Nationale ombudsman, 11-05-2011, nr. 2011/145
ECLI:NL:XX:2011:BR5304
- Instantie
Nationale ombudsman
- Datum
11-05-2011
- Zaaknummer
2011/145
- LJN
BR5304
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:XX:2011:BR5304, Uitspraak, Nationale ombudsman, 11‑05‑2011
Uitspraak 11‑05‑2011
Klacht
Verzoeker klaagt over de vooringenomen opstelling van het gemeentebestuur in conflicten die hij met zijn overbuurman, eigenaar van een restaurant, heeft: de gemeente weigert stelselmatig handhavend op te treden tegen vergunningplichtige activiteiten van zijn overbuurman, terwijl aan verzoeker een vergunning wordt geweigerd.
Bevindingen en beoordeling
I. Bevindingen
Inleiding
1.
Op 30 januari 2009 ontving de Nationale ombudsman een klacht van verzoeker over niet of niet adequaat handhavend optreden, de wijze van communiceren en het beantwoorden van brieven door het college van burgemeester en wethouders van Voerendaal en de burgemeester in het bijzonder en over het laten verlopen van fatale termijnen voor een bouwvergunning en het wekken van valse verwachtingen.
Omdat de klacht betrekking had op (niet) handhavend optreden is het dossier betrokken bij de inventarisatie voor het door de Nationale ombudsman ingestelde onderzoek naar ‘Handhaving door gemeenten’. Kern van het probleem van verzoeker zou zijn dat de gemeente niet handhavend optreedt tegen illegale activiteiten van het restaurant van zijn overbuurman, terwijl verzoeker wel geconfronteerd is met handhavend optreden. De overbuurman zou door de burgemeester zijn bevoordeeld, mede ter promotie van het restaurant en de uitstraling daarvan voor de gemeente.
Het door de Nationale ombudsman ingestelde onderzoek uit eigen beweging heeft geresulteerd in het rapport ‘Helder handhaven’ van 14 september 2010, met nummer 2010/235. Daarbij heeft de Nationale ombudsman twaalf spelregels geformuleerd voor het behoorlijk omgaan met handhavingsverzoeken van burgers. Deze spelregels zijn vastgelegd in de ‘Handhavingswijzer’. Deze wijzer geeft gemeenten een handreiking en burgers inzicht in wat zij van de gemeente mogen verwachten. De Handhavingswijzer fungeert voor de Nationale ombudsman tevens als toetsingskader bij onderzoeken naar aanleiding van klachten over handhaving.
Onderwerp van onderzoek
2.
Na uitbrengen van het rapport ‘Helder handhaven’ besloot de Nationale ombudsman alsnog een onderzoek in te stellen naar aanleiding van de door verzoeker ingediende klacht en later ingediende aanvullingen. Aangezien de klacht vele onderdelen bevatte zijn voorlopige bevindingen opgesteld en toegestuurd aan het college van burgemeester en wethouders en aan verzoeker met het verzoek eventuele op- of aanmerkingen of aanvullingen mee te delen. Deze bevindingen zijn opgenomen onder Achtergrond.
Bij de opening van het onderzoek is het college gevraagd te reageren op het standpunt van verzoeker dat de door hem aangevoerde gedragingen (zouden) kunnen worden aangemerkt als een vooringenomen opstelling van het gemeentebestuur. Tevens is het college gevraagd aan te geven in hoeverre de gemeente Voerendaal heeft gehandeld in overeenstemming met de spelregels, zoals opgenomen in de Handhavingswijzer.
Reactie van het college van burgemeester en wethouders
3.
In zijn reactie merkt het college allereerst op dat uit de aanwezige documenten is opgemaakt dat de verhouding tussen verzoeker en zijn overbuurman niet best is en dat het college vermoedt dat het onderlinge conflict in combinatie met de gesuggereerde partijdigheid de voornaamste bron van de ontstane irritatie is. Na een mislukte poging tot mediation in 2007 heeft het college er voor gekozen zich niet te mengen in het conflict tussen de buren.
Naar aanleiding van de klacht die de integriteit van het handelen van het college ter discussie stelt, en door het college uiterst serieus wordt genomen, stelt het college niet op elk afzonderlijk incident te willen ingaan om te voorkomen in een ‘welles-nietes discussie’ te belanden waar geen van de partijen bij is gebaat. Bovendien zijn de burgemeester en het hoofd van de afdeling Vergunning en Handhaving niet langer voor de gemeente Voerendaal werkzaam, waardoor niet alle details verifieerbaar zijn.
Het college spitst zijn reactie toe op de vermeende vooringenomenheid van de toenmalige burgemeester ten gunste van de overbuurman van verzoeker. De burgemeester heeft tijdens zijn ambtsperiode weliswaar diverse malen contact gehad met deze overbuurman, maar het college heeft geen enkele aanleiding om enige vorm van vooringenomenheid te veronderstellen. Noch van de toenmalige burgemeester, noch van een van de gemeentelijk medewerkers. Het college erkende dat in de communicatie van de gemeente aandacht is besteed aan het restaurant, en in het bijzonder na de bekroning, omdat men er trots op is dat een ondernemer uit de gemeente daarin is geslaagd.
Het college vindt het echter niet terecht om daaruit te concluderen dat de heer B., de overbuurman, een voorkeursbehandeling geniet. De heer B. wordt geacht zich aan dezelfde regelgeving te houden, zoals die voor eenieder in de gemeente geldt. Het college herkent zich dan ook geenszins in de beschuldigingen van verzoeker en beschouwt het wantrouwen jegens het gemeentebestuur als diens interpretatie. Een interpretatie die mogelijk gekleurd is door de relatie tussen beide buren.
Wat betreft het gevoerde handhavingstraject is het college van mening naar beide partijen duidelijk te zijn geweest over hoe en waarom handhavend is opgetreden en wat de mogelijkheden van de gemeente daarin waren. Het college had niet de indruk dat zijn besluit om te legaliseren niet duidelijk c.q. begrijpelijk was; verzoeker was het eerder niet eens met het uiteindelijke resultaat. De behandeling van de aanvraag van verzoeker voor
de bouw van een tuinhuis, leidde tot een vergelijkbare situatie. Niet zozeer het proces, maar veeleer de uitkomst van het proces was niet naar zijn wens.
Op de vraag in hoeverre het college heeft gehandeld overeenkomstig de twaalf spelregels van de Handhavingswijzer, is het college van mening de regels ten aanzien van transparantheid en onpartijdigheid niet te hebben geschonden. Wel constateert het college niet zelf het initiatief te hebben genomen tot persoonlijk contact met verzoeker Weliswaar is deze schriftelijk over de procedure in kennis gesteld en hebben er diverse gesprekken met hem plaatsgevonden, maar deze zijn vooral tot stand gekomen door de actieve opstelling van verzoeker zelf.
Het college stelde over het algemeen de spelregels wel te hanteren, echter naar gelang de situatie en de behoefte van de verzoeker aan persoonlijk contact dan wel een extra toelichting.
Samenvattend concludeert het college dat de klachten c.q. irritaties van verzoeker verder gaan dan het handelen van de gemeente alleen. Zeker in een kleine dorpsgemeenschap kan een goede verstandhouding met de buren bijzonder waardevol zijn. Het college betreurt dat de poging om hierin een bemiddelende rol te spelen is mislukt, maar wenst desalniettemin zowel verzoeker als zijn overbuurman toe, dat zij — ongeacht hun meningsverschillen uit het verleden — hun woongenot zullen hervinden en weer positieve energie kunnen steken in die zaken die belangrijk voor hen zijn.
II. Beoordeling
4.
Het verbod van vooringenomenheid houdt in dat overheidsinstanties zich actief opstellen om iedere vorm van een vooropgezette mening of de schijn van partijdigheid te vermijden.
Dit impliceert dat overheidsinstanties en ambtenaren zich in hun optreden bewust moeten zijn van de belangrijke rol die de beleving van betrokken burgers hierbij speelt en voorkomen dat zich feiten of omstandigheden voordoen die een vrees voor partijdigheid kunnen rechtvaardigen.
Het verbod van vooringenomenheid heeft betrekking op de houding van ambtenaren en overheidsinstanties tegenover de partijen en het onderwerp van de zaak. Die houding dient vrij te zijn van vooringenomenheid; van partijdigheid en vooroordeel. Er is onderscheid tussen de subjectieve en de objectieve toetsing van vooringenomenheid.
Subjectieve toetsing concentreert zich op de vraag of een ambtenaar of overheidsinstantie werkelijk vooringenomen is in een specifieke zaak. Van onpartijdigheid of het ontbreken van vooringenomenheid wordt uitgegaan, tenzij het tegendeel blijkt.
Bij objectieve toetsing gaat het om de vraag of de vrees redelijkerwijs gerechtvaardigd is dat een ambtenaar of overheidsinstantie vooringenomen is. Met andere woorden: zijn er feiten of omstandigheden die een vrees van vooringenomenheid kunnen rechtvaardigen?
Ook de schijn van vooringenomenheid moet worden vermeden. Echter niet iedere schijn van vooringenomenheid kan een beroep op vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. Die schijn moet objectief gerechtvaardigd zijn.
5.
Het college merkt op dat de verhouding tussen verzoeker en zijn overbuurman niet best is en vermoedt dat dit conflict, in combinatie met de gesuggereerde partijdigheid, de voornaamste bron van de ontstane irritatie is.
In het rapport ‘Helder handhaven. Hoe gemeenten omgaan met handhavingsverzoeken van burgers’ van de Nationale ombudsman van 14 september 2010 (rapportnummer 2010/235) wordt nader ingegaan op de dagelijkse praktijk van handhavend optreden van de overheid. De ‘beginselplicht tot handhaven’ die gemeenten hebben, blijkt in de praktijk een lange weg met hindernissen. Daarnaast geldt dat de burger niet ook steeds naar de overheid moet kijken. Bij hinder en overlast is het vanzelfsprekend het beste als buren er onderling uitkomen. Een goed gesprek en eventueel deskundige buurtbemiddeling vormen een prima begin voor een situatie waarin buren regels overtreden of overlast veroorzaken. Voorwaarde is echter wel dat de gemeente bereid is om als het nodig is effectief handhavend op te treden.
Er is een groot verschil tussen wat burgers van gemeenten aan handhaving verwachten en dat wat gemeenten waarmaken als het om de handhaving van regels gaat. Burgers verwachten dat als er regels gelden — en in Nederland gelden er heel veel regels — de overheid die regels ook serieus neemt. Handhaving is echter ‘uitvoering’ en heeft vaak onvoldoende prioriteit: er is te weinig menskracht en vaak ook onvoldoende deskundigheid om effectief te handhaven.
Voor de dagelijkse praktijk is het belangrijk dat vast komt te staan wat burgers in redelijkheid van hun gemeente mogen verwachten als zij behoefte hebben aan effectieve handhaving. Daarom heeft de Nationale ombudsman in samenspraak met gemeenten en deskundigen een aantal spelregels ontwikkeld die de Handhavingswijzer vormen. Kernpunt is dat de gemeente transparant is, zodat de burger weet waar hij aan toe is. Daarnaast moet de gemeente betrokkenheid tonen en onpartijdig zijn.
Een van deze spelregels luidt:
‘De gemeente maakt bij haar optreden of besluit een transparante onpartijdige afweging van álle belangen en maakt dat kenbaar’.
6.
Verzoeker heeft zich in 2007 tot de gemeente gewend, nadat het reclamebord bij zijn overbuurman — dat al sinds 1988 aanwezig was — is aangepast en verplaatst. Verzoeker stelde zich op het standpunt dat daar een nieuwe vergunning voor was vereist. Uit de stukken valt op te maken dat er tevens sprake is van een meningsverschil tussen verzoeker en zijn overbuurman over de vraag of dit bord, respectievelijk een door verzoeker aangelegde parkeerplaats wel op de juiste plek zijn gesitueerd.
Tijdens een gesprek met de gemeente op 2 augustus 2007 kreeg verzoeker de door hem aangevraagde bouwvergunning overhandigd. Daarbij werd hem meegedeeld dat hij eerst nog andere vergunningen diende aan te vragen alvorens met de bouw te kunnen beginnen. Toen verzoeker vroeg naar de vergunning voor de door zijn overbuurman aangebouwde luifel, kreeg hij te horen dat deze luifel niet vergunningplichtig was. Later bleek dat wel zo te zijn. Ook was er geen geldige vergunning voor het reclamebord afgegeven. Nadat verzoeker had gevraagd om een afschrift van de brief waarmee de gemeente de overbuurman had aangeschreven een vergunning aan te vragen, zou verzoeker door het toenmalige afdelingshoofd zijn meegedeeld dat hij moest ophouden met zeuren en werd verzoeker er op gewezen dat hij op korte termijn een oplossing diende te vinden voor de in zijn tuin geplaatste aanhangwagen. Tevens werd verzoeker verzocht op korte termijn vergunningen te laten zien voor de aangelegde parkeerplaats en gerealiseerde praktijk. Anders zouden er maatregelen volgen.
Verzoeker geeft aan door dit gesprek het gevoel te hebben gekregen dat alles moest wijken voor de belangen van zijn overbuurman en dat het er op leek dat er een verbond was tussen de gemeente — in de persoon van de voormalige burgemeester — en de overbuurman. Enige maanden later werd verzoeker naar zijn zeggen in dit vermoeden bevestigd toen hij een boekje van de gemeente Voerendaal ontving, waarin een prominente plaats is ingenomen voor het restaurant van zijn overbuurman en foto's zijn opgenomen waarop de burgemeester is te zien in de keuken vaan dit restaurant.
7.
Om een oordeel te kunnen geven over de vraag of het gemeentebestuur van Voerendaal het verbod van vooringenomenheid heeft geschonden dient, zoals aangegeven, onderscheid te worden gemaakt tussen de subjectieve en de objectieve toetsing van vooringenomenheid.
Wat betreft de subjectieve toetsing, dient de vraag of het gemeentebestuur werkelijk vooringenomen is geweest ontkennend te worden beantwoord. Uit hetgeen verzoeker uitgebreid heeft aangevoerd kan niet geconcludeerd worden dat er sprake is geweest partijdigheid van of vooringenomenheid bij het gemeentebestuur van Voerendaal. Het is de Nationale ombudsman niet gebleken dat er een niet verklaarbaar verschil is geweest in het handhavend optreden van de gemeente jegens verzoeker en diens overbuurman.
Wat betreft de objectieve toetsing gaat het om de vraag of de vrees redelijkerwijs gerechtvaardigd is dat een ambtenaar of overheidsinstantie vooringenomen is. Zijn er feiten en omstandigheden die een vrees voor partijdigheid kunnen rechtvaardigen. Naar het oordeel van de Nationale ombudsman dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord.
Nadat verzoeker het vergunningplichtig zijn van de luifel en het reclamebord van zijn overbuurman aan de orde had gesteld, werd hij geconfronteerd met vragen over het mogelijk ontbreken van vergunningen voor door hem verrichte activiteiten. En mededelingen over handhavend optreden jegens de overbuurman bleken niet altijd te kloppen. Deze omstandigheden, in combinatie met het feit dat de gemeente en in het bijzonder de toenmalige burgemeester bij promotieactiviteiten voor de gemeente veel aandacht besteedden aan het restaurant van verzoeker overbuurman — hebben bij verzoeker begrijpelijkerwijs de indruk gewekt dat er sprake was van vooringenomenheid van de gemeente in het voordeel van zijn overbuurman. De gemeente heeft naar het oordeel van de Nationale ombudsman onvoldoende gedaan om de schijn van partijdigheid bij verzoeker te voorkomen of weg te nemen.
De onderzochte gedraging is niet behoorlijk
Slotbeschouwing
Indien in een kleine gemeente als Voerendaal een succesvolle onderneming actief is — in dit geval een sterrenrestaurant — is het begrijpelijk dat het gemeentebestuur hieraan aandacht besteedt bij publieke optredens en in publicaties. De aandacht die hierdoor wordt gegenereerd kan immers een positieve uitstraling hebben naar het beeld dat bestaat over de gemeente. Het verhoogt de aantrekkingskracht van de gemeente voor bezoekers en dat brengt uiteindelijk ook geld in het laadje van de gemeente.
Dergelijke promotionele activiteiten brengen echter ook risico's met zich mee. Al gauw kan de indruk ontstaan dat een burgemeester die zich op het ene moment laat fotograferen in de keuken van het restaurant, op een ander moment niet erg geneigd zal zijn tot strikte handhaving als het restaurant zich niet aan alle regels houdt.
Indien zich een dergelijk risico voordoet, mag van de gemeente een bijzondere inspanning worden gevergd om de schijn van partijdigheid te vermijden. De door de Nationale ombudsman ontwikkelde ‘Handhavingswijzer’ biedt hiervoor handvaten in de vorm van twaalf spelregels. Deze zijn kort samen te vatten als: wees transparant, toon betrokkenheid en wees onpartijdig. Hoewel de ombudsman in de onderhavige zaak niet heeft vastgesteld dat de gemeente daadwerkelijk vooringenomen heeft gehandeld, is hij van oordeel dat de gemeente er onvoldoende in is geslaagd de schijn van partijdigheid bij verzoeker te voorkomen of weg te nemen.
Conclusie
De klacht over de onderzochte gedraging van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voerendaal, is gegrond, wegens strijd met het verbod van vooringenomenheid.
De Nationale ombudsman,
dr. A.F.M. Brenninkmeijer
Achtergrond
1.
Op 30 januari 2009 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van verzoeker, waarin hij twee onderwerpen opvoert:
het niet naar tevredenheid afhandelen van zijn klacht van 22 februari 2008, over niet of niet adequaat optreden, communiceren en beantwoorden van brieven door het college van burgemeester en wethouders van Voerendaal en van de burgemeester in het bijzonder;
het laten verlopen van fatale termijnen van onder andere de aanvraag om bouwvergunning, het niet reageren op brieven en het wekken van valse verwachtingen.
2.
Omdat de klacht betrekking had op (niet) handhavend optreden is het dossier betrokken bij de inventarisatie voor het groot onderzoek naar ‘Handhaving door gemeenten’. Kern van het probleem zou zijn dat de gemeente niet handhavend optreedt tegen een reclamebord van het restaurant van zijn buurman, waardoor het uitzicht vanaf de parkeerplaats van verzoeker wordt belemmerd. Het bord is weliswaar een keer verplaatst, maar zou nog steeds verkeerd staan. De buurman zou door de burgemeester zijn bevoordeeld, mede ter promotie van het sterrenrestaurant en de uitstraling daarvan voor de gemeente.
Inhoud verzoekschrift
3.
Verzoeker heeft zijn eerste klacht bij de gemeente ingediend op 22 februari 2008 en stelt dat er slechts twee van de vijf klachtonderdelen in behandeling zijn genomen. Zijn tweede klacht dateert van 12 november 2008. Daarop is geen enkele inhoudelijke reactie gegeven.
4.
Over de eerste klacht schrijft verzoeker dat hij op 6 juni 2007 een brief heeft gestuurd aan de heer B., overbuurman en eigenaar van het naastgelegen restaurant. In de brief brengt verzoeker een aantal zaken, waaronder een illegaal geplaatst reclamebord bij zijn parkeerplaats, naar voren ‘naar aanleiding van recente gebeurtenissen’.
5.
In zijn reactie schrijft de heer B.:
‘Het door u opgeworpen conflict begint inmiddels dermate ridicule en beschamende vormen aan te nemen dat, gezien uw onwil en/of onvermogen om deze affaire als goede buur te regelen, slechts duidelijke aanpak voor oplossing kan zorgen’.
Vervolgens schrijft de heer B. dat het reclamebord, dat sinds 1988 op deze plek staat en waarvoor vergunning is verleend, onlangs is aangepast en een paar centimeter is verplaatst. Dit was noodzakelijk omdat auto's op de parkeerplaats van verzoeker het uitzicht op het bord belemmerden. Ook wordt ingegaan op het verschil van inzicht over de erfgrens en de erfscheiding en schrijft de heer B.:
‘Verder wil ik mijn bevreemding uitspreken over het feit dat u zich buitengewoon druk maakt om het aangezicht bij anderen, terwijl uw eigen woonomgeving — laat ik het mild stellen — getuigt van achterstallig onderhoud en verregaande nonchalance.’
Ten slotte schrijft de heer B. voornemens te zijn een kopie van de brief van 6 juni 2007, alsmede van de reactie daarop, met een begeleidend schrijven toe te sturen aan de bewoners van Ubachsberg, aan het college van burgemeester en wethouders en aan de politie. Dit is dezelfde dag ook gebeurd.
6.
Omdat de correspondentie ook aan het college was toegestuurd, verwachtte verzoeker een reactie van de gemeente. Mede omdat het reclamebord zeker 70 centimeter was opgeschoven en ook veel groter zou zijn en voor dit bord geen vergunning was gegeven. Verzoeker schrijft de Nationale ombudsman dat vroegtijdig hoor en wederhoor veel ergernis en onnodige kosten had kunnen voorkomen, maar dat de gemeente hier bewust niet voor had gekozen en zich liever in een stilzwijgen hulde.
Omdat het conflict naar zijn mening erg explosief was, wendde verzoeker zich op 8 juli 2007 tot het college van burgemeester en wethouders en gaf hij zijn visie op de gang van zaken. Verzoeker schreef dat hij na aankoop van zijn woning in maart 2000 de al gerealiseerde parkeerplaats had verdubbeld voor de cliënten die zijn echtgenote ontvangt in haar pedicurepraktijk. Bij de verplaatsing van het reclamebord is dit — naar de mening van verzoeker — deels op zijn terrein geplaatst, terwijl de heer B. stelt dat de parkeerplaats verkeerd ligt. Ook schreef verzoeker op 26 juni 2007 de wijkagent te hebben verzocht te bemiddelen (en dat dit niet de eerste keer was dat dit verzoek is gedaan) maar dat de wijkagent, nadat hij met de heer B. had gesproken, aangaf dat diens standpunten dusdanig waren verhard dat hij geen heil meer zag in een bemiddelingspoging.
Ten slotte stelde verzoeker dat hij had begrepen dat voor het bord geen vergunning was afgegeven, maar de heer B. door de gemeente wel was aangeschreven een vergunning aan te vragen. Verzoeker vroeg het college geen medewerking te verlenen aan het afgeven van een vergunning.
7.
Toen verzoeker geen reactie kreeg, maakte hij een afspraak voor een gesprek op 2 augustus 2007 met een ambtenaar van de afdeling vergunningen en handhaving. Naast de vragen die verzoeker had over het uitblijven van zijn eigen bouwvergunning, had hij voorafgaande aan het gesprek ook vragen gesteld over de status van de bouwvergunningen van de heer B. Tot zijn verbazing schoof ook het hoofd van de afdeling vergunningen en handhaving aan.
7.1.
Tijdens het gesprek werd verzoeker zijn (op die dag getekende) bouwvergunning overhandigd en werd hem verzocht andere vergunningen aan te vragen alvorens met de bouw te beginnen, zoals een steigervergunning en een sloopvergunning.
7.2.
Gevraagd naar de door de heer B. tegen het monumentale pand van het restaurant aangebouwde luifel, antwoordde de gemeente dat hiervoor geen vergunning nodig zou zijn.
In zijn verzoekschrift aan de Nationale ombudsman schrijft verzoeker dat achteraf is gebleken dat deze informatie niet juist was, omdat uit de brief van de gemeente van 4 maart 2008 blijkt dat op 14 september 2007 een legalisatie traject voor de luifel was opgestart.
7.3.
In reactie op diens vraag over het reclamebord, gaf het afdelingshoofd aan dat juist die dag een brief de deur uit was gegaan, waarin de heer B. door de gemeente werd gemaand een bouwvergunning aan te vragen ter legalisatie. Gevraagd naar een afschrift van bedoelde brief, zou het afdelingshoofd aangegeven hebben dat verzoeker nu echt moest ophouden met zeuren. Bedoelde brief blijkt achteraf wel door het afdelingshoofd te zijn geschreven maar nooit te zijn verzonden.
7.4.
Naar aanleiding van opmerkingen over het uitblijven van een reactie van de gemeente op zijn brief van 8 juli 2007, werd verzoeker meegedeeld dat die dag, 2 augustus 2007, een brief in de te tekenen map zat. Verzoeker stelt dat de betreffende brief echter pas een week later, op 8 augustus 2007, werd geschreven.
7.5.
Vervolgens schrijft verzoeker de Nationale ombudsman dat de gemeente ‘in de tegenaanval ging’ en hem dringend verzocht op korte termijn een oplossing te vinden voor de in zijn tuin geplaatste aanhangwagen. Hierover zouden al verschillende klachten bij de gemeente zijn binnengekomen. Aangegeven werd dat een tuinhuisje mogelijk een oplossing zou kunnen bieden. Het afdelingshoofd vroeg ook naar de benodigde vergunningen voor de parkeerplaatsen en de pedicurepraktijk en verzocht verzoeker dringend deze op korte termijn te laten zien, omdat de gemeente anders maatregelen zou dienen te nemen. Verzoeker zou in reactie daarop tegenover de ambtenaar hebben aangegeven dat deze in 2001 zeer nauw betrokken was geweest bij het hele proces en hij de vergunningen toch zou moeten kunnen vinden. In reactie hierop werd verzoeker meegedeeld dat in het gemeentehuis geen vergunningen bekend waren.
8.
Verzoeker schrijft de Nationale ombudsman aan dit gesprek zeer vervelende herinneringen te hebben, omdat hij geen bevredigende antwoorden had gekregen op zijn vragen over de vergunningen voor zijn buurman, maar ‘met zijn staart tussen de benen afdroop’ en op zoek moest naar zijn eigen vergunningen:
‘Ik was verbouwereerd en gefrustreerd na dit onderhoud met de gemeente, alle vertrouwen in de gemeente was geschonden.’
Verzoeker had na het gesprek het gevoel dat de heer B. met zijn restaurant een tweede Michelinster wilde halen en dat daar alles en iedereen voor moest en zou wijken en het leek alsof er een verbond was tussen de heer B. en het college van burgemeester en wethouders in de persoon van — voormalig — burgemeester. Verzoeker schrijft enkele maanden later in dit vermoeden te zijn bevestigd, toen de burgemeester het boek ‘Voerendaal een verrassende ontmoeting’ bij alle inwoners van de gemeente liet bezorgen. Van dit boek over de gemeente Voerendaal gaan elf van de 72 pagina's over het restaurant en laten de burgemeester in en buiten de keuken zien. Verzoeker vindt dit buitenproportioneel, mede omdat je over bijvoorbeeld het in de gemeente gelegen wijngoed nagenoeg niets terugvindt.
Het voorwoord in het boek is geschreven door het college van burgemeester en wethouders. Het boek is gemaakt voor alle inwoners van de gemeente als toelichting op de Visie 2018 en bevat zeven pagina's met gerechten van het restaurant.
9.
De brief van 08 augustus 2007 was naar de mening van verzoeker duidelijk en liet niets aan twijfel over. Hierin schrijft het college:
‘De door u aangehaalde briefwisseling (…) valt onder het civielrecht. De gemeente heeft op dat gebied geen bevoegdheid. In de bijlage kunt u de bevoegdheden en het optreden van de gemeente Voerendaal nalezen.’
Over het reclamebord merkt het college op dat de heer B. een brief zal ontvangen met de mededeling dat voor de reclame een vergunning noodzakelijk is. Daarbij wordt opgemerkt dat de eigendomssituatie van de grond waarop de reclame is geplaatst geen weigeringgrond voor de vergunning kan zijn. Naar aanleiding van deze brief merkt verzoeker op dat gesuggereerd wordt dat de heer B. zou worden aangeschreven, maar dat dit tot 4 maart 2008 niet is gebeurd en verzoeker daardoor op een dwaalspoor is gezet. Het conflict bleef voortduren en verzoeker diende iedere vrijdag de publicaties in de gaten te houden, teneinde te voorkomen dat een vergunning werd afgegeven zonder dat verzoeker een zienswijze had kunnen indienen.
Ook had verzoeker de brief als uitermate arrogant en klantonvriendelijk ervaren, omdat daarin geen enkele opening werd geboden om middels vooroverleg gezamenlijk tot een oplossing te komen. Verzoeker schrijft dit te hebben ervaren als:
‘Wij, gemeente Voerendaal, slaan en jij burgermannetje moet je mond houden.’
10.
Omdat verzoeker de burgemeester en diens secretaresse eind juni 2007 bij de heer B. op bezoek had zien gaan en op zijn parkeerplaats had zien staan wijzen naar het gewraakte reclamebord maar niets vernam van de gemeente, wendde hij zich op 26 augustus 2007 nogmaals tot het college. In zijn brief herhaalde verzoeker waarom hij de gemeente heeft gevraagd een bemiddelende rol te spelen, ondanks het feit dat het een civiele kwestie betreft omdat de ‘bron van ergernis’ bleef bestaan. Verzoeker droeg tevens enkele argumenten aan tegen verlening van de vergunning en stelde het college enkele vragen over de relatie tussen het afgeven van een vergunning voor een bouwwerk op andermans eigendom en het burenrecht. Op deze brief heeft verzoeker nooit een antwoord ontvangen.
11.
Wel had de burgemeester in deze brief aanleiding gezien om de heer en mevrouw V. uit te nodigen voor een informeel oriënterend gesprek op 4 september 2007. Tijdens dit gesprek gaf de burgemeester aan van mening te zijn dat dit soort conflicten beter mondeling kunnen worden opgelost dan schriftelijk. Tevens ontkende hij bij de heer B. op bezoek te zijn geweest om de situatie te bespreken en samen met de heer B. op het parkeerterrein te hebben gestaan.
Verzoeker schrijft de Nationale ombudsman er bij te blijven beiden op zijn parkeerplaats te hebben zien staan en dat ook zijn buurvrouw dat zou kunnen bevestigen. Bovendien stond er in de krant van 5 september 2007, de dag na het gesprek, een foto waarop onder andere de burgemeester samen met zijn echtgenote en de heer B. onder het bewuste reclamebord op zijn parkeerplaatsen staan. Verzoeker stelt dat hierdoor zijn stellige overtuiging dat zijn belangen van ondergeschikt belang waren door deze pertinente leugen van de burgemeester wederom werd bevestigd.
11.1.
Tijdens het gesprek had de burgemeester toegezegd de verkeersonveilige situatie veroorzaakt door het reclamebord te zullen onderzoeken, maar deze is nooit meer op dit onderwerp teruggekomen. Ook vroeg de burgemeester zich tijdens het gesprek hardop af of voor de luifel een vergunning nodig zou zijn. Verzoeker stelt dat kort daarna, op 14 september 2007, de legalisatieprocedure is opgestart maar dat de gemeente deze procedure niet adequaat heeft gevolgd en ook geen consequentie heeft verbonden aan het niet nakomen van afspraken door de heer B.
11.2
Daarnaast stelde de burgemeester tijdens het gesprek de plaatsing van verzoekers' aanhangwagen in de tuin aan de orde en verzocht verzoeker dringend om hier op korte termijn een oplossing voor te vinden, bijvoorbeeld door het bouwen van een tuinhuisje.
11.3.
Tevens gaf de burgemeester tijdens het gesprek aan van mening te zijn dat een burenruzie de onderliggende oorzaak van dit conflict was en hij bereid was hiervoor een oplossing te bieden middels een mediationtraject. De vraag of de heer en mevrouw V. hier hun medewerking aan zouden willen verlenen is positief beantwoord. Wel merkte verzoeker tegenover de Nationale ombudsman op dat hem niet bekend was waarom de burgemeester zoveel publiek geld wilde uitgeven aan de oplossing van een burenruzie, terwijl de gemeente zelf geen enkele positieve bijdrage had geleverd om deze burenruzie te voorkomen of in ieder geval niet te laten verergeren.
De burgemeester vroeg de heer en mevrouw V. om hangende het traject van mediation geen actie te ondernemen en hem wat extra tijd te gunnen om een geschikte mediator te vinden en het traject goed op te zetten. Het argument dat de gemeente immers geen ervaring had, acht verzoeker pertinent niet waar omdat het college van burgemeester en wethouders op dat moment volop in een vergelijkbaar traject zat vanwege een conflict met de belangenvereniging ‘De Hellebeuk’.
12.
Verzoeker stelt dat hij, doordat hij op de verzoeken van de burgemeester positief had gereageerd, geconfronteerd werd met het feit dat de regie over het hele proces om de situatie tot een voor verzoeker gunstige oplossing te brengen uit handen was gegeven en het conflict onnodig lang is blijven voortbestaan. Hierdoor zijn de standpunten verder verhard en zijn er zelfs advocaten bij gesleept. De heer en mevrouw V. hebben veel negatieve energie in dit proces moeten stoppen en de hele affaire heeft hen onnodig veel geld gekost en het woongenot onnodig lang ernstig verstoord. Ook is er onnodig lang een verkeersonveilige situatie blijven bestaan.
13.
In zijn verzoekschrift aan de Nationale ombudsman stelt verzoeker van mening te zijn dat de burgemeester, omdat september/oktober voor Michelin de ‘sterren regentijd’ is, koste wat kost wilde voorkomen dat er aan het reclamebord gerommeld zou worden. De burgemeester had tegenover verzoeker aangegeven binnen twee weken contact te zullen zoeken met de heer B. om deze te polsen of hij ook open staat voor mediation, maar heeft nooit iets aan verzoekers teruggekoppeld. Verzoeker vraagt zich dan ook af of de burgemeester überhaupt een voorstel aan de heer B. heeft gedaan.
14.
Op 8 oktober 2007 vroeg verzoeker via de e-mail informatie over de stand van zaken. Wegens het uitblijven van een reactie wendde hij zich op 25 november 2007 schriftelijk tot de burgemeester. Ook hierop ontving hij geen reactie, waarna hij op 22 februari 2008 een klacht indiende.
In de brief van 22 februari 2008:
diende verzoeker een klacht in over de communicatie met de gemeente Voerendaal,
verzocht hij de gemeente handhavend op te treden tegen het reclamebord en
schreef hij een formeel antwoord te verwachten van de burgemeester over het mediationtraject en de daarover door hem gestelde vragen.
Door verzoeker werden, ter onderbouwing van zijn klacht, diverse aspecten aan de orde gesteld zoals hiervoor reeds beschreven.
15.
Op 25 maart 2008 vond er een hoorzitting plaats. Verzoeker schrijft de Nationale ombudsman de aanwezigen bij aanvang te hebben gevraagd of er nog nieuws was over het reclamebord. Het antwoord was dat niemand nieuws had, terwijl de locoburgemeester 15 minuten later wist te vertellen dat het bord toch die dag weggehaald zou worden. Op de vraag hoe zij dit wist, antwoordde zij dat een toevallige passant haar dat net telefonisch had medegedeeld. Verzoeker stelt zelf tien minuten voordat de hoorzitting begon met de auto van de parkeerplaats te zijn weggereden en dat hem toen niets was opgevallen. Bij thuiskomst, ongeveer een uur later, was het bord echter weg.
16.
Blijkens het verslag van de hoorzitting hebben verzoekers aangegeven dat zij zich onheus bejegend voelen door de gemeente, omdat zij de gemeente hebben gewezen op een illegaliteit en de gemeente deze zaak niet heeft afgehandeld zoals de gemeente dat normaliter doet. Daarbij heeft de gemeente leugens verteld, geen antwoord gegeven op vragen en niets gedaan aan de onveilige situatie. Daarnaast merkten verzoekers op dat het hen tegen de borst stuit dat de gemeente hen wel had benaderd met vragen over de vergunningen voor de parkeerplaats en de pedicuresalon.
17.
In zijn ‘bevindingen onderzoek klacht’ van 1 april 2008 erkent het college van burgemeester en wethouders dat verzoeker inderdaad te lang heeft moeten wachten op reacties van de gemeente, waarvoor excuses worden aangeboden. Ook wordt een aantal maatregelen aangekondigd. Zo zal op korte termijn een afspraak worden gemaakt met een gecertificeerd mediator, zal worden beoordeeld of legalisatie van het reclamebord en de luifel mogelijk is en zal bij de medewerkers van de gemeente aandacht worden gevraagd voor het tijdig en adequaat reageren op klachten over onveilige situaties.
18.
Bij brief van 6 mei 2008 schrijft het college dat de gemeente partijen in contact kan brengen met mediators, maar dat het uitgangspunt van mediation is dat partijen samen de kosten dragen. Daarnaast vraagt het college, nu het reclamebord is verplaatst en gelegaliseerd en ook voor de luifel een vergunning is afgegeven, of er bij verzoeker nog wel behoefte is aan mediation. Op 10 juni 2008 reageert verzoeker onder andere met de opmerking nimmer te hebben begrepen dat hij een deel van de kosten zou moeten dragen en spreekt hij er daarnaast zijn verbazing over uit dat hem wordt gevraagd of hij nog behoefte heeft aan mediation, aangezien hij altijd zijn medewerking heeft toegezegd maar het initiatief daartoe altijd van de gemeente was uitgegaan. Verzoeker schrijft de Nationale ombudsman dat hij op deze brief nimmer een reactie heeft ontvangen.
19.
In zijn verzoekschrift schrijft verzoeker dat hij gedwongen is zich tot de Nationale ombudsman te wenden, omdat het college slechts twee van de vijf items uit zijn klacht heeft afgehandeld.
Ook schrijft verzoeker gedwongen te zijn geweest om op 12 november 2008 een tweede klacht in te dienen over het niet beantwoorden van brieven, het laten verlopen van (fatale) termijnen en nepotisme van het college. De tweede klacht heeft betrekking op de aanvraag om bouwvergunning door verzoeker.
20.
Op 11 april 2008 vroeg verzoeker bouwvergunning aan voor de plaatsing van een tuinhuisje. Bij brief van 19 mei 2008 is verzoeker er op gewezen dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan en daarom wordt afgewezen. Wel is de bereidheid uitgesproken om in overleg met verzoeker te bezien in hoeverre het bestemmingsplan mogelijkheden biedt als het tuinhuisje moet voorzien in een noodzakelijke behoefte aan bergruimte. Tegen de afwijzende beslissing is op 9 juni 2008 een bezwaarschrift ingediend. Naar aanleiding van dit bezwaarschrift overweegt de Commissie voor bezwaarschriften in haar advies van 8 juli 2008 dat de bijgebouwenregeling niet van toepassing is, omdat het tuinhuisje als hoofdgebouw moet worden aangemerkt, maar dat zonder vrijstelling niet kan worden gebouwd. De commissie adviseert het college alsnog te bezien of vrijstelling kan worden verleend, omdat de motivering die ten grondslag lag aan de afwijzing van de bouwvergunning niet correct is. Uiteindelijk heeft het college, bij besluit van 16 januari 2009, besloten vast te houden aan de beslissing tot weigering van de afgifte van de bouwvergunning.
21.
Verzoeker stelt ten onrechte niet in de gelegenheid te zijn gesteld zijn aanvraag mondeling toe te lichten, ondanks zijn uitdrukkelijk verzoek daartoe. Ook had hij uit eerdere gesprekken met ambtenaren en de burgemeester begrepen dat een bouwvergunning voor een tuinhuisje als berging voor zijn aanhangwagen geen probleem zou zijn. Na de hoorzitting zou de betrokken ambtenaar een nieuw standpunt hebben verwoord en voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouders, maar zou de wethouder deze nieuwe zienswijze hebben overruled. Verzoeker stelt dat binnen de procedure diverse termijnen zijn overschreden en dat hij daarom op 12 november 2008 een nieuwe klacht heeft ingediend. Hierop heeft hij wel een ontvangstbevestiging gekregen, overigens geschreven door dezelfde ambtenaar die zijn vergunningaanvraag in behandeling had genomen, maar daarin is niet verwezen naar de formele van toepassing zijnde procedure. Omdat verzoeker op 12 januari 2009 nog steeds geen reactie op de klacht had ontvangen, wendde hij zich tot de Nationale ombudsman. Verzoeker stelt sterk het vermoeden te hebben dat de feitelijke grond van de beslissing van het college om geen medewerking te verlenen, gelegen is in het gegeven dat hij de eerste klacht heeft ingediend.
22.
Op 19 april 2010 schreef verzoeker de Nationale ombudsman dat het naar zijn mening om de volgende klachtformuleringen handelde:
‘Verzoeker klaagt met name over de in zijn ogen onduidelijke c.q. geen behandeling van correspondentie, gebrekkige communicatie en willekeurige besluitvorming, erger, doordat de burgemeester duidelijk stelling genomen heeft voor de belangen van B. en zijn eigen portfolio, puur nepotisme, werd verzoeker keer op keer met een kluitje in het riet gestuurd
Verzoeker klaagt specifiek over de burgemeester dat deze hem diverse pertinente onwaarheden vertelde en gedane toezeggingen niet is nagekomen. Hierdoor heeft de burgemeester het verloop van het proces opzettelijk vertraagd waardoor verzoeker onnodig lang met een zeer ongewenste situatie werd geconfronteerd, de spanningen tussen hem en B. steeds hoger opliepen waardoor verzoeker juridische ondersteuning heeft moeten inhuren waardoor hij, onnodig, met hele hoge kosten is opgezadeld.
De houding van de burgemeester had directe invloed op de houding van de ambtenaren en de betrokken wethouder, waardoor verzoeker overal binnen het ambtelijke apparaat tegen gesloten deuren aanliep, hij kreeg onjuiste/geen antwoorden, brieven werden niet in behandeling genomen, verzoeken werden genegeerd zelfs reeds aan verzoeker verleende vergunningen werden door de gemeente weer ter discussie gesteld.
De wethouder (op dat moment loco burgemeester in functie).ging zelfs zover dat ook zij pertinente leugens vertelde o.a. tijdens de hoorzitting 25 maart 2008.
Verzoeker klaagt erover dat als gevolg van het door B&W gemeente Voerendaal niet reageren op argumenten en brieven van verzoeker onzeker is geworden en zich juridisch heeft moeten laten bijstaan, verzoeker heeft zelfs een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Maastricht betreffende de onrechtmatigheid van het door B&W gemeente Voerendaal genomen besluiten. Verzoeker wordt hierdoor wederom geconfronteerd met zeer hoge kosten veroorzaakt door het gedrag van B&W (…).
Verzoeker klaagt over de willekeurige, niet professionele, niet op feiten gebaseerde wijze waarop B&W Voerendaal, geen of vaak veel te laat, en soms niet rechtmatige besluiten neemt.
Verzoeker klaagt dat hij zich, door bovenstaand gedrag van het college van B&W gemeente Voerendaal, gedwongen zag terug te treden als commissielid en om andere maatschappelijk organisaties waarbij verzoeker bestuurlijk betrokken was niet te benadelen (door de negatieve reactie die verzoeker persoonlijk keer op keer kreeg van B&W Voerendaal), terug te treden als bestuurder.’