Rb. Den Haag, 25-11-2019, nr. AWB - 17 , 6077
ECLI:NL:RBDHA:2019:14616
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
25-11-2019
- Zaaknummer
AWB - 17 _ 6077
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2019:14616, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 25‑11‑2019; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2021:1808, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:RBDHA:2019:3521, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 09‑04‑2019; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
OGR-Updates.nl 2020-0030
JNA 2019/43
JBO 2019/197
Uitspraak 25‑11‑2019
Inhoudsindicatie
Omgevingsvergunning gaswinningszaak Diever
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
Zaaknummers: SGR 17/6079 en SGR 17/6102
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 november 2019 in de zaak tussen
1. het college van burgemeester en wethouders van Westerveldeiser 1)
(gemachtigde: mr. W.R. van der Velde),
2. Vereniging Milieudefensie Amsterdam, afdeling Westerveld, te Havelte (eiseres 2)
(gemachtigde: mr. J.J.H. Mineur)
en
de minister van Economische Zaken (thans: Economische Zaken en Klimaat), verweerder
(gemachtigde: mr. L. Brand).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Vermilion Energy Netherlands B.V. (hierna: Vermilion), te Harlingen
(gemachtigde: mr. H.M. Israëls).
Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Vermilion een omgevingsvergunning verleend voor het verhogen van de productiecapaciteit van de inrichting in Wapse naar 1.500.000 Nm³ ruw aardgas per dag.
Eiser 1 en eiseres 2 hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, respectievelijk geregistreerd onder zaaknummer SGR 17/6079 en SGR 17/6102.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft aanleiding gezien een deskundige, de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (de STAB), te benoemen. Op 5 april 2018 heeft de STAB een deskundigenbericht uitgebracht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren en hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De STAB heeft bij rapport van 14 februari 2019 op verzoek van de rechtbank een nader bericht uitgebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2019. Namens eiser 1 is verschenen W. de Jong (wethouder), bijgestaan door de gemachtigde. Namens eiseres 2 is verschenen [A] , bijgestaan door de gemachtigde. Voorts is aan de zijde van eiseres 2 als deskundige verschenen ing. G.B.M. Wigger. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde bijgestaan door [B] en [C] . Tevens is verschenen [D] , namens het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM). Vermilion heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. R. Olivier. Namens Vermilion was als deskundige aanwezig H. Martens, reservoir ingenieur. Als deskundigen van de STAB zijn verschenen drs. I.J. van der Wal en drs. J.F. Schuurman. De zaken zijn ter zitting gevoegd behandeld met de beroepen tegen het instemmingsbesluit, geregistreerd onder de zaaknummers SGR 17/6077 en SGR 17/6101. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken met betrekking tot de omgevingsvergunning en het instemmingsbesluit gesplitst.
Overwegingen
1.1.
Vermilion heeft sinds 2004 aardgas-producerende velden in Nederland in bezit, waaronder het Diever aardgasveld. Dit aardgasveld is in augustus 2014 aangeboord (proefboring) middels aardgasput Diever 2 (DIV-02), vanaf de mijnbouwlocatie Wapse, perceel, kadastraal bekend, gemeente Diever, sectie H, nummer 167, aan de Noordenveldweg.
1.2.
Bij besluiten van 15 juni 2015 heeft verweerder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan Vermilion omgevingsvergunningen eerste en tweede fase verleend voor het oprichten en in werking hebben van de mijnbouwlocatie Wapse (perceel, kadastraal bekend, gemeente Diever, sectie H, nummer 167). Deze gefaseerde vergunning maakt een maximale aardgasproductie van 480.000 Nm³ aardgas per dag mogelijk.
1.3.
Op 2 juni 2016 heeft Vermilion op grond van de Wabo voor de mijnbouwlocatie Wapse een aanvraag voor een veranderingsvergunning ingediend. De aanvraag betreft het verhogen van het productieplafond van 480.000 Nm³ aardgas per dag naar 1.500.000 Nm³ aardgas per dag.
1.4.
De ontwerp omgevingsvergunning heeft van 30 november 2016 tot en met 10 januari 2017 ter inzage gelegen. Eiser 1 en eiseres 2 hebben zienswijzen ingediend. Verweerder heeft in de "Nota van Beantwoording Zienswijzen Gaswinning Diever & Wapse" gereageerd op de tegen de ontwerp-omgevingsvergunning ingediende zienswijzen.
2.1.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan Vermilion een omgevingsver-gunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2° en 3° van de Wabo, voor het verhogen van de productiecapaciteit van de inrichting in Wapse naar 1.500.000 Nm³ ruw aardgas per dag.
2.2.
Het bestreden besluit is op grond van artikel 34, zevende lid, van de Mbw gecoördineerd voorbereid met het besluit van 21 juli 2017 tot instemming met het winningsplan. Daarbij heeft verweerder afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegepast.
Deskundigenbericht van de STAB
3.1.
Op 5 april 2018 heeft de STAB een deskundigenbericht uitgebracht en op 14 februari 2019 een nader deskundigenbericht.
3.2.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van
16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3819) mag de bestuursrechter in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.
3.3.
In hetgeen eiser 1 en eiseres 2 hebben aangevoerd, hetgeen grotendeels neerkomt op het handhaven van eerder ingenomen standpunten in de zienswijzen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het deskundigenbericht met de nadere aanvulling niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Indien en voor zover de rechtbank het deskundigenbericht niet volgt, zal zij dit uitdrukkelijk en gemotiveerd overwegen.
Goede procesorde
4.1.
Verweerder en Vermilion hebben bezwaar gemaakt tegen de twee door eiseres 2 ingediende rapporten van ing. G.B.M. Wigger van respectievelijk 6 en 7 februari 2019. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank deze rapporten wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing dient te laten.
4.2.
Eiseres 2 heeft op 7 februari 2019 een reactie gegeven op de door verweerder en Vermilion respectievelijk op 15 mei 2018 en 10 mei 2018 ingediende reacties op het deskundigenbericht van de STAB van 5 april 2018. Bij deze reactie zijn twee rapportages gevoegd. Na binnenkomst van de beroepschriften heeft de rechtbank bij brief van 10 januari 2018 aan eisers medegedeeld dat de rechtbank in deze procedure de STAB als deskundige heeft benoemd. In de brief is vermeld dat nieuwe beroepsgronden die later zijn ingediend dan drie weken nadat de STAB is verzocht een deskundigenbericht uit te brengen wegens strijd met de goede procesorde niet zullen worden meegenomen. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van andere partijen, kan niet worden aanvaard dat eiseres 2 in haar nadere reactie niet eerder aangevoerde gronden en in dat kader ingebrachte rapportages inbrengt. Dit betekent dat de door Wigger opgestelde rapportages over “condensatie in gasreservoirs” en “mijnbouwschade als gevolg van lekkage langs de putten” wegens strijd met de goede procesorde buiten inhoudelijke bespreking blijven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat eiseres 2 deze stukken niet tijdig naar voren heeft kunnen brengen. Tot slot overweegt de rechtbank dat voor zover eiseres 2 in haar correspondentie na 31 januari 2018 nieuwe gronden naar voren heeft gebracht, deze eveneens als in strijd met een goede procesorde buiten beschouwing zullen worden gelaten. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2928.
4.3.
De rechtbank heeft op 17 januari 2019 aan de STAB schriftelijk verzocht om nader te adviseren over de door de gemachtigde van eiser 1 ingebrachte reactie. De STAB heeft op 14 februari 2019, bij de rechtbank binnengekomen op 15 februari 2019, het nadere deskundigenbericht ingebracht. De rechtbank heeft dit nadere deskundigenbericht diezelfde dag per e-mail dan wel per fax aan partijen doen toekomen. Dit nadere deskundigenbericht is niet van een zodanige inhoud of omvang dat partijen daarop niet meer adequaat konden reageren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat partijen de deskundigen van de STAB ter zitting nader hebben kunnen bevragen. Aldus zijn partijen niet in hun belangen geschaad. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldaan is aan de goede procesorde.
Beoordelingskader
5. Tegen de onder rechtsoverweging 1.2. vermelde besluiten van 15 juni 2015, voor het oprichten en in werking hebben van de mijnbouwlocatie, hebben eiseres 2 en Vermilion beroep ingesteld. Tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 januari 2017 in dat beroep zijn de besluiten van 15 juni 2015 vernietigd. Tegen deze uitspraak hebben verweerder en Vermilion hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft op 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:758, in hoger beroep uitspraak gedaan en daarbij de vernietiging ongedaan gemaakt. De besluiten van 15 juni 2015 zijn thans onherroepelijk. Dit betekent dat onder meer de keuze voor de mijnbouwlocatie in planologisch opzicht een gegeven is en dat al hetgeen door eiseres 2 is aangevoerd over de onwenselijkheid van de aanwezigheid en gevolgen van de mijnbouwinrichting ter plaatse in deze procedure niet langer ter discussie kan staan. In het kader van deze procedure staat de vraag centraal wat de (milieu)gevolgen zijn van de verhoging van de maximum dagproductie van 480.000 Nm³ tot 1.500.000 Nm³.
5.2.
Voor de wet- en regelgeving die op deze zaak van toepassing is, verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.
Milieueffectrapportage (m.e.r.) en Milieueffectrapport (MER)
6. Ten aanzien van de in categorie C17.2 van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) genoemde drempelwaarde van een hoeveelheid van 500.000 m³ aardgas per dag overweegt de rechtbank dat de Afdeling in haar uitspraak van 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:758, in het kader van de besluitvorming ten aanzien van het oprichten en in werking hebben van de mijnbouwlocatie Wapse, heeft geoordeeld dat Vermilion en verweerder bij de uitleg van de volume eenheid “m³” terecht zijn uitgegaan van de aanduiding Nm³ (normaal kubieke meter), zijnde het volume gas in kubieke meter bij een temperatuur van 0˚C en een druk van 1 atmosfeer. De destijds door Vermilion aangevraagde omgevingsvergunning ten behoeve van de aardgasproductie van 480.000 Nm³ aardgas per dag, viel aldus beneden de drempelwaarde van categorie C17.2, zodat in het licht van die procedure geen MER behoefde te worden opgesteld. In de onderhavige zaak wordt de drempelwaarde met 1.000.000 Nm³ overschreden, zodat hiervoor een mer-plicht geldt. In deze zaak is dan ook een MER opgesteld.
M.e.r.-procedure
7.1.
Op 19 februari 2016 heeft Vermilion verweerder in kennis gesteld van zijn voornemen een m.e.r.-procedure te doorlopen in het kader van een aanvraag om een veranderingsvergunning op grond van de Wabo voor de inrichting Wapse. Bij brief van 2 mei 2016 heeft verweerder Vermilion medegedeeld dat - gelet op de kenmerken van de voorgenomen activiteit - voor het op te stellen MER een beperkte m.e.r.-procedure kan worden gevolgd.
7.2.
Eiser 1 heeft zich onder verwijzing naar artikel 7.24, vierde lid, sub c, van de Wet milieubeheer op het standpunt gesteld dat de uitgebreide m.e.r.-procedure gevolgd had moeten worden, nu het MER is opgesteld ten behoeve van zowel de omgevingsvergunning, als de instemming met het winningsplan. Eiseres 2 heeft betoogd dat verweerder niet voldoende heeft onderbouwd waarom in dit geval met de beperkte m.e.r.-procedure kon worden volstaan.
7.3.
De rechtbank overweegt dat het voornemen om de dagproductie van de inrichting in Wapse naar 1.500.000 Nm³ aardgas te verhogen, onder activiteit C 17.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. valt, nu het winnen van aardgas in een hoeveelheid van meer dan 500.000 m³ per dag m.e.r.-plichtig is. Het besluit tot veranderen of het veranderen van de werking van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo valt in de categorie besluiten als bedoeld in kolom 4 van bijlage C 17.2. Tevens zijn afdeling 3.4 van de Awb en één of meer bepalingen van afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing.
7.4.
Gelet op het vorenstaande, is ingevolge artikel 7.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer in beginsel de beperkte m.e.r.-procedure van toepassing. In het vierde lid van dit artikel zijn uitzonderingen op dit uitgangspunt opgenomen. Artikel 7.24, vierde lid, sub c, waar eiser 1 naar verwijst, bepaalt dat de uitgebreide m.e.r.-procedure van toepassing is indien een plan is vereist als bedoeld in artikel 14.4b van de Wet milieubeheer. Een winningsplan waar eiser 1 aan refereert is echter geen plan als bedoeld in artikel 14.4b van de Wet milieubeheer. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3578. Hierin is onder meer geoordeeld dat besluiten over verlening van een winningsvergunning, alsmede over instemming met een winningsplan niet als m.e.r-plichtige besluiten zijn aan te merken, nu een winningsplan geen plan is dat door een bestuursorgaan wordt vastgesteld. Daarnaast is het winningsplan geen plan dat wordt vastgesteld om de omgevingsvergunning in te passen en tot slot zijn het winningsplan noch het instemmingsbesluit genoemd bij activiteit C 17.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Dit alles leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op goede gronden de beperkte m.e.r.-procedure als bedoeld in paragraaf 7.8 van de Wet milieubeheer heeft toegepast.
Referentiesituatie MER
8.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag tot het verhogen van het productieplafond naar 1.500.000 Nm³ aardgas per dag onder activiteit C 17.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. valt en op grond hiervan m.e.r.-plichtig is. Partijen zijn hierbij wel verdeeld over de vraag welke referentiesituatie als uitgangspunt moet dienen voor het MER.
8.2.
Eiseres 2 heeft aangevoerd dat de effecten van de eerder vergunde situatie (de proefboorlocatie met maximale aardgasproductie van 480.000 Nm³ aardgas per dag) ten onrechte niet zijn meegenomen in het MER. Nu in het MER voor de referentiesituatie is uitgegaan van 480.000 gas Nm³ per dag en aldus uitsluitend de toename tot 1.500.000 Nm³ gas per dag is beoordeeld, is geen sprake van een integraal beeld van de milieueffecten. De effecten van de eerder vergunde situatie - dus tot 480.000 Nm³ aardgas per dag - hadden volgens eiseres 2, mede vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid, ook in het MER moeten worden beoordeeld.
8.3.
De rechtbank overweegt dat de regelgeving omtrent het opstellen van een MER is neergelegd in de Wet milieubeheer, onder meer in artikel 7.23. In 2014 is de mer-richtlijn (2011/92/EU) gewijzigd met Richtlijn 2014/52/EU (hierna: de herziene mer-richtlijn). Nederland had tot mei 2017 de tijd om het Nederlandse recht in lijn te brengen met de herziene mer-richtlijn. Op 16 mei 2017 is de implementatiewet in werking getreden, waarbij onder meer de Wet milieubeheer is gewijzigd, waaronder artikel 7.23 betreffende de te stellen eisen aan een MER. In artikel 3 van de herziene mer-richtlijn is vastgelegd dat het oude recht geldt voor projecten die vóór implementatie, te weten 16 mei 2017, zijn gestart. Dit geldt onder meer voor projecten waarbij het MER al ter inzage is gelegd.
8.4.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak het MER van 30 november 2016 tot en met 10 januari 2017 ter inzage heeft gelegen. Dit betekent dat in deze procedure het recht zoals dat gold vóór 16 mei 2017 van toepassing is. De rechtbank zal daar in haar overwegingen daarom van uitgaan.
8.5.
Ingevolge artikel 7.23 dient het MER een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu te bevatten en de autonome ontwikkelingen daarvan. Op grond hiervan dient het MER de bestaande situatie als uitgangspunt te nemen, zijnde de situatie die in de toekomst zal ontstaan als het project niet doorgaat. In dit geval is dat de situatie waarin aan Vermilion vergunning is verleend voor de oprichting en het in werking hebben van de inrichting met een dagproductie tot 480.000 Nm³. In het MER dienen de milieueffecten van het project dan ook te worden afgezet tegen de situatie waarin reeds 480.000 Nm³/dag gas is vergund. Daarbij is het op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraken van 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2210 en 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4198) toegestaan om bij het bepalen van de referentiesituatie aansluiting te zoeken bij de feitelijke situatie. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat bij het opstellen van het MER terecht is uitgegaan van de huidige vergunde situatie als referentiesituatie.
8.6.
Voor zover is betoogd dat uit het oogpunt van zorgvuldigheid de effecten van de aardgasproductie tot de drempelwaarde van 500.000 Nm³ per dag, ook in het MER diende te worden bezien, overweegt de rechtbank dat dit betoog niet op enige rechtsregel valt terug te voeren. De beroepsgrond voor zover gericht tegen de in de bijlage bij het Besluit m.e.r. opgenomen drempelwaarde van 500.000 Nm³ treft evenmin doel. Het is aan de wetgever om eventuele onredelijke en niet beoogde effecten van de in het Besluit m.e.r. neergelegde drempelwaarde teniet te doen.
Volledigheid MER
9.1.
Eiseres 2 heeft aangevoerd dat het MER leemtes vertoont en geen volledige beschrijving bevat van de milieueffecten. Zij wijst onder meer op het ontbreken van informatie over bodemdaling en hydrologie. Eiseres 2 citeert daarbij uit de brief van verweerder van 2 mei 2016 aan Vermilion, waarbij Vermilion is medegedeeld dat voor de aanvraag van de veranderingsvergunning de beperkte m.e.r.-procedure gevolgd kan worden.
9.2.
Artikel 7.24, tweede lid van de Wet milieubeheer luidt:
Voor zover een advies over de reikwijdte en het detailniveau, bedoeld in artikel 7.24, tweede of derde lid, is uitgebracht, is het milieueffectrapport gebaseerd op dat advies. Het milieueffectrapport bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie te komen over de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande kennis en beoordelingsmethoden.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij brief van 2 mei 2016 een advies heeft uitgebracht, zoals bedoeld in artikel 7.24, tweede lid, van de Wet milieubeheer, nu in deze brief het ingewonnen advies van de Directie Natuur en Biodiversiteit (N&D), alsmede de Inspecteur-Generaal der Mijnen (van het SodM) ten aanzien van de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER is verwerkt. Ten aanzien van twee onderwerpen wordt Vermilion geadviseerd extra aandacht te besteden in het MER. Het betreft enerzijds het onderwerp “bodem-, grond- en oppervlaktewater” en anderzijds het onderwerp “natuur en ecologie”. Over het laatstgenoemde onderwerp is vermeld dat een drietal vragen in het MER aan de orde dienen te komen. In het deskundigenbericht heeft de STAB over de vraag of in het MER aandacht is besteed aan deze specifiek genoemde onderwerpen en of antwoord is gegeven op bijbehorende geformuleerde vragen positief geconcludeerd. De genoemde onderwerpen zijn beschreven in de paragrafen 5.3. (bodembeweging), 5.4. (waterhuishouding), 5.5. (geluid), 5.7 (risico’s en maatregelen met betrekking tot verontreiniging van bodem en oppervlaktewater), 5.13 (effecten op natuur en ecologie en gevolgen voor de instandhoudingsdoelen op de Natura 2000-gebieden) en 5.14 (de locatie ten opzichte van grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden). De rechtbank is in lijn hiermee van oordeel dat het MER de benodigde informatie bevat over de vooraf benoemde onderwerpen en vragen, en dat deze informatie kenbaar bij de beoordeling is betrokken. Voor zover eiseres 2 heeft betoogd dat er gebreken kleven aan (de totstandkoming van) het MER, kan dit betoog daarom niet slagen.
10.1.
Eiseres 2 heeft voorts naar voren gebracht dat het onderzoek naar de (directe en indirecte) gevolgen voor de natuur in de Natuurtoets en het MER niet actueel en onvolledig is. Er is volgens haar onvoldoende (veld)onderzoek verricht naar de aanwezigheid van soorten, alsmede naar de effecten op beschermde natuurgebieden en soorten en eiseres wijst daarbij op het deskundigenbericht van de STAB van 19 mei 2016 (aangevuld op 18 juli 2016), alsmede op een door EcoNatura opgestelde contraexpertise van 23 juni 2016. Beide stukken zijn opgemaakt in het kader van de procedure van de gefaseerde vergunningverlening, zoals genoemd in rechtsoverweging 1.2.
10.2.
Verweerder stelt zich -kort weergegeven- op het standpunt dat in de onderhavige procedure enkel de gevolgen van de wijziging van de inrichting ten behoeve van een maximale dagproductie van 1.500.000 Nm³ dienen te worden bezien. Ten aanzien van gevolgen als ruimtebeslag of andere directe effecten op de omgeving wijst verweerder op paragraaf 5.13 van het MER, waarin staat vermeld dat verhoging van de gasproductie niet leidt tot een fysieke ingreep, dan wel fysieke werkzaamheden. Directe gevolgen, zoals ruimtebeslag of directe verstoring, op het Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld (het Natura 2000-gebied) van de verhoging van de maximale dagproductie voor de natuur en de ecologie kunnen op voorhand worden uitgesloten. Gelet op het ontbreken van een fysieke ingreep aan de installatie, acht verweerder een nieuw veldonderzoek niet nodig; de eerder uitgevoerde onderzoeken acht hij afdoende voor de toetsing van de verhoging van de dagproductie.
10.3.
De rechtbank stelt vast dat destijds in het kader van de op 4 februari 2014 verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een proefboorlocatie in Wapse door Oranjewoud in mei 2013 een “Natuurtoets en Voortoets Natuurbeschermingswet 1998” (hierna: de Natuurtoets) is opgesteld. Hierbij zijn de mogelijke effecten op de beschermde diersoorten onderzocht en is geconcludeerd dat negatieve effecten van het oprichten van een proefboorlocatie voor de Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:155 geoordeeld dat de Natuurtoets van Oranjewoud aan de besluitvorming ten grondslag kon worden gelegd. De rechtbank stelt vast dat deze Natuurtoets ook ten grondslag is gelegd aan de eerder genoemde gefaseerde omgevingsvergunning voor de winningsfase. Hierover is in de uitspraak van 7 maart 2018 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2018:758) geoordeeld dat geen reden is om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De STAB heeft in het deskundigenbericht vermeld dat voor algemeen (wetenschappelijk) onderzoek een termijn van 5 tot 7 jaar geen afbreuk hoeft te doen aan de waarde of bruikbaarheid van dat onderzoek, tenzij er nieuw onderzoek beschikbaar is gekomen met gewijzigde inzichten of duidelijke aanwijzingen dat gegevens verouderd zijn. Volgens de STAB hebben in het gebied in kwestie niet of nauwelijks ontwikkelingen plaatsgevonden. De rechtbank volgt de STAB hierin. Daarbij neemt zij in aanmerking dat ten tijde van de daadwerkelijke oprichting (aanleg) van de mijnbouwlocatie sprake is geweest van de meest belastende milieueffecten op de omgeving en dat in die zin de effecten van het verhogen van de gasproductie per dag, hetgeen feitelijk inhoudt dat middels een choke of knijpstuk meer gas kan worden verwerkt, veel minder ingrijpend zijn. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de verhoging van de maximum dagproductie tot 1.500.000 Nm³ geen nieuw, dan wel aanvullend veldonderzoek behoefde plaats te vinden naar aanwezige beschermde natuurwaarden.
Directe gevolgen voor de natuur
11. Ten aanzien van de directe gevolgen van de verhoging van de maximale gasproductie per dag voor de natuur en ecologie overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat een verhoging van de gasproductie niet leidt tot een fysieke ingreep (verbouwing) ten aanzien van de mijnbouwinrichting. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van directe gevolgen als ruimtebeslag of andere directe effecten.
Het optreden van mogelijke indirecte effecten voor de natuur met betrekking tot geluid, stikstofdepositie en hydrologie zal hiernavolgend worden beoordeeld.
Indirect milieueffect: geluid
12.1.
Eiseres 2 heeft aangevoerd dat in het MER in verband met de beoordeling van de mogelijke verstoring van vogels in het Natura 2000-gebied door het geluid van gaswinning naar een verouderd rapport is verwezen, te weten Reijnen & Foppen uit 1991. Ook is volgens haar ten onrechte geen onderzoek gedaan naar mogelijke effecten van geluid voor andere vogels dan voor die vogels die zijn aangewezen voor het Natura 2000-gebied. Naast negatieve effecten voor vogelsoorten vreest eiseres tevens voor verstoring van andere diersoorten door de geluidsemissie van de winning. Zij betoogt dat niet is onderbouwd dat geen (geluids)effecten zullen optreden voor dieren als dassen en vleermuizen. Eiseres benoemt hierbij tevens het verstorende effect van aan-en-af-rijdend zwaar verkeer (bovenop zwaar landbouwverkeer) in een open landschap. Volgens eiseres is namelijk sprake van een toename van het aantal transportbewegingen per week voor de afvoer van productiewater.
12.2.
Verweerder stelt zich -kort weergegeven- op het standpunt dat negatieve effecten op het Natura 2000-gebied op voorhand zijn uit te sluiten, omdat de geluidsniveaus op die afstand met zekerheid niet hoger liggen dan 40 dB(A). Verweerder wijst hierbij op paragraaf 5.13.2 van het MER met bijbehorende notitie van 18 mei 2016 van Royal Haskoning DHV “Ecologische effectbeoordeling ten aanzien van geluid ten behoeve van de Natuurbeschermingswet”. Evenmin zal verstoring van de das, vleermuissoorten, de hazelworm en in de nabijheid broedende vogels optreden. Verweerder stelt dat geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (voorheen: Flora- en faunawet) worden overtreden, zodat geen ontheffing benodigd is.
12.3.
De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat de gaswinning in Wapse zorgt voor een constante geluidproductie rondom de mijnbouwlocatie. Wat betreft de normstelling voor het geluid heeft verweerder in het bestreden besluit verwezen naar de voorschriften behorend bij de op 15 juni 2015 verleende omgevingsvergunning voor de mijnbouwinrichting Wapse. Het Natura 2000-gebied ligt op ongeveer 550 meter afstand van de mijnbouwlocatie. Uit de geluidsberekeningen verricht voor deze vergunning volgt dat de 40 dB(A) geluidscontour tot op 300 meter van de mijnbouwlocatie ligt. Royal Haskoning DHV heeft naar aanleiding van de ingediende zienswijzen op 26 april 2017 een notitie opgesteld: “Onderbouwing effecten (broed)vogels ten behoeve van zienswijze MER locatie Wapse”. Hierin staat onder meer vermeld dat als gevolg van de beoogde uitbreiding van de gaswinning sprake zal zijn van een hogere doorvoer van het aardgas door de aanwezige leidingen en dientengevolge van een verhoging van de geluidsproductie (van de leidingen) met 3 dB(A). Het vorenstaande is tussen partijen niet in geschil.
12.4.
De rechtbank overweegt dat de verhoging van de geluidsproductie (van de leidingen) van invloed kan zijn op de aanwezige -beschermde- natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming. In de eerdergenoemde notitie van 18 mei 2016 van Royal Haskoning DHV zijn de gevolgen van geluid voor vogels beoordeeld aan de hand van een publicatie van Reijnen en Foppen uit 1991. Uit dit onderzoek naar de afname van de dichtheid van broedvogels en niet-broedvogels volgt dat sprake kan zijn van een afname van de dichtheid bij een geluidproductie van boven de 42 dB(A). Gelet op het feit dat dat de 40 dB(A) geluidscontour op 300 meter van de mijnbouwlocatie ligt, bedraagt de geluidproductie ter hoogte van het op ongeveer 550 meter gelegen Natura 2000-gebied (veel) minder dan 40 dB(A) en ligt de geluidsproductie onder de genoemde ondergrens voor verstoring van broedvogels. Het optreden van negatieve effecten voor broedvogels en niet-broedvogels in het Natura 2000-gebied is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk. Ten aanzien van de stelling van eiseres 2 dat het onderzoek van Reijnen en Foppen een verouderd onderzoek betreft, sluit de rechtbank zich aan bij het deskundigenbericht. Hierin staat vermeld dat hoewel het onderzoek uit 1991 als oud is aan te merken, nadien geen nieuw onderzoek beschikbaar is gekomen met gewijzigde inzichten of duidelijke aanwijzingen dat de gegevens uit dat onderzoek verouderd zijn. Eiseres 2 heeft een dergelijk onderzoek ook niet aangedragen. Voorts heeft verweerder terecht gewezen op jurisprudentie van de Afdeling, te weten de uitspraken van 7 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:B47002 en 25 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3863, waarin de Afdeling op basis van een advies van de STAB heeft geoordeeld dat de methode van Reijnen en Foppen een algemeen geaccepteerde methode is om effecten van geluid op broedvogels te beoordelen en dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze methode niet kan worden toegepast.
12.5.
Naast de gevolgen van geluid voor broedvogels en niet-broedvogels, heeft eiseres 2 gewezen op het negatieve effect van geluid op andere relevante soorten zoals vleermuizen en dassen. In de genoemde notitie van 26 april 2017 (rechtsoverweging 12.3) is ook voor vleermuizen, reeën, de das en hazelworm een ecologische effectbeoordeling uitgewerkt. In het deskundigenbericht onderschrijft de STAB de juistheid van de conclusies van deze notitie, te weten dat de verhoging van de gasproductie niet zal leiden tot negatieve effecten op de (beschermde) soorten in het nabijgelegen gebied. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres 2 aanvoert geen reden om aan de juistheid van de bevindingen van de STAB te twijfelen.
12.6.
De rechtbank overweegt voorts dat eiseres specifiek heeft gewezen op de negatieve effecten -met name voor vleermuizen- van het hoog frequente geluid dat met gaswinning gepaard gaat. Volgens eiseres 2 is op dit punt in het deskundigenbericht ten onrechte geconcludeerd dat negatieve effecten op het Natura 2000-gebied op voorhand zijn uit te sluiten, omdat de geluidsniveaus niet hoger liggen dan 40dB(A). Zij voert daartoe aan dat sinds de productie-uitbreiding het geluid van de locatie sterk is toegenomen en dat Vermilion in april 2018 (tijdelijk) zeecontainers heeft geplaatst om het geluid te beperken, en dit verband ook een nader onderzoek heeft laten uitvoeren door LPB Sight. Ter zitting is door Vermilion toegelicht dat naar aanleiding van klachten inderdaad onderzoek is gedaan en dat vervolgens (permanente) maatregelen zijn getroffen. LPB Sight heeft op 22 juli 2018 een rapport uitgebracht. Daarin wordt geconcludeerd dat -gedurende de representatieve bedrijfssituatie van 12 tot en met 22 juli 2018- de geluidsemissie van de installatie op locatie Wapse voldeed aan de in de milieuvergunning gestelde grenswaarden. LPB Sight heeft op de vaste referentie afstand van 300 meter, waar het maximaal toelaatbaar geluidsniveau van <39dB(A) geldt, circa 32-33dB(A) gemeten. Eiseres 2 heeft de bevindingen uit voornoemd rapport niet betwist. Ook dit rapport geeft de rechtbank geen aanleiding te veronderstellen dat de verhoging van de gasproductie zal leiden tot negatieve effecten op de (beschermde) soorten in het nabijgelegen gebied. Voor zover desondanks sprake is van een overschrijding van de grenswaarde, kunnen eisers verweerder verzoeken over te gaan tot handhaving. Wat betreft de vleermuizen neemt de rechtbank nog in aanmerking dat in de notitie van 26 april 2017 is beschreven dat voor vleermuizen het geluidsniveau in dB(A) niet direct relevant is, maar dat veeleer van belang is te weten in welke bandbreedte van Hertz de geluidsproductie is gelegen. Voor het geluid van gaswinning (industriegeluid) is dit gelegen in het frequentiegebied van 16 tot 8.000 Hertz (Hz), terwijl de bandbreedte waarin vleermuizen (die gebruik maken van echo locatie) hun prooi waarnemen is gelegen van 25.000 tot 120.000 Hz. Negatieve effecten voor vleermuizen vanwege het geluid van de mijnbouwlocatie worden dan ook niet aannemelijk geacht. Deze conclusie wordt door de STAB in het deskundigenbericht onderschreven. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres aanvoert ook hier geen reden om aan de juistheid van voormelde bevindingen te twijfelen.
12.7.
Ten aanzien van de gestelde geluidshinder ten gevolge van een toename van het aantal transportbewegingen, overweegt de rechtbank dat -voor zover er kwantitatief al sprake zou zijn van een toename (zie hiervoor ook rechtsoverwegingen 13.1 e.v.)- niet aannemelijk is gemaakt dat dit zal resulteren in een toename van de geluidhinder vanwege de inrichting.
Indirect milieueffect: stikstofdepositie
13.1.
Eiseres 2 heeft aangevoerd dat de verhoging van de aardgaswinning per dag leidt tot een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, die groter is dan door verweerder is berekend. Gesteld wordt dat het aantal transportbewegingen voor de afvoer van productiewater niet de berekende driemaal per week zal bedragen, maar minimaal vijftienmaal per week. Verder stelt eiseres 2 dat de stikstofdepositie veroorzaakt door de mobiele installatie voor de verwerking van het productiewater en/of het uitvoeren van zuurbehandelingen ten onrechte niet is berekend. Daarnaast is volgens eiseres 2 de stikstofemissie niet meegerekend van voertuigen die de installatie bezoeken voor het uitvoeren van onderhoud. Niet is verzekerd dat hiervoor in de stikstofbudgetten van de Programmatische Aanpak stikstof (hierna: PAS) voldoende ruimte zal zijn.
13.2.
De rechtbank overweegt dat tijdens reguliere gasproductie op de locatie geen emissie van stikstof plaats vindt. De enige stikstofemissies die optreden zijn uitlaatgassen van de voertuigen die worden ingezet voor bezoek aan de locatie door de operator (eenmaal per week), voor transport en verlading van het productiewater (tweemaal per week), alsmede levering van de mijnbouwhulpstoffen (tweemaal in de maand). Voornoemde transportbewegingen zijn als uitgangspunt genomen bij de berekening van de stikstofemissie en gelden volgens verweerder in een worst-case situatie. Gelet op de betwisting daarvan door eiseres 2 heeft de STAB dit nader beschouwd. In het deskundigenbericht is dienaangaande gemotiveerd uiteengezet dat het huidige aantal vrachtwagentransporten voor de afvoer van productiewater van eenmaal per twee weken kan oplopen tot twee per week in de eindfase van de winning (worst-case situatie). De rechtbank ziet geen reden om de STAB niet te volgen in de conclusie dat niet te verwachten valt dat deze afvoerfrequentie ontoereikend is. Overigens ondersteunen de -nota bene door eiseres 2 zelf verstrekte- productiecijfers van de Diever-02 gasput de voornoemde afvoerfrequentie. Uit de cijfers valt af te leiden dat in 2018 het mee geproduceerde (formatie)water op zijn hoogst 102 m³ per maand is geweest. Dit betekent omgerekend dat er maximaal vier transporten per maand hebben plaatsgevonden (rekening houdend met een afvoer van 30 m³ water per vrachtwagen). Over de inzet van een mobiele installatie voor de verwerking van het productiewater is door verweerder toegelicht dat die op locatie Wapse niet wordt ingezet en dat hier in de voorliggende vergunningen ook niet in is voorzien. De rechtbank ziet geen reden om dit voor onjuist te houden. Voor zover eiseres betoogt dat zuurbehandelingen ten onrechte niet zijn betrokken bij de beoordeling van de stikstofemissie, overweegt de rechtbank dat blijkens de stukken verhoging van de productie niet toeziet op de zuurbehandeling. Deze grond slaagt dus niet.
Indirect milieueffect: hydrologie
14.1
Eiseres 2 heeft voorts aangevoerd dat in het MER onvoldoende aandacht is besteed aan mogelijk verlies van biodiversiteit, afname van waterbergend vermogen en het voorkomen van bodemverontreiniging. Dit punt is volgens haar evenmin in de Nota beantwoording zienswijzen besproken. Eiseres 2 wijst in dit verband nog op het advies van het waterschap. Ook een geringe bodemdaling kan volgens het waterschap effecten hebben in de vorm van waterbergingsverlies en gevolgen voor de landbouw.
14.2.
Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de effecten van eventuele bodemdaling op de waterhuishouding vooral spelen in het kader van het instemmingsbesluit (afname van waterbergend vermogen en het voorkomen van bodemverontreiniging). Voor zover het de omgevingsvergunning betreft heeft verweerder onder verwijzing naar het MER (paragraaf 5.4 en 5.7) gemotiveerd uiteengezet dat geen grote effecten op de hydrologie zijn te verwachten. Hij wijst hierbij onder meer op bijlage 8 bij het MER (memo van 26 mei 2016 “Ecologische beoordeling bodemdaling Wapse ten aanzien van aangewezen habitattypen Natura 2000-gebied”), waarin de effecten van de bodemdaling op de waterhuishouding en ecologie in beeld zijn gebracht. De conclusie luidt dat geen negatieve effecten zullen optreden op de betrokken habitattypen.
14.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat gaswinning kan leiden tot (geringe) bodemdaling, hetgeen gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Veranderingen in de waterhuishouding kunnen vervolgens van invloed zijn op het ecologisch systeem. Voor zover eiseres 2 betoogt dat onvoldoende aandacht is besteed aan de effecten op het ecologisch systeem, volgt de rechtbank dit niet. De effecten van de winning op de bodemdaling en daarmee op de waterhuishouding en ecologie zijn beschreven in paragraaf 5.4 en bijlage 8 van het MER. In het deskundigenbericht onderschrijft de STAB de juistheid van de conclusie dat geen effecten op het aspect waterhuishouding en natuur te verwachten zijn. De rechtbank is van oordeel dat in het MER voldoende aandacht is besteed aan de ecologische effectbeoordeling ten aanzien van de waterhuishouding.
Cumulatie met winningen in de omgeving
15.1.
Eiseres 2 stelt dat cumulatieve beoordeling van de effecten zijn van winning van delfstoffen in de omgeving van het voorkomen Diever ten onrechte ontbreekt.
15.2.
Verweerder heeft aangevoerd dat ten tijde van opstellen van het MER, alsmede ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, er geen plannen of ontwikkelingen bekend waren in de omgeving van de mijnbouwlocatie Wapse die van invloed zouden kunnen zijn op de beoordeelde effecten.
15.3.
De rechtbank stelt vast dat ten westen van het Diever aardgasveld diverse andere in productie zijnde aardgasvelden liggen, te weten Eesveen, Vinkega/De Hoeve en Noordwolde. In Nijensleek en Weststellingwerf bevinden zich thans uitgeproduceerde velden. Door eiseres 2 is niet onderbouwd dat sprake is van overlap van de bij deze velden behorende invloedsgebieden (of ook bodemdalingscontour) met het invloedsgebied van het Diever aardgasveld. In het deskundigenbericht is hierover nog opgemerkt dat in de analyse bodemdaling meetplan Diever van 23 februari 2017 (het meetplan) de invloed van de bodemdaling van de voornoemde nabijgelegen velden in meer detail, te weten als contour van 1 mm-daling in kaart is gebracht. De conclusie luidt dat de 1 mm-dalingscontouren van het Diever gasveld en de overige velden elkaar niet overlappen. In het meetplan staat vermeld dat de cumulatie van de bodemdaling een fractie van millimeters bedraagt. De STAB sluit zich hierbij aan en concludeert dat de extra bodemdaling van het voorkomen Diever als gevolg van cumulatie te verwaarlozen is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet hierop, dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen cumulatieve effecten met gaswinning uit andere velden zijn te verwachten. De grond slaagt niet.
Wet Bevordering integriteitsbeoordeling door bestuursorganen (hierna: Wet bibob)
16.1.
Eiser 1 heeft aangevoerd dat Vermilion in het verleden bij herhaling méér gas heeft gewonnen dan haar op basis van het (voorheen) geldende winningsplan en de (voorheen) geldende omgevingsvergunning was toegestaan. Daarnaast is Vermilion een last onder dwangsom opgelegd door de Inspecteur-Generaal der Mijnen in verband met illegale gaswinning in Heerenveen. Volgens eiseres 2 blijkt uit deze omstandigheden dat er ernstig gevaar bestond dat Vermilion de vergunning zou gebruiken om strafbare feiten te plegen. Gelet op deze gedragingen had verweerder op grond van artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo in samenhang met artikel 3 van de Wet Bibob de thans voorliggende omgevingsvergunning moeten weigeren, dan wel nader onderzoek moeten verrichten.
16.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat ernstig gevaar bestaat dat Vermilion, als houdster van de vergunningen deze mede zal gebruiken om strafbare feiten te plegen.
16.3.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Wet bibob (Kamerstukken II 1999/2000, 26 883, nr. 3, blz. 2) blijkt dat met dit artikel is beoogd te voorkomen dat de overheid door middel van bestuurlijke besluitvorming, zoals vergunningverlening, ongewild criminele activiteiten faciliteert. Criminele organisaties zijn in bepaalde gevallen afhankelijk van bestuurlijke besluitvorming voor de continuering en afscherming van criminele activiteiten. Zo kunnen met behulp van vergunningen dekmantelbedrijven worden opgezet en illegale transporten worden uitgevoerd. Dit leidt tot oneerlijke concurrentie, het opbouwen van machtsposities met witgewassen geld en verwevenheid van de onder- en bovenwereld. Tevens komen openbare belangen zoals dat van het milieu, de verkeersveiligheid en de volksgezondheid in het geding.
16.4.
Uit het voorgaande volgt dat artikel 3 van de Wet bibob strekt tot bescherming van het algemene belang bij het voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert. De rechtbank overweegt dat hetgeen eisers 1 en 2 hebben aangevoerd geen aanknopingspunt biedt voor het oordeel dat er criminele activiteiten plaatsvinden, dan wel zullen vinden bij de exploitatie van de mijnbouwinrichting Wapse. Van “ernstig gevaar” in de zin van de Wet bibob dat de omgevingsvergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake, zodat verweerder hierin geen reden heeft hoeven zien om de vergunning te weigeren.
Voorschrift evaluatie en monitoring
17.1.
Eiser 1 heeft tot slot nog aangevoerd dat in de omgevingsvergunning ten onrechte een voorschrift ontbreekt over een evaluatie- en monitoringsprogramma. In het MER wordt immers in de samenvatting vermeld dat een concrete evaluatie en monitoringsprogramma van (mogelijke) effecten onderdeel zal uitmaken van de vergunningverlening.
17.2
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het evaluatie- en monitoringsprogramma, waar eiseres aan refereert, ziet op de monitoring van de bodemdaling en dat het niet noodzakelijk is hiertoe in de omgevingsvergunning een voorschrift op te nemen. Daarbij is het volgens verweerder onjuist dat in de omgevingsvergunning geen enkel voorschrift over monitoring is opgenomen. Immers op grond van voorschrift A.1 (bijlage 1) bij het bestreden besluit zijn de voorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning van 15 juni 2015 onverminderd van kracht en gelden deze, voor zover van belang, ook voor de productieverhoging. Onder andere monitoring van grondwater, oppervlaktewater en de waterbodem is in deze voorschriften opgenomen.
17.3.
De rechtbank stelt vast dat de volledige passage waarnaar eiseres heeft verwezen als volgt luidt: “Uit de toetsing van de milieueffecten (…). Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er geen aanvullende mitigerende maatregelen aan de orde zijn die eventueel in de vergunningverlening zouden moeten worden meegenomen. (…) De beperkte onzekerheid in de voorspelling van de verwachte effecten of de leemten in kennis ten aanzien van de modellering van de ondergrond staan deze conclusie niet in de weg. Een concrete evaluatie en monitoring programma van (mogelijke) effecten zal onderdeel uitmaken van de vergunningverlening”. De rechtbank overweegt dat deze passage in samenhang dient te worden bezien met hoofdstuk 5 (paragraaf 5.3) van het MER, waarin de milieueffecten uitgebreider staan beschreven, en hoofdstuk 8 (paragraaf 8.1). Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat met een evaluatie- en monitoringsprogramma niet is gedoeld op alle beschreven milieueffecten, maar dat dit zich specifiek richt op het aspect van de bodemdaling. Gelet hierop is een voorschrift betreffende een evaluatie- en monitoringsprogramma dan ook terecht niet opgenomen bij de omgevingsvergunning.
Productieperiode
18.1.
Eiseres 2 ziet een discrepantie tussen de in het winningsplan genoemde verwachte productieperiode, te weten tot het jaar 2025, en de genoemde productieperiode zoals die is benoemd in het kader van de omgevingsvergunning. Zij wijst er in dit verband op dat in bijlage I behorende bij de aanvraag van de omgevingsvergunning staat vermeld dat de verwachting is dat gedurende dertig jaar aardgas wordt geproduceerd.
18.2.
De rechtbank overweegt dat het Vermilion op grond van artikel 34, derde lid, van de Mbw is toegestaan gas te winnen overeenkomstig het winningsplan. De duur van de winning wordt aldus bepaald in het winningsplan. Nu in het winningsplan het jaar 2025 als verwachte productie periode staat vermeld, betekent dit dat Vermilion na 2025 op basis van het winningsplan geen toestemming meer heeft om gas te winnen op mijnbouwlocatie Wapse. Dat in de omgevingsvergunning een andere periode wordt genoemd, maakt dit niet anders.
19. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu kon worden verleend. In wat overigens nog door eisers 1 en 2 is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.
20. De beroepen van respectievelijk eiser 1 en eiseres 2 gericht tegen het bestreden besluit zijn ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep van eiser 1 en dat van eiseres 2 tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzitter, en mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in aanwezigheid van mr. N. Breda en mr. A. Pol, griffiers. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Bijlage wettelijk kader
1. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo luidt:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een mijnbouwwerk.
2. Artikel 2.14, eerste lid, van de Wabo bevat de toetsingsgronden voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wet. Ingevolge het derde lid van artikel 2.14 van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Dit betekent dat verweerder een zekere beoordelingsruimte heeft of een omgevingsvergunning al dan niet, in het belang van de bescherming van het milieu, moet worden geweigerd.
Milieueffectrapportage (m.e.r.) en Milieueffectrapport (MER)
3. In een milieueffectrapportage (afkorting m.e.r.) worden de milieugevolgen van een besluit in kaart gebracht voordat het besluit wordt genomen. De onderzoeksresultaten worden gepubliceerd in het milieueffectrapport (MER). Doel van een m.e.r. is het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten die (uiteindelijk) kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De Europese Unie (EU) heeft in de richtlijn 2011/92/EU (hierna: mer-richtlijn) reeds aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. De richtlijn heeft onder meer betrekking op projecten bestaande uit ingrepen voor de ontginning van bodemschatten. Gaswinning is een dergelijke ingreep.
4. In artikel 4, eerste lid, mer-richtlijn, samen met bijlage I, categorie 14, is commerciële winning van aardgas wanneer de gewonnen hoeveelheid meer dan 500.000 m³ aardgas per dag bedraagt, aangewezen als een project waarvoor een MER moet worden opgesteld (hierna: mer-plicht).
5. Ter implementatie van deze verplichting is in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), onderdeel C, categorie 17.2, vastgelegd dat een mer-plicht geldt voor het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet (Mbw) dan wel andere besluiten waarop afdeling 3.4 van de Awb en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing zijn ter zake van de winning van aardgas, of de wijziging of uitbreiding ervan, met een hoeveelheid van meer dan 500.000 m³ per dag (de drempelwaarde).
6. De Wet milieubeheer kent zowel een uitgebreide als een beperkte m.e.r.-procedure voor besluiten. De beperkte procedure wordt geregeld in paragraaf 7.8 van voornoemde wet (artikel 7.24 e.v.) en geldt in het geval op een besluit afdeling 3.4 van de Awb en één of meer artikelen van afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing zijn. In paragraaf 7.9 van de wet (artikel 7.29 e.v.) wordt de uitgebreide procedure geregeld.
7. In artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob is bepaald dat voor zover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, zij kunnen weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
b. strafbare feiten te plegen.
In het tweede lid is bepaald dat, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.
In het derde lid is bepaald dat, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.
In het vijfde lid is bepaald dat de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaatsvindt indien deze evenredig is met de mate van het gevaar en, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
Uitspraak 09‑04‑2019
Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Instemmingsbesluit winningsplan Diever. Verweerder heeft niet toereikend inzichtelijk gemaakt van welke onzekerheidsmarge moet worden uitgegaan met betrekking tot de verwachte bodemdaling en of dit in overeenstemming is met de door hem ingewonnen adviezen van de wettelijke adviseurs. Verweerder heeft zijn standpunt dat er geen sprake is van een relatie tussen seismisch risico en de snelheid van gaswinning niet voldoende gemotiveerd. Het artikel over de schadeprocedure is door het gebruik van kwalitatieve termen te onbepaald
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 17/6077 en SGR 17/6101
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2019 in de zaak tussen
1. [eiser 1] van [plaats] (eiser 1)
(gemachtigde: mr. W.R. van der Velde),
2. [eiseres 2] , te [plaats] (eiseres 2)
(gemachtigde: mr. J.J.H. Mineur)
en
de minister van Economische Zaken (thans: Economische Zaken en Klimaat), verweerder
(gemachtigde: mr. L. Brand).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [B.V.] (hierna: [B.V.] ), te [plaats]
(gemachtigde: mr. H.M. Israëls).
Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2017 (instemmingsbesluit) heeft verweerder onder het stellen van voorwaarden ingestemd met het door [B.V.] ingediende winningsplan Diever. Bij besluit van 30 juli 2018 heeft verweerder het instemmingsbesluit gewijzigd (het wijzigingsbesluit).
Eisers 1 en 2 hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld, respectievelijk geregistreerd onder zaaknummer SGR 17/6077 en SGR 17/6101.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft aanleiding gezien een deskundige, de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (de STAB), te benoemen. Op 5 april 2018 heeft de STAB een deskundigenbericht uitgebracht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren en hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De STAB heeft bij rapport van 14 februari 2019 op verzoek van de rechtbank een nader bericht uitgebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2019. Namens eiser 1 is verschenen [A] (wethouder), bijgestaan door de gemachtigde. Namens eiseres 2 is verschenen [B] , bijgestaan door de gemachtigde. Voorts is aan de zijde van eiseres 2 als deskundige verschenen [X] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door J.L.M. Oomes en M.E.J. Pieters. Tevens is verschenen dr. A.G. Muntendam-Bos namens het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM). Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. R. Olivier. Namens vergunninghouder was als deskundige aanwezig H. Martens, reservoir ingenieur. Als deskundigen van de STAB zijn verschenen drs. I.J. van der Wal en drs. J.F. Schuurman.
De zaken zijn ter zitting gevoegd behandeld met de beroepen tegen het verlenen van de omgevingsvergunning, geregistreerd onder de zaaknummers SGR 17/6079 en SGR 17/6102. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken met betrekking tot het instemmingsbesluit en de omgevingsvergunning gesplitst.
Overwegingen
1.1.
[B.V.] heeft in 2004 aardgas-producerende velden in Nederland verworven. Zij is onder meer houder van de winningsvergunning [winningsvergunning] . Deze vergunning geeft [B.V.] het recht en de plicht om delfstoffen (in dit geval koolwaterstoffen) op te sporen en te winnen binnen de grenzen van het vergunningsgebied. Het Diever aardgasveld, ook wel aardgasvoorkomen genoemd, maakt deel uit van het vergunningsgebied [winningsvergunning] . Dit aardgasveld is in augustus 2014 aangeboord (proefboring) middels aardgasput Diever 2 (DIV-02), vanaf de mijnbouwlocatie Wapse aan de [mijnbouwlocatie] , nabij huisnummer [huisnummer] , ten noorden van Wapse. Het aardgasveld van DIV-02 is gelegen in de Rotliegend zandsteenformatie en is opgedeeld in twee delen namelijk het [1] en het [2] .
1.2.
Gaswinning wordt onder meer gereguleerd in de Mijnbouwwet (Mbw). Op het instemmingsbesluit is de Mijnbouwwet van toepassing, zoals die op 1 januari 2017 is gewijzigd. Op grond van artikel 6 van de Mbw is een vergunning vereist voor het winnen van delfstoffen (winningsvergunning). Houders van een winningsvergunning moeten ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Mbw delfstoffen winnen overeenkomstig een winningsplan. Ingevolge het derde lid van dat artikel behoeft dat winningsplan instemming van de minister.
1.3.
[B.V.] heeft op 17 november 2014 een verzoek tot instemming voor het winningsplan Diever ingediend. Naar aanleiding van de voorgenomen wijzigingen in de Mbw heeft [B.V.] op 1 april 2016 een geactualiseerd winningsplan ingediend (samen met een nieuwe beoordeling van het seismische risico). Het winningsplan bevat onder meer informatie over de reservoireigenschappen en de gevolgen van de gaswinning van het Diever aardgasveld.
1.4.
Gelet op artikel 34, vierde lid, van de Mbw is dit besluit tot instemming met het winningsplan voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpbesluit heeft (tegelijkertijd met de ontwerp omgevingsvergunning voor de verhoging van de maximale dagproductie) van 30 november 2016 tot en met 10 januari 2017 ter inzage gelegen. Ten aanzien van het winningsplan is advies gevraagd aan Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) op grond van artikel 127 van de Mbw, de Technische commissie bodembeweging (Tcbb) op grond van artikel 34, vijfde lid, van de Mbw, en aan alle betrokken decentrale overheden op grond van artikel 34, vijfde lid, van de Mbw en tot slot aan de Mijnraad op grond van artikel 105, derde lid, van de Mbw.
1.5.
Eisers 1 en 2 hebben zienswijzen ingediend. Verweerder heeft in de "Nota van Beantwoording Zienswijzen Gaswinning Diever & Wapse" gereageerd op de tegen het ontwerp-instemmingsbesluit en de ontwerp omgevingsvergunning ingediende zienswijzen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de weigeringsgronden van artikel 36 van de Mbw zich hier niet voordoen.
1.6.
Bij het instemmingsbesluit heeft verweerder op grond van de Mbw en het Mijnbouwbesluit (Mbb) onder het stellen van zeven voorschriften instemming aan het winningsplan Diever verleend. Naast het instemmingsbesluit heeft de beslissing op bezwaar ten aanzien van de omgevingsvergunning voor de verhoging van de maximale dagproductie van 22 juli 2017 tot en met 1 september 2017 ter inzage gelegen.
1.7.
Bij wijzigingsbesluit van 30 juli 2018 heeft verweerder op verzoek van [B.V.] artikel 4 van het instemmingsbesluit aangepast. Artikel 4 betreft de bouwkundige opname van gevoelige bouwwerken (nulmeting bouwkundige staat). De reden voor deze wijziging is dat de procedure voor deze opname meer tijd vergt dan eerst werd voorzien. Verweerder geeft [B.V.] twaalf maanden om de opname uit te voeren, ingaande na het onherroepelijk worden van het wijzigingsbesluit.
1.8.
In artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Naar het oordeel van de rechtbank moeten eisers 1 en 2 worden geacht van rechtswege mede beroep te hebben ingesteld tegen het wijzigingsbesluit.
Deskundigenbericht van de STAB
2.1.
Op 5 april 2018 heeft de STAB een deskundigenbericht uitgebracht en op 14 februari 2019 een nader deskundigenbericht.
2.2.
Volgens vaste jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3819, mag de bestuursrechter in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.
2.3.
In hetgeen eisers en verweerder hebben aangevoerd, hetgeen grotendeels neerkomt op het handhaven van eerder ingenomen standpunten in de zienswijzen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het deskundigenbericht met de nadere aanvulling niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Indien en voor zover de rechtbank het deskundigenbericht niet volgt, zal zij dit uitdrukkelijk en gemotiveerd overwegen.
Bestuurlijke lus 3. In deze tussenuitspraak zijn gebreken in het bestreden besluit geconstateerd. Op grond van artikel 8:51d van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Dat doet de rechtbank in deze tussenuitspraak. Uit een oogpunt van finale geschilbeslechting bespreekt de rechtbank hierna zowel de beroepsgronden die slagen als die falen.
Beroepsgronden
Procedureel
4. Eiseres 2 heeft ter zitting de beroepsgronden over de nulmeting en omgekeerde bewijslast ingetrokken.
Procesorde en late reactie van de STAB
5.1.
Verweerder en vergunninghouder hebben bezwaar gemaakt tegen de twee door eiseres 2 ingediende rapporten van [X] ( [X] ) van respectievelijke 6 en 7 februari 2019. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank deze rapporten wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing dient te laten.
5.2.
Eiseres 2 heeft op 7 februari 2019 een reactie gegeven op de door verweerder en vergunninghouder, respectievelijk 15 mei 2018 en 10 mei 2018, ingediende reacties op het deskundigenbericht van de STAB van 5 april 2018. Bij deze reactie zijn twee rapportages gevoegd. Na binnenkomst van de beroepschriften heeft de rechtbank bij brief van 10 januari 2018 aan eisers medegedeeld dat de rechtbank in deze procedure de STAB als deskundige heeft benoemd. In de brief is vermeld dat inhoudelijke beroepsgronden die later zijn ingediend dan drie weken nadat de STAB is verzocht een deskundigenbericht uit te brengen wegens strijd met de goede procesorde niet zullen worden meegenomen. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van andere partijen, kan niet worden aanvaard dat eiseres 2 in haar nadere reactie niet eerder aangevoerde gronden en rapportages inbrengt. Dit betekent dat door eiseres 2 door Wiggers opgestelde rapportages over “condensatie in gasreservoirs” en “mijnbouwschade als gevolg van lekkage langs de putten” wegens strijd met de goede procesorde buiten inhoudelijke bespreking blijven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat eiseres 2 deze stukken niet tijdig naar voren heeft kunnen brengen. Tot slot overweegt de rechtbank dat voor zover eiseres 2 in haar correspondentie na 31 januari 2018 nieuwe gronden naar voren heeft gebracht, deze eveneens als in strijd met een goede procesorde buiten beschouwing zullen worden gelaten. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2928.
5.3.
De rechtbank heeft op 17 januari 2019 aan de STAB schriftelijk verzocht om nader te adviseren over de door de gemachtigde van eiser 1 ingebrachte reactie. De STAB heeft op 14 februari 2019, bij de rechtbank binnengekomen op 15 februari 2019, het nadere deskundigenbericht ingebracht. De rechtbank heeft dit nadere deskundigenbericht diezelfde dag per e-mail dan wel per fax aan partijen doen toekomen. Dit nadere deskundigenbericht is niet van een zodanige inhoud of omvang dat partijen daarop niet meer adequaat konden reageren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat partijen de deskundigen van de STAB ter zitting nader hebben kunnen bevragen. Aldus zijn partijen niet in hun belangen geschaad. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldaan is aan de goede procesorde.
Beoordelingskader
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3578 en
15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3156) de beoordeling betreffende de instemming met een winningsplan op grond van artikel 36, eerste lid, van de Mbw door de minister dient te worden gemaakt. De rechter kan, gelet op de aard van de bevoegdheid zoals deze in de Mbw is omschreven, zijn eigen oordeel niet in de plaats stellen van het oordeel van de minister, die bij zijn afweging ruimte toekomt en zich ter zake door deskundigen kan laten adviseren. De minister kan over zijn besluitvorming ter verantwoording worden geroepen door de Staten-Generaal. Dit laat onverlet dat de besluitvorming van de minister is onderworpen aan rechterlijke toetsing. De rechter dient met name te beoordelen of het besluit van de minister en de daaraan ten grondslag gelegde afweging in overeenstemming is met het in artikel 36 van de Mbw gestelde kader, berust op voldoende kennis over de relevante feiten en omstandigheden, en deugdelijk is gemotiveerd. Daarnaast beziet de rechter of de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
6.2.
Voor de wet- en regelgeving die op deze zaak van toepassing is, verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.
Nut en noodzaak
7.1.
Eiseres 2 voert aan dat nut en noodzaak ontbreekt voor de winning te Diever. Gelet op het huidige maatschappelijke debat hierover, alsmede de door de overheid voorgenomen transitie naar een energieneutrale maatschappij, is de verleende instemming met het winningsplan voor gaswinning in Wapse onvoldoende onderbouwd. Eiseres wijst hierbij ook op de Urgenda-uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juni 2015, (ECLI:NL:RBDHA:2015:7145).
7.2.
Gelet op het bepaalde in artikel 36, eerste lid, Mbw kan de minister de instemming aan het winningsplan slechts onthouden indien één van de in dat artikel genoemde weigeringsgronden zich voordoet. De rechtbank zal de betogen over nut en noodzaak dan ook beoordelen in het licht van die weigeringsgronden. Zij verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1096.
7.3.
Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de beoordeling op ‘nut en noodzaak’ zoals door eiseres 2 naar voren is gebracht, als zodanig geen onderdeel vormt van het toetsingskader ter beoordeling van een winningsplan (artikel 36, eerste lid, van de Mbw) en aldus geen weigeringsgrond kan opleveren. Verweerder stelt zich inhoudelijk op het standpunt dat de nut en noodzaak van gaswinning in een breder perspectief dan enkel het Diever gasveld dient te worden bezien. Nederland staat aan de vooravond van een grote energietransitie richting een duurzame energiehuishouding, die echter niet ineens kan plaatsvinden. Dit betekent dat het gebruik van fossiele brandstoffen, zoals gaswinning, nog nodig is om te voorzien in de energiebehoefte en niet ineens kan worden beëindigd. In deze overgangsperiode past de winning van kleine velden juist heel goed. Ook een kleiner gasvoorkomen, zoals in Diever levert in dat kader een noodzakelijke bijdrage. Op macroniveau voorzien de kleine gasvelden in Nederland, Diever meegerekend, gezamenlijk in de helft van de totale Nederlandse gasbehoefte. Daarmee leveren zij een relevante bijdrage aan de Nederlandse gasproductie. Van belang is tevens dat de gaswinning in het Groningenveld sterk wordt gereduceerd en dat gaswinning uit de Nederlandse bodem, uit het oogpunt van klimaatvoordelen, energieleveringszekerheid alsmede werkgelegenheids- en economische aspecten prevaleert boven import. Voorts wijst verweerder erop dat gas gedurende de transitie een nuttige rol vervult, aangezien het van alle fossiele brandstoffen het meest CO₂-arm is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De Urgenda-uitspraak van de rechtbank Den Haag evenals het in hoger beroep gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag van 9 oktober 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:2591) ziet op de energietransitie als geheel en de daarin aan de Staat voorgeschreven emissienorm omvat een resultaatverplichting waarbij de Staat de volle, bij uitstek aan hem toekomende vrijheid behoudt om te bepalen op welke wijze hij aan die emissienorm gevolg geeft. Eiseres kan aan deze emissienorm voor dit concrete geval derhalve geen aanspraak ontlenen op een besluit van een bepaalde inhoud. De beroepsgrond slaagt niet.
Omvang toetsing aan gevolgen voor natuur en milieu
8.1.
Eiseres 2 betoogt dat door verweerder niet is gemotiveerd waarom er, ook vanwege de winning in de ondergrond, buiten de effecten via de waterhuishouding, geen effecten op natuur en milieu zouden zijn.
8.2.
Ingevolge artikel 36, eerste lid onder c en d, Mbw kan de minister zijn instemming met het opgestelde winningsplan slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of indien nadelige gevolgen voor de natuur worden veroorzaakt.
8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder afdoende gemotiveerd dat weliswaar de winning van delfstoffen gevolgen heeft voor natuur en milieu maar dat hierin geen aanleiding is gelegen om de instemming met het winningsplan te weigeren.
Voorschrift onderzoek en monitoring hydrologie verbinden aan instemmingsbesluit
8.4.
Eiseres 2 brengt naar voren dat verweerder ten onrechte geen voorschrift aan het instemmingsbesluit heeft verbonden waarin onderzoek en monitoring van effecten op de hydrologische situatie wordt voorgeschreven, zoals dat door de Drents Overijsselse Delta (waterschap) gewenst was.
8.5.
De rechtbank stelt voorop dat het waterschap geen aanleiding heeft gezien om tegen het instemmingsbesluit in beroep te gaan omdat het door haar gewenste voorschrift ontbreekt. In het deskundigenbericht is nader ingegaan op de effecten van de gaswinning op de bodemdaling en daarmee op de waterhuishouding en ecologie. De STAB refereert daarbij onder meer aan het Memo effecten bodemdaling op de waterhuishouding gaswinning Wapse van Royal Haskoning DHV van 18 maart 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat het verlies aan bergingscapaciteit door bodemdaling minder dan 1% zal bedragen. Onweersproken is verder dat waterschappen een kritische grens van 5 cm hanteren. Volgens het deskundigenbericht zal de te verwachten bodemdaling, nu deze geringer zal zijn dan deze grens, nagenoeg niet merkbaar zijn, afgezet tegen de natuurlijke bodemveranderingen en de fluctuatie in de bodemwaterstand. Ondanks de discussie over de omvang van de te verwachten bodemdaling, acht de rechtbank niet aannemelijk dat de kritische grens van 5 cm zal worden overschreden. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid een voorschrift betreffende de monitoring van hydrologie achterwege heeft kunnen laten.
8.6.
Eiseres 2 betoogt dat de afwezigheid van effecten op het bodemleven door verweerder niet afdoende is gemotiveerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen enkele aanleiding bestaat om aan te nemen dat door de bodemdaling negatieve effecten op het bodemleven gaan voltrekken. Nu eiseres 2 op dit punt haar betoog niet nader heeft geconcretiseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om het besluit op dit punt onzorgvuldig te achten. De beroepsgrond slaagt niet.
Actualisatie
9.1.
Eiseres 2 voert aan dat een voorschrift aan het instemmingsbesluit verbonden had moeten worden dat ziet op het actualiseren van het winningsplan bij wetenschappelijke ontwikkelingen. Eiseres 2 verwijst hierbij naar het advies van de Technische commissie bodembeweging (Tccb) om het winningsplan door vergunninghouder te laten actualiseren, indien voor Diever redenen blijken te zijn om de maximale magnitude van 3 ,9 te herzien. Weliswaar wordt het advies van de Tccb in de toelichting van het instemmingsbesluit aangehaald, maar dit acht eiseres 2 onvoldoende.
9.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hem op grond van artikel 36, derde lid, van de Mbw de bevoegdheid toekomt zijn instemming in te trekken of beperkingen en voorschriften te stellen of wijzigen, indien dat gerechtvaardigd wordt door veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten. Inhoudelijk stelt verweerder zich op het standpunt dat bij het winningsplan de meest recente wetenschappelijke kennis is betrokken; overeenkomstig de door het SodM opgestelde richtlijn voor seismische risicoanalyse, is de maximale magnitude berekend. Deze risicoanalyse, waaruit volgt dat de kans op aardbevingen verwaar-loosbaar is, is door het SodM en TNO geverifieerd en reëel bevonden. Het winningsplan dient te worden gewijzigd indien uit wetenschappelijke ontwikkelingen volgt dat de aannames in het winningsplan - met name ten aanzien van bodemtrilling en de maximale magnitude waarop de Tcbb heeft gewezen - over de gevolgen van de winning onjuist zijn. Gelet hierop is het niet noodzakelijk een actualisatieplicht voor te schrijven in verband met voortschrijdend inzicht.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat de gestelde noodzaak tot het opnemen van een voorschrift over actualisatie van het winningsplan ontbreekt, daar in artikel 36, derde lid, van de Mbw aan verweerder de bevoegdheid wordt toegekend om de instemming met het winningsplan in te trekken of om beperkingen en voorschriften te stellen of te wijzigen als dat in verband met de bodemdaling gerechtvaardigd is. De beroepsgrond slaagt niet.
Zuurstimulatie / zuurbehandeling
10.1.
Eiseres 2 kan zich er niet mee verenigen dat het voorschrift over zuurstimulatie, dat in het ontwerp instemmingsbesluit nog wel was opgenomen, is vervallen. Voor zover is gesteld dat geen sprake is van zuurstimulatie, maar van zuurbehandeling stelt eiseres 2 dat niet is onderbouwd waarom laatstgenoemde behandeling geen gevolgen zal hebben voor het gasreservoir. In beide gevallen worden immers zuren gebruikt, die niet geheel worden teruggewonnen met alle mogelijke (milieu)gevolgen van dien.
10.2.
Zoals in het verweerschrift is toegelicht betreft zuurstimulatie het (eenmalig) stimuleren van de doorlaatbaarheid van het gesteente door het onder grote druk inbrengen van zuren. In het ontwerp instemmingsbesluit is hierover een voorschrift opgenomen in de veronderstelling dat [B.V.] zuurstimulatie wenste toe te passen. Dit is door [B.V.] bestreden en aangezien in het winningsplan niet is voorzien in het toepassen van zuurstimulatie, heeft verweerder het betreffende voorschrift in het bestreden besluit laten vervallen. Daarbij heeft verweerder overwogen dat voor zover [B.V.] in de toekomst zou willen overgaan tot het toepassen van zuurstimulatie, zij daartoe een gewijzigd winningsplan zal moeten indienen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet hierop, op juiste gronden het opnemen van een voorschrift betreffende zuurstimulatie in het bestreden besluit achterwege heeft gelaten.
10.3.
Verweerder heeft voorts toegelicht dat zuurbehandeling een gebruikelijke onderhoudshandeling bij gaswinning betreft, die ziet op het zonder overdruk schoonmaken van gesteente vlak naast de put om onder andere kalk te verwijderen en zo de instroom te herstellen. Er is geen sprake van grote druk en de gebruikte chemicaliën worden grotendeels teruggewonnen. In het deskundigenbericht heeft de STAB gemotiveerd uiteengezet dat een zuurbehandeling -het reinigen van de verbuizing ter verbetering van de doorstroombaarheid van het aardgas in het reservoir- dient te worden onderscheiden van zuurstimulatie. Uit het winningsplan volgt dat het gaat om het gebruik van zeer kleine vloeistofhoeveelheden in vergelijking tot het gehele reservoir. De conclusie in het deskundigenbericht luidt dat het opnemen van een artikel over zuurbehandeling niet nodig is, omdat er geen negatieve effecten worden verwacht en het normaal onderhoud betreft. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres 2 heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 2 bodemdalingsprognose
11.1.
Ingevolge artikel 2 dient [B.V.] binnen drie maanden na inwerkingtreding van het besluit inzichtelijk te maken hoe de onzekerheidsmarge voor de bodemdalingsprognose is bepaald en dit aan verweerder over te leggen.
Scenario’s voor bodemdaling
11.2.1.
Aan het dossier valt te ontlenen dat het aardgas op ongeveer 2.000 meter diepte wordt onttrokken uit het zandhoudend reservoirgesteente waardoor de druk in de poriën van het reservoirgesteente daalt. Door de druk van bovenliggende lagen zal bij winning van het gas de daardoor geleverde tegendruk geleidelijk afnemen. Het reservoirgesteente wordt zo geleidelijk samengedrukt. Als gevolg daarvan dalen de bovenliggende gesteentelagen mee, hetgeen leidt tot bodemdaling. De bodemdaling doet zich voor in de vorm van een platte schotel met een oppervlakte groter dan het veld zelf. Aanvankelijk zal dat bij een klein veld als dit met een snelheid van enkele millimeters per jaar gebeuren. Na verloop van tijd loopt de snelheid terug en na staking van de winning zet de daling nog enige tijd door. Dit wordt het na-ijlen van de bodemdaling genoemd.
11.2.2.
Van de verwachte bodemdaling dient een prognose te worden gemaakt in het winningsplan. Bij de berekening van de prognose wordt gebruik gemaakt van de Geertsma/van Opstal methodiek. Naast een kwalitatieve analyse, wordt daarbij sinds wijziging van de Mbw in januari 2017 een kwantitatieve analyse verlangd in die zin dat de onzekerheid omtrent de verwachte mate van bodemdaling moet worden bepaald. De winningsplannen worden door het SodM beoordeeld, die voor het verifiëren van de berekeningen advies inwinnen bij TNO-AGE. TNO-AGE voert hiervoor eigen berekeningen uit en komt tot een prognose van de maximaal te verwachten bodemdaling. Het advies van TNO-AGE wordt door het SodM getoetst. Het wettelijk verplicht advies van het SodM, met daarbij het advies van TNO-AGE, wordt aan de minister van Economische Zaken en Klimaat gestuurd.
11.2.3.
In het deskundigenbericht wordt beschreven dat vergunninghouder reeds op 23 februari 2017 en dus voorafgaand aan het bestreden besluit een kwantitatieve onzekerheidsberekening heeft overlegd aan verweerder en dat dit document abusievelijk niet in de procedure is meegenomen. Ter zitting is gebleken dat de berekening bij het SodM terecht was gekomen en dat verweerder eerst na het nemen van het instemmingsbesluit de beschikking over de onzekerheidsberekening heeft gekregen.
11.2.4.
De rechtbank is van oordeel dat vergunninghouder, gelet hierop, op zich heeft voldaan aan de verplichting die hem in artikel 2 van het instemmingsbesluit is opgelegd.
Bepalend scenario
11.3.1.
Het is eisers onduidelijk van welk scenario verweerder bij zijn besluitvorming is uitgegaan. Naar hun mening zou dit het high case scenario behoren te zijn, omdat dit een worst case scenario oplevert.
11.3.2
Ter zitting hebben verweerder en vergunninghouder gesteld dat op grond van de voormalige Mbw bij het indienen van een winningsplan van een mid case scenario is uitgegaan. Na de wijziging van de Mbw per 1 januari 2017 is een high case scenario vereist als basis van de beoordeling in plaats van een mid case. Verweerder en vergunninghouder hebben ter zitting aangevoerd dat in het winningsplan ook het high case scenario is beschreven, aangezien dit samenhangt met de hoeveelheid te winnen gas. Verder is daarin een tabel opgenomen tabel met een overzicht van zowel een low case als een mid case als een high case scenario. De uitkomsten van het high case scenario dat na indiening van dit plan is ingebracht zijn daar volgens hen mee in lijn. Verweerder heeft aanvullend toegelicht dat het TNO-AGE bij zijn advisering van een high case scenario is uitgegaan. De uitleg van verweerder en vergunninghouder ter zitting is door eisers niet betwist. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen.
11.3.3.
Hetgeen eisers tegen het TNO-rapport, de adviezen van TNO-AGE en SodM en de adviezen van de Tcbb hebben aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat verweerder niet op dat rapport en die adviezen mocht afgaan. Derhalve heeft de minister de in het winningsplan gemaakte bodemdalingsprognoses tot uitgangspunt kunnen nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Onzekerheidsmarge
12.1.
Eisers betogen dat de onderbouwing van de bodemdalingsprognose gebrekkig is.
12.2.1
De STAB wijst er op dat bij de prognose voor de bodemdaling in het winningsplan een onzekerheidsmarge van 50% is toegepast op de berekende bodemdaling. Deze onzekerheidsmarge is in tegenstelling tot wat verweerder in zijn verweerschrift stelt niet toegepast op de dalingsberekening op grond van het mid case scenario. De prognose is dat de bodemdaling veroorzaakt door aardgaswinning uit het Diever aardgasvoorkomen minder dan 2 centimeter zal bedragen in het diepste punt van de bodemdalingskom.
12.2.2.
De rechtbank overweegt dat zowel in het advies van het SodM als in het Tcbb-advies wordt aangeraden een extra onzekerheidsmarge toe te passen, zodanig dat van een maximale daling van 4 cm moet worden uitgegaan. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat dit noodzakelijk was, omdat de onderbouwing van het door [B.V.] gehanteerde onzekerheidsmarge (voor derden) niet inzichtelijk was. Zodra de toelichting daarop bekend was, was deze extra onzekerheidsmarge zijns inziens dan ook niet meer nodig, zodat van een marge van 2 cm mag worden uitgegaan. Bij navraag gaf verweerder te kennen dat deze aanname niet bij de adviseurs is getoetst.
12.2.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op deze wijze niet toereikend inzichtelijk heeft gemaakt van welke onzekerheidsmarge moet worden uitgegaan en of dit in overeenstemming is met de door hem ingewonnen adviezen van de wettelijk adviseurs. Ook de STAB heeft daarover geen uitsluitsel gegeven in het deskundigenbericht, zodat de rechtbank daar geen steun aan kan ontlenen. Deze gebreken kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden gepasseerd. Zeker niet, nu is gebleken dat vergunninghouder inmiddels een nieuw winningsplan heeft ingediend, waarin wordt uitgegaan van een waarschijnlijke bodemdaling van 3,6 centimeter. De beroepsgrond slaagt.
Seismisch risico
12.2.4.
Eiseres 2 betoogt dat verweerder verouderde inzichten ten grondslag heeft gelegd aan zijn conclusie dat het seismisch risico klein is en dat de milieueffecten hiervan nihil zijn. Bovendien vrezen zij dat de thans vergunde verhoogde winnings-snelheid per dag tot een versnelling en verergering van de bodemdaling zal leiden.
12.2.4.1 Verweerder bestrijdt dat het vergroten van de winningssnelheid per dag, zoals in de omgevingsvergunning is toegestaan tot een wijziging in scenario dient te leiden, aangezien de uiteindelijke effecten niet anders zullen zijn en het high case scenario alleen een bovengrens vermeldt van de totale hoeveelheid te winnen gas. Ter zitting heeft het SodM aanvullend toegelicht dat het seismisch risico klein is en dat snelheidsfluctuaties daarop geen effecten hebben.
12.2.4.2. In zijn aanvullend deskundigenbericht heeft de STAB aangegeven dat er geen relatie bestaat tussen de snelheid van winning en de mate van seismisch risico. In dat opzicht is alleen de uiteindelijke totale omvang van winning bepalend. De STAB heeft zich daarbij gebaseerd op een brief van het SodM van 22 januari 2013 over de aardbevingen in Groningen. Ter zitting heeft eiseres 2 onweersproken gesteld dat de inzichten betreffende versnelde gaswinning en seismische gevolgen sinds 2016 (sterk) zijn gewijzigd, zodanig dat thans wel wordt uitgegaan van een relatie tussen de snelheid van winning en de mate van seismisch risico. Het deskundigenbericht van de STAB kan, gelet op deze fundamentele, onweersproken kritiek voor de rechtbank dan ook niet leidend zijn. Tevens betekent dit dat verweerder het besluit op dit punt niet toereikend heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Cumulatie van effecten met winningen in de omgeving
13.1.
Eiseres 2 stelt dat cumulatieve beoordeling van de effecten van winning van delfstoffen in de omgeving van het voorkomen Diever ten onrechte ontbreekt.
13.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten tijde van het nemen van het instemmingsbesluit, er geen plannen of ontwikkelingen bekend waren in de omgeving van de mijnbouwlocatie Wapse die van invloed zouden kunnen zijn op de beoordeelde effecten.
13.3.
De rechtbank stelt vast dat ten westen van het Diever aardgasveld diverse andere -in productie zijnde- aardgasvelden liggen, te weten [Q] , [W] [/E] en [R] . Verder bevinden zich in [T] en [Y] uitgeproduceerde velden. Door eiseres 2 is niet onderbouwd dat sprake is van overlap van de bij deze velden behorende invloedsgebieden (of ook bodemdalings-contour) met het invloedsgebied van het Diever aardgasveld. In het deskundigen-bericht is hierover nog opgemerkt dat in de analyse bodemdaling meetplan Diever van 23 februari 2017 (het meetplan) de invloed van de bodemdaling van de voornoemde nabijgelegen velden in meer detail, te weten als contour van 1 mm-daling in kaart is gebracht. De conclusie luidt dat de 1 mm-dalingscontouren van het Diever gasveld en de overige velden elkaar niet overlappen. In het meetplan staat vermeld dat de cumulatie van de bodemdaling een fractie van millimeters bedraagt, de STAB sluit zich daarbij aan en concludeert dat de extra bodemdaling van het voorkomen Diever als gevolg van cumulatie met gaswinning uit de velden in de nabijheid te verwaarlozen is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet hierop, dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen cumulatieve effecten met gaswinning uit andere velden zijn te verwachten. De beroepsgrond slaagt niet.
Lekpaden
14. Het betoog van eiseres 2 dat ten onrechte geen aandacht is geschonken in het bestreden besluit aan de effecten na beëindiging van de winning en de mogelijkheid van het ontstaan van lekpaden slaagt niet. De STAB concludeert dat bodemdaling langs lekpaden tijdens de winning of daarna niet te verwachten is, nu de buizen aan de buitenzijde worden afgedicht met cement, hetgeen afdoende zou moeten zijn. Bovendien zal een eventuele lekkage langs de verbuizing kleine volumes betreffen. Het is niet realistisch om te verwachten dat dit effect zal hebben op de uiteindelijke bodemdaling. Evenmin zijn de condities ter plaatse in het gasvoorkomen zodanig dat er kans bestaat op het optreden van een sinkhole, zoals door eiseres 2 wordt gevreesd. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een mijnbouwwerk geschiedt ingevolge artikel 39, eerste lid, Mbb volgens een door de uitvoerder aan verweerder in te dienen sluitingsplan. Ingevolge artikel 40, eerste lid, onder c, van het Mbb dient het sluitingsplan een beschrijving van maatregelen te bevatten om schade te voorkomen.
Artikel 3 KNMI – meetnet
15.1.
Eiser 1 acht het onterecht dat artikel 3 van het instemmingsbesluit geen termijn bevat. Voorts heeft verweerder de adviezen van wettelijke adviseurs over metingen en monitoring onvoldoende bij het instemmingsbesluit betrokken. Volgens eiseres 2 is onjuist dat vergunninghouder in het artikel niet zelf verantwoordelijk wordt gesteld, maar afhankelijk is van de medewerking van het Koninklijke Nederlandse Meteorologisch Instituut (KNMI).
15.2.
Ingevolge artikel 3 van het instemmingsbesluit zorgt [B.V.] ervoor dat het KNMI-meetnet wordt uitgebreid zodanig dat het gasvoorkomen Diever een volledige azimutale dekking heeft.
15.3.
De rechtbank overweegt dat het KNMI ingevolge artikel 11, onder 1, a, van de Regeling taken meteorologie en seismologie op verzoek aanvullende dienstverlening levert. Hieruit vloeit voort dat het KNMI op grond van zijn wettelijke taak aan vergunninghouder moet aangeven waar de nieuwe meters geplaatst moeten worden en welke soort meters dat moeten zijn. Artikel 3 is hier niet mee in strijd. Inderdaad wordt in het artikel geen termijn gesteld waarbinnen vergunninghouder het meetnet van het KNMI moet hebben uitgebreid. Het betoog van eiseres 2 slaagt in zoverre. Gelet op het hiernavolgende leidt het echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Onbestreden is dat vergunninghouder is gestart om invulling te geven aan dit artikel. Er is een meetstation in Kallenkote gerealiseerd dat aan het KNMI – meetnet wordt gekoppeld en in de regio zuid Friesland worden tien meetstations gerealiseerd om het meetnet verder uit te breiden. Niet gebleken is dat hiermee een meetnet wordt gerealiseerd dat niet voldoet aan de in artikel 3 opgenomen eis. Overigens merkt de STAB in het deskundigenbericht op dat op zich de huidige veldmonitoring toereikend geacht moet worden, maar dat het bijplaatsen van meetstations zal bijdragen aan een verlaging van de detectiegrens. Van de door eiseres 2 gewenste tiltmeters verwacht de deskundige geen meerwaarde, omdat die geen seismische activiteit meten. Tot slot overweegt de rechtbank dat eiseres 2 het betoog dat verweerder de adviezen van wettelijke adviseurs over metingen en monitoring onvoldoende bij het instemmingsbesluit heeft betrokken niet concreet onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. De beroepsgronden slagen niet.
Artikel 4 Nulmeting
16.1.
Naar de mening van eiser 1 is artikel 4 van het instemmingsbesluit te onbepaald, nu daarin geen voorwaarden worden gesteld aan de aard van de nulmeting, de rapportage daarover of een minimaal aantal in de nulmeting op te nemen bouwwerken. Ook wordt in dit artikel niet aangegeven hoe omgegaan moet worden met (rijks)monumenten.
16.2.
Ingevolge artikel 4 van het instemmingsbesluit, zoals in het wijzigingsbesluit is aangepast, zorgt vergunninghouder ervoor dat een opname wordt uitgevoerd door een deskundige partij naar de bouwkundige staat van een, na overleg met de gemeente, vast te stellen representatieve selectie van voor bodembewegingen gevoelige bouwwerken, gelegen binnen het gebied waar bodembeweging als gevolg van de gaswinning kan voordoen. De bouwkundige opname moet zijn uitgevoerd uiterlijk binnen 12 maanden na het onherroepelijk worden van dit wijzigingsbesluit.
16.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is het voorschrift in artikel 4 van het wijzigingsbesluit voldoende duidelijk. Weliswaar zal bij de uitvoering nader moeten worden bezien op welke wijze en aan welke bouwwerken een nulmeting moet worden verricht om eventuele schade door de gaswinning te kunnen vaststellen, maar dat doet er niet aan af dat de aan vergunninghouder opgelegde verplichting wat het te behalen resultaat betreft duidelijk is. Ook ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder vergunninghouder de verplichting had moeten opleggen om bij alle bouwwerken in het gebied een nulmeting te verrichten. Verweerder heeft ermee kunnen volstaan voor te schrijven dat de uit te voeren selectie van voor bodembeweging gevoelige gebouwen op te nemen in de nulmeting representatief moet zijn. In dat kader is van belang dat de selectie van deze bouwwerken na overleg met de gemeente moet plaatsvinden. Indien na uitvoering blijkt dat de nulmeting in strijd met artikel 4 van het wijzigingsbesluit niet representatief is, kan daartegen, zoals verweerder ter zitting ook heeft bevestigd, handhavend worden opgetreden. Een goede naleving van het voorschrift is dan ook voldoende gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1096. Verweerder heeft er eveneens van kunnen afzien een afzonderlijke bepaling op te nemen met betrekking tot (rijks)monumenten, nu deze in een representatieve selectie niet zullen mogen ontbreken. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 5 Meten van bodemdaling
17.1.
In artikel 5, eerste lid wordt voorgeschreven, kort samengevat, dat meetmethodiek en –frequentie adequaat moeten zijn en moeten worden uitgewerkt in een meetplan. In het tweede lid van dit artikel wordt [B.V.] een informatieverplichting opgelegd jegens de gemeente [plaats] en haar burgers met betrekking tot de meetresultaten.
17.2.
Het betoog van eiser 1 dat artikel 5 van het instemmingsbesluit ten onrechte geen tijdsbepaling aangeeft en niet benoemt met welke frequentie gemeten moet worden slaagt niet. Verweerder heeft bij besluit van 21 december 2017 ingestemd met een door vergunninghouder bij het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) ingediend meetplan. Verweerder heeft het meetplan getoetst op de tijdstippen waarop de metingen worden verricht, de plaatsen waar gemeten wordt en de meetmethode. Tegen de instemming met het meetplan van verweerder heeft eiser 1 geen rechtsmiddelen aangewend.
Artikel 6 Proces van schademelding
18.1.
Eiser 1 acht artikel 6 van het instemmingsbesluit te vrijblijvend geformuleerd.
18.2.
Ingevolge artikel 6 van het instemmingsbesluit zorgt [B.V.] voor een transparant proces van schademelding, adequaat onderzoek naar en afhandeling van schadeverzoeken binnen een redelijke termijn. [B.V.] moet dit proces binnen drie maanden na de dag dat dit besluit in werking is getreden openbaar maken op haar website.
18.3.
Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het oogmerk van artikel 6 is om transparantie te creëren over de schadeprocedure. Er komt een landelijk schadeprotocol voor kleine gasvelden. Dit is bijna afgerond. Verder zal er een landelijke schadecommissie komen, deze is in oprichting.
18.4.
Ter zitting is door vergunninghouder aangevoerd dat de burger eerst een schadeverzoek bij vergunninghouder zal moeten indienen waarna vergunninghouder een extern bureau inschakelt om de schade te beoordelen. Kan de burger zich daar niet in vinden dan kan de Tccb worden gevraagd.
18.5.
De rechtbank stelt vast dat in artikel 6 kwalitatieve termen worden gebruikt zonder dat zij van randvoorwaarden worden voorzien, te weten “adequaat onderzoek” en “redelijke termijn”. Gelet hierop is dit voorschrift te onbepaald. Dit klemt te meer nu zich in Groningen en dus op relatief geringe afstand van Diever daadwerkelijk schadeveroorzakende bodemschokken hebben voorgedaan ten gevolge van gaswinning. Dat deze gaswinning van een andere orde is wat betreft duur en omvang maakt niet dat in dit geval met een dergelijk onbepaald voorschrift kan worden volstaan. Ook de komst van een landelijk schadeprotocol en een landelijke schadecommissie leidt niet tot een ander oordeel, aangezien zeker ten tijde van het bestreden besluit nog volstrekt onduidelijk was hoe lang verwezenlijking daarvan op zich zou laten wachten. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit gebrek niet worden gepasseerd. De beroepsgrond slaagt.
Artikel 7 Duur winning
19.1
In artikel 7 is vastgelegd dat het besluit 10 jaar na bekendmaking komt te vervallen.
19.2.
Eiser 1 betoogt dat onduidelijk is voor hoe lang de winning wordt toegestaan. In het winningsplan wordt gesproken over een periode van 10 jaar, dat suggereert een einde in 2025, terwijl het instemmingsbesluit blijkens artikel 7 zal vervallen in 2027. Eiser 1 wijst er verder op dat er verschillende gasvolumes worden vermeld in de bestreden besluiten.
19.3.
Verweerder bestrijdt dat er sprake is van onduidelijkheid. Hij stelt zich op het standpunt dat [B.V.] in het winningsplan de winning zelf heeft beperkt tot 10 jaar. Dat de instemming nog twee jaar langer doorloopt doet daar niet aan af. Bovendien zal er enige tijd nodig zijn om de winning af te bouwen. Ter zitting heeft [B.V.] bevestigd dat er maximaal 1.360 miljoen Nm3 zal worden gewonnen in die periode.
19.4.
In het instemmingsbesluit is de maximale productie vastgesteld op 1.360 miljoen Nm3 in 10 jaar. De STAB wijst er op dat, na de verhoging van de dagelijkse winning in de omgevingsvergunning, theoretisch 547,5 miljoen Nm3 gas per jaar en bijna 5,5 miljard Nm3 per 10 jaar gewonnen kan worden voor zover dit volume ook daadwerkelijk aanwezig zou zijn. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 34, eerste lid van de Mbw het winnen van delfstoffen vanuit een voorkomen geschiedt overeenkomstig een winningsplan. Hieruit vloeit voort dat het winningsplan bepalend is voor de einddatum van de winning. De rechtbank stelt vast dat in het winningsplan in paragraaf 5.4 is opgenomen dat de verwachte einddatum van de winning in 2025 ligt, afhankelijk van gedragingen van het reservoir. De productie zal worden gestaakt als de totale productiekosten de opbrengsten overstijgen. Het einde van de productie zou eerder of later kunnen plaatsvinden als gevolg van onverwachte, technische, geofysische of andere oorzaken. Uit deze omschrijving valt af te leiden dat in beginsel wordt uitgegaan van 2025 als einddatum. Gelet op de voorwaardelijke formulering is mogelijk dat in werkelijkheid toch een eerder of later eindmoment aan de orde zal zijn, maar daarvoor zal, naar het oordeel van de rechtbank, een aangepast winningsplan moeten worden voorgelegd aan verweerder ter instemming. De beroepsgrond slaagt niet.
Bestuurlijke lus
20.1.
Nu het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd, zoals is overwogen onder rechtsoverwegingen 12.2.3, 12.2.4.2, en 18.5, kan het als gevolg daarvan niet in stand kan blijven. De rechtbank ziet evenwel aanleiding verweerder in de gelegenheid te stellen de hiervoor genoemde gebreken in het bestreden besluit te herstellen door toepassing te geven aan de haar ingevolge artikel 8:51a Awb toekomende bevoegdheid (bestuurlijke lus). Het bestuur kan dit doen door een aanvullende motivering te verstrekken of door het nemen van een nieuw besluit.
20.2.
In het geval verweerder gebruik wenst te maken van de gelegenheid het gebrek te herstellen geldt hiervoor een termijn van tien weken en dat deze termijn volgens vaste rechtspraak een uiterste termijn betreft. Indien verweerder meer tijd nodig heeft voor een verbeterde motivering dient hij voor ommekomst van deze termijn gemotiveerd aan de rechtbank om verlenging te verzoeken en zal de rechtbank daarop beslissen.
20.3.
Gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb verzoekt de rechtbank verweerder zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, kenbaar te maken of gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Indien verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseressen op grond van artikel 8:51b, derde lid, van de Awb de gelegenheid geven te reageren op de herstelpoging van verweerder.
21. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
22. De rechtbank wijst partijen erop dat tegen deze uitspraak hoger beroep open staat, maar pas tegelijk met de nog te wijzen einduitspraak. Tot die tijd staat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel open.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de onder genoemde rechtsoverweging 20.1 gebreken in het bestreden besluit te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om, indien hij daarvan gebruik maakt, binnen zes weken na verzending van deze uitspraak het motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzitter, en mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in aanwezigheid van mr. A. Pol en mr. N. Breda. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2019.
griffiers rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Bijlage wettelijk kader
Artikel 6 Mbw
Gelet op artikel 34, vierde lid, van de Mbw
6.1.
Artikel 36, eerste lid, van de Mbw luidt: "Onze Minister kan zijn instemming met het opgestelde winningsplan slechts geheel of gedeeltelijk weigeren:
a. indien het in het winningsplan aangeduide gebied door Onze Minister niet geschikt wordt geacht voor de in het winningsplan vermelde activiteit om reden van het belang van de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,b. in het belang van het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen,c. indien nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan, ofd. indien nadelige gevolgen voor de natuur worden veroorzaakt.
In het tweede lid van artikel 36 van de Mbw is onder meer bepaald dat de minister aan zijn instemming voorschriften kan verbinden, indien deze gerechtvaardigd worden door een grond als genoemd in het eerste lid.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de minister zijn instemming verlenen onder beperkingen of daaraan voorschriften verbinden, indien deze gerechtvaardigd worden door een grond als genoemd in het eerste lid of, voor zover het belang van de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan daardoor niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, door het belang van leveringszekerheid.
Artikel 34 Mbw
Het winnen van delfstoffen vanuit een voorkomen geschiedt overeenkomstig een winningsplan.
De houder van een winningsvergunning of de krachtens artikel 22 aangewezen persoon dient een winningsplan in bij Onze Minister.
Het winningsplan behoeft de instemming van Onze Minister
Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat, op:
a. de voorbereiding van een besluit omtrent instemming met een winningsplan en
b. de voorbereiding van een besluit omtrent wijziging van een instemming met een winningsplan en de voorbereiding van een besluit tot instemming met een gewijzigd of geactualiseerd winningsplan, tenzij de wijziging of actualisatie van ondergeschikte aard is omdat deze naar het oordeel van Onze Minister niet leidt tot een andere beoordeling van:
1°. de effecten van de wijze van winning alsmede de daarmee verband houdende activiteiten,
2°. de effecten van de bodembeweging ten gevolge van de winning en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging,
3°. de risico’s voor omwonenden, gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan.
5 Onze Minister stelt in de gelegenheid advies uit te brengen over een instemming met een winningsplan als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, of een besluit omtrent wijziging van een instemming met een winningsplan of een besluit tot instemming met een gewijzigd of geactualiseerd winningsplan als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b:
a. gedeputeerde staten van een provincie binnen het gebied waarop een winningsplan betrekking heeft,
b. burgemeester en wethouders van een gemeente binnen het gebied waarop het winningsplan betrekking heeft en
c. het dagelijks bestuur van een waterschap binnen het gebied waarop een winningsplan betrekking heeft.
6 Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
7 Afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op een besluit tot instemming met een winningsplan of een gewijzigd of geactualiseerd winningsplan voor koolwaterstoffen met dien verstande dat:
a. het coördinerende bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3:22 van de Algemene wet bestuursrecht is: de Minister van Economische Zaken en Klimaat;
b. de besluiten, bedoeld in artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zijn:
1°. de instemming met het winningsplan, bedoeld in het derde lid,
2°. de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
3°. een besluit als bedoeld in de artikelen 6.2, eerste lid, onder a, 6.3, eerste lid, 6.5, 6.10, eerste lid, van de Waterwet te nemen door Onze Minister, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet,
4°. de vergunning, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van deze wet,
5°. andere daarvoor in aanmerking komende besluiten die door Onze Minister of Onze Minister die het aangaat worden genomen, waaronder besluiten met betrekking tot de Wet natuurbescherming.
8 Het eerste, zesde en zevende lid is niet van toepassing op het winnen van delfstoffen in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid.
Artikel 35
1. Het winningsplan bevat voor elk voorkomen binnen het vergunningsgebied ten minste een beschrijving van:
a. de verwachte hoeveelheid aanwezige delfstoffen en de ligging ervan;
b. het aanvangstijdstip en de duur van de winning;
c. de wijze van winning alsmede de daarmee verband houdende activiteiten;
d. de hoeveelheden jaarlijks te winnen delfstoffen;
e. de kosten op jaarbasis van het winnen van de delfstoffen;
f. de bodembeweging ten gevolge van de winning alsmede de daarmee verband houdende activiteiten en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging, voorzover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat, tenzij Onze Minister anders heeft bepaald;
g. de risico’s voor omwonenden, gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan met een risicobeoordeling, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat.
2 De Technische commissie bodembeweging brengt aan Onze Minister advies uit omtrent het eerste lid, onderdeel f.
3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het winningsplan.
Artikel 36
1. Onze Minister kan zijn instemming met het opgestelde winningsplan slechts geheel of gedeeltelijk weigeren:
a. indien het in het winningsplan aangeduide gebied door Onze Minister niet geschikt wordt geacht voor de in het winningsplan vermelde activiteit om reden van het belang van de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,
b. in het belang van het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen,
c. indien nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan, of
d. indien nadelige gevolgen voor de natuur worden veroorzaakt.
2 Onze Minister kan zijn instemming verlenen onder beperkingen of daaraan voorschriften verbinden, indien deze gerechtvaardigd worden door een grond als genoemd in het eerste lid.
3 Onze Minister kan zijn instemming intrekken of beperkingen en voorschriften stellen of wijzigen, indien dat gerechtvaardigd wordt door veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake een grond als genoemd in het eerste lid.
Artikel 24
1. Het winningsplan, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet voor de winning van koolwaterstoffen bevat:
a. een beschrijving van de verwachte hoeveelheid en de samenstelling van de aanwezige koolwaterstoffen, onderverdeeld naar reservoirlaag en reservoircompartiment;
b. een opgaaf van de gegevens met betrekking tot de structuur van het voorkomen, onderverdeeld naar reservoirlaag en reservoircompartiment, met bijbehorende geologische, geofysische en petrofysische studies en de daarbij gehanteerde onzekerheidsanalyses;
c. een beschrijving van een wijze van winning die niet in strijd is met de bij of krachtens dit besluit geldende wettelijke voorschriften inzake winning van koolwaterstoffen;
d. een beschrijving van het mijnbouwwerk en de ligging ervan;
e. een opgaaf van het aantal boorgaten dat bij de winning wordt gebruikt;
f. een opgaaf van de volgorde en het tijdsbestek van het maken van de boorgaten;
g. een opgaaf van de ligging, lengte en diameter van de verbuizing van de boorgaten;
h. een opgaaf van de plaats en wijze waarop de koolwaterstoffen in de verbuizing treden;
i. een opgaaf van de samenstelling en hoeveelheden van de stoffen, die jaarlijks onvermijdelijk bij de winning van koolwaterstoffen meekomen;
j. een opgaaf van de hoeveelheden gewonnen koolwaterstoffen die jaarlijks bij de winning wordt gebruikt, afgeblazen of afgefakkeld;
k. een opgaaf van de samenstelling en hoeveelheden delfstoffen en andere stoffen die jaarlijks bij de winning in de ondergrond worden teruggebracht;
l. een opgaaf van de jaarlijkse kosten van de winning, onderverdeeld in kosten voor investeringen, onderhoud, bedrijfvoering, en de kosten van het verlaten en verwijderen van mijnbouwwerken;
m. een kaart met daarop de contouren van de verwachte uiteindelijke mate van bodemdaling;
n. een overzicht met het verloop van de verwachte mate van bodemdaling in de tijd;
o. een opgaaf van de onzekerheid omtrent de verwachte mate van bodemdaling als bedoeld in de onderdelen m en n;
p. een risico-analyse omtrent bodemtrillingen als gevolg van de winning;
q. een beschrijving van de mogelijke omvang en verwachte aard van de schade door bodembeweging;
r. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om bodembeweging te voorkomen of te beperken, en
s. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om schade door bodembeweging te voorkomen of te beperken.
De onderdelen m tot en met s zijn niet van toepassing op voorkomens die gelegen zijn aan de zeezijde van de lijn, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee.
2 In het winningsplan, bedoeld in het eerste lid, wordt per onderdeel toegelicht welke overwegingen bij de gemaakte keuze van belang zijn geweest, voor zover relevant.
Artikel 30
1. De uitvoerder verricht metingen naar bodembeweging ten gevolge van het winnen van delfstoffen of aardwarmte als bedoeld in artikel 41 van de wet. De metingen worden verricht overeenkomstig een meetplan.
2 De uitvoerder dient het meetplan in bij Onze Minister voor ieder voorkomen waaruit wordt gewonnen.
3 Het meetplan behoeft de instemming van Onze Minister alvorens met de winning wordt aangevangen.
4 Onze Minister beslist over het meetplan binnen acht weken na indiening ervan. De instemming is van rechtswege gegeven, indien Onze Minister niet binnen de instemmingstermijn een beslissing heeft genomen. De instemming van rechtswege wordt voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5 Onze Minister kan de instemming onder beperkingen geven en aan zijn instemming voorschriften verbinden.
6 Het meetplan beslaat de termijn van de winning en de daarop volgende dertig jaren. De uitvoerder actualiseert het meetplan gedurende de periode van winning en de daarop volgende vijf jaren jaarlijks en verstrekt daarvan voor 1 november afschrift aan Onze Minister. Onze Minister kan de uitvoerder een aanwijzing geven omtrent de tijdstippen waarop en de plaatsen waar gemeten wordt.
7 Het meetplan bevat tenminste een beschrijving van:
a. de tijdstippen waarop de metingen worden verricht;
b. de plaatsen waar gemeten wordt, en
c. de meetmethoden.
8 Een van de tijdstippen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a, ligt voor de aanvang van de winning.
9 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het meetplan.
Artikel 31
1. De uitvoerder draagt ervoor zorg dat de metingen op een zorgvuldige en betrouwbare wijze plaatsvinden.
2 De uitvoerder overlegt de resultaten van de eerste meting, bedoeld in artikel 30, achtste lid, uiterlijk twee weken voor de aanvang van de winning aan de inspecteur-generaal der mijnen.
3 De uitvoerder overlegt de resultaten van de metingen alsmede een analyse van die resultaten twaalf weken na het verrichten van de metingen aan de inspecteur-generaal der mijnen.
4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud van en de wijze van verstrekking van de meetresultaten en de analyse daarvan.