Intellectuele eigendom in het conflictenrecht
Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/5.1.3.0:5.1.3.0 Inleiding
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/5.1.3.0
5.1.3.0 Inleiding
Documentgegevens:
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS462844:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ongetwijfeld zal men in rechtspraak en literatuur afwijkingen van deze hoofdlijnen kunnen aanwijzen, gevallen waarin bijvoorbeeld voorop gelopen werd, of waarin andere wegen werden bewandeld. Het is echter ondoenlijk om een compleet beeld te schetsen, daarom is het navolgende beperkt tot de hoofdlijnen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
530. Inleiding. In de vorige paragraaf hebben wij verklaard waarom de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling thans niet meer wordt begrepen. Bij deze verklaring hebben wij tot nu toe twee denkwerelden (`universums') in juxtapositie geplaatst: de statutistische en de modern-Savigniaanse. Dat is afdoende. Want het is een feit dat het beginsel van nationale behandeling is ontwikkeld in de statutistische denkwereld, en het is ook een feit dat wij dit beginsel tegenwoordig (onbewust) benaderen vanuit de huidige Savigniaanse denkwereld. Nu heeft deze begripsverduistering natuurlijk niet van de ene op de andere dag plaatsgevonden. Er is sprake geweest van een geleidelijke en onbewuste verschuiving in het conflictenrechtelijke denken over het intellectuele-eigendomsrecht, waardoor de begripsverduistering kon plaatsvinden. In deze paragraaf wordt onderzocht hoe de begripsverduistering zich heeft voltrokken. Daarmee wordt een nadere verklaring voor het hedendaagse onbegrip geleverd — maar dat is, als gezegd, niet noodzakelijk om het hedendaagse onbegrip te kunnen begrijpen.
531. Reconstructie hoofdlijnen. Het moge duidelijk zijn dat het moeilijk is om zo'n proces van begripsverschuivingen te reconstrueren aan de hand van hard bewijs in literatuur en jurisprudentie. Het gaat immers om denkwijzen en vooronderstellingen die doorgaans niet worden geëxpliciteerd. Terwijl derhalve het beginpunt (statutistische denkwereld) en het eindpunt (de huidige Savigniaanse denkwereld) duidelijk zijn, is het niet gemakkelijk om een exact beeld te geven van de verschuiving daartussen. Laten wij, met dat voorbehoud, de meest aannemelijke reconstructie van de hoofdlijnen van deze verschuiving trachten te schetsen.1