Beheer van familievermogen door middel van certificering
Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/7.4.4:7.4.4 Concluderend over certificering van vermogen bezien vanuit het motief continuïteit
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/7.4.4
7.4.4 Concluderend over certificering van vermogen bezien vanuit het motief continuïteit
Documentgegevens:
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS957984:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Certificering van vermogen is een beheerstructuur die voor alle besproken soorten van goederen kan worden ingezet. De inhoud van de overeenkomst die de certificering tot stand brengt wordt in principe enkel ingeperkt door de algemene begrenzingen die het civiele recht kent. Daarmee bestaat er veel vrijheid om de certificering naar eigen goeddunken vorm te geven. Als de certificering met overdracht van de te beheren goederen gepaard gaat, moet er sprake zijn van een volledige overdracht, om te voorkomen dat er sprake is van het fiducia verbod van art. 3:84 lid 3 BW. Dit lijkt niet op grote bezwaren te stuiten.1
Bij certificering wordt vaak gebruikgemaakt van een stak als beheerder en juridisch rechthebbende van het vermogen. Op die manier wordt het te beheren vermogen bijeengehouden en beschermd tegen mogelijke schuldeisers. Bij het opstellen van de statuten van de stichting bestaat ook weer veel vrijheid om de stichting naar eigen wens in te richten. Door het gebruik van een stichting neemt de complexiteit van het opzetten van de beheerstructuur toe. (Dit wordt nog meer op het moment dat er sprake is van een aparte bewaarstichting.) Daarnaast kan het soort goed dat gecertificeerd wordt ook zorgen voor extra complexiteit. Dat is met name het geval bij certificering van aandelen in een BV waarin er vijf verhoudingen aanwezig zijn die invloed kunnen uitoefenen op de elementen van het civielrechtelijk toetsingskader. Certificering van vermogen is daarmee geen beheerstructuur die gebruikt zal worden voor motieven die een kort tijdsverloop hebben of waarbij het gaat om goederen met beperkte waarde.
Daarnaast is de beheerstructuur van certificering langzaam ongrijpbaar aan het worden door de onzekerheid in de rechtsgevolgen van certificering op meerdere onderdelen. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat dit anders zou zijn op het moment dat het motief anders is. Dit komt de rechtszekerheid niet ten goede. Bij gebrek aan een algemeen inzetbare beheerstructuur binnen het Nederlandse civiele recht is het van belang dat de huidige mogelijkheden tot beheer zonder, grote, onzekerheden kunnen worden ingezet.
Concluderend kan gezegd worden dat certificering van vermogen geschikt is voor het beheer van familievermogen, op het moment dat er sprake is van een continuïteitsmotief. Wel is het van belang dat verdere rechtsonzekerheid wordt tegengegaan en dat wordt geprobeerd om de complexiteit van de beheerstructuur te beperken. Het creëren van wetgeving op het gebied van certificeren van vermogen om de rechtsonzekerheid tegen te gaan en de complexiteit te verminderen zou hiervoor een mogelijkheid kunnen zijn. Daarop wordt in de volgende paragraaf nader ingegaan.