeenstemming is met art. 110 VWEU, aldus de Staatssecretaris. Gelet op dit laatste arrest is het volgens de Staatssecretaris aan belanghebbende om de toepasselijkheid van de correctiefactoren in een koerslijst te bewijzen. De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur uit eigen beweging de meest gunstige inkoopwaarde moet toepassen, vindt daarom geen steun in het recht.
3.11
Tot slot verwerpt de Staatssecretaris de stelling dat sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Een conclusie van repliek is volgens de Staatssecretaris niet bedoeld om nieuwe klachten aan te dragen.15.Ook vergt deze stelling een feitelijke beoordeling waarvoor in cassatie geen plaats is, aldus de Staatssecretaris.
4. Beoordeling van de klacht
4.1
Voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, oordeelt het Hof als volgt:
“Subsidiaire stelling
5.2.1.
Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat gelet op het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783, BNB 2020/23, alle correctiefactoren die in de koerslijst van EuroTaxGlass’s zijn opgenomen dienen te worden toegepast en dat derhalve ten aanzien van auto 1 nog een correctie op de door de Inspecteur bepaalde handelsinkoopwaarde dient te worden toegepast van 15 percent (…)
5.2.2.
De Inspecteur heeft in het verweerschrift in hoger beroep toegelicht dat de koerslijst van Eurotaxglass’s inmiddels niet meer de mogelijkheid biedt de genoemde correctiefactoren aan te vinken. Eurotaxglass’s heeft inmiddels een disclaimer opgenomen in de koerslijst:
“Het gebruik van de schuifknoppen “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie” worden niet meer toegelaten. Eurotax is van mening dat dergelijke prijsverhogings- en prijsverlagingsindicatoren niet meer relevant zijn voor de handelsinkoopwaarde te bepalen zoals vermeld in het arrest ECLI:NL:HR:2019:1783 van de Hoge Raad. Eveneens is Eurotax van mening dat het gebruik van eender welke correctiefactoren gegrond moet zijn en effectief bewezen moet worden door de gebruiker zelf, waar het arrest dit anders heeft belicht. Daarom zijn de indicatoren “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie” voortaan op 0% vastgelegd.”
5.2.3.
Gelet op de inmiddels door de koerslijstprovider gehanteerde disclaimer en in afwijking van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad is het Hof van oordeel dat thans niet meer van een aftrek “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie” kan worden uitgegaan zonder daarvoor een onderbouwing voor het individuele geval te geven. Een dergelijke onderbouwing is door belanghebbende niet gegeven. Sterker nog, belanghebbende lijkt te stellen dat deze aftrek in zijn algemeenheid kan worden toegepast. Dit is geenszins het geval. De taxateur van belanghebbende heeft voor deze aftrek geen aanleiding gezien. In het door belanghebbende aangehaalde arrest heeft de Hoge Raad overigens, anders dan belanghebbende meent, geoordeeld dat met dergelijke “factoren” in voorkomend geval rekening mag worden gehouden. Het Hof ziet geen aanleiding een aftrek in aanmerking te nemen.”
4.2
De klacht richt zich tegen dit oordeel. De klacht voert aan dat het Hof zijn beslissing had moeten baseren op de feiten en omstandigheden en het geldende recht ten tijde van het doen van bpm-aangifte door belanghebbende. Op dat moment maakten de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ nog deel uit van het koerslijstprogramma van EurotaxGlass’s, zodat belanghebbende hiermee rekening mocht houden, aldus de klacht. Volgens de klacht behoeft belanghebbende daarbij geen nader bewijs te leveren, maar mogen de correctiefactoren in hun algemeenheid worden toegepast. Door anders te oordelen heeft het Hof het recht geschonden, aldus nog steeds de klacht.
4.3
Bij de beoordeling van de klacht stel ik het volgende voorop. Op grond van art. 10(2) Wet BPM kan een bpm-vermindering in aanmerking worden genomen voor gebruikte voertuigen.16.Deze vermindering bedraagt de procentuele afschrijving van de historische nieuwprijs van de auto. Art. 10(2) Wet BPM reikt twee methoden aan voor het bepalen van deze afschrijving, namelijk de koerslijstmethode (art. 10(7) Wet BPM) en de taxatiemethode (art. 10(8) Wet BPM).17.Beide methoden bieden de mogelijkheid een koerslijst te hanteren voor het bepalen van de afschrijving, maar de wijze waarop de koerslijst wordt gebruikt verschilt afhankelijk van de gebruikte methode. Voor een uitgebreide uiteenzetting verwijs ik naar onderdeel 4.6 e.v. van de gemeenschappelijke bijlage.
4.4
Bij toepassing van de koerslijstmethode mogen in beginsel alle factoren worden toegepast waarmee de gehanteerde koerslijst rekening houdt.18.Dit omdat anders niet is uitgesloten dat de verschuldigde bpm hoger is dan de rest-bpm die nog rust op soortgelijke voertuigen in Nederland. De Hoge Raad heeft dit ook expliciet geoordeeld over de correctiefactor ‘marktsituatie handelaar’ in de koerslijst EurotaxGlass’s.19.Het voorgaande leidt uitzondering indien bepaalde correctiefactoren in de gehanteerde koerslijst betrekking hebben op specifieke voertuigkenmerken, zoals een verhuurverleden (ex rental).20.Dergelijke factoren mogen slechts worden toegepast indien het te registreren voertuig ook de desbetreffende voertuigkenmerken bezit.21.
4.5
Bij toepassing van de taxatiemethode vormt de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst daarentegen slechts een uitgangspunt.22.De getaxeerde waarde zal immers verschillen van de koerswaarde vanwege meer dan normale gebruiksschade of de bijzondere kenmerken en eigenschappen van het te waarderen voertuig.23.In dat geval kunnen zowel de belastingplichtige als de inspecteur een aanvullende waardevermindering respectievelijk waardevermeerdering bepleiten ten opzichte van de handelsinkoopwaarde die volgt uit de koerslijst.24.
4.6
Per 1 januari 2015 heeft de wetgever toepassing van de taxatiemethode beperkt tot voertuigen met meer dan normale gebruiksschade, niet zijnde schadevoertuigen, en/of voertuigen die niet voorkomen op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland.25.Hiermee heeft de wetgever de taxatiemethode willen beperken tot voertuigen met fysiek aanwijsbare, dus waarneembare, schade.26.
4.7
Belanghebbende heeft bij de aangifte ter zake van de registratie van auto 1, de afschrijving bepaald aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft. DRZ heeft een onderzoek waardebepaling uitgevoerd en vastgesteld dat geen sprake is van schade aan de auto. DRZ heeft aan de hand van de koerslijst EurotaxGlass’s geconstateerd dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto dient te worden vastgesteld op € 9.009. De Inspecteur heeft de afschrijving voor auto 1 gebaseerd op deze handelsinkoopwaarde en overigens geen vermindering wegens schade toegepast. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat auto 1 ten tijde van het doen van aangifte meer dan normale gebruiksschade had. De verwijzing door belanghebbende naar het door haar ingebrachte taxatierapport en de daarin opgenomen foto’s is hiervoor naar het oordeel van de Rechtbank niet voldoende. Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – de tegen dit oordeel gerichte stelling verworpen.
4.8
In dat oordeel ligt besloten dat het door belanghebbende bij de aangifte gebruikte taxatierapport niet kan dienen voor het vaststellen van de afschrijving, omdat de daarin beschreven schade niet strookt met de staat waarin de auto ten tijde van het doen van aangifte verkeerde. Dit heeft tot gevolg dat belanghebbende de in art. 10(2) Wet BPM bedoelde afschrijving van deze personenauto niet heeft mogen bepalen met gebruikmaking van een getaxeerde handelsinkoopwaarde, omdat zij bij het doen van aangifte niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de taxatiemethode.27.Het primaire standpunt dat belanghebbende in hoger beroep heeft ingenomen, faalt om die reden.
4.9
De Inspecteur heeft de handelsinkoopwaarde, zoals gezegd, bepaald met gebruikmaking van de koerslijst EurotaxGlass’s.28.Nu in cassatie vaststaat dat toepassing van de taxatiemethode niet mogelijk is, brengt dit mee dat de koerslijstmethode is toegepast.29.Belanghebbende heeft bij het Hof het standpunt ingenomen, en dat standpunt heeft zij in het beroepschrift in cassatie herhaald, dat uitgaande van deze door de Inspecteur op basis van deze koerslijst bepaalde inkoopwaarde de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ nog op die koerslijstwaarde in mindering moeten worden gebracht. Dit subsidiaire standpunt moet in mijn ogen aldus worden opgevat dat belanghebbende, mocht haar beroep op de taxatiemethode (door het Hof aangeduid als het primaire standpunt) falen, in hoger beroep alsnog kiest voor de koerslijstmethode en voor toepassing van de genoemde correctiefactoren. Belanghebbende had die keuze op dat moment nog.30.
4.10
Het oordeel van het Hof dat de correctiefactoren niet in aanmerking kunnen worden genomen, getuigt in mijn optiek van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat de koerslijst EurotaxGlass’s niet meer de mogelijkheid biedt deze correctiefactoren toe te passen en inmiddels een disclaimer heeft opgenomen in de koerslijst, is van geen belang. Beslissend is de handelsinkoopwaarde van de referentieauto op het moment van het doen van aangifte, te weten 2 juli 2018. Op dat moment bood de koerslijst EurotaxGlass’s de mogelijkheid rekening te houden met de correctiefactoren ‘marktsituatie’ en ‘dealersituatie’. Dit brengt mee dat belanghebbende in hoger beroep alsnog een beroep kon doen op de correctiefactoren zonder een onderbouwing voor het individuele geval te geven.31.De omstandigheid dat de taxateur van belanghebbende deze factoren niet in aanmerking heeft genomen doet hieraan niet af.
4.11
De klacht treft doel.
4.12
De Staatssecretaris betoogt in zijn conclusie van dupliek dat belanghebbende bij de aangifte gebruik heeft gemaakt van de taxatiemethode, zij eerst in repliek stelt te willen ‘switchen’ naar de koerslijstmethode en dat dat te laat is.32.Hiermee miskent de Staatssecretaris dat belanghebbende in hoger beroep met haar subsidiaire standpunt die keuze al heeft gemaakt (zie 4.9 hiervóór).33.Zie ik het goed, dan is ook de Staatssecretaris alsdan van mening dat de bijstellingen in mindering kunnen worden gebracht op de koerslijstwaarde.34.
4.13
Mocht de Hoge Raad echter oordelen dat belanghebbende inderdaad eerst in repliek zijn keuze voor de koerslijstmethode kenbaar heeft gemaakt, dan wordt toegekomen aan de beoordeling van belanghebbendes standpunt dat het in casu niet nodig was te wisselen naar de koerslijstmethode, omdat de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag de afschrijving heeft bepaald aan de hand van de koerslijst EurotaxGlass’s en dan verplicht is de daarin opgenomen correctiefactoren ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ uit eigen beweging toe te passen.35.
4.14
Belanghebbende wijst erop dat de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag dient te blijven binnen de grenzen van art. 110 VWEU, zodat hij uit eigen beweging de meest gunstige waarde moet toepassen die tot de laagste bpm-druk leidt. Dit volgt volgens belanghebbende ook uit art. 10b Wet BPM en het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 202336.. Dit betoog slaagt. Zoals ik in onderdeel 4.12 tot en met 4.21 van de gemeenschappelijke bijlage uiteenzet, dient de inspecteur uit eigen beweging de ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in de koerslijst EurotaxGlass’s toe te passen, mits hij de koerslijstmethode toepast en een uitdraai van de koerslijst EurotaxGlass’s van vóór 4 oktober 202137.behoort tot de hem ter beschikking staande gegevens. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag een uitdraai van de koerslijst EurotaxGlass’s van 12 juli 2018 gehanteerd voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de auto. In dit geval had de Inspecteur, om te blijven binnen de grenzen van art. 110 VWEU, de correctiefactoren ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ uit eigen beweging moeten toepassen.
4.15
De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Niet in geschil is dat de ‘bijstelling marktsituatie’ en bijstelling dealersituatie’ optellen tot een correctie van maximaal 15% van de handelsinkoopwaarde. Evenmin is in geschil dat de handelsinkoopwaarde aan de hand van de koerslijst EurotaxGlass’s € 9.009 bedraagt. Toepassing van de correctiefactoren leidt tot een handelsinkoopwaarde van € 7.671.38.Belanghebbende heeft in hoger beroep onweersproken gesteld dat deze handelsinkoopwaarde leidt tot een verlaging van de naheffingsaanslag voor auto 1 met € 320 tot een bedrag van € 1.025.39.De naheffingsaanslag moet dus worden verminderd tot € 1.025.
5. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie gegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑04‑2024
HR 15 november 2019, 18/00246, ECLI:NL:HR:2019:1783.
Het Hof vermeldt onder 2.3.1 dat deze waarde is gebaseerd op de Eurotax XchangeNet. Zie ook punt 3 van de uitspraak van de Rechtbank. De koerslijst Eurotax XchangeNet is een andere benaming voor de koerslijst EurotaxGlass’s, zodat deze benamingen voor zover hier van belang inwisselbaar zijn. Vanuit het oogpunt van consistentie noem ik de koerslijst in deze conclusie: EurotaxGlass’s, onder meer omdat dit het opschrift is van de koerslijstuitdraai waarop zowel belanghebbende als de beoordelaar van DRZ de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat hebben bepaald. Ik merk op dat belanghebbende bij de aangifte een oudere uitdraai heeft gebruikt, zodat zijn handelsinkoopwaarde (€ 9.124) hoger uitvalt dan die van de beoordelaar van DRZ (€ 9.009).
Rechtbank Den Haag 28 oktober 2021, SGR 21/1379 en 21/1381, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Gerechtshof Den Haag 15 december 2022, BK-21/01193 en 21/01194, ECLI:NL:GHDHA:2022:2696.
Het geschil in cassatie beperkt zich tot het oordeel van het Hof over het subsidiaire standpunt van belanghebbende in hoger beroep. Verderop in deze conclusie komt het primaire standpunt van belanghebbende nog zijdeling aan bod. Zie 4.7.
ECLI:NL:HR:2019:1783. Zie voornamelijk r.o. 2.4.3.
HR 20 mei 2022, 19/04563, ECLI:NL:HR:2022:640.
De Staatssecretaris verwijst naar: HR 25 september 1996, 31557, ECLI:NL:HR:1996:AA2030, r.o. 3.6.
Kennisgroep auto van 24 november 2022, KG:013:2022:6, Toepassing koerslijst EurotaxGlass’s en de daarin opgenomen schuifjes ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’.
HR 23 maart 2023, 21/03456, ECLI:NL:HR:2023:440.
Kennisgroep auto van 24 november 2022, KG:013:2022:6, Toepassing koerslijst EurotaxGlass’s en de daarin opgenomen schuifjes ‘marktsituatie handelaar’ en ‘marktsituatie’.
Hij verwijst naar HR 13 juli 2001, nr. 36511, ECLI:NL:HR:2001:AB2680 en HR 11 april 2003, nr. 38281, ECLI:NL:HR:2003:AF7103.
Zie onderdeel 2 van de gemeenschappelijke bijlage voor een uitgebreide bespreking van het wettelijke systeem van de afschrijvingsmethoden.
Zie onderdeel 4.8 en 4.9 van de gemeenschappelijke bijlage.
ECLI:NL:HR:2019:1783, r.o. 2.4.3.
Zie onderdeel 4.10 van de gemeenschappelijke bijlage.
HR 28 februari 2020, nr. 19/00619, ECLI:NL:HR:2020:331, 2.3.5.
Zie onderdeel 4.11 van de gemeenschappelijke bijlage.
HR 12 mei 2023, nr. 21/00182, ECLI:NL:HR:2023:692.
ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3, laatste volzin. Vgl. ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.3.2.
Zie ook onderdeel 2.15 van de gemeenschappelijke bijlage.
Kamerstukken II 2014/15, 34002, nr. 3, p. 31 en 64; vgl. HR 2 februari 2024, nr. 22/00653, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.2.3.
Vgl. ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.1. Zie ook onderdeel 2.15 van de gemeenschappelijke bijlage.
De Rechtbank en het Hof hebben dit niet met zoveel woorden vastgesteld, maar de stukken van het geding, in het bijzonder de vooraankondiging van de naheffingsaanslag bpm van 26 september 2018, laten geen andere conclusie toe.
Vgl. ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.2. Zie voor een uitspraak waarin het tegendeel wordt geoordeeld: Hof Arnhem-Leeuwarden 26 januari 2021, nrs. 20/00307 t/m 20/00309, ECLI:NL:GHARL:2021:761, punt 4.1.
Vgl. HR 18 maart 2016, nr. 14/04111, ECLI:NL:HR:2016:422; HR 18 maart 2016, nr. 14/04112, ECLI:NL:HR:2016:421. Zie onderdeel 2.20 e.v. van de gemeenschappelijke bijlage. Voor het vaststellen van de juistheid van de vermindering is in dit geval geen (tweede) controle van het voertuig nodig.
ECLI:NL:HR:2019:1783, r.o. 2.4.3.
Zie voetnoot 2 van de conclusie van dupliek.
Belanghebbende heeft deze stelling overigens ook al in beroep ingenomen, maar de Rechtbank verklaarde deze tardief.
Conclusie van dupliek, p. 2-3. Hij verwijst naar ECLI:NL:HR:2016:422, r.o. 2.4.3 en ECLI:NL:HR:2016:421, r.o. 2.4.3.
Conclusie van repliek, p. 2 en 3.
Ik breng in herinnering dat Eurotax vanaf deze datum de disclaimer heeft opgenomen en dat het vanaf deze datum niet langer mogelijk is de bijstellingen toe te passen. Dit brengt uiteraard mee dat de inspecteur vanaf deze datum de correctiefactoren niet uit eigen beweging kan toepassen.
Het Hof vat het betoog van belanghebbende aldus op dat de handelsinkoopwaarde inclusief correcties uitkomt op € 7.657 (zie punt 5.2.1. van de bestreden uitspraak). Dit is onjuist, aangezien de door de inspecteur berekende handelsinkoopwaarde deels bestaat uit een bedrag aan opties (€ 93). De correcties dienen te worden toegepast op de handelsinkoopwaarde exclusief opties. Dit leidt tot een handelsinkoopwaarde van € 7.671, namelijk: (9.009 – 93) * 0,85 + 93.
Zie p. 3 van het hogerberoepschrift van belanghebbende.