HR, 18-04-2014, nr. 14/00914
ECLI:NL:HR:2014:950
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-04-2014
- Zaaknummer
14/00914
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:950, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑04‑2014; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:194, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:194, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑03‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:950, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑04‑2014
Partij(en)
18 april 2014
Eerste Kamer
nr. 14/00914
TT/EE
[verzoeker],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/16/10/443 R van de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2013;
b. het arrest in de zaak 200.138.984 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 februari 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 18 april 2014.
Conclusie 07‑03‑2014
14/00914 | Mr. L. Timmerman |
Zitting 7 maart 2014 | |
Conclusie inzake: | |
[verzoeker], verzoeker tot cassatie, | |
(hierna [verzoeker]). |
1. De rechtbank Utrecht heeft in zijn vonnis van 13 december 2010 de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] uitgesproken. Een door de rechter-commissaris gedane voordracht tot tussentijdse beëindiging is afgewezen bij vonnis van 10 juni 2013 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. De rechtbank bepaalde dat [verzoeker] niet alleen een nieuwe schuld en een boedelachterstand moest inlopen, maar ook aan de reguliere boedelafdrachtverplichting moest blijven voldoen. Bij vonnis van 10 december 2013 van dezelfde rechtbank is de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd zonder toekenning van de schone lei. De rechtbank was kort gezegd van oordeel dat sprake was van een boedeltekort en dat deze tekortkoming aan [verzoeker] kon worden toegerekend.
2 [verzoeker] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld en daarbij onder meer betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen om hem in de gelegenheid te stellen het boedeltekort boedelachterstand in te lopen. Een mondelinge behandeling vond plaats op 3 februari 2014. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 10 februari 2014 het bestreden vonnis bekrachtigd en daartoe voor zover thans van belang het volgende overwogen:
“3.5 Omdat het ook bij het hof vast beleid is om bij verlenging van de looptijd van een schuldsaneringsregeling alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, waaronder in het bijzonder de boedelafdrachtverplichting, onverkort te handhaven, ziet het hof geen aanleiding om de looptijd van de regeling ten aanzien van [verzoeker] te verlengen, nu de boedelachterstand van ten minste circa € 3.500,- van dusdanige omvang is dat [verzoeker] niet in staat kan worden geacht deze uit het vrij te laten bedrag, zelfs niet binnen een maximale duur van de schuldsaneringsregeling van vijf jaar, in te lopen.”
3 Ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden is op 17 februari 2014 – derhalve tijdig – een cassatieverzoekschrift ingekomen gericht tegen voormeld arrest. Het cassatiemiddel bestaat uit één onderdeel dat zich keert tegen ’s hofs oordeel om de duur van de looptijd van de schuldsaneringsregeling niet te verlengen. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat:
(i) de rechter ruime mogelijkheden heeft om te looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen en daarbij een grote mate van vrijheid geniet;
(ii) niet kan worden gesproken van een “vast beleid” ten aanzien van de voortzetting van de boedelafdrachtverplichting na verlenging omdat de feitenrechtspraak op dit punt niet eenduidig is;
(iii) Duitsland in afwijking van Nederland een vergelijkbare regeling kent met een termijn van zes jaar en zulks in strijd is met de door de Insolventieverordening (Verordening (EG) Nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures, Pb EG L 160 van 30 juni 2000, p. 1-18) beoogde uniformiteit, alsmede met art. 6 EVRM en art. 47 EU Handvest;
(iv) het uitgangspunt niet moet zijn dat een bepaald bedrag in de boedel moet worden gebracht uit hoofde van de van te voren vastgestelde boedelbijdrage en daarbovenop een bedrag aan in de lopen achterstand.
4 Het onderdeel heeft verzuimd te vermelden waar deze standpunten in de stukken van het geding zijn ingenomen. Met betrekking tot klachten (i), (iii) en (iv) levert ambtshalve onderzoek geen vindplaatsen op. Zij vormen derhalve ontoelaatbare nova. Het onderdeel loopt in zoverre daarop vast.
5 Klacht (ii) is wel in feitelijke instanties is aangevoerd (vgl. de verklaringen van de raadsman van [verzoeker] in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 3 februari 2014) maar [verzoeker] ontbeert belang bij de behandeling ervan. De door de rechtbank uitgesproken en door het hof bekrachtigde beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling berust op de vaststellingen dat sprake is van een boedeltekort en dat dit tekort aan [verzoeker] kan worden toegerekend. Dit oordeel draagt de beslissing van het Hof tot beëindiging van de schuldsanering zelfstandig. In cassatie is daar niet over geklaagd. Bij de beslissing om tot al dan niet verlenging van de looptijd van de schuldsanering over te gaan heeft het Hof grote vrijheid. Het Hof heeft naar mijn oordeel zijn beslissing om geen verlenging van de looptijd van de schuldsanering toe te staan binnen de hem gegeven vrijheid genomen. De beslissing van het Hof is van een te verdedigen motivering voorzien.
6 De slotsom is dat het middel niet tot cassatie kan leiden.
Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het verzoek.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G