Ontleend aan de bestreden beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaҫao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, ro. 1.2-3.2.
HR, 27-03-2020, nr. 19/03150
ECLI:NL:HR:2020:535
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-03-2020
- Zaaknummer
19/03150
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:535, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 27‑03‑2020; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:52, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2020:52, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 17‑01‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:535, Gevolgd
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2020-0087
JPF 2020/69
JPF 2020/69
Uitspraak 27‑03‑2020
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Personen- en familierecht. Partneralimentatie na echtscheiding. Beperking van duur onderhoudsverplichting zonder daartoe strekkend verzoek (art. 1:157 lid 3 BWNA). Vaststelling hoogte inkomen van onderhoudsplichtige echtgenoot.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 19/03150
Datum 27 maart 2020
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: P.S. Kamminga,
tegen
[de man],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikkingen in de zaak CUR201702138 van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 10 april 2018 en 7 september 2018;
de beschikking in de zaak CUR201702138 en CUR2018H00354 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 2 april 2019.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van de beschikking van 2 april 2019 en tot terugwijzing.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De vrouw en de man zijn op 10 juli 2005 met elkaar in het huwelijk getreden.
(ii) Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren.
(iii) Het gerecht heeft de door de vrouw verzochte echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 8 oktober 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2
Voor zover in cassatie van belang gaat het in deze zaak om een verzoek van de vrouw om de door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen op NAf 3.000,-- per maand.
2.3
Het gerecht heeft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud bepaald op NAf 2.200,-- per maand.
2.4
Het hof heeft de man veroordeeld om de komende vijf jaar, ingaande 1 mei 2019, maandelijks aan de vrouw een bedrag van NAf 1.250,-- te voldoen als uitkering tot levensonderhoud, en de bijdrage tot 1 mei 2019 bepaald op hetgeen de man heeft betaald of op hem is verhaald. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:
“3.5. Nu de man niet heeft geappelleerd tegen de door het GEA begrote bedragen aan maandelijkse lasten van de man en behoefte van de vrouw, zal het Hof daar in de onderhavige procedure van uitgaan.
3.6.
Niet ter discussie staat dat de man een pensioen en AOV-uitkering ontvangt van gemiddeld NAf 1.487,= in totaal. Voorts staat niet (langer) ter discussie dat de man werkt voor de eigenaar van [A], die een goede vriend van hem is. De man heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat zijn werkzaamheden bestaan uit het brengen en halen van tassen naar nummerkantoren van [A]. (…) Het Hof zal het er voor houden dat de man NAf 1.500,= ontvangt voor deze werkzaamheden.
(…)
3.8.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de vennootschap [B] tot en met 2017 een gezonde onderneming was. De man heeft verklaard dat [B] 25 jaar bestaat en dat hij er al die tijd bij betrokken is geweest. [B] is per oktober 2018 gesloten door de man. Volgens de man had het bedrijf grote schulden als gevolg van het handelen van de vrouw. Zij had eind 2017 voor een groot bedrag producten besteld bij het bedrijf van haar zus, [betrokkene 1]. In januari 2018 heeft ze (een groot deel van) deze producten uit de winkel gehaald en naar het huis van haar zus gebracht volgens de man.
3.9.
Bij vonnis van 29 oktober 2018 heeft het GEA de stellingen van de man verworpen als onvoldoende onderbouwd en is [B] veroordeeld tot het betalen van [betrokkene 1] voor deze bestelling van eind 2017. Hangende de procedure heeft de man op 15 oktober 2018 alle ‘assets’ van [B] overgedragen aan een derde. Bij kort geding vonnis van 5 februari 2019 heeft het GEA, gelet op de omvang van de handelsvoorraad en de overgedragen inventaris en de gemiddelde maandelijkse omzetcijfers over de voorgaande jaren, vraagtekens geplaatst bij de hoogte van de verkoopprijs ad NAf 20.000,= en, mede in aanmerking nemend dat de koopprijs contant is betaald, geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat de man bewust [B] heeft leeggehaald om [betrokkene 1] in haar verhaalsmogelijkheden te schaden voor het geval [betrokkene 1] de aanhangige procedure zou winnen.
3.10.
Gelet op het vorenstaande ziet het Hof geen aanleiding om de man te volgen in zijn niet nader onderbouwde stelling dat [B] niet levensvatbaar was wegens de omvang van de schulden. Het Hof houdt het ervoor dat de man, in verband met zijn conflict met de vrouw, het moedwillig heeft aan laten komen op een deconfiture van [B]. Hoe dit ook zij, de man heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij na de sluiting van [B], voor zichzelf is verder gegaan met het produceren en verkopen van wierookproducten. Gelet op de ervaring van de man in de wierookhandel, de overgelegde omzetcijfers van [B] en de, niet door de man betwiste, verklaring van de vrouw bij pleidooi in eerste aanleg dat zij op papier een inkomen van NAf 1.900,= netto per maand genoot bij [B], maar voldoende financiële ruimte had om haar maandelijkse kosten ad NAf 6.200,= te voldoen, acht het Hof het aannemelijk dat de man met deze werkzaamheden een niet verwaarloosbaar inkomen zal blijven verdienen. Het Hof zal dit inkomen begroten op NAf 800,=.
3.11.
Op grond van het vorenstaande zal het netto besteedbaar inkomen van de man worden begroot op het totaal van voormelde bedragen ad NAf 3.787,=.
3.12.
Het Hof acht bij afweging van alle omstandigheden van het geval een bijdrage van de man aan de vrouw van NAf 1.250,00 per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Nu de vrouw ervoor heeft gezorgd dat [B] een goedlopende onderneming is geworden, moet zij in staat worden geacht om opnieuw een bloeiend bedrijf, al dan niet samen met haar zus, op te zetten en zichzelf daarmee te onderhouden. Haar leeftijd of gebrek aan opleiding acht het Hof, anders dan het GEA, daarbij geen belemmering. In het vorenstaande, alsmede in de leeftijd van de man, ziet het Hof aanleiding om de door de man te betalen bijdrage in tijd te beperken tot vijf jaar. De bijdrage tot 1 mei 2019 zal worden bepaald op hetgeen de man betaald heeft of op hem verhaald is.”
3. Beoordeling van het middel
3.1.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer (in paragraaf 6) dat het hof (in rov. 3.12) ten onrechte aanleiding heeft gezien om de door de man te betalen bijdrage in tijd te beperken tot vijf jaar, welke beperking ook haar weerslag heeft gevonden in het dictum van de bestreden beschikking. Het hof heeft miskend dat geen van partijen op de voet van art. 1:157 lid 3 BW van de Nederlandse Antillen (hierna: BWNA) heeft verzocht om een beperking van de duur van de alimentatiebijdrage, terwijl het hof niet de bevoegdheid toekomt om ambtshalve de alimentatiebijdrage wat betreft de duur te beperken, aldus de klacht.
3.1.2
Deze klacht treft doel. Art. 1:157 lid 3, eerste volzin, BWNA (gelijkluidend aan art. 1:157 lid 3, eerste volzin, BW) kent de rechter de bevoegdheid toe om “op verzoek van één van de echtgenoten” de uitkering toe te kennen onder vaststelling van voorwaarden en van een termijn. Uit de stukken van het geding blijkt echter niet dat de vrouw of de man heeft verzocht om aan de onderhoudsbijdrage een termijn te verbinden. De beslissing van het hof in rov. 3.12 om de door de man te betalen bijdrage in tijd te beperken tot vijf jaar en het daarmee strokende deel van het dictum zijn dan ook in strijd met art. 1:157 lid 3 BWNA.
3.2.1
Onderdeel 2 klaagt over de beslissing van het hof (in rov. 3.11) dat het netto besteedbaar inkomen van de man op NAf 3.787,-- moet worden begroot. Volgens het onderdeel is deze beslissing onbegrijpelijk voor zover dit bedrag van NAf 3.787,-- berust op de begroting door het hof (in rov. 3.10) van het inkomen dat de man ontleent aan werkzaamheden met betrekking tot de voortzetting van de productie en verkoop van wierookproducten na de sluiting van zijn onderneming [B] op NAf 800,--. Het hof hecht (in rov. 3.10) immers betekenis aan de niet door de man betwiste verklaring van de vrouw bij pleidooi in eerste aanleg dat zij op papier een inkomen genoot bij [B] van NAf 1.900,-- per maand, maar voldoende financiële ruimte had om haar maandelijkse kosten van NAf 6.200,-- te voldoen. Daarvan uitgaande had het hof, evenals het gerecht, veeleer moeten uitgaan van een maandinkomen van de man van NAf 1.900,-- in plaats van NAf 800,--, aldus de klacht.
3.2.2
Ook deze klacht is gegrond. Het hof heeft niet inzichtelijk gemaakt op grond van welke feiten en omstandigheden het inkomen van de man op NAf 800,-- per maand dient te worden begroot, uitgaande van de niet door de man betwiste verklaring van de vrouw over haar inkomen bij [B] en de financiële ruimte die zij in dat verband genoot.
3.3
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 2 april 2019;
- wijst de zaak terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 27 maart 2020.
Conclusie 17‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Personen- en familierecht. Partneralimentatie na echtscheiding. Beperking van duur onderhoudsverplichting zonder daartoe strekkend verzoek (art. 1:157 lid 3 BWNA). Vaststelling hoogte inkomen van onderhoudsplichtige echtgenoot.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/03150
Zitting 17 januari 2020
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[de vrouw] ,
(hierna: de vrouw),
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
tegen
[de man] ,
(hierna: de man),
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
In deze Curaçaose zaak wordt geklaagd dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie in tijd wordt beperkt tot vijf jaar, terwijl partijen daar niet om hebben verzocht. Met dit oordeel is het Hof bovendien buiten het debat van partijen getreden. Voorts wordt geklaagd dat (de hoogte van) het inkomen dat de man ontleent aan werkzaamheden met betrekking tot het voortzetten (na déconfiture) van de productie en verkoop van wierookproducten, onvoldoende is gemotiveerd door het Hof.
1. Feiten en procesverloop1.
1.1 Partijen zijn op 10 juli 2005 in gemeenschap van goederen getrouwd. Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren. Het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaҫao (hierna: het GEA) heeft bij beschikking van 10 april 2018 de echtscheiding uitgesproken, die op 8 oktober 2018 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (verzoekschrift tot cassatie onder 4).
1.2 Bij beschikking van 7 september 2018 heeft het GEA de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud bepaald op NAf 2.200,- per maand, voor wat betreft de na de datum van de beschikking te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
1.3 De man heeft op 19 oktober 2018 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 7 september 2018. In hoger beroep heeft hij verzocht, met vernietiging van voornoemde beschikking van het GEA, de door hem aan de vrouw te betalen uitkering vast te stellen op nihil.
1.3 De vrouw heeft op 25 februari 2019 een verweerschrift ingediend en verzocht de beschikking van het GEA van 7 september 2018 te bekrachtigen.
1.4 Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) heeft de zaak op 26 februari 2019 mondeling behandeld. Partijen zijn verschenen, de vrouw bijgestaan door haar gemachtigde. Bij beschikking van 2 april 2019 heeft het Hof (voor zover in cassatie van belang) de beschikking van het GEA van 7 september 2018 vernietigd en, opnieuw rechtdoende:
- de man veroordeeld – uitvoerbaar bij voorraad – om de komende vijf jaar, ingaande 1 mei 2019, maandelijks en bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen als uitkering tot levensonderhoud NAf 1.250,- per maand;
- de bijdrage tot 1 mei 2019 bepaald op hetgeen de man heeft betaald of op hem is verhaald;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
Het hof heeft daartoe als volgt overwogen:
“3.8. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de vennootschap Kas di Sensia tot en met 2017 een gezonde onderneming was. De man heeft verklaard dat Kas di Sensia 25 jaar bestaat en dat hij er al die tijd bij betrokken is geweest. Kas di Sensia is per oktober 2018 gesloten door de man. Volgens de man had het bedrijf grote schulden als gevolg van het handelen van de vrouw. Zij had eind 2017 voor een groot bedrag producten besteld bij het bedrijf van haar zus, [betrokkene 1] . In januari 2018 heeft ze (een groot deel van) deze producten uit de winkel gehaald en naar het huis van haar zus gebracht volgens de man.
3.9. Bij vonnis van 29 oktober 2018 heeft het GEA de stellingen van de man verworpen als onvoldoende onderbouwd en is Kas di Sensia veroordeeld tot het betalen van [betrokkene 1] voor deze bestelling van eind 2017. Hangende de procedure heeft de man op 15 oktober 2018 alle ‘assets’ van Kas di Sensia overgedragen aan een derde. Bij kort geding vonnis van 5 februari 2019 heeft het GEA, gelet op de omvang van de handelsvoorraad en de overgedragen inventaris en de gemiddelde maandelijkse omzetcijfers over de voorgaande jaren, vraagtekens geplaatst bij de hoogte van de verkoopprijs ad NAf 20.000,- en, mede in aanmerking nemend dat de koopprijs contant is betaald, geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat de man bewust Kas di Sensia heeft leeggehaald om [betrokkene 1] in haar verhaalsmogelijkheden te schaden voor het geval [betrokkene 1] de aanhangige procedure zou winnen.
3.10. Gelet op het vorenstaande ziet het Hof geen aanleiding om de man te volgen in zijn niet nader onderbouwde stelling dat Kas di Sensia niet levensvatbaar was wegens de omvang van de schulden. Het hof houdt het ervoor dat de man, in verband met zijn conflict met de vrouw, het moedwillig heeft aan laten komen op een deconfiture van Kas di Sensia. Hoe dit ook zij, de man heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij na de sluiting van Kas di Sensia, voor zichzelf is verder gegaan met het produceren en verkopen van wierookproducten. Gelet op de ervaring van de man in de wierookhandel, de overgelegde omzetcijfers van Kas di Sensia en de, niet door de man betwiste, verklaring van de vrouw bij pleidooi in eerste aanleg dat zij op papier een inkomen van NAf 1.900,- netto per maand genoot bij Kas di Sensia, maar voldoende financiële ruimte had om haar maandelijkse kosten ad NAf 6.200,- te voldoen, acht het Hof het aannemelijk dat de man met deze werkzaamheden een niet verwaarloosbaar inkomen zal blijven verdienen. Het Hof zal dit inkomen begroten op NAf 800,-.
3.11. Op grond van het vorenstaande zal het netto besteedbaar inkomen van de man worden begroot op het totaal van voormelde bedragen ad NAf 3.787,-.
3.12. Het Hof acht bij afweging van alle omstandigheden van het geval een bijdrage van de man aan de vrouw van NAf 1.250,00 per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Nu de vrouw ervoor heeft gezorgd dat Kas di Sensia een goedlopende onderneming is geworden, moet zij in staat worden geacht om opnieuw een bloeiend bedrijf, al dan niet samen met haar zus, op te zetten en zichzelf daarmee te onderhouden. Haar leeftijd of gebrek aan opleiding acht het Hof, anders dan het GEA, daarbij geen belemmering. In het vorenstaande, alsmede in de leeftijd van de man, ziet het Hof aanleiding om de door de man te betalen bijdrage in tijd te beperken tot vijf jaar. De bijdrage tot 1 mei 2019 zal worden bepaald op hetgeen de man betaald heeft of op hem verhaald is.”
1.5 Namens de vrouw is op 2 juli 2019 tijdig cassatieberoep ingesteld van de beschikking van het Hof van 2 april 2019.
1.6 De man heeft bij faxbericht van 7 oktober 2019 verzocht om uitstel voor het indienen van een verweerschrift. Hierop is hem bij brief van 8 oktober 2019 bericht dat hem een uitstel wordt verleend tot en met 29 oktober 2019 voor het indienen van een verweerschrift. In cassatie is (uiteindelijk) geen verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee klachten die achtereenvolgens besproken zullen worden.
2.2
Met de eerste klacht wordt geklaagd2.dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) in tijd wordt beperkt tot vijf jaar. Partijen, in het bijzonder de man, hebben niet verzocht om beperking van de duur van de alimentatiebijdrage overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 3 NABW. De wettelijke grondslag voor beperking van de duur van de alimentatiebijdrage ontbreekt derhalve. Voorts heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang die beperking van de wettelijke duur van twaalf jaar zou rechtvaardigen. Het bepaalde in artikel 1:157 lid 6 NABW is niet van toepassing, nu partijen op 10 juli 2005 zijn gehuwd en de echtscheidingsbeschikking op 8 oktober 2018 is ingeschreven. De verplichting tot het betalen van levensonderhoud eindigt derhalve van rechtswege in beginsel na het verstrijken van een termijn van twaalf jaar (op grond van artikel 1:157 lid 4 NABW). Door op deze wijze te oordelen is het hof ook buiten het debat van partijen getreden. Het hof heeft een verrassingsbeslissing gegeven, nu de vrouw niet in de gelegenheid is gesteld om stellingen te betrekken met betrekking tot de beperking van de alimentatieduur.
2.3
Hoewel niet met zoveel woorden gezegd berust de eerste klacht op de veronderstelling dat het hof de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie na verloop van vijf jaar (ingaande op 1 mei 2019) heeft gelimiteerd (beëindigd) op grond van artikel 1:157 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen3.(hierna: BWNA genoemd). Ik bespreek eerst het op deze zaak van toepassing zijnde recht, waarna ik toekom aan de klacht over de limitering zoals hiervoor beschreven.
2.4
De leden 1 en 3 van artikel 1:157 BWNA zijn gelijk aan de leden 1 en 3 van artikel 1:157 BW. In de Memorie van toelichting bij het BWNA4.is het volgende opgenomen ten aanzien van genoemd artikel:
“7. Limitering van alimentatie
De rechter kan de alimentatie in de tijd beperken (artikel 157, derde lid, eerste volzin), al dan niet in de vorm van een geleidelijke vermindering tot nihil. Hierbij denke men aan het geval dat verwacht mag worden dat de alimentatiegerechtigde na afloop van de gestelde termijn op passende wijze in eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. Ook hier kunnen echter niet-financiële factoren een rol spelen, als bij voorbeeld de voorgeschiedenis van de echtscheiding. […] De door de rechter vastgestelde termijn is in beginsel niet vatbaar voor wijziging op grond van gewijzigde omstandigheden (artikel 401, eerste lid, tweede volzin), hetgeen, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad, impliceert dat voor de rechter hoge motiveringseisen gelden.”5.
2.5
Op dit punt komt de vraag aan de orde of het Hof in het dictum van de bestreden beschikking van 2 april 2019 de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 mei 2024 heeft gelimiteerd of op nihil heeft gesteld. Dit is immers niet met zoveel woorden in het dictum opgenomen. Zoals hierboven weergegeven gaat de klacht ervan uit dat het hof de partneralimentatie met ingang van voornoemde datum heeft gelimiteerd. Voor een limitering van de partneralimentatie gelden op grond van vaste rechtspraak hogere motiveringseisen dan voor een (tijdelijke) nihilstelling6.. Uw Raad heeft in een uitspraak van 30 november 2018 het volgende overwogen over tijdelijke nihilstelling versus definitieve nihilstelling versus limitering:
“3.3.2. Bij de beoordeling van deze onderdelen wordt het volgende vooropgesteld. Voor beslissingen waarmee de alimentatieverplichting (al dan niet op termijn) op nihil wordt vastgesteld op grond van omstandigheden die voor wijziging vatbaar zijn (‘tijdelijke nihilstelling’), gelden, anders dan voor beslissingen waarbij die verplichting op nihil wordt gesteld of wordt beëindigd op grond van omstandigheden waarvoor dat niet geldt (definitieve nihilstelling of beëindiging), geen hoge motiveringseisen (HR 15 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3236, rov. 3.4.2). De reden voor dit verschil is dat een tijdelijke nihilstelling, anders dan een definitieve beëindiging, voor wijziging op de voet van art. 1:401 BW in aanmerking komt wanneer de omstandigheden veranderen of een verwachte verandering juist uitblijft. Wel moet ook een beslissing tot tijdelijke nihilstelling ten minste zodanig worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in het geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken (vgl. HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:262, rov. 3.5 en HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478, rov. 4.2).”7.
2.6
In de onderhavige zaak heeft het Hof in rov. 3.12 overwogen dat de door de man te betalen partneralimentatie in tijd wordt beperkt vanwege twee redenen:
1. de vrouw heeft ervoor gezorgd dat Kas di Sensia een goedlopende onderneming is geworden, dus zij moet in staat geacht worden opnieuw een bloeiend bedrijf (al dan niet samen met haar zus) op te zetten en zichzelf daarmee te onderhouden;
1.1
de leeftijd van de vrouw is daarbij geen belemmering;
1.2
het gebrek aan opleiding van de vrouw is daarbij evenmin een belemmering;
2. de leeftijd van de man.
Ervan uitgaande dat de beslissing van het hof een limitering inhoudt, had deze beslissing gelet op de bestendige jurisprudentie van Uw Raad moeten voldoen aan hoge motiveringseisen. Daaraan voldoet de beslissing niet. De klacht dat het Hof een verrassingsbeslissing heeft gegeven slaagt eveneens nu het hof zelf in rov. 3.5 uitgaat van het gegeven dat de man niet heeft geappelleerd tegen de behoefte van de vrouw en in rov. 3.12 de beperking in duur onder punt 1 baseert op de behoeftigheid van de vrouw in die zin dat de vrouw verdiencapaciteit wordt toegerekend. Noch door de man noch door de vrouw is gevraagd om een beperking in duur en uit de pleitaantekeningen blijkt niet dat dit punt op de zitting aan de orde is geweest. Het hof heeft daarbij in strijd gehandeld met art 1:157 lid 3 BWNA dat bepaalt dat een uitkering slechts op verzoek van één van de echtgenoten kan worden toegekend onder vaststelling van een termijn.
2.7
Mocht het dictum opgevat moeten worden als een nihilstelling op termijn waarvan de vrouw dus op grond van art 1:401 lid 1 BWNA wijziging zou kunnen vragen dan geldt dat er hier sprake lijkt te zijn van een definitieve nihilstelling waarvoor eveneens hoge motiveringseisen gelden. Immers het hof baseert die nihilstelling ook op de leeftijd van de man en die kan alleen maar ten nadele van zijn draagkracht veranderen.
Klacht 1 slaagt derhalve.
2.8
Met de tweede klacht wordt geklaagd8.dat de begroting van het netto besteedbaar inkomen van de man op in totaal NAf 3.787,- mede ontleend is aan de begroting van het inkomen (op NAf 800,-) dat de man ontleent aan werkzaamheden met betrekking tot het voortzetten van de productie en verkoop van wierookproducten (na sluiting van zijn onderneming Kas di Sensia). Voor die beslissing ontbreekt een voldoende deugdelijke motivering. Het Hof hecht betekenis aan de niet door de man betwiste verklaring van de vrouw dat zij op papier een inkomen genoot bij Kas di Sensia van NAf 1.900,- per maand, maar voldoende financiële ruimte had om haar maandelijkse kosten van NAf 6.200,- te voldoen. Daarvan uitgaande was te verwachten dat het Hof, evenals het GEA, zou zijn uitgegaan van een maandelijks inkomen van de man van NAf 1.900,- netto per maand, mede nu het Hof van betekenis heeft geacht dat de man het moedwillig heeft laten aankomen op een deconfiture van Kas di Sensia.
2.9
Vooropgesteld dient te worden dat, volgens vaste jurisprudentie, de rechter een grote mate van vrijheid heeft bij de vaststelling van alimentatie. De vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, zijn voorbehouden aan de feitenrechter. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden getoetst.9.Uw Raad overwoog in een uitspraak van 4 december 2015:
“”De vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Hetzelfde geldt voor de factoren die de behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Ook kunnen aan deze oordelen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Zij moeten voldoende inzicht geven in de gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt, in het bijzonder hoe de rechter, gelet op het partijdebat, tot zijn beslissing is gekomen, zonder dat de rechter op alle stellingen van partijen behoeft in te gaan (vgl. HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563).”10.
2.10
Hoewel de rechter dus een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de alimentatie, dient zijn oordeel wel voldoende inzicht te geven in de gedachtegang die aan zijn beslissing ten grondslag ligt. In dit geval heeft het Hof overwogen:
- dat de man het moedwillig heeft laten aankomen op een deconfiture van Kas di Sensia;
- dat de man voor zichzelf is verdergegaan met het produceren en verkopen van wierookproducten;
- dat het Hof let op zijn ervaring daarmee, de omzetcijfers van Kas di Sensia en de verklaring van de vrouw dat zij op papier een inkomen van NAf 1.900,- netto genoot bij Kas di Sensia, maar voldoende financiële ruimte had om haar maandelijkse kosten van NAf 6.200,- te voldoen;
- dat het Hof aannemelijk acht dat de man met deze werkzaamheden een niet verwaarloosbaar inkomen zal blijven verdienen;
- dat dit zal worden begroot op NAf 800,-.
2.11
Het Hof heeft hiermee wel enig inzicht gegeven in zijn gedachtegang, maar waarom tot een inkomen van nu juist NAf 800,- is gekomen blijft volstrekt onduidelijk. Zoals de klacht terecht aanvoert, lijkt het Hof zijn motivering op te bouwen naar een inkomen dat (in ieder geval) even hoog is als hetgeen de vrouw met Kas di Sensia kon verdienen, te weten NAf 1.900,-. Het oordeel van het Hof is op dit punt derhalve onvoldoende gemotiveerd, zodat ook de tweede klacht slaagt.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 2 april 2019 en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑01‑2020
Beroepschrift in cassatie punt 6 tot en met 8.
Publicatieblad 2000, no. 178.
Memorie van toelichting BWNA, 1937 no. 3.
Memorie van toelichting BWNA, 1937 no. 3, p. 29.
Dit is reeds vaste rechtspraak sinds HR 11 juni 1982, NJ 1983/595.
Hoge Raad 30 november 2018, NJ 2018/470, ro. 3.3.2.
Beroepschrift in cassatie punt 9.
Zie bijvoorbeeld HR 11 september 1987, NJ 1988/656 (ro. 3), met noot Luijten en HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563.
HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3479, NJ 2016/125.