Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/8.7:8.7 Samenvatting en conclusie
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/8.7
8.7 Samenvatting en conclusie
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS497028:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In geval van onrechtmatig beslag is de beslaglegger aansprakelijk voor de schade die als gevolg hiervan door de beslagene is geleden. De Hoge Raad heeft in bestendige rechtspraak een duidelijk standpunt ingenomen over het risico voor onterecht gelegd beslag: dit dient bij de beslaglegger te berusten. Indien de vordering van de beslaglegger in het geheel niet blijkt te bestaan, geldt een risicoaansprakelijkheid van de beslaglegger. Ook indien de vordering die aan het beslag ten grondslag is gelegd slechts ten dele in rechte wordt erkend, een beslag lichtvaardig is gelegd of onnodig gehandhaafd, kan sprake zijn van onrechtmatigheid. De beoordeling of hiervan sprake is gebeurt aan de hand van de criteria van misbruik van recht. De bewijsvoering in beide situaties, welke rust op de beslagene, is niet eenvoudig en stelt hoge eisen in de sfeer van het stellen en zo nodig bewijzen van (klemmende) concrete feiten en omstandigheden. Indien de onrechtmatigheid van het beslag is komen vast te staan, dient de beslagene daarna het bewijs te leveren van de schade die hierdoor is ontstaan. Ook dit is een vaak moeizame en langdurige weg, door de in deze situatie toepasselijke algemene regels inzake schadevergoeding die op de beslagene een bewijslast inzake causaliteit en toerekening leggen. De begroting van schade in geval van onrechtmatig beslag wordt niet forfaitair benaderd: deze wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is, met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet had plaatsgevonden. Dit lijkt mij een juiste benadering.
In de praktijk blijkt slechts een beperkt beroep te worden gedaan op de mogelijkheid om na een onrechtmatig beslag schadevergoeding van de beslaglegger te vorderen. Het is een langdurige en moeizame exercitie met risico op een (gedeeltelijke) afwijzing van de werkelijk geleden schade, voor zover deze al ‘bewijsbaar’ becijferd kan worden. In gegevens die inhoudelijke informatie geven over de hoofdvordering werd slechts in één geval schadevergoeding aan een beslagene toegekend. De beroepsgroep van advocaten bevestigt dat de aansprakelijkheid van de beslaglegger op papier een mooie regeling is, doch in de praktijk maar moeizaam toepassing vindt. Hierdoor kan van een goed werkende waarborgfunctie, waar eenvoudig en zonder problemen een beroep op kan worden gedaan, niet worden gesproken.
Voor een versterking van de waarborgfunctie voor de beslagene in de derde pijler lijkt verandering langs wettelijk weg het meest voor de hand te liggen. Dan kan worden gestreefd naar een specifieke regeling voor schadevergoeding in de vorm van een op de situatie van onrechtmatig beslag toegesneden regeling, zoals deze in het verleden ook heeft bestaan in de artikelen 732 en 739 Rv (oud). Uitgangspunt dient te zijn dat wordt gestreefd naar een regeling waarbij meer praktisch gewicht wordt toegekend aan de positie die de aansprakelijkheid voor onrechtmatig beslag inneemt in het pijlersysteem.