Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/6.2
6.2 Woord vooraf over theoretische inbedding rechtvaardigings- en disculpatiegronden in art. 6:162 BW
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS346113:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een dergelijke benadering kan o.a. worden aangetroffen bij Smits 1938 en Van Dunné 2004, p. 207, 208.
Zie Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 617; vgl. Sieburgh 2000, p. 67 die vooral t.a.v. de categorie inbreuk op een recht de rechtvaardigingsgrond als een rem op een te vergaande aansprakelijkheid beschouwt. Vgl. de functie van de wederrechtelijkheid in de strafrechtelijke systematiek als aansprakelijkheidsvoorwaarde. De memorie van antwoord bij het Wetboek van Strafvordering van 1926 stelde bij wijze van uitgangspunt ‘dat onder strafbaar feit wordt verstaan een naar de wettelijke omschrijving strafbaar feit. Is dit aanwezig, dan worden toerekenbaarheid en onrechtmatigheid verondersteld, doch blijkt van afwezigheid van een van beide, dan verliest het feit zijn strafbaar karakter (…) ten aanzien van dengene, die zonder schuld of onrechtmatigheid handelde’ (cursivering AK); aangehaald in A.J. Blok en L. Ch. Besier, Het Nederlandse Strafproces, II, Haarlem: Tjeenk Willink 1925, p. 181. Zie De Hullu 2018, p. 194-195.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015, nr. 57 die spreken van bijzondere regels van ongeschreven recht en rechtsnormen.
Vgl. Sieburgh 2000, p. 77 doe opmerkt dat hoewel een norm van ongeschreven recht inderdaad toegesneden is op een gegeven casus, dit niet wegneemt dat deze een algemeen karakter heeft.
Fluïde is wellicht een betere aanduiding.
Dit toont zich ook bij de normen die in het vorige hoofdstuk zijn geïdentificeerd buiten de door de Hoge Raad toegepaste Beklamel-norm om (dus zonder de eis van onverhaalbaarheid van de uit wanprestatie van de vennootschap voortvloeiende schadevergoedingsvordering). De invloed van maatschappelijke belangen op de invulling van de zorgvuldigheidsnorm wordt hierna besproken.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/104 met een verwijzing naar auteurs die deze opvatting aanhangen. Dit zijn o.a. Wolfsbergen 1946, p. 11 e.v.; Van Dunné 1979, p. 208 e.v. en Van Dam 1989, nr. 140.
Pleitbezorgers hiervan zijn o.a. Nieuwenhuis 1988, p. 1 e.v; Brunner 1991, p. 1624 e.v.; Sieburgh 2000, p. 90 e.v.
Vgl. hiervoor paragraaf 2.3.2.5.
Zie Asser/Scholten 1945, p. 115: (…) schuld en onrechtmatigheid te vereenzelvigen wekt niets dan verwarring; schijnbaar vereenvoudigt men, doch in waarheid blijven alle vragen, die vóór de vereenzelviging rezen en maakt de eenvoudige terminologie de beantwoording slechts bezwaarlijker’. Zie ook Drion 1947 p. 245.
Kelk 2010, p. 267; Bogert 2005, p. 45. Het ontnemen van het onrechtmatige karakter van een gedraging door middel van een rechtvaardigingsgrond zal in de beleving van de dader verschillen van de situatie waarin zijn verwijtbaarheid ontbreekt ten aanzien van een gedraging die zijn onrechtmatigheid behoudt. Zie voor een conceptuele verhandeling Gardner 2007. Het onderscheid tussen rechtvaardigingsgronden en schulduitsluitingsgronden is ook gerelativeerd in de strafrechtelijke doctrine. Zie De Hullu 2018, p. 298-299 met verdere verwijzingen.
Sieburgh 2000, p. 86-88. Het gevolg hiervan is volgens de auteur dat zorgvuldigheidsnormen niet algemeen toepasbaar zijn, in die zin dat zij normen van zorgvuldigheid vormen die voor eenieder gelden. In Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015, nr. 74 stelt zij dat hoewel het opzet in de gedragsnorm kan worden betrokken, het bij het fomuleren van de zorgvuldigheidsnorm niet van belang is of de concrete dader opzettelijk handelt ‘maar of het in het algemeen ofwel in strijd is met de wet ofwel met de zorgvuldigheid’ om iets te doen of na te laten. Het opzet van de concrete dader zou dan pas bij de vraag naar de toerekenbaarheid aan de orde komen omdat het betrekking heeft op de persoonlijke kenmerken van de dader. De auteur lijkt hier opzet en verwijt te vereenzelvigen. Dat is onterecht, want het is mogelijk om opzettelijk doch niet verwijtbaar te handelen. Zie hierna.
Strik 2010, p. 48-49. Binnen de systematiek van de onrechtmatige daad waarin onrechtmatigheid en toerekenbaarheid een afgescheiden beoordeling toekomt, zou volgens haar idealiter de Beklamel-norm moeten luiden ‘een bestuurder dient er zorg voor te dragen dat hij namens de vennootschap geen verplichtingen aangaat die de vennootschap niet kan nakomen’. Vervolgens zou volgend op de objectieve vaststelling van deze voorwaarde de toerekenbaarheid (in de vorm van verwijt) beoordeeld dienen te worden waarin de wetenschap en het ‘behoren te weten’ van de dader een centrale plaats innemen.
Zie tevens Jansen 2007. Van Boom 2001, p. 340 heeft bovendien gewezen op het (doorgaans) als constitutief opererende element van kennis bij betamelijkheidsnormen. Zie hierna met betrekking tot de Beklamel-norm.
Als iemand weet dat zijn handelen schadelijke gevolgen heeft, dan kan en behoort hij dat dikwijls ook te vermijden. Zie Vellinga 1983, p. 130 die stelt dat wanneer iemand willens en wetens een strafbaar feit pleegt hij in de regel wordt geacht zich anders te hebben kunnen gedragen.
Noyon/Langemijer/Remmelink, aant. 5.1 onder Schuld in het algemeen. vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV, 2015/99 waarin de constatering dat in het strafrecht ondanks het bewijs van het opzet de aansprakelijkheid ontbreekt omdat de dader geen verwijt kan worden gemaakt een ‘opmerkelijk fenomeen’ wordt genoemd.
De constatering van De Valk 2009, p. 444 dat met de vervulling van de aansprakelijkheidsvoorwaarden van de Beklamel-norm weinig tot geen ruimte overblijft voor een disculpatieverweer, is dan ook onvoldoende genuanceerd.
Dergelijke zorgvuldigheidsnormen zijn vergelijkbaar met delicten waarin de culpa als bestanddeel is opgenomen. ‘(…) Gebrek aan het noodige nadenken, aan de noodige kennis of aan het noodige beleid, ziedaar het wezen van alle schuld’, aldus Modderman, zie Smidt I, p. 84. Volgens De Hullu (2018, p. 265) ‘komt in deze omschrijving het verwijt, het normatieve oordeel dat in de vaststelling van culpa besloten ligt, duidelijk naar voren (‘behoren’, ‘gebrek’)’.
In het vorige hoofdstuk is opgemerkt dat deze benadering te verklaren is door de taakopvatting van de bestuurder die in relatie tot informatie met betrekking tot de financiële staat van de onderneming – en naarmate de financiële stabiliteit van de onderneming afneemt met name jegens de schuldeisers– als fundamenteel wordt bestempeld. Zie paragraaf 5.6.2.
Zie hierna in paragraaf 6.9 voor de nadere uitwerking van de verontschuldigbaarheid.
Voordat de toepassing van de omschreven rechtvaardigings- en disculpatiegronden bij de Beklamel-norm wordt besproken, is omwille van hun theoretische plaatsbepaling een opmerking over de systematiek van de onrechtmatige daad op zijn plaats. De vraag kan immers rijzen of een oordeel over een rechtvaardigings- of disculpatiegrond niet reeds besloten ligt in de toepassing van de zorgvuldigheidsnorm en om die reden als onderdeel ervan behandeld dient te worden in plaats van – zoals in dit hoofdstuk – afzonderlijk.1 Eenvoudiger gesteld is de vraag of het nog zinvol is aandacht te besteden aan omstandigheden die de bestuurder kunnen disculperen dan wel zijn gedrag kunnen rechtvaardigen indien reeds is vastgesteld dat hij een zorgvuldigheidsnorm heeft overtreden. Hierover merk ik het volgende op.
Voor rechtvaardigingsgronden geldt dat zij zich het sterkst laten gelden bij de onrechtmatigheidscategorieën schending van een wettelijk voorschrift en inbreuk op een recht. Dat is deels te verklaren door de aard van het onrecht dat bestaat uit (doorgaans) vooraf bepaalde en gegeneraliseerde verbods- of gebodsnormen waarvan de schending in het algemeen tot ongeoorloofd gedrag leidt.2 Dat het plegen van een bepaalde gedraging in het algemeen tot onrecht leidt, laat immers onverlet dat er situaties kunnen zijn waarin het onrechtmatige karakter van de gedraging ontbreekt vanwege de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. De onrechtmatigheidscategorie handelen in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid biedt op het eerste gezicht meer ruimte voor een op de aangesproken persoon toegesneden aansprakelijkheidsoordeel waarin alle omstandigheden kunnen worden meegewogen. De reden daarvoor is dat de daaronder ressorterende gedragsnormen in beginsel niet vastgelegd zijn en daardoor de grenzen ervan meer vloeibaar zijn dan bij de categorieën schending van de wet en een inbreuk op een subjectief recht. Zorgvuldigheidsnormen zijn in het huidige recht echter minder onbepaald dan de tekst van art. 6:162 lid 2 BW en hun open karakter suggereren. Voor tal van situaties zijn in de rechtspraak normen ontwikkeld die qua afgrenzing van aansprakelijkheidsvoorwaarden niet onder doen voor wettelijk vastgelegde normen.3 Bij de toepassing van die (algemeen geldende) normen kunnen zich dan ook situaties voordoen waarin weliswaar op grond van de toepassing van de aansprakelijkheidsnorm tot een normschending moet worden geconcludeerd, maar waarin de aansprakelijk gestelde partij een rechtvaardigingsgrond kan aanvoeren.4
De door de Hoge Raad toegepaste Beklamel-norm is een voorbeeld van een dergelijke in zekere zin afgebakende norm. Indien de bestanddelen ervan vervuld zijn en aansprakelijkheid in beginsel is aangewezen, bestaat nog steeds de mogelijkheid van de toepasselijkheid van een rechtvaardigingsgrond. De vervulling van de aansprakelijkheidsvoorwaarden veronderstelt immers slechts de afwezigheid van rechtvaardigingsgronden. Bij andere normen voor de bestuurder met een meer open en minder bepaald5 karakter kan de ruimte groter zijn om rechtvaardigingsgronden reeds bij de beoordeling van de normschending (de zorgvuldigheid) aan de orde te laten komen.6 Maar ook dan geldt dat de vraag of de rechtvaardigingsgronden op het niveau van de normschending aan de orde moeten komen of aansluitend op de vaststelling van een normschending dienen te worden behandeld in materieel opzicht geen verschil maakt. De behoefte aan identificatie van de toepasselijke rechtvaardigingsgronden blijft in beide beoordelingswijzen onverkort bestaan.
Het hiervoor gestelde geldt mutatis mutandis voor de disculpatiegronden. Disculpatie ziet op het criterium van toerekening zoals voor aansprakelijkheid wordt vereist in art. 6:162 lid 3 BW. De vraag of de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm als onrechtmatigheidscategorie en het vraagstuk van de verwijtbaarheid (als onderdeel van de toerekenbaarheidseis van lid 3) als afzonderlijke toetsingseenheden moeten worden gebruikt, wordt verschillend beantwoord in de literatuur. Er is een stroming die de vraag naar de toerekenbaarheid (lid 3) in de beoordeling van de (on)zorgvuldigheid besloten acht. Volgens de aanhangers van deze opvatting vergt het toetsingscriterium van de maatschappelijke zorgvuldigheid een inherente totaalbeoordeling waarin de gedraging en de schuld (‘toerekenbaarheid’) niet goed van elkaar gescheiden kunnen worden.7 De aanwezigheid van een disculpatiegrond zou in deze opvatting tot de conclusie leiden dat niet in strijd met een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm is gehandeld. Andere auteurs hechten aan het onderscheid en wijzen in dat verband niet alleen op het belang van een zuivere discussie maar ook op het bestaan van zorgvuldigheidsnormen waarvan de schending niet noodzakelijkerwijs samenhangt met de schuld (in de zin van verwijt) van de dader.8 Onzorgvuldigheid zonder schuld zou daarom mogelijk zijn volgens deze auteurs.
Hoewel de laatstgenoemde opvatting mijns inziens meer overtuigingskracht heeft,9 behoeft in het kader van dit onderzoek en dit hoofdstuk geen keus te worden gemaakt. In beide opvattingen blijft namelijk gelden dat de aanwezigheid van een disculpatiegrond de ‘schuld’ wegneemt als gevolg waarvan aansprakelijkheid moet worden afgewezen. Aangezien volgens vaste rechtspraak alleen bij een persoonlijk verwijt aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van onrechtmatige daad kan bestaan, heeft de aanwezigheid van een disculpatiegrond tot gevolg dat aansprakelijkheid moet worden afgewezen. Het is de inhoud van de disculpatiegrond die in het tweede deel van dit hoofdstuk centraal staat. Ook als de zorgvuldigheidsbeoordeling wordt gezien als een totaalbeoordeling, zullen de elementen onrechtmatigheid en schuld noodzakelijkerwijs onderscheiden moeten worden beoordeeld omdat zij verschillende componenten van de aansprakelijkheid regarderen.10 Dit laat zich verhelderen aan de hand van de strafrechtelijke systematiek inzake strafuitsluitingsgronden. In het algemeen wordt gesteld dat schulduitsluitingsgronden in die systematiek de persoon van de dader betreffen en in beginsel niet de deelnemers regarderen.11 Rechtvaardigingsgronden, daarentegen, zien op het strafbare karakter van de gedraging zelf en zullen in principe ook eventuele deelnemers vrijpleiten.12 Het onderscheid tussen onrechtmatigheid en toerekening kan daarom ook in civielrechtelijke zin betekenisvol zijn, met name indien ook andere betrokken(en) (bestuurders) zijn aan te wijzen die op de hoogte waren van de bewuste omstandigheden en wier aansprakelijkheid dient te worden beoordeeld.
Auteurs die een meer of minder strikte scheiding tussen het criterium van de onrechtmatigheid en de toerekenbaarheid voorstaan, hebben tegen deze achtergrond bezwaren geformuleerd tegen het opnemen van kenniseisen in de zorgvuldigheidsnorm. Sieburgh heeft betoogd dat door in de zorgvuldigheidsnorm eisen te stellen met betrekking tot de wetenschap van de dader in de vaststelling van de onrechtmatigheid voorwaarden worden opgenomen die zien op de persoon van de dader, terwijl deze (pas) bij de vraag naar de toerekening aan de orde behoren te komen.13 In lijn met deze gedachte heeft Strik in haar dissertatie kritiek geuit op de bestanddelen van de door de Hoge Raad toegepaste Beklamel- norm waarin het weten en behoren te weten onderdeel uitmaken van de zorgvuldigheidsnorm.14
Deze kritiek is mijns inziens niet terecht.15 Hoewel handelen met een bepaalde wetenschap doorgaans ook verwijtbaar zal zijn, staan wetenschap en verwijt (als toerekeningsgrond) niet gelijk aan elkaar.16 Dat de zorgvuldigheidsnorm wetenschapseisen bevat, maakt de toetsing van de toerekenbaarheid nog niet overbodig. Als voorbeeld moge dienen de strafrechtelijke systematiek bij doleuze delicten. Het opzet is daarin bestanddeel en vormt daarmee onderdeel van de strafrechtelijke (verbods)norm. Het bewijs van het opzet – dat algemeen wordt gedefinieerd als willen en weten – op de door de delictsomschrijving bepaalde omstandigheden is dan ook noodzakelijk voor de vaststelling van een normschending. Dat laat echter onverlet dat aansprakelijkheid wegens de normschending kan ontbreken indien de verwijtbaarheid ontbreekt.17 Als verwijtbaarheid immers wordt opgevat als anders kunnen en moeten (behoren te) handelen, dan volgt daaruit dat opzet op die bestanddelen niet uitsluit dat de dader geen verwijt kan worden gemaakt. Dat is bijvoorbeeld het geval als hij een beroep kan doen op psychische overmacht (art. 40 Sr, ‘ik kón niet anders omdat mij het mes op de keel werd gezet’).18
De beoordeling is ietwat gecompliceerder indien de norm naast het weten ook het ‘behoren te weten’ als maatschappelijk onzorgvuldig beschouwt.19 In het Beklamel-kader schendt de bestuurder de norm niet alleen als hij weet heeft van de niet-nakoming en de onverhaalbaarheid van de daaruit voortvloeiende vordering, maar ook als hij die omstandigheden behoorde te weten. De vraag is in hoeverre nog ruimte bestaat voor een afzonderlijke beoordeling van een disculpatieverweer indien het ‘behoren te weten’ reeds is aangenomen. In de bespreking van de wijze waarop de rechtspraak het ‘behoren te weten’ in de Beklamel-norm toepast, werd geconcludeerd dat er een overwegend objectieve beoordeling plaatsvindt. De rechter gaat na of de gestelde feiten en omstandigheden het oordeel rechtvaardigen dat de vennootschap ten tijde van de bewuste rechtshandeling niet kon nakomen en geen verhaal zou bieden voor de daardoor ontstane schade. Met de vaststelling hiervan wordt in één adem ook aangenomen dat de bestuurder die informatie ‘behoorde te weten’.20 Er wordt derhalve een objectief vergelijkingstype aangewend ter vaststelling van ‘het behoren te weten’ als onderdeel van de zorgvuldigheidsnorm.
De Hoge Raad eist een persoonlijk (ernstig) verwijt voor aansprakelijkheid van de bestuurder uit onrechtmatige daad. In hoofdstuk 2 werd betoogd dat het door het rechtscollege vereiste verwijt subjectief dient te worden opgevat met dien verstande dat rekening wordt gehouden met de persoonlijke kennis, ervaring en vaardigheden van de bestuurder. In dit verband kan voorts worden gewezen op het meermalen besproken arrest RCI/Financial Kastrop Services waarin de Hoge Raad overweegt dat de bestuurder aansprakelijk is indien wordt voldaan aan de Beklamel-eisen tenzij hij kan aantonen dat hem terzake van de benadeling geen ‘ernstig verwijt’ kan worden gemaakt. Tegen deze achtergrond is verdedigbaar dat een dwalingsverweer als onderdeel van de toerekenbaarheid nog aan de orde kan komen, ook al zou vanwege vervulling van de Beklamel-voorwaarden de schending van de norm zijn vastgesteld. Indien de beoordeling van het ‘behoren te weten’ plaatsvindt in het licht van wat de (objectief vast te stellen) normale bestuurder zou weten in die situatie, kan de bestuurder hierna zeer wel aanvoeren dat hem van die normschending geen persoonlijk (ernstig) verwijt kan worden gemaakt omdat hij verontschuldigbaar dwaalde over de feiten (met betrekking tot de financiële stand van zaken).21