Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/102:102 Schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad door (gewezen) verdachte
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/102
102 Schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad door (gewezen) verdachte
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS457011:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Amsterdam 20 december 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY7038, NJF 2013, 59 en Prg. 2013, 98.
HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007: BA3161, NJ 2007, 505, m.nt. E.A. Alkema (Clickfonds).
Jansen (Onrechtmatige daad), art. 6:162, aant. 34.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De gewezen verdachte kan ten behoeve van zijn schadevergoedingsvordering op grond van onrechtmatige daad vanwege strafrechtelijk optreden een voorlopig getuigenverhoor verzoeken. Aangezien de schadevergoedingsprocedure een civiele procedure betreft, gelden de normale vereisten voor het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor. De rechtbank Amsterdam erkende dat de civiele rechter, met inachtneming van het bovenstaande beoordelingskader, een oordeel kan geven over een vordering op grond van onrechtmatige overheidsdaad.1 De civiele rechter geeft dan een civielrechtelijk oordeel over hetzelfde feitencomplex als waarover de strafrechter een strafrechtelijk oordeel moet geven. Desondanks wees de rechtbank het verzoek af. Het feitencomplex dat de verzoekers aan de orde wilden stellen in het voorlopig getuigenverhoor had betrekking op een lopend strafrechtelijk onderzoek van een aantal verdachten (zo was een van de verzoekers de eigenaar en voormalig bestuurder van een verdachte). Volgens de rechtbank heeft de strafrechter het primaat ten opzichte van een feitencomplex als dat feitencomplex onder de strafrechter is of zal worden gebracht en de strafrechter bij uitstek is toegerust en geroepen om de ten aanzien van dat feitencomplex voorliggende vragen te beantwoorden. De civiele rechter dient zich terughoudend op te stellen zolang de strafrechter geen onherroepelijk oordeel heeft gegeven. Naar mijn mening is het uitgangspunt van het primaat van de strafrechter onjuist. Wel kan een verzoek worden afgewezen op grond van strijd met de goede procesorde (zie par. 9.5.4).
In het Clickfonds-arrest2 herhaalde de Hoge Raad de formulering in het arrest Begaclaim/Staat niet. In de Clickfonds-zaak was de OvJ niet-ontvankelijk verklaard. X begon een civiele procedure tegen de Staat, omdat hij meende dat de Staat onrechtmatig had gehandeld door het uitbrengen van persberichten over het vermeende strafbare – uiteindelijk niet bewezen verklaarde – handelen van X. De Hoge Raad overwoog:
“Het gaat hier om het geval dat in verband met een strafzaak door het openbaar ministerie publiekelijk (in persberichten en op een openbare terechtzitting in de aanwezigheid van pers) mededelingen zijn gedaan met betrekking tot strafbare feiten waarvan de bij die mededelingen met name genoemde (rechts)persoon wordt verdacht. In een zodanig geval bestaat voor de (gewezen) verdachte de mogelijkheid tot schadevergoeding op de grondslag van onrechtmatige overheidsdaad onder meer indien het gewraakte optreden van het openbaar ministerie een inbreuk vormt op het door art. 6 lid 2 EVRM gewaarborgde recht dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Of van een dergelijke inbreuk sprake is dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.”
De Hoge Raad kwalificeert de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM als een subjectief recht. Inbreuk van de overheid op dit recht kan een onrechtmatige daad opleveren.3 In het kader van een dergelijke procedure kan dan ook een voorlopig getuigenverhoor worden bevolen.