De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/7.3:7.3 Het onderscheid tussen doel en rechtvaardiging van verjaring
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/7.3
7.3 Het onderscheid tussen doel en rechtvaardiging van verjaring
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS372601:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onderstaande betoog is opgebouwd uit de twee componenten doel en rechtvaardiging van verjaring. Dat heb ik niet zonder reden gedaan. Het onderscheid tussen die twee is van groot belang.
Bij het doel van verjaring hebben wij het over de gewenste effecten van de verjaring. Dat is de positieve kant. Maar verjaring is niet gratis; verjaring heeft het verlies van recht van de crediteur tot gevolg. Wil men een oordeel vellen over de wenselijkheid van verjaring, dan is het noodzakelijk naast haar voordelen tevens het offer dat zij van de crediteur vergt in ogenschouw te nemen.
Men zou hier het woord belangenafweging kunnen gebruiken. Ik vind dat ook niet echt verkeerd, maar het suggereert in sterkere mate het bestaan van een dilemma — een moeilijke keuze tussen het belang bij verjaring en het offer van de debiteur dan zich in werkelijkheid voordoet. Ik heb de indruk gekregen dat zodra men het doel van verjaring enerzijds en het offer dat de verjaring vraagt anderzijds heel helder voor ogen heeft, een echt problematische afweging in de overgrote meerderheid eigenlijk niet aan de orde is; het is direct wel duidelijk wat het zwaarst weegt.
Om dat maar meteen met in praktische zin het belangrijkste voorbeeld te illustreren: als de crediteur gedurende vijf jaar de mogelijkheid heeft gehad zijn vordering in te stellen en hij heeft dat zonder reden niet gedaan, terwijl als gevolg daarvan de bewijs- en rechtszekerheidspositie van de debiteur is ondergraven, is de uitkomst van de belangenafweging nauwelijks voor discussie vatbaar. Het belang van de crediteur bij eeuwige voortduring van de geldigheid van zijn recht is nauwelijks serieus te nemen — hij heeft die mogelijkheid door zelfverkozen dralen verspeeld — terwijl het belang van de debiteur om niet meer te worden aangesproken juist wel heel wezenlijk is.
Naar mijn mening kunnen wij ook buiten "verwijt aan de crediteur wegens nodeloos lang op zijn recht zitten" na zorgvuldige benoeming van de betrokken belangen de vraag naar de rechtvaardiging van verjaring stellig beantwoorden, al vergt dat, zoals wij zullen zien, een aanzienlijk uitvoeriger redenering.