NJ 2026/102
Procesrecht. Verbintenissenrecht. Aanbod getuigenbewijs in hoger beroep; bewijslastverdeling.
HR 27-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:322
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27 februari 2026
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, A.E.B. ter Heide, G.C. Makkink
- Zaaknummer
24/03856
- Conclusie
A-G mr. S.D. Lindenbergh
- Noot
Red. Aant.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD52529:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Huurrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Hoger beroep
Bestuursprocesrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:322, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑02‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1085, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑10‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑10‑2024
- Wetingang
Essentie
Procesrecht. Verbintenissenrecht. Aanbod getuigenbewijs in hoger beroep; bewijslastverdeling.
Samenvatting
Ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 Rv in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, moet een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden (HR 9 juli 2004, NJ 2005/270, m.nt. W.D.H. Asser). Een aanbod tot het leveren van tegenbewijs behoeft niet te worden gespecificeerd (HR 11 juli 2025, NJ 2025/206). Het oordeel van het hof moet aldus worden begrepen dat ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.