Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/3.1:3.1 Inleiding
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452938:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. de Nota algemene herziening van 1960. blz. 3-5 alsmede de memorie van antwoord Tweede Kamer bij de huidige Wet IB, Kamerstuknr. 5380, nr. 19, blz. 54-56 en blz. 59-61.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot 1 januari 1997 strekte de inkomstenbelastingheffing met betrekking tot de opbrengsten van aandelen in handen van natuurlijke personen die de aandelen rekenen tot het privé-vermogen zich uit over een tweetal bronnen van inkomen. De eerste betrof de bron 'inkomsten uit vermogen' (art. 24 e.v. Wet IB) en de tweede was de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' (art. 39 e.v. (oud) Wet IB). Het onderscheid tussen beide bronnen van inkomen werd gevonden in het aan de algemene bronnentheorie ten grondslag liggende onderscheid tussen de inkomsten uit de bron enerzijds en de waardemutaties van de bron anderzijds (zie hoofdstuk 2, onderdeel 2.2.2). In de algemene gedachte van de bronnentheorie behoren de eerstgenoemde voordelen ten volle tot het met inkomstenbelasting belaste inkomen, terwijl de laatstgenoemde voordelen in beginsel buiten de heffing van inkomstenbelasting behoren te blijven. De wetgever van 1964 - en voor hem reeds de besluitgever van 1941 - meende echter dat op dit algemene uitgangspunt van de bronnentheorie een uitzondering diende te worden gemaakt voor personen die het in hun macht hadden om de inkomsten uit een aandeel in de richting van een (onbelaste) waardestijging te beïnvloeden. 1 Deze personen moesten ook ter zake van de vervreemding van hun aandelenbezit in de heffing van inkomstenbelasting worden betrokken. Vanwege deze machtspositie bevatte de opbrengst die werd behaald bij de vervreemding van het aandelenbezit mede een vergoeding voor de (nog) niet genoten inkomsten uit dat aandelenbezit. Deze (veronderstelde) machtspositie kwam tot uitdrukking in de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang in de vennootschap. Natuurlijke personen bij wie de aandelen tot een aanmerkelijk belang behoorden, werden aldus tevens belast voor de winsten behaald met de vervreemding van hun aandelen op grond van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang'.
In dit hoofdstuk wordt kort stil gestaan bij het wettelijke systeem met betrekking tot de opbrengsten van aandelen zoals dat tot 1 januari 1997 heeft gegolden. Uit de beschrijving van dit regime inzake de opbrengsten van aandelen zullen de knelpunten van dit oude regime duidelijk worden. Deze knelpunten zullen in de volgende onderdelen van dit hoofdstuk nader worden beschouwd.
Reeds op deze plaats wordt opgemerkt dat het tot 1 januari 1997 geldende regime van belastingheffing met betrekking tot de opbrengsten van aandelen (nog) niet volledig heeft afgedaan. Zoals uit de volgende hoofdstukken nog zal blijken, moet met ingang van deze datum een strikt onderscheid worden gemaakt tussen aandeelhouders bij wie de aandelen tot een aanmerkelijk belang behoren, zgn. aanmerkelijkbelanghouders, en aandeelhouders bij wie dat niet het geval is, zgn. niet-aanmerkelijkbelanghouders. Sedert 1 januari 1997 wordt als aanmer-kelijkbelanghouder aangemerkt de belastingplichtige die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, voor ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal aandeelhouder is in de vennootschap. Het wettelijke regime met betrekking tot de opbrengsten van aandelen zoals dat tot 1 januari 1997 voor alle aandeelhouders - zowel aanmerkelijkbelanghouders als niet-aanmerkelijkbelanghouders ^-^ heeft gegolden, is voor de laatste groep van aandeelhouders, d.w.z. de niet-aanmerkelijkbelanghouders, gecontinueerd. Dit betekent dat het tot 1 januari 1997 geldende regime onverkort van kracht is gebleven voor aandeelhouders bij wie de aandelen geen deel uitmaken van een aanmerkelijk belang. Globaal gesproken betreft dit de categorie belastingplichtigen die niet voor ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap aandeelhouder is.