Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 04-10-2024, nr. C-494/23
ECLI:EU:C:2024:848
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
04-10-2024
- Magistraten
F. Biltgen, N. Wahl, M.L. Arastey Sahún
- Zaaknummer
C-494/23
- Roepnaam
Mahá
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Internationaal strafrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:848, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑10‑2024
Uitspraak 04‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Artikel 1, lid 1 — Werkingssfeer — Burgerlijke en handelszaken — Begrip — Procedure over de vervanging van de toestemming van de verwerende partij voor de vrijgave van een door de strafrechtelijke vervolgingsautoriteit in beslag genomen voorwerp — Artikel 8, punt 2 — Vordering tot tussenkomst — Begrip ‘derde’
F. Biltgen, N. Wahl, M.L. Arastey Sahún
Partij(en)
In zaak C-494/23 [Mahá]i., *
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië) bij beslissing van 7 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 3 augustus 2023, in de procedure
QE,
IJ
tegen
DP,
EB,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), kamerpresident, N. Wahl en M. L. Arastey Sahún, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en M. Hellmann en J. Simon als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en K. Walkerová als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 1, en artikel 8, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen, enerzijds, QE en IJ, twee Tsjechische ingezetenen, en, anderzijds, DP en EB, twee Franse ingezetenen, over de vrijgave van een door QE en IJ gekocht voertuig dat in gerechtelijke bewaring is gegeven.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verdrag van Brussel
3
Titel I van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: ‘Executieverdrag’) bepaalt het volgende:
‘Dit verdrag wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen.
[…]’
Verordening nr. 44/2001
4
Artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), die van kracht was tot en met 9 januari 2015 en is ingetrokken bij verordening nr. 1215/2012, bepaalde het volgende:
‘Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.’
Verordening nr. 1215/2012
5
In overweging 10 van verordening nr. 1215/2012 is te lezen:
‘Het is van belang dat alle belangrijke burgerlijke en handelszaken onder de werkingssfeer van deze verordening worden gebracht, met uitzondering van bepaalde duidelijk omschreven aangelegenheden, […].’
6
Artikel 1, lid 1, van deze verordening luidt als volgt:
‘Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken, noch op de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii).’
7
Artikel 8 van die verordening bepaalt:
‘Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:
[…]
- 2.
bij een vordering tot vrijwaring of bij een vordering tot voeging of tussenkomst: voor het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is gemaakt, tenzij de vorderingen slechts zijn ingesteld om hem te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter die bevoegd zou zijn in zijn zaak;
[…]’
8
Artikel 26, lid 1, van dezelfde verordening luidt:
‘Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordening, is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd. […]’
Tsjechisch recht
Wet nr. 141/1961 betreffende de strafrechtelijke procedure (wetboek van strafvordering)
9
§ 80, leden 1 en 3, van zákon č. 141/1961 Sb., o trestním řizení soudním (trestní řád) [wet nr. 141/1961 inzake strafvordering (wetboek van strafvordering)] bepaalt:
- ‘(1)
Indien het voorwerp dat […] in beslag is genomen, niet meer noodzakelijk is voor de verdere […] procedure en als verbeurdverklaring of beslag geen optie is, wordt het teruggegeven aan de persoon die het heeft afgegeven of bij wie het in beslag is genomen. Indien een andere persoon aanspraak maakt op het voorwerp, wordt het vrijgegeven aan de persoon ten aanzien van wie er geen twijfel bestaat dat hij de rechthebbende is. In geval van twijfel wordt het voorwerp in bewaring gegeven en wordt de persoon die er aanspraak op maakt, verwezen naar de civiele rechtsgang. […]
[…]
- (3)
De in [lid 1] bedoelde beslissing wordt genomen door de kamervoorzitter of, in het kader van het opsporingsonderzoek, door het openbaar ministerie of de politie. […]’
Wet nr. 99/1963 betreffende de burgerlijke rechtsvordering
10
§ 88, onder d), van zákon č. 99/1963 Sb., občanský soudní řád (wet nr. 99/1963 betreffende de burgerlijke rechtsvordering) bepaalt:
‘In plaats van de rechter van gemeen recht, […] is de rechter voor wie de procedure over gerechtelijke bewaring wordt gevoerd, bevoegd om kennis te nemen van het geding wanneer het een beslissing betreft waarbij de partij die zich tegen de vrijgave van het in bewaring gegeven voorwerp heeft verzet, wordt verplicht om in te stemmen met de teruggave ervan aan de verzoeker.’
Wet nr. 292/2013 betreffende bijzondere gerechtelijke procedures
11
Titel IV, eerste afdeling, van zákon č. 292/2013 Sb., o zvláštních řízeních soudních (wet nr. 292/2013 betreffende bijzondere gerechtelijke procedures) heeft als opschrift ‘Procedure van gerechtelijke bewaring’ en bevat met name de §§ 298 en 299.
12
§ 298 (‘Vrijgave van het in bewaring gegeven voorwerp’), lid 1, van deze wet luidt als volgt:
‘De rechter geeft het in bewaring gegeven voorwerp vrij aan de rechthebbende op diens verzoek. Indien het voorwerp in bewaring is gegeven omdat iemand anders dan de rechthebbende aanspraak maakt op de vrijgave van het voorwerp of omdat een andere persoon, wiens toestemming is vereist, niet heeft ingestemd met de vrijgave jegens de rechthebbende, vereist deze vrijgave de toestemming van alle partijen alsmede van de degene wiens onenigheid met de uitvoering tot de gerechtelijke bewaring heeft geleid. […]’
13
§ 299 (‘Vervanging van de toestemming voor de vrijgave van het in bewaring gegeven voorwerp’) van deze wet bepaalt het volgende:
- ‘(1)
Indien de toestemming voor de vrijgave van het in bewaring gegeven voorwerp is geweigerd, kan deze toestemming worden vervangen door een onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij wordt vastgesteld dat degene die zich tegen de vrijgave heeft verzet, toestemming behoort te geven voor de vrijgave van het in bewaring gegeven voorwerp aan de verzoeker.
- (2)
In zaken betreffende de in lid 1 bedoelde vervangende toestemming is de rechter bevoegd voor wie de procedure over bewaring wordt gevoerd.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14
Op 19 augustus 2017 hebben QE en IJ, twee Tsjechische onderdanen, in Duitsland een voertuig gekocht voor een bedrag van 13 000 EUR. Op 12 september 2017 is het voertuig door de Tsjechische politie in beslag genomen omdat het bij een in Frankrijk gepleegde diefstal zou zijn betrokken geweest. Na deze inbeslagneming werd dat voertuig niet vrijgegeven aan QE en IJ, maar in gerechtelijke bewaring gegeven bij de Okresní soud v Českých Budějovicích (rechter voor het district České Budějovice, Tsjechië), aangezien DP en EB, twee Franse onderdanen, in een eerdere procedure eveneens hun aanspraak daarop hebben doen gelden.
15
QE en IJ hebben bij die rechter een verzoek om vrijgave van het in gerechtelijke bewaring gegeven voorwerp ingediend. Aangezien het Tsjechisch recht in een dergelijk geval de toestemming van alle betrokkenen vereist, hebben QE en IJ, met het oog op deze vrijgave, ook een verzoek ingediend waarbij zij deze rechter verzochten om een beslissing vast te stellen ter vervanging van de toestemming van DP en EB. Dit verzoek werd betekend aan DP en EB, die daarop binnen de gestelde termijn geen opmerkingen hebben gemaakt.
16
De aangezochte rechter heeft als rechter in eerste aanleg geoordeeld dat hij internationaal onbevoegd was om kennis te nemen van het verzoek om vervanging van de toestemming en in wezen geoordeeld dat een dergelijke bevoegdheid alleen op grond van artikel 26, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 kan worden vastgesteld, maar dat DP en EB, als verweerders, niet voor hem waren verschenen.
17
De Krajský soud v Českých Budějovicích (rechter in tweede aanleg České Budějovice, Tsjechië), waarbij QE en IJ beroep hebben ingesteld, heeft bij uitspraak van 5 november 2021 de beslissing van de rechter in eerste aanleg bevestigd.
18
QE en IJ hebben tegen deze beslissing bij de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië), de verwijzende rechter, cassatieberoep ingesteld, waarbij zij betogen dat de procedure over de vervanging van de toestemming een bijzondere procedure is die niet uit een materiële rechtsverhouding tussen partijen voortvloeit, zodat de bepalingen van verordening nr. 1215/2012 niet van toepassing zijn.
19
De verwijzende rechter is van oordeel dat bepaalde overwegingen tot de conclusie leiden dat de procedure over de vervanging van de toestemming voor de vrijgave van het in bewaring gegeven voorwerp onder het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, en dus binnen de materiële werkingssfeer ervan valt. Bijgevolg strekt het in bewaring geven van een voorwerp ertoe in het kader van een burgerlijke vordering alle twijfel weg te nemen over de vraag aan wie van de betrokken personen, krachtens het eigendomsrecht of een ander recht, het voorwerp kan worden vrijgegeven. Bovendien wordt deze procedure, die van contradictoire aard is, beheerst door bepalingen van burgerlijk procesrecht, meer bepaald die betreffende bijzondere gerechtelijke procedures.
20
De verwijzende rechter wijst er evenwel op dat aan de toepasselijkheid van verordening nr. 1215/2012 kan worden getwijfeld, gelet op het incidenteel karakter van de onderhavige procedure. Ondanks het feit dat de procedure over bewaring en de procedure over de vervanging van de toestemming voor de vrijgave van het in bewaring gegeven voorwerp twee verschillende procedures zijn, hangt het bestaan van de tweede procedure immers nauw samen met de procedure over bewaring.
21
Na erop te hebben gewezen dat de bevoegdheid van de Tsjechische rechter om kennis te nemen van procedures over bewaring berust op de uitoefening van overheidsbevoegdheden door de strafrechtelijke vervolgingsautoriteit, trekt de verwijzende rechter een parallel met het arrest van 18 september 2019, Riel (C-47/18, EU:C:2019:754), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de rechtsvordering tot vaststelling van het bestaan van een vordering met het oog op de registratie ervan in het kader van een insolventieprocedure rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeit, daarmee nauw samenhangt en haar oorsprong vindt in het recht inzake insolventieprocedures.
22
Bovendien wijst de verwijzende rechter erop dat, indien wordt aanvaard dat de internationale bevoegdheid voor de procedures over de vervanging van de toestemming voor de vrijgave van een in bewaring gegeven voorwerp wordt bepaald volgens de bevoegdheidsregels van verordening nr. 1215/2012, de partijen in de procedures over bewaring ertoe aangezet zouden kunnen worden om strategische beslissingen te nemen, in die zin dat sommige partijen in de procedure passief zouden blijven en zouden wachten om voor het gerecht van hun woonplaats te worden opgeroepen krachtens de algemene regel van artikel 4 van die verordening.
23
De twijfels van de verwijzende rechter hebben eveneens betrekking op de uitlegging van artikel 8, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 betreffende de bevoegdheidsregels voor vorderingen tot tussenkomst, met name omdat in meerdere taalversies van dit artikel wordt verwezen naar de begrippen ‘derde’ of ‘procedure waarbij derden betrokken zijn’.
24
Indien de vraag of de procedure over de vervanging van de toestemming voor de vrijgave van het in bewaring gegeven voorwerp onder het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 valt, bevestigend wordt beantwoord, vraagt de verwijzende rechter zich bijgevolg af of artikel 8, lid 2, van deze verordening aldus kan worden uitgelegd dat het op dergelijke procedures van toepassing is.
25
Daarop heeft de Nejvyšší soud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 1, lid 1, van verordening [nr. 1215/2012] aldus worden uitgelegd dat de procedure over de vervanging van de toestemming van de verwerende partij voor de vrijgave van het in gerechtelijke bewaring gegeven voorwerp, die een incidentele procedure is ten opzichte van de procedure over de gerechtelijke bewaring, die een aanvang neemt doordat een door de strafrechtelijke vervolgingsautoriteit in beslag genomen voorwerp in gerechtelijke bewaring wordt gegeven, onder het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van die bepaling valt?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 8, punt 2, van verordening [nr. 1215/2012] dan aldus worden uitgelegd dat de vordering tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor de vrijgave van het in gerechtelijke bewaring gegeven voorwerp, die is ingesteld door een van de partijen in de procedure over de gerechtelijke bewaring van het betreffende voorwerp, een vordering in de zin van die bepaling is jegens de overige partijen in die procedure?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
26
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat onder het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van die bepaling, een vordering valt die ertoe strekt de toestemming van de verwerende partij in het kader van een verzoek om vrijgave van een in gerechtelijke bewaring gegeven voorwerp te vervangen, wanneer die vordering een incidentele procedure is ten opzichte van de procedure over gerechtelijke bewaring van het voorwerp dat door de strafrechtelijke vervolgingsautoriteit in beslag is genomen.
27
Vooraf zij eraan herinnerd dat verordening nr. 1215/2012 strekt tot opheffing en vervanging van verordening nr. 44/2001 — die op haar beurt het Executieverdrag heeft vervangen —, zodat de door het Hof aan de bepalingen van laatstgenoemde rechtsinstrumenten gegeven uitlegging ook geldt voor verordening nr. 1215/2012, voor zover deze bepalingen als ‘gelijkwaardig’ kunnen worden beschouwd (arrest van 30 juni 2022, Allianz Elementar Versicherung, C-652/20, EU:C:2022:514, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
Dit is het geval met artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, waarin staat dat deze verordening ‘wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht’, aangezien deze bepaling gelijkwaardig is aan artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001 en artikel 1, eerste alinea, eerste volzin, van het Executieverdrag.
29
Volgens vaste rechtspraak moet, ter verzekering van de grootst mogelijke gelijkheid en eenvormigheid van de rechten en verplichtingen die voor de lidstaten en belanghebbenden uit verordening nr. 1215/2012 voortvloeien, het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ niet worden opgevat als een eenvoudige verwijzing naar het nationale recht van een van de betrokken staten. Dat begrip moet worden beschouwd als een zelfstandig begrip dat moet worden uitgelegd aan de hand van het doel en het systeem van die verordening alsook aan de hand van de algemene beginselen die voortvloeien uit de nationale rechtsorden (zie in die zin arresten van 7 mei 2020, Rina, C-641/18, EU:C:2020:349, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 juli 2020, Movic e.a., C-73/19, EU:C:2020:568, punt 33).
30
In dit verband blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat bepaalde geschillen tussen een overheidsinstantie en een particulier weliswaar binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1215/2012 kunnen vallen wanneer het beroep in rechte betrekking heeft op acta jure gestionis, maar dat dit anders is wanneer de overheidsinstantie krachtens haar overheidsbevoegdheden handelt (zie in die zin arresten van 6 oktober 2021, TOTO en Vianini Lavori, C-581/20, EU:C:2021:808, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 22 december 2022, Eurelec Trading, C-98/22, EU:C:2022:1032, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Wanneer immers een der partijen bij het geding haar overheidsbevoegdheden uitoefent, omdat zij daarbij gebruikmaakt van bevoegdheden die buiten het bestek vallen van de voor betrekkingen tussen particulieren geldende regels van gemeen recht, is een dergelijk geschil uitgesloten van het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 (arresten van 6 oktober 2021, TOTO en Vianini Lavori, C-581/20, EU:C:2021:808, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 22 december 2022, Eurelec Trading, C-98/22, EU:C:2022:1032, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
Teneinde vast te stellen of een aangelegenheid al dan niet onder het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 en dus binnen de werkingssfeer van deze verordening valt, moeten bijgevolg de rechtsbetrekking tussen de procespartijen en het voorwerp van het geschil worden vastgesteld of, als alternatief, de grondslag en de nadere regels voor de instelling van de vordering worden onderzocht (arresten van 6 oktober 2021, TOTO en Vianini Lavori, C-581/20, EU:C:2021:808, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 22 december 2022, Eurelec Trading, C-98/22, EU:C:2022:1032, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om dit te beoordelen, lijkt het niettemin nuttig dat het Hof, in het licht van de bij hem ingediende opmerkingen, enige verduidelijking geeft over de elementen die in aanmerking kunnen worden genomen.
34
Zodoende heeft het Hof reeds geoordeeld dat een geschil tussen twee ondernemingen in een procedure tot opheffing van een derdenbeslag dat betrekking heeft op de levering van brandstoffen ten behoeve van een militaire operatie onder het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ valt, aangezien het openbare doel van bepaalde activiteiten op zich immers niet volstaat om die activiteiten te kwalificeren als acta jure imperii (zie in die zin arrest van 3 september 2020, Supreme Site Services e.a., C-186/19, EU:C:2020:638, punten 65 en 66). Het Hof was echter van oordeel dat dit niet gold voor een vordering tot verkrijging van de bevoegdheid om het bestaan van toekomstige overtredingen vast te stellen bij eenvoudig proces-verbaal van een ambtenaar van de betrokken overheidsinstantie, aangezien zij in werkelijkheid bevoegdheden betreft die buiten het bestek vallen van de op betrekkingen tussen particulieren toepasselijke regels van gemeen recht (arrest van 22 december 2022, Eurelec Trading, C-98/22, EU:C:2022:1032, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de vordering tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor de vrijgave van het in gerechtelijke bewaring gegeven voorwerp een procedure is waarbij het gebrek aan toestemming van de verweerder voor het verzoek om vrijgave van de gerechtelijke bewaring kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing, teneinde te bepalen aan welke persoon de rechterlijke instantie het in bewaring gegeven voorwerp moet teruggeven.
36
Zoals de verwijzende rechter heeft aangegeven, vormt die vordering — die is gebaseerd op door de strafrechtelijke vervolgingsautoriteit ingeleide inbeslagnemingprocedures en procedures waarbij het betrokken voorwerp in bewaring wordt gegeven — een noodzakelijke voorwaarde voor de vrijgave en de teruggave van het in gerechtelijke bewaring gegeven voorwerp.
37
Hieruit volgt dat de procedure over de vervanging van de toestemming, zowel wat het doel als de grondslag ervan betreft, onlosmakelijk verbonden is met de inbeslagneming van het voorwerp door de strafrechtelijke vervolgingsautoriteit en de daaropvolgende bewaring ervan, zodat zij niet los van deze procedures kan worden onderzocht.
38
De inbeslagneming van een voorwerp in het kader van een strafprocedure en de daaropvolgende gerechtelijke bewaring ervan, vormen typische uitingen van overheidsbevoegdheden, omdat daartoe eenzijdig door de strafrechtelijke vervolgingsautoriteit wordt besloten en deze handelingen bindend zijn voor de partijen die bij het geschil zijn betrokken.
39
Een geding van deze aard vloeit namelijk voort uit een uitoefening van overheidsbevoegdheden door een der partijen bij het geding, omdat daarbij gebruik wordt gemaakt van bevoegdheden die buiten het bestek vallen van de voor betrekkingen tussen particulieren geldende regels van gemeen recht (zie in die zin arrest van 15 februari 2007, Lechouritou e.a., C-292/05, EU:C:2007:102, punt 34).
40
Hieruit volgt dat een vordering tot vervanging van de toestemming — voor zover deze een incidenteel karakter heeft ten opzichte van de procedure over de gerechtelijke bewaring van het voorwerp dat door de strafrechtelijke vervolgingsautoriteit in beslag is genomen en aan de vrijgave van die bewaring voorafgaat — ook als een uitoefening van overheidsbevoegdheden moet worden beschouwd.
41
In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat, wanneer het onderwerp van een geding buiten het toepassingsgebied van verordening nr. 1215/2012 valt, het bestaan van een prealabele vraag waarop de rechter een antwoord moet geven om het geding te kunnen beslissen, ongeacht de inhoud ervan, de toepassing van die verordening niet kan rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 25 juli 1991, Rich, C-190/89, EU:C:1991:319, punt 26).
42
Het zou overigens in strijd zijn met de rechtszekerheid — een van de doelstellingen van verordening nr. 1215/2012 — wanneer de toepasselijkheid van die verordening zou afhangen van het bestaan van een prealabele vraag (zie in die zin arrest van 15 mei 2003, Préservatrice foncière TIARD, C-266/01, EU:C:2003:282, punt 42).
43
Aan deze uitlegging kan evenmin worden afgedaan door het feit dat die voorafgaande procedure plaatsvindt onder particulieren, in afwezigheid van de strafrechtelijke vervolgingsautoriteit, dat de procedure een contradictoir karakter heeft, en dat de nadere regels voor de uitoefening ervan beheerst worden door de regels van burgerlijke rechtsvordering.
44
Het feit dat degene die om de vrijgave van een in gerechtelijke bewaring gegeven voorwerp verzoekt, handelt op grond van een vordering die haar oorsprong vindt in een overheidshandeling, volstaat namelijk om die procedure, ongeacht de aard van de gevolgde procedurevoorschriften, buiten de werkingssfeer van verordening nr. 1215/2012 te houden. Dat de bij de verwijzende rechter ingestelde vordering een civielrechtelijk karakter heeft, voor zover zij ertoe strekt te bepalen aan wie het in beslag genomen en in gerechtelijke bewaring gegeven voorwerp moet worden teruggegeven, is bijgevolg volstrekt irrelevant (zie in die zin arrest van 15 februari 2007, Lechouritou e.a., C-292/05, EU:C:2007:102, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat onder het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van die bepaling, geen vordering valt die ertoe strekt de toestemming van de verwerende partij in het kader van een verzoek om vrijgave van een in gerechtelijke bewaring gegeven voorwerp te vervangen, wanneer die vordering een incidentele procedure is ten opzichte van de procedure over gerechtelijke bewaring van het voorwerp dat door de strafrechtelijke vervolgingsautoriteit in beslag is genomen.
Tweede vraag
46
Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft op de tweede vraag niet te worden geantwoord.
Kosten
47
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 1, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus worden uitgelegd dat
onder het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van die bepaling, geen vordering valt die ertoe strekt de toestemming van de verwerende partij in het kader van een verzoek om vrijgave van een in gerechtelijke bewaring gegeven voorwerp te vervangen, wanneer die vordering een incidentele procedure is ten opzichte van de procedure over de gerechtelijke bewaring van het voorwerp dat door de strafrechtelijke vervolgingsautoriteit in beslag is genomen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑10‑2024
Procestaal: Tsjechisch.