Zie artikel 23 Overleveringswet.
Rb. Amsterdam, 06-03-2024, nr. 13-005779-24
ECLI:NL:RBAMS:2024:7618
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
06-03-2024
- Zaaknummer
13-005779-24
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2024:7618, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 21‑11‑2024; (Eerste en enige aanleg)
ECLI:NL:RBAMS:2024:6642, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 22‑10‑2024; (Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2024:3311, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 05‑06‑2024; (Eerste en enige aanleg, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2024:1267, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 06‑03‑2024; (Tussenuitspraak)
Uitspraak 21‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Vervolgings-EAB uit Polen. Poolse detentieomstandigheden. Individueel gevaar niet weggenomen voor de opgeëiste persoon. Geen gevolg gegeven aan het EAB en officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-005779-24
Datum uitspraak: 21 november 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 8 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1.
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 februari 2017 door the Regional Court in Radom, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
verblijvende op het adres: [adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De zitting van 21 februari 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 februari 2024, in
aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, en door een
tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.2.De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek de gevangenhouding onder gelijktijdige schorsing ervan bevolen.
De tussenuitspraak van 6 maart 20243.
Bij tussenuitspraak van 6 maart 2024 is het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie en de raadsman in de gelegenheid te stellen zich op een volgende zitting uit te laten over het rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) van 22 februari 2024 over de detentieomstandigheden in Poolse detentie-instellingen.
De zitting van 26 maart 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 26 maart 2024, in aanwezigheid
van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan
door zijn raadsman mr. F.P. Slewe en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd (artikel 22, vijfde lid (oud), OLW).
Tussenuitspraak van 9 april 2024
De rechtbank heeft op 9 april 2024 een tussenuitspraak gewezen. Daarin is het onderzoek
heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie de gelegenheid te geven vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd (artikel 22, vijfde lid (oud), OLW), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding (artikel 27, derde lid, OLW).
De zitting van 22 mei 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 22 mei 2024, in aanwezigheid
van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan
door zijn raadsman mr. F.P. Slewe en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de beslistermijn verlengd met 30 dagen (artikel 22, vijfde lid (oud), OLW), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding (artikel 27, derde lid, OLW).
Tussenuitspraak van 5 juni 20244.
Bij tussenuitspraak van 5 juni 2024 is – kort gezegd – geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het onderzoek is heropend en geschorst om via de officier van justitie nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden na overlevering in het concrete geval van de opgeëiste persoon. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd (artikel 22, vijfde lid (oud), OLW), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding (artikel 27, derde lid, OLW).
De zitting van 11 juli 2024, de raadkamers van 21 augustus 2024 en 25 september 2024
Op de (MK IRK-)zitting van 11 juli 2024 en de raadkamerzittingen van 21 augustus 2024 en 25 september 2024 is – in afwachting van nadere informatie uit Polen omtrent de detentieomstandigheden – de beslistermijn telkens verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid (oud), OLW, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding (artikel 27, derde lid, OLW).
De zitting van 8 oktober 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 8 oktober 2024, in aanwezigheid
van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan
door zijn raadsman mr. F.P. Slewe en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak van 22 oktober 20245.
Bij tussenuitspraak van 22 oktober 2024 is – kort gezegd – geoordeeld dat het algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen, voor de opgeëiste persoon niet is weggenomen, zodat de rechtbank er daarom van uitgaat dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst, en de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, waarbij een redelijke termijn van 30 dagen is vastgesteld, om na te gaan of bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten zoals bedoeld in artikel 11, vierde lid, OLW.
De zitting van 21 november 2024
De behandeling van het EAB is met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 21 november 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman mr. F.P. Slewe en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft op de zitting van 21 november 2024 direct uitspraak gedaan.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon (opnieuw) verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak van 6 maart 2024
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 6 maart 2024. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en de garantie als bedoeld in artikel 6 OLW al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4. Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen over de detentieomstandigheden in de tussenuitspraken van 6 maart 2024, 9 april 2024, 5 juni 2024 en 22 oktober 2024. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 22 oktober 2024 vastgesteld dat voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Omdat er een mogelijkheid bestond dat bij wijziging van de omstandigheden het reële individuele gevaar alsnog kan worden uitgesloten, heeft de rechtbank een redelijke termijn van 30 dagen bepaald. De rechtbank zal thans beoordelen of sprake is van een dergelijke wijziging van omstandigheden.
Na de tussenuitspraak van 22 oktober 2024 is aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten aan het dossier toegevoegd.
Bij brief van 18 oktober 2024 hebben de Poolse autoriteiten bericht dat de opgeëiste persoon minimaal 3 m2 persoonlijke celruimte zal hebben en dat hij ten minste 1 uur per dag kan wandelen. Verdere informatie of garanties kunnen niet worden gegeven.
De rechtbank stelt vast dat deze brief van 18 oktober 2024 niet is meegenomen in de tussenuitspraak, aangezien de rechtbank, verdediging en officier van justitie daarover kennelijk nog niet de beschikking hadden.
Op een nadere vraag van het IRC over het aantal uren dat de opgeëiste persoon ten minste buiten zijn cel kan doorbrengen, hebben de Poolse autoriteiten bij brief van 8 november 2024 als volgt geantwoord:
"Under the current regulations, a person in temporary custody is entitled to at least one hour of walking and 8 hours of sleep per day (24 hours) (Article 112 § l of the Executive Penal Code in connection with Art. 209 of the Executive Penal Code).
(…)
The court is not able to answer this question with more details.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse autoriteiten gegeven antwoorden niet afdoende zijn om het individuele gevaar van schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon alsnog uit te sluiten, zodat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de laatste tussenuitspraak. De officier van justitie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat het antwoord dat door de Poolse autoriteiten is gegeven onvoldoende is en zij ziet geen mogelijkheid meer om de Poolse autoriteiten duidelijker te maken welke informatie nog nodig is. De officier van justitie heeft daarom verzocht om geen gevolg te geven aan het EAB en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is verstreken zonder dat er informatie is ontvangen die een wijziging van omstandigheden inhoudt. De aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 18 oktober en 8 november 2024 is immers niet voldoende om het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon alsnog uit te sluiten.
De rechtbank zal daarom op grond van artikel 11, eerste lid, OLW in samenhang met artikel 28, derde lidOLW geen gevolg geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren, waarmee de overleveringsprocedure wordt beëindigd.
5. Toepasselijke artikelen
De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.
6. Beslissing
De rechtbank
GEEFT GEEN GEVOLG aan het EAB.
VERKLAART de officier van justitie NIET-ONTVANKELIJK in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James - Pater, voorzitter,
mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en M.J.D. Hartman, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 november 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑11‑2024
Uitspraak 22‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Overlevering. Pools EAB t.b.v. vervolging. Tussenuitspraak i.v.m. detentieomstandigheden. Na algemeen gevaar, ook individiueel gevaar vastgesteld. Rechtbank houdt de zaak aan o.g.v. art. 11 lid 2 OLW en stelt de redelijke termijn (art. 11 lid 4) vast op 30 dagen.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/005779-24
Datum uitspraak: 22 oktober 2024
TUSSEN- UITSPRAAK
op de vordering van 8 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1.
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 februari 2017 door the Regional Court in Radom, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,
verblijvende op het adres: [verblijfadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De zitting van 21 februari 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 februari 2024, in
aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, en door een
tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.2.De rechtbank heeft de gevangenhouding onder gelijktijdige schorsing ervan bevolen.
De tussenuitspraak van 6 maart 20243.
Bij tussenuitspraak van 6 maart 2024 is het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie en de raadsman in de gelegenheid te stellen zich op een volgende zitting uit te laten over het rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) van 22 februari 2024 over de detentieomstandigheden in Poolse detentie-instellingen.
De zitting van 26 maart 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 26 maart 2024, in aanwezigheid
van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan
door zijn raadsman mr. F.P. Slewe en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd (artikel 22, vijfde lid, OLW), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding (artikel 27, derde lid, OLW).
Tussenuitspraak van 9 april 2024
De rechtbank heeft op 9 april 2024 een tussenuitspraak gewezen. Daarin is het onderzoek
heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie de gelegenheid te geven vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd (artikel 22, vijfde lid, OLW), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding (artikel 27, derde lid, OLW).
De zitting van 22 mei 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 22 mei 2024, in aanwezigheid
van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan
door zijn raadsman mr. F.P. Slewe en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de beslistermijn verlengd met 30 dagen (artikel 22, vijfde lid, OLW), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding (artikel 27, derde lid, OLW).
Tussenuitspraak van 5 juni 20244.
Bij tussenuitspraak van 5 juni 2024 is – kort gezegd – geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het onderzoek is heropend en geschorst om via de officier van justitie nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd (artikel 22, vijfde lid, OLW), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding (artikel 27, derde lid, OLW).
De zitting van 11 juli 2024, de raadkamers van 21 augustus 2024 en 25 september 2024
Op de (MK IRK-)zitting van 11 juli 2024 en de raadkamerzittingen van 21 augustus 2024 en 25 september 2024 is – in afwachting van nadere informatie uit Polen omtrent de detentieomstandigheden – de beslistermijn telkens verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding (artikel 27, derde lid, OLW).
De zitting van 8 oktober 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 8 oktober 2024, in aanwezigheid
van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan
door zijn raadsman mr. F.P. Slewe en door een tolk in de Poolse taal.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon (opnieuw) verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak van 6 maart 2024
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 6 maart 2024. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en de garantie als
bedoeld in artikel 6 OLW al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast
te worden beschouwd.
4. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 6 maart 2024, haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van9 april 2024 en haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 5 juni 2024.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 5 juni 2024 overwogen dat sprake is van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank vragen geformuleerd om te kunnen beoordelen of er gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien het vastgestelde algemene gevaar. De overwegingen uit voornoemde uitspraken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Het openbaar ministerie heeft er na de tussenuitspraak van 5 juni 2024 voor gekozen om de vragen omtrent het onderzoek naar een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon niet direct aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen, maar deze vragen voor te leggen in één andere overleveringszaak, met het doel de beantwoording overzichtelijk te houden en in de hoop dat een centrale autoriteit in Polen antwoorden zou kunnen verstrekken die voor alle vergelijkbare zaken van belang zouden zijn. In alle overige zaken, waaronder deze, is de uitkomst in die ene testcase afgewacht. In die zaak is op 1 oktober 2024 uitspraak gedaan.5.De rechtbank heeft geoordeeld dat – nadat op 7 augustus 2024 was vastgesteld dat voor die opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat – geen sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan het reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon alsnog is uitgesloten. De rechtbank had in deze zaak op 7 augustus 2024 de redelijke termijn als bedoeld in artikel 11, vierde lid, OLW vastgesteld op 60 dagen. Op 1 oktober 2024 is daarom geen gevolg gegeven aan het EAB en is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering ex artikel 23, tweede lid, OLW.
De rechtbank heeft in deze uitspraak van 1 oktober 2024 (opnieuw) als kernpunt van het probleem gewezen op – kort gezegd – enerzijds het feit dat slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd (en niet 4 m2, zodat uitgegaan moet worden van persoonlijke ruimte tussen de 3 en 4 m2) en anderzijds op het feit dat hierbij als bijkomende slechte omstandigheid6.wordt meegewogen dat voorlopig gedetineerden onvoldoende uren buiten de cel kunnen doorbrengen (gelet op onder meer de bevindingen zoals beschreven in het CPT-rapport van 22 februari 20247.en het feit dat de verstrekte aanvullende informatie onvoldoende garantie geeft dat toch voldoende uren buiten de cel kunnen worden doorgebracht).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft toegelicht dat naar aanleiding van de hiervoor bedoelde uitspraak van 1 oktober 2024, op 7 oktober 2024 nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn gesteld waarbij ook de uitspraak van 1 oktober 2024 in vertaling is meegestuurd. In één andere zaak is op dezelfde dag al een aantal vragen beantwoord, dus de verwachting is dat ook in deze zaak op korte termijn – binnen enkele weken – alle vragen zullen zijn beantwoord. De officier van justitie verzoekt daarom de zaak nog éénmaal aan te houden.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft primair betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De zaak duurt al maanden, net zo lang als de zaak waarin op 1 oktober 2024 einduitspraak is gedaan. Er is geen concreet uitzicht op antwoorden van de Poolse autoriteiten. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om een zeer korte redelijke termijn te stellen zoals bedoeld in artikel 11, vierde lid, OLW.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de procedure in de zaak van de opgeëiste persoon al ruim 8 maanden duurt. Door de hiervoor beschreven aanpak van het openbaar ministerie zijn vragen omtrent het onderzoek naar een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon in deze zaak niet kort na de tussenuitspraak van 5 juni 2024, maar pas op 7 oktober 2024 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd.
De rechtbank stelt vast dat er – logischerwijs – nog geen antwoorden zijn ontvangen op deze vragen. Deze stand van zaken leidt tot het oordeel dat voor de opgeëiste persoon het vastgestelde reële gevaar van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in het Poolse remand regime niet is weggenomen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er – ondanks het tijdsverloop – alsnog een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Hierbij is van belang dat de uitvaardigende justitiële autoriteit niet kan worden aangerekend dat er na 5 juni 2024 geen nieuwe informatie is verstrekt omtrent de detentieomstandigheden, aangezien de nadere vragen hierover pas op 7 oktober 2024 door het openbaar ministerie zijn gesteld.
Daarom houdt de rechtbank de beslissing op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, aan en stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van 30 dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op het einde van deze termijn (op 20 november 2024) of uiterlijk 10 dagen daarna, zodat nagegaan kan worden of een verandering in de omstandigheden binnen de termijn van 30 dagen is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal aan het EAB ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW, geen gevolg worden gegeven.
5. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw moet worden ingepland op een zitting op 20 november 2024 of uiterlijk 10 dagen daarna.
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Poolse taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mr. M. van Mourik en mr. A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 oktober 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑10‑2024
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Rechtbank Amsterdam 1 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6015.
Vergelijk Hof van Justitie, 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857, punt 75 (Dorobantu).
“Indeed, the vast majority of remand prisoners still spent days and months on end in a state of idleness, with no meaningful activities, locked up in their cells for up to 23 hours per day.” CPT-rapport, punt 54.
Uitspraak 05‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak in een Pools vervolgings-EAB, waarin de rechtbank een algemeen gevaar heeft aangenomen voor de detentieomstandigheden in het remand regime. Verzocht is om nadere informatie ten aanzien van het algemeen gevaar.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/005779-24
Datum uitspraak: 5 juni 2024
TUSSEN- UITSPRAAK
op de vordering van 8 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1.
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 februari 2017 door the Regional Court in Radom, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,
verblijvende op het adres: [adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De zitting van 21 februari 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 februari 2024, in
aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe. advocaat te Schiphol, en door een
tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.2.De rechtbank heeft de gevangenhouding onder gelijktijdige schorsing ervan bevolen.
De tussenuitspraak van 6 maart 2024
De rechtbank heeft op 6 maart 2024 een tussenuitspraak gewezen. Daarin is het onderzoek
heropend om de officier van justitie en de raadsman in de gelegenheid te stellen zich op een
volgende zitting uit te laten over het rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) .
De zitting van 26 maart 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 26 maart 2024, in aanwezigheid
van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan
door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat in Schiphol, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.3.De rechtbank heeft het bevel gevangenhouding onder gelijktijdige schorsing ervan met 30 dagen verlengd.4.
Tussenuitspraak van 9 april 2024
De rechtbank heeft op 9 april 2024 een tussenuitspraak gewezen. Daarin is het onderzoek
heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om middels de officier van justitie vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.5.De rechtbank heeft het bevel gevangenhouding onder gelijktijdige schorsing ervan met 30 dagen verlengd.6.
De zitting van 22 mei 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 22 mei 2024, in aanwezigheid
van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan
door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat in Schiphol, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de beslistermijn verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW en heeft de gevangenhouding met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak 6 maart 2024
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 6 maart 2024.7.Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en de garantie als
bedoeld in artikel 6 OLW al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast
te worden beschouwd.
4. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden (heropening)
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de gegeven antwoorden niet de zorgen wegnemen die het CPT heeft geuit. Er is geen concreet antwoord gekomen op de vraag of de opgeëiste persoon een persoonlijke levensruimte van niet minder dan 3 m2 heeft in een meerpersoonscel. Daarnaast zijn de eerste drie gestelde vragen niet beantwoord. Daarom loopt hij het risico op schending van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest). De overlevering moet daarom worden geweigerd. Subsidiair moet er nadere informatie over de detentieomstandigheden worden gevraagd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat met de gegeven antwoorden van 19 april 2024 de zorgen die het CPT heeft geuit, zijn weggenomen. Daarbij heeft de officier van justitie opgemerkt dat het CPT alleen zorgen heeft geuit over het remand regime in Białystok en dat het onwaarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon daar zal worden gedetineerd. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de zaak moet worden aangehouden om nadere informatie op te vragen.
Oordeel van de rechtbank
Zoals in de tussenuitspraak al is overwogen, heeft het CPT zorgen geuit over onder meer het aantal uur per dag dat een voorlopige gehechte op cel doorbrengt en de duur van het proces om toestemming te krijgen voor contact met de buitenwereld. Gelet op het CPT-rapport lijken deze zorgen in het gehele remand regime voor te komen en niet alleen in de door het CPT bezochte Huizen van Bewaring. Naar aanleiding hiervan zijn er over de punten van zorg vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten.
Op 19 april 2024 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de in de tussenuitspraak gestelde vragen als volgt beantwoord:
- de oppervlakte van een wooncel per veroordeelde niet minder dan 3m² mag bedragen; het is niet mogelijk om precies aan te geven hoeveel ruimte in een meerpersoonscel beschikbaar zal zijn voor een voorlopig gedetineerde omdat dat afhangt van het huis van bewaring waar hij zal worden gedetineerd en de huidige situatie in dit huis van bewaring;
- de vervolgde persoon waarschijnlijk gedetineerd zal worden voor de duur van het
opsporingsonderzoek op de afdeling van het huis van bewaring binnen de Penitentiaire Inrichting te Siedlce, vanwege de autoriteit die zijn zaak behandelt (Officier van Justitie van
Arrondissementsparket te Siedlce), en bij het opstellen van tenlastelegging, zal hij worden
vervoerd naar het Huis van Bewaring in Radom vanwege de relatieve bevoegdheid van de Rechtbank die zijn zaak behandelt;
- de praktijk van het beperken van bezoeken aan gedetineerden tot één per maand wordt in de
Arrondissementsrechtbank te Radom niet toegepast; eventuele eerdere beperkingen van het aantal bezoeken vonden alleen plaats vanwege het toenmalige epidemiologische risico van COVID-19, dat zich momenteel niet meer voordoet;
- de huizen van bewaring vallen onder de bevoegdheid van de Minister van Justitie, die daar toeziet op de omstandigheden van humane van voorlopige hechtenis.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de antwoorden van de Poolse autoriteiten op de gestelde vragen niet afdoende om de eerder geuite zorgen over het aantal uur per dag op cel en het contact met de buitenwereld in combinatie met de daaraan voorafgaande toestemmingsprocedure en de duur daarvan, zoals van toepassing in het remand regime, weg te nemen. Daarbij blijkt uit de antwoorden ook niet hoeveel m2 levensruimte (exclusief sanitair) een voorlopig gehechte in een meerpersoonscel heeft.
Gelet op de hiervoor genoemde punten van zorg die zoals gezegd voor het gehele remand regime gelden, de reactie die de Poolse autoriteiten gegeven hebben op de bevindingen in het CPT-rapport en het feit dat de voormelde zorgen met de gegeven antwoorden niet zijn weggenomen, concludeert de rechtbank dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in remand regime van de uitvaardigende lidstaat waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van dat nadere onderzoek zal de rechtbank het onderzoek heropenen en de officier van justitie verzoeken om de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag te laten beantwoorden of, indachtig de hiervoor geschetste omstandigheden op grond waarvan een algemeen gevaar voor het remand regime is aangenomen, dit gevaar – al dan niet met een individuele detentiegarantie - voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen. Voor zover de uitvaardigende justitiële autoriteit meent dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon binnen het remand regime kan worden weggenomen, dan wenst de rechtbank in het bijzonder het volgende over het Huis van Bewaring, waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, te vernemen:
1) Kan de opgeëiste persoon deelnemen aan activiteiten in het Huis van Bewaring?
2) Zo ja, hoeveel uur per dag zou hij dan minimaal buiten zijn cel verblijven?
3) Geldt voor de opgeëiste persoon dat hij, indien hij contact met de buitenwereld wil hebben door gebruik van de telefoon en het ontvangen van bezoek, daaraan voorafgaand altijd toestemming zal moeten vragen?
4) Zo ja, hoe lang duurt de procedure (inclusief het rechtsmiddel) om toestemming te krijgen voor het gebruik van de telefoon en het ontvangen van bezoek?
5) Hoeveel vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) heeft de opgeëiste persoon in een meerpersoonscel?
De rechtbank wijst erop dat de uitvaardigende justitiële autoriteit voor de beantwoording van boven gestelde vragen - zo nodig - bijstand kan verzoeken aan de centrale autoriteit of een van de centrale autoriteiten van Polen, in de zin van artikel 7 van het Kaderbesluit.8.
5. Beslissing
HEROPENT het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd,
teneinde de officier van justitie de onder 4 opgenomen vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
VERLENGT op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de Overleveringswet uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen;
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de geschorste gevangenhouding van de opgeëiste persoon met 30 dagen;
BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting (of raadkamer) moet worden gepland uiterlijk 14 dagen voor 31 juli 2024, het einde van de verlengde beslistermijn;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman en van een tolk in de Poolse taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. A.J.R.M. Vermolen en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 juni 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑06‑2024
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, vijfde lid, OLW.
Zie artikel 22, vijfde lid, OLW.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 97.
Uitspraak 06‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Vervolgings-EAB Polen. De rechtbank heropent het onderzoek om het nieuwste CPT-rapport, dat op 22 februari 2024 - na de zitting in deze zaak - is gepubliceerd, op zitting te bespreken met de officier van justitie en de advocaat.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-005779-24
Datum uitspraak: 6 maart 2024
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering van 8 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1.
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 februari 2017 door the Regional Court in Radom, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,laatst opgegeven adres: [adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 februari 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat in Schiphol, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.2.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the District Court in Siedlce van 4 april 2014 (kenmerk II Kp 131/14).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.3.
4. Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering in de uitvoerende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;
3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon in Nederland kan worden vervolgd voor het feit dat aan het EAB ten grondslag ligt.
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND). Uit de brief van de IND van 1 februari 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen.
De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan.
The Principal Court in Radom 2nd Criminal Division heeft de volgende garantie gegeven:
In reply to your letter dated 1 February 2024, the Principal Court in Radom 2nd Criminal Division hereby informs that in accordance with the law force in the Republic of Poland i.e. Art. 607j § 1 and 2 of the Code of Criminal Procedure if the country executing the arrest warrant has handed over the person prosecuted on a condition that the execution of the penalty of imprisonment or other measures involving deprivation of liberty will take place in that Country, no enforcement shall be initiated against such a person. However, after the judgment becomes final, a decision is issued that the sentenced person will be to the appropriate Member State of the European Union in order to enforce the sentence or another measures involving deprivation of liberty. The above-mentioned is a guarantee that [opgeëiste persoon] will be returned, is such a condition is stipulated (reserved) by the executing state.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Op 22 februari 2024 heeft de Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) een rapport gepubliceerd over de detentieomstandigheden in Poolse detentie-instellingen naar aanleiding van een bezoek aan Polen in de periode van 21 maart 2022 tot 1 april 2022. Daarbij is ook de reactie van de Poolse regering gepubliceerd.
De rechtbank heeft van dit rapport en de reactie van de Poolse regering kennis genomen in raadkamer, in het bijzonder van wat is vermeld over de detentie-omstandigheden voor voorlopig gedetineerden in Polen. Aan het verzoek tot overlevering van de opgeëiste persoon ligt immers een aanhoudingsbevel ten grondslag op basis waarvan de opgeëiste persoon tijdens zijn vervolging in Polen voorlopig zou worden gedetineerd. Nu het rapport niet op zitting is besproken ziet de rechtbank aanleiding het onderzoek te heropenen om de raadsman en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het rapport in relatie tot het verzoek om overlevering van de opgeëiste persoon.
7. Beslissing
HEROPENT het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd, teneinde de raadsman en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het hiervoor genoemde CPT rapport;
BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland uiterlijk 14 dagen voor 4 april 2024, het einde van de verlengde beslistermijn.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen het hiervoor bedoelde tijdstip;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen het hiervoor bedoelde tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. J. Thomas en P. Sloot, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 maart 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.