Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.10.2
II.10.2 EVRM en IVBPR
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595121:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Stuckenberg 1998, p. 415; Henrion 2005a, p. 44-45.
Vgl. het report van het Committee on Legal and administrative questions d.d. 5 september 1949, zoals opgenomen in Robertson 1975-1985, vol. 1, p. 217. Zie over de (grote) invloed van de UVRM op de totstandkoming van het EVRM Partsch 1953, i.h.b. 643-644. Voorts kan worden gewezen op de preambule bij het EVRM: “Considering the Universal Declaration of Human Rights [...] [and] considering that this Declaration aims at securing the universal and effective recognition and observance of the Rights therein declared.”
Zie aanvankelijk de tekst in Robertson 1975-1985, vol. 2, p. 276, art. 2, sub 3 en zie voor hun definitieve formulering van de onschuldpresumptie het ontwerp van 7 februari 1950, Robertson 1975-1985, vol. 3, p. 222, art 3, sub 3c).
Robertson 1975-1985, vol. 3, p. 254-256. Vgl. over de discussie nader Bates 2010, p. 88 e.v.
Vgl. Robertson 1975-1985, vol. 3, p. 280, art. 8 lid 2.
Robertson 1975-1985, vol. 3, p. 290.
Zie nader Partsch 1953, p. 645 e.v.; Bates 2010 en in het bijzonder met betrekking tot de onschuldpresumptie Stuckenberg 1998, p. 415-416 en Stumer 2010, p. 96-97.
Vgl. de voorstellen genoemd in Bossuyt 1987, p. 291.
VN Doc. E/CN.4/SR.286.
VN Doc. E/CN.4/SR.156, par. 27-48. Zie over deze discussie uitgebreider Tophinke 2000, p. 52-53.
Bossuyt 1987, p. 292. Criminal verving penal en shall have the right to be verving has the right to be.
VN Doc. A/C.3/L.792; VN Doc. A/C.3/SR.967 par. 29; VN Doc. A/4299, par. 40, 56 en 63.
De aan vaststelling van het EVRM voorafgaande beraadslagingen bieden – voor zover zij openbaar gemaakt zijn – over de uitleg van de onschuldpresumptie door de Verdragsluitende Partijen amper handvatten.1 De eventuele opname van de onschuldpresumptie in het EVRM leidde nauwelijks tot discussie, nu van begin af aan één van de doelstellingen was om de mensenrechten uit de UVRM op juridisch bindende wijze te codificeren.2 Belangrijkste verandering bij de omzetting naar het EVRM is dat de overheveling naar een afzonderlijk lid 2 aan de onschuldpresumptie tekstueel gezien meer het karakter van recht in de procedure heeft gegeven dan Cassin met zijn voorstellen voor het uiteindelijke artikel 11 UVRM vermoedelijk voor ogen had. Zijn formulering duidde meer op een recht op of tot en met die procedure.
Dat verschil is bij de totstandkoming van het EVRM echter onbenoemd gebleven. Ook de inhoudelijke betekenisverschillen die daarmee samenhangen, kwamen niet aan de oppervlakte. De discussie richtte zich vooral op de vraag of het EVRM moest bestaan uit een simpele opsomming van algemene mensenrechten of een gedetailleerde definiëring van die rechten moest behelzen. Dit had tot gevolg dat twee varianten (A en B) van het Verdrag tot stand kwamen. In variant A werd de onschuldpresumptie letterlijk uit de UVRM overgenomen.3 Vooral de vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk maakte zich echter sterk voor een B-variant, waarbij in een scherpere definitie van de rechten in het verdrag zou worden voorzien.4 Zijn voorstel had al veel weg van het huidige artikel 6 EVRM, met dien verstande dat de onschuldpresumptie daarin nog, zoals in de UVRM, een funderend beginsel was voor de rechten van de verdediging en niet één van die rechten, waarop de uiteindelijke formulering van artikel 6 meer duidt. Het huidige artikel 6 lid 3 vormde onderdeel van lid 2 en was ingevoegd na de onschuldpresumptie.5 Al snel werden echter de verdedigingsrechten overgeheveld naar lid 3,6 waarbij het tweede lid diens de rechten uit het derde lid funderende functie verloor. In grote lijnen vormde deze B-variant het uiteindelijke artikel 6 EVRM, zoals vastgelegd in 1950.7
Bij aanvaarding van de UVRM had de Algemene Vergadering van de VN de Mensenrechtencommissie intussen uitgenodigd haar werk aan een mensenrechtenverdrag voort te zetten. Diverse voorstellen tot een dergelijk verdrag bevatten het vermoeden van onschuld.8 In de vijfde bijeenkomst van de mensenrechtencommissie werd de onschuldpresumptie ingevoegd aan het begin van het tweede lid van de bepaling die zag op het recht op een eerlijk proces:
“2. Everyone charged with a penal offence has the right to be presumed innocent until proved guilty according to law. In the determination of any criminal charge against him, every one is entitled to the following minimum guarantees [...]”.9
Hoewel de gekozen woorden nauw aansluiten bij die van de UVRM, is daarin de betekenis van de onschuldpresumptie als het proces funderend beginsel aanzienlijk verminderd.
Een in de zesde sessie verworpen voorstel van de Filippijnse vertegenwoordiger om na guilty de woorden “beyond reasonable doubt” op te nemen en de daaraan voorafgaande discussie, illustreren dat over precieze reikwijdte van de onschuldpresumptie aan het begin jaren ’50 geen overeenstemming bestond. Sommige leden van de commissie vonden de eis van bewijs beyond reasonable doubt een Angelsaksische eigenheid die naast de presumptie van onschuld bestaat en andere landen niet moet worden opgedrongen. Zij benadrukten de ‘open houding’ die de onschuldpresumptie van de autoriteiten, en dan met name van de zittingsrechter, vergt en zetten de onschuldpresumptie overwegend in de sleutel van het verbod op vooringenomenheid. Anderen zagen daarentegen de onschuldpresumptie als een bewijsbeginsel dat een verzwaarde bewijsmaatstaf in strafzaken voorschrijft en beschouwden de voorgestelde toevoeging om die reden als overbodig.10
Behoudens enkele kleine aanpassingen11 werd het voorstel uit de vijfde sessie opgenomen in het ontwerpverdrag zoals door de Mensenrechtencommissie in 1954 voorgelegd aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Pas in 1959 kreeg de bepaling over een eerlijk proces definitief vorm. Het derde comité van de Algemene Vergadering achtte de presumptie van onschuld van zodanig belang dat het besloot haar definitief los te maken van de andere specifieke rechten die voor een eerlijk strafproces noodzakelijk zijn.12 Dat betekende echter ook dat de dat proces funderende betekenis van het principe uit de tekst van ook het IVBPR geheel verdween. De presumptie van onschuld kreeg in 1966 definitief een eigen plek in lid 2 van artikel 14 IVBPR. Met de vaststelling van dit inmiddels door 167 landen geratificeerde verdrag, behoort de onschuldpresumptie definitief tot de mondiale mensenrechten.