Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 27-03-2025, nr. C-57/24
ECLI:EU:C:2025:217
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
27-03-2025
- Magistraten
N. Jääskinen, A. Arabadjiev, R. Frendo
- Zaaknummer
C-57/24
- Roepnaam
Ławida
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:217, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 27‑03‑2025
Uitspraak 27‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Maatregelen betreffende het erfrecht — Verordening (EU) nr. 650/2012 — Artikel 13 — Bevoegdheid van het gerecht van de gewone verblijfplaats van de erfgenaam — Niet-tijdige verklaring houdende verwerping van de nalatenschap van een erflater die zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat had, door een erfgenaam met gewone verblijfplaats in een andere lidstaat
N. Jääskinen, A. Arabadjiev, R. Frendo
Partij(en)
In zaak C-57/24 [Ławida] i.,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Gliwicach (rechter in tweede aanleg Gliwice, Polen) bij beslissing van 24 oktober 2023, ingekomen bij het Hof op 26 januari 2024, in de procedure ingeleid door
BA, met als wettelijke vertegenwoordiger BR,
in tegenwoordigheid van:
EQ, met als wettelijke vertegenwoordiger XK,
CJ, met als wettelijke vertegenwoordiger XK,
LF,
AA, met als wettelijke vertegenwoordiger TB,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: N. Jääskinen (rapporteur), kamerpresident, A. Arabadjiev en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en S. Żyrek als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door A. Pagáčová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en W. Wils als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure die door BA, een minderjarige met gewone verblijfplaats in Polen en als wettelijke vertegenwoordiger BR, is ingesteld om te worden bevrijd van de rechtsgevolgen van het verzuim om binnen de gestelde termijn een verklaring af te leggen houdende verwerping van de nalatenschap van ZJ, een overleden familielid met gewone verblijfplaats in Duitsland.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 7 en 32 van verordening nr. 650/2012 luiden:
- ‘(7)
De goede werking van de interne markt moet worden vergemakkelijkt door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die thans moeilijkheden ondervinden om hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen. In de Europese justitiële ruimte moeten burgers op voorhand hun erfopvolging kunnen organiseren. De rechten van erfgenamen en legatarissen, van andere personen die de erflater na staan en van schuldeisers van de nalatenschap moeten daadwerkelijk worden gegarandeerd.
[…]
- (32)
Ten behoeve van de erfgenamen en legatarissen met gewone verblijfplaats in een andere lidstaat dan die waar de erfopvolging wordt of zal worden behandeld, moet in deze verordening worden bepaald dat eenieder die volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht een verklaring houdende aanvaarding of verwerping van de nalatenschap, van een legaat of van een wettelijk erfdeel, of houdende beperking van zijn aansprakelijkheid voor de schulden van de nalatenschap kan afleggen, deze verklaring kan afleggen voor de gerechten van de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats, in de bij het recht van die lidstaat voorgeschreven vorm. Dit mag niet beletten dat dergelijke verklaringen kunnen worden afgelegd voor andere autoriteiten in die lidstaat die krachtens het nationaal recht bevoegd zijn om verklaringen te ontvangen. Wie gebruik wil maken van de mogelijkheid verklaringen af te leggen in de lidstaat van de gewone verblijfplaats, moet het gerecht [dat] of de autoriteit die de erfopvolging behandelt, binnen de termijn die in het op de erfopvolging toepasselijke recht is bepaald, ervan in kennis stellen dat dergelijke verklaringen bestaan.’
4
Artikel 4 van die verordening, met als opschrift ‘Algemene bevoegdheid’, bepaalt:
‘De gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, zijn bevoegd om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel.’
5
Hoofdstuk II (‘Bevoegdheid’) van die verordening omvat de artikelen 4 tot en met 19. Artikel 13 van die verordening, met als opschrift ‘Aanvaarding of verwerping van de nalatenschap, een legaat of een wettelijk erfdeel’, luidt:
‘Naast het gerecht dat overeenkomstig deze verordening bevoegd is om uitspraak over de erfopvolging te doen, zijn de gerechten in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van eenieder die krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht voor een gerecht een verklaring kan afleggen betreffende de aanvaarding of verwerping van een nalatenschap, een legaat of een wettelijk erfdeel, of een verklaring mag afleggen die als doel heeft zijn aansprakelijkheid te beperken ten aanzien van de schulden van de nalatenschap, bevoegd om dergelijke verklaringen in ontvangst te nemen, indien deze verklaringen volgens het recht van die lidstaat in rechte mogen worden afgelegd.’
6
Artikel 15 van verordening nr. 650/2012, met als opschrift ‘Toetsing van de bevoegdheid’, luidt:
‘Indien bij een gerecht van een lidstaat een erfrechtzaak aanhangig is gemaakt, waarvoor het volgens deze verordening niet bevoegd is, verklaart het zich ambtshalve onbevoegd.’
7
Artikel 21 van die verordening draagt het opschrift ‘Algemene regel’ en bepaalt in lid 1:
‘Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is op de erfopvolging in haar geheel het recht van de staat van toepassing, waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had.’
8
Artikel 23 (‘Toepassingsgebied van het toepasselijke recht’) van die verordening bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Het krachtens artikel 21 of artikel 22 aangewezen recht beheerst de vererving van de gehele nalatenschap.
- 2.
Dit recht regelt in het bijzonder:
[…]
- e)
de overgang op en de overdracht aan de erfgenamen en, naargelang van het geval, de legatarissen van de goederen, [van] rechten en verplichtingen die de nalatenschap vormen, met inbegrip van de voorwaarden en de gevolgen van de aanvaarding of verwerping van de nalatenschap of van een legaat’.
9
Hoofdstuk III (‘Toepasselijk recht’) van verordening nr. 650/2012 omvat de artikelen 20 tot en met 38. Artikel 28 van die verordening, met als opschrift ‘Formele geldigheid van de verklaring van aanvaarding of verwerping’, bepaalt:
‘Een verklaring houdende aanvaarding of verwerping van de nalatenschap, van een legaat, of van een wettelijk erfdeel, of een verklaring tot beperking van de eigen aansprakelijkheid, is naar vorm geldig indien zij voldoet aan de voorschriften van:
- a)
het overeenkomstig artikel 21 of artikel 22 op de erfopvolging toepasselijke recht, of
- b)
het recht van de staat waar degene die de verklaring aflegt zijn gewone verblijfplaats heeft.’
Pools recht
Burgerlijk wetboek
10
Artikel 1012 van de ustawa — Kodeks cywilny (wet tot vaststelling van het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz. U. nr. 16, volgnr. 93), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: ‘burgerlijk wetboek’), bepaalt dat de erfgenaam ofwel de nalatenschap kan aanvaarden zonder beperking van zijn aansprakelijkheid voor de schulden van de erflater (zuivere aanvaarding), ofwel de nalatenschap kan aanvaarden met beperking van die aansprakelijkheid (beneficiaire aanvaarding), ofwel de nalatenschap kan verwerpen.
11
Op grond van artikel 1015 van dat wetboek kan een verklaring houdende aanvaarding of verwerping van de nalatenschap worden afgelegd binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop de erfgenaam kennis heeft gekregen van de titel uit hoofde waarvan hij tot de nalatenschap is geroepen. Indien de erfgenaam verzuimt binnen die termijn een verklaring af te leggen, wordt de nalatenschap geacht beneficiair te zijn aanvaard.
12
Artikel 1018, lid 1, van het burgerlijk wetboek bepaalt dat een verklaring houdende aanvaarding of verwerping van de nalatenschap die is afgelegd onder voorwaarden of onder voorbehoud van een termijn nietig is. De leden 2 en 3 van artikel 1018 bepalen respectievelijk dat een dergelijke verklaring niet kan worden herroepen en dat zij voor een rechter of een notaris dient te worden afgelegd.
13
Artikel 1019, lid 1, van het burgerlijk wetboek schrijft voor:
‘Indien de verklaring houdende aanvaarding of verwerping van de nalatenschap per vergissing of na een dreigement is afgelegd, zijn op die verklaring de bepalingen inzake gebrekkige wilsverklaringen van toepassing, behoudens het volgende:
- 1)
de niet-aanvaarding van de rechtsgevolgen van de verklaring dient in rechte te geschieden;
- 2)
de erfgenaam dient tegelijkertijd te verklaren of en hoe hij de nalatenschap aanvaardt, dan wel dat hij deze verwerpt.’
14
Een erfgenaam die door een vergissing of dreigement niet binnen de gestelde termijn een verklaring van aanvaarding of verwerping van de nalatenschap heeft afgelegd kan krachtens artikel 1019, lid 2, van het burgerlijk wetboek ontkomen aan de rechtsgevolgen van de niet-inachtneming van die termijn, mits voldaan is aan de voorwaarden van lid 1 van dat artikel.
15
Volgens artikel 1019, lid 3, van het burgerlijk wetboek dient de niet-aanvaarding van de rechtsgevolgen van een verklaring van aanvaarding of verwerping van de nalatenschap in rechte te worden bekrachtigd.
Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
16
Artikel 628 van de ustawa — Kodeks postępowania cywilnego (wet tot vaststelling van het wetboek burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz. U. van 1964, nr. 43, volgnr. 296), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalt dat het bevoegde gerecht op het gebied van erfopvolging het gerecht is van de laatste gewone verblijfplaats van de erflater en, indien diens gewone verblijfplaats in Polen niet kan worden vastgesteld, het gerecht van de plaats waar de nalatenschap of het betrokken deel van de nalatenschap zich bevindt. Bij gebreke van dergelijke gronden berust de bevoegdheid op het gebied van erfopvolging bij de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen).
17
Artikel 640 van dat wetboek bepaalt dat een verklaring houdende zuivere aanvaarding, beneficiaire aanvaarding of verwerping van de nalatenschap kan worden afgelegd voor de notaris of voor de Sąd Rejonowy (rechter in eerste aanleg, Polen) in wiens rechtsgebied de woon- of verblijfplaats van de degene die de verklaring aflegt gelegen is. Ingeval de Poolse gerechten bevoegd zijn, zendt deze notaris of deze rechter die verklaring samen met de bijlagen onverwijld toe aan het gerecht waarbij de procedure op het gebied van erfopvolging aanhangig moet worden gemaakt. Dergelijke verklaringen kunnen bij die rechter ook worden afgelegd tijdens de procedure tot vaststelling van de erfrechten.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
18
BA, verzoekster in het hoofdgeding, is een minderjarige die in Polen verblijft. Zij is een familielid van ZJ, die is overleden in Duitsland, het land waar deze zijn gewone verblijfplaats had.
19
Omdat BR, haar wettelijke vertegenwoordiger, de verklaring houdende verwerping van de nalatenschap van ZJ niet heeft afgelegd vanwege een foute berekening van de termijn om die verklaring af te leggen, heeft BA bij monde van BR de Sąd Rejonowy w Gliwicach (rechter in eerste aanleg Gliwice, Polen) verzocht haar niet-aanvaarding van de rechtsgevolgen van dat verzuim te bekrachtigen.
20
Nadat dit verzoek tot bekrachtiging door die rechter was afgewezen, heeft BA tegen die afwijzing hoger beroep ingesteld bij de Sąd Okręgowy w Gliwicach (rechter in tweede aanleg Gliwice, Polen), de verwijzende rechter.
21
De verwijzende rechter vraagt zich af of de in artikel 13 van verordening nr. 650/2012 neergelegde bevoegdheid van de gerechten in de lidstaat waar een persoon zijn gewone verblijfplaats heeft om over te gaan tot inontvangstneming van een verklaring van die persoon betreffende de aanvaarding of verwerping van een nalatenschap, een legaat of een wettelijk erfdeel, of een verklaring die als doel heeft zijn aansprakelijkheid te beperken ten aanzien van de schulden van de nalatenschap, ook situaties bestrijkt waarin een nationale rechter wordt verzocht de niet-aanvaarding van de rechtsgevolgen van het verzuim om een dergelijke verklaring binnen de gestelde termijn af te leggen, te bekrachtigen.
22
Zijns inziens leidt een strikte uitlegging van het in dat artikel opgenomen begrip ‘inontvangstneming’ van de verklaring tot de conclusie dat de gerechten in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van degene die de verklaring van verwerping van de nalatenschap heeft afgelegd, alleen bevoegd zijn om dergelijke verklaringen in ontvangst te nemen. Bijgevolg ziet artikel 13 van die verordening niet op situaties waarin een erfgenaam een dergelijk gerecht verzoekt om bekrachtiging van zijn niet-aanvaarding van de rechtsgevolgen van het verzuim om de verklaring van verwerping van de nalatenschap binnen de gestelde termijn af te leggen. De verwijzende rechter merkt op dat uit die strikte uitlegging van artikel 13 van verordening nr. 650/2012 volgt dat hij in casu niet bevoegd is om de niet-aanvaarding door BA van de rechtsgevolgen van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verzuim te bekrachtigen en dat uitsluitend de in artikel 4 van die verordening bedoelde gerechten, te weten in casu de Duitse gerechten, daartoe bevoegd zijn.
23
Volgens de verwijzende rechter is dat standpunt verdedigd door advocaat-generaal Szpunar, die in zijn conclusie van 20 januari 2022 in zaak C-617/20 tot de slotsom is gekomen dat artikel 13 van verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is wanneer het gerecht, willen de in dat artikel bedoelde verklaringen bepaalde rechtsgevolgen teweegbrengen waarin het op de erfopvolging toepasselijke recht voorziet, maatregelen moet nemen die verder gaan dan louter het in ontvangst nemen van dergelijke verklaringen, zoals het geven van een beslissing of het inleiden van een andere procedure dan de procedure van erfopvolging [conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak T.N. en N.N. (Verklaring van verwerping van de nalatenschap), C-617/20, EU:C:2022:49, punten 38 en 39).
24
Onder verwijzing naar het arrest van 21 juni 2018, Oberle (C-20/17, EU:C:2018:485, punt 42), merkt de verwijzende rechter echter op dat dit artikel 13, gelezen in samenhang met overweging 32 van verordening nr. 650/2012, ertoe strekt de gang van zaken voor erfgenamen en legatarissen te vereenvoudigen door te voorzien in een afwijking van de bevoegdheidsregels in de artikelen 4 tot en met 11 van die verordening. Een snelle, soepele en efficiënte behandeling van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen in de Europese Unie impliceert bovendien dat de erfgenamen eenvoudig hun rechtspositie en/of rechten en bevoegdheden moeten kunnen aantonen. De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of het bevoegdheidsgebied van het in artikel 13 van verordening nr. 650/2012 bedoelde gerecht kan worden geacht niet alleen de maatregelen te bestrijken die verband houden met het in ontvangst nemen van de in die bepaling bedoelde verklaring, maar ook andere handelingen van dat gerecht die in een procedure van erfopvolging worden vastgesteld, daaronder begrepen de bekrachtiging door dat gerecht van het feit dat de erfgenaam de rechtsgevolgen van het verzuim om de verklaring van verwerping van de nalatenschap binnen de gestelde termijn af te leggen, niet aanvaardt.
25
Die uitlegging strookt bovendien met de doelstelling van verordening nr. 650/2012, die — zoals blijkt uit overweging 7 ervan — erin bestaat de goede werking van de interne markt te vergemakkelijken door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die hun rechten willen doen gelden die voortspruiten uit een grensoverschrijdende nalatenschap.
26
In die omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Gliwicach de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet artikel 13 van verordening [nr. 650/2012] aldus worden uitgelegd dat deze bepaling niet van toepassing is in een situatie waarin een verklaring van verwerping van een nalatenschap slechts rechtsgevolgen in het leven roept indien deze niet alleen in ontvangst wordt genomen, maar — volgens het recht van de lidstaat waarin degene die haar aflegt zijn gewone verblijfplaats heeft — tevens moet worden bekrachtigd door de rechter, bijvoorbeeld wanneer de verklaring is afgelegd na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
27
Met zijn enige prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13 van verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat de gerechten in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van een persoon die weigert om de rechtsgevolgen te aanvaarden van het verzuim om binnen de gestelde termijn een verklaring van verwerping van een nalatenschap af te leggen, bevoegd zijn om die niet-aanvaarding te bekrachtigen.
28
Vooraf zij erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel vereisen dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten, in de regel in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, niet alleen rekening houdend met de bewoordingen van de bepaling, maar ook met de context van deze bepaling en de doelstelling van de betrokken regeling [arrest van 2 juni 2022, T.N. en N.N. (Verklaring van verwerping van de nalatenschap), C-617/20, EU:C:2022:426, punt 35].
29
Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 13 van verordening nr. 650/2012 betreft, zij eraan herinnerd dat dit artikel bepaalt dat, naast het gerecht dat overeenkomstig die verordening bevoegd is om uitspraak over de erfopvolging te doen, de gerechten in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van eenieder die krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht voor een gerecht een verklaring kan afleggen betreffende de aanvaarding of verwerping van een nalatenschap, een legaat of een wettelijk erfdeel, of een verklaring mag afleggen die als doel heeft zijn aansprakelijkheid te beperken ten aanzien van de schulden van de nalatenschap, bevoegd zijn om dergelijke verklaringen in ontvangst te nemen.
30
Artikel 13 van verordening nr. 650/2012 voorziet dus in een alternatieve bevoegde rechter, met als doel om erfgenamen die hun gewone verblijfplaats niet hebben in de lidstaat waarvan de gerechten overeenkomstig de algemene regels van de artikelen 4 tot en met 11 van verordening nr. 650/2012 bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging, in staat te stellen hun verklaringen betreffende de aanvaarding of verwerping van de nalatenschap af te leggen voor een gerecht van de lidstaat waar zij hun gewone verblijfplaats hebben [arrest van 2 juni 2022, T.N. en N.N. (Verklaring van verwerping van de nalatenschap), C-617/20, EU:C:2022:426, punt 37].
31
Uit de bewoordingen van artikel 13 van verordening nr. 650/2012 blijkt ook dat de gerechten van de lidstaat waar de erfgenaam zijn gewone verblijfplaats heeft, alleen bevoegd zijn om dergelijke verklaringen ‘in ontvangst te nemen’ (zie in die zin arrest van 21 juni 2018, Oberle, C-20/17, EU:C:2018:485, punt 41).
32
Derhalve ziet artikel 13 niet op de bevoegdheid van die gerechten om over te gaan tot bekrachtiging van de weigering van de erfgenaam om de rechtsgevolgen te aanvaarden van het verzuim om binnen de gestelde termijn de verklaring van verwerping van de nalatenschap af te leggen.
33
Wat in de tweede plaats de context van artikel 13 van verordening nr. 650/2012 betreft, dient eraan te worden herinnerd dat die bepaling deel uitmaakt van hoofdstuk II van die verordening, dat alle gronden voor rechterlijke bevoegdheid in erfrechtzaken regelt [zie in die zin arrest van 2 juni 2022, T.N. en N.N. (Verklaring van verwerping van de nalatenschap), C-617/20, EU:C:2022:426, punt 36].
34
De uit artikel 13 voortvloeiende regel van rechterlijke bevoegdheid, zoals vermeld in punt 30 van het onderhavige arrest, wordt aangevuld door een conflictregel in artikel 28 van verordening nr. 650/2012, dat deel uitmaakt van hoofdstuk III betreffende het toepasselijke recht, en dat specifiek de formele geldigheid van onder meer verklaringen betreffende de verwerping van de nalatenschap regelt. In dat verband zij erop gewezen dat die verklaringen naar vorm geldig zijn indien zij, overeenkomstig het bepaalde onder a), voldoen aan de voorschriften van het op de erfopvolging toepasselijke recht (lex successionis) of, overeenkomstig het bepaalde onder b), voldoen aan de voorschriften van het recht van de staat waar degene die de verklaring aflegt, zijn gewone verblijfplaats heeft [arrest van 2 juni 2022, T.N. en N.N. (Verklaring van verwerping van de nalatenschap), C-617/20, EU:C:2022:426, punt 38].
35
Uit artikel 13 juncto artikel 28 van verordening nr. 650/2012 blijkt dat er een nauw verband bestaat tussen deze twee bepalingen, zodat de bevoegdheid van de gerechten in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van de erfgenaam om verklaringen van verwerping van een nalatenschap in ontvangst te nemen, afhankelijk is van de voorwaarde dat het in die staat geldende erfrecht voorziet in de mogelijkheid om in rechte een dergelijke verklaring af te leggen [zie in die zin arrest van 2 juni 2022, T.N. en N.N. (Verklaring van verwerping van de nalatenschap), C-617/20, EU:C:2022:426, punt 40].
36
Betreffende in het bijzonder een rechterlijke beslissing als die waarom verzoekster in het hoofdgeding heeft verzocht, namelijk een rechterlijke beslissing houdende bekrachtiging van de weigering van de erfgenaam om de rechtsgevolgen te aanvaarden van het verzuim om binnen de gestelde termijn een verklaring van verwerping van de nalatenschap af te leggen waarin is voorzien in het in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van die erfgenaam geldende erfrecht, moet er ten eerste op worden gewezen dat artikel 28 van verordening nr. 650/2012 is bedoeld om de geldigheid van de in dat artikel bedoelde verklaringen te erkennen wanneer met name aan de voorwaarden van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van degene die de verklaring aflegt is voldaan, mits dat recht van toepassing is [zie in die zin arrest van 2 juni 2022, T.N. en N.N. (Verklaring van verwerping van de nalatenschap), C-617/20, EU:C:2022:426, punt 39]. Ten tweede vormt een dergelijke rechterlijke beslissing houdende bekrachtiging kennelijk geen handeling tot inontvangstneming van een verklaring als bedoeld in artikel 13 van die verordening en valt zij dus niet binnen de werkingssfeer van dat artikel.
37
In de derde plaats vindt die uitlegging steun in de doelstellingen van verordening nr. 650/2012. Die verordening beoogt volgens overweging 7 ervan immers de goede werking van de interne markt te vergemakkelijken door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die hun rechten willen doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen. Die overweging luidt met name dat de rechten van erfgenamen en legatarissen, van andere personen die de erflater na staan en van schuldeisers van de nalatenschap in de Europese justitiële ruimte daadwerkelijk moeten worden gegarandeerd [arrest van 2 juni 2022, T.N. en N.N. (Verklaring van verwerping van de nalatenschap), C-617/20, EU:C:2022:426, punt 42].
38
Dienaangaande volgt uit de rechtspraak van het Hof dat artikel 13 van verordening nr. 650/2012, gelezen in het licht van overweging 32 ervan, volgens welke die bepaling is ingevoerd ten behoeve van de erfgenamen en legatarissen met gewone verblijfplaats in een andere lidstaat dan die waar de erfopvolging wordt of zal worden behandeld, ertoe strekt de gang van zaken voor erfgenamen en legatarissen te vereenvoudigen door te voorzien in een afwijking van de bevoegdheidsregels in de artikelen 4 tot en met 11 van die verordening [arrest van 2 juni 2022, T.N. en N.N. (Verklaring van verwerping van de nalatenschap), C-617/20, EU:C:2022:426, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
39
Zoals vermeld in punt 30 van het onderhavige arrest, heeft de Uniewetgever met het oog op die doelstelling voor de gerechten in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van onder meer personen die een verklaring van verwerping van de nalatenschap afleggen, in artikel 13 van verordening nr. 650/2012 voorzien in een aanvullende bevoegdheid, naast de in de artikelen 4 tot en met 11 bedoelde bevoegdheden, om een dergelijke verklaring in ontvangst te nemen.
40
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt evenwel dat de in artikel 13 van verordening nr. 650/2012 bedoelde rechterlijke bevoegdheid beperkt is en dus niet de situatie kan bestrijken waarin het gerecht, willen de in dat artikel bedoelde verklaringen bepaalde rechtsgevolgen teweegbrengen waarin het op de erfopvolging toepasselijke recht voorziet, maatregelen moet nemen die verder gaan dan louter het in ontvangst nemen van dergelijke verklaringen, zoals bijvoorbeeld het geven van een beslissing of het inleiden van een andere procedure dan de procedure van erfopvolging [zie naar analogie arrest van 2 juni 2022, T.N. en N.N. (Verklaring van verwerping van de nalatenschap), C-617/20, EU:C:2022:426, punt 44].
41
Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 13 van verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat de gerechten in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van een persoon die weigert de rechtsgevolgen te aanvaarden van het verzuim om binnen de gestelde termijn een verklaring van verwerping van een nalatenschap af te leggen, niet bevoegd zijn om die niet-aanvaarding te bekrachtigen.
Kosten
42
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 13 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring
moet aldus worden uitgelegd dat
de gerechten in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van een persoon die weigert de rechtsgevolgen te aanvaarden van het verzuim om binnen de gestelde termijn een verklaring van verwerping van een nalatenschap af te leggen, niet bevoegd zijn om die niet-aanvaarding te bekrachtigen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑03‑2025
Procestaal: Pools