Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/11.10.3:11.10.3 De regeling tegen onderkapitalisatie heeft betrekking op alle rente
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/11.10.3
11.10.3 De regeling tegen onderkapitalisatie heeft betrekking op alle rente
Documentgegevens:
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS302007:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoe verhoudt het nieuwe art. 10, lid 1, onderdeel d, zich tot het voorgestelde art. 10d? Het teveel aan vreemd vermogen wordt ingevolge art. 10d berekend aan de hand van de commerciële jaarstukken van de belastingplichtige en het concern waartoe hij behoort. Is sprake van een teveel aan vreemd vermogen, dan wordt het niet-aftrekbare bedrag vervolgens bepaald aan de hand van de vergoedingen over het vreemd vermogen die tot uitdrukking komen in de fiscale jaarstukken van de belastingplichtige. Vergoedingen op een civielrechtelijke schuld waarop art. 10, lid 1, onderdeel d, van toepassing is, maken daarom geen deel uit van de vergoedingen als bedoeld in het voorgestelde art. 10d, lid 3 en 4.
Op grond van de tegenbewijsregeling die is opgenomen in het achtste en het negende lid van art. 10d is het teveel aan vreemd vermogen gelijk aan het bedrag waarmee het vreemd vermogen van de belastingplichtige uitgaat boven het vreemd vermogen dat zou zijn verschuldigd als de belastingplichtige niet tot een groep zou behoren. Voor de toepassing van deze bepaling wordt de term ‘vreemd vermogen’ opgevat op de voet van de Wet VPB 1969. Een schuld waarop art. 10, lid 1, onderdeel d, van toepassing is, zal niet als vreemd vermogen worden beschouwd voor de toepassing van art. 10d, lid 8 en 9.
Art. 13, lid 2, zal worden aangepast zoals is aangegeven in paragraaf 11.10.2.2, In vergelijking met art. 13, lid 2, onderdeel e, zoals weergegeven in de voorgaande paragraaf worden daarin in de eerste volzin de woorden ‘dan wel artikel 10, derde lid’ geschrapt, aangezien art. 10, lid 3, alleen voorkomt indien de regeling tegen onderkapitalisatie betrekking heeft op de rente op leningen die zijn verstrekt door gelieerde vennootschappen.
Hoe verhoudt de aldus aangepaste deelnemingsvrijstelling zich tot het voorgestelde art. 10d? Op grond van het voorgestelde art. 10d, lid 1, onderdeel a, worden de vergoedingen op schuldvorderingen op groepsmaatschappijen vrijgesteld. Een schuldvordering als bedoeld in het voorgestelde art. 10, lid 1, onderdeel d, wordt fiscaalrechtelijk aangemerkt als een verstrekking van eigen vermogen. Om deze reden zou een dergelijke schuldvordering niet onder het bereik van art. 10d, lid 1, onderdeel a, kunnen vallen. Dit zou betekenen dat de vergoeding op een hybride schuldvordering op een buitenlandse groepsvennootschap alleen zou zijn vrijgesteld wanneer de vergoeding bij de buitenlandse debiteur niet in aftrek is gekomen. De vrijstelling van de vergoeding op een niet-hybride schuldvordering op een buitenlandse groepsvennootschap zou daar evenwel niet van afhankelijk zijn. Om deze onevenwichtigheid te voorkomen, moet daarom in art. 13 worden geregeld dat de deelnemingsvrijstelling geen betrekking heeft op schuldvorderingen die onder het bereik van art. 10d, lid 1, onderdeel a, vallen.
Art. 13, lid 2, onderdeel e, gaat dan als volgt gaat luiden:
‘Van een deelneming is sprake indien de belastingplichtige een schuldvordering houdt als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d met dien verstande dat daar niet onder worden begrepen schuldvorderingen als bedoeld in artikel 10d, eerste lid, onderdeel a. De eerste volzin is met betrekking tot een schuldvordering op een niet in Nederland gevestigd lichaam, slechts van toepassing voorzover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat in het andere land bij de schuldenaar de vergoeding op die schuldvordering bij de belastingheffing over de winst buiten aanmerking blijft.’