T&C BW, commentaar op art. 2:58 BW:Jaarrekening en bestuursverslag
T&C BW, commentaar op art. 2:58 BW
Jaarrekening en bestuursverslag
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De regels die het artikel geeft met betrekking tot de jaarrekening, stemmen voor een deel overeen met die van de art. 2:49, 2:101 en 2:210. Zij wijken af van art. 2:48, dat via art. 2:53a lid 1 ook op de coöperatie en de onderlinge van toepassing is. Anders dan voor de vereniging gelden voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij de bepalingen over de jaarrekening en het bestuursverslag van titel 9.
Wijziging wettekst
Het artikel is sinds de invoering in 1976 een aantal keren gewijzigd, vooral bij de wetten van 13 december 1989, Stb. 1990, 1 en van 17 maart 1993, Stb. 261. De slotzin van lid 1 is toegevoegd bij wet van 18 oktober 2001, Stb. 467. De tweede volzin van lid 1 is gewijzigd bij de wet van 18 april 2002, Stb. 225, die regels stelt voor de openbaarmaking van de beloning van bestuurders. In lid 1 is per 1 september 2005 het woord ‘beleggingsmaatschappijen’ vervangen door ‘beheerders’ ingevolge de wijziging van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, wet van 16 juli 2005, Stb. 2005, 401 (Kamerstukken 28998). De derde zin van lid 1 (‘De termijn kan voor beheerders waaraan ingevolge de Wet toezicht beleggingsinstellingen (Stb. 1990, 380) een vergunning is verleend, bij of krachtens die wet worden bekort.’) is vervallen per 1 januari 2007 op grond van de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht van 20 november 2006, Stb. 2006, 605. In lid 1 is de verwijzing naar art. 2:396 aangepast aan de invoering van de mogelijkheid de jaarrekening van kleine rechtspersonen op te stellen volgens fiscale grondslagen bij de wet van 16 juni 2008, Stb. 217. Bij de Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening (Stb. 2015, 349) is, met ingang van 1 november 2015 (Stb. 2015, 351), de term ‘jaarverslag’ vervangen door ‘bestuursverslag’ en is de verlengingstermijn voor opmaken van de jaarrekening verkort van vijf naar maximaal vier maanden; zie ook hierna ‘Overgangsbepalingen’.
2. De jaarrekening (leden 1-3)
Opmaken en ondertekenen
Het bestuur maakt de jaarrekening op (lid 1). Zij wordt door de bestuurders en de commissarissen ondertekend. Van het ontbreken van een handtekening wordt onder opgaaf van redenen mededeling gedaan (lid 2). Ondertekening impliceert dat zij instemmen met de inhoud van de jaarrekening. Het ontbreken van een handtekening staat vaststelling van de jaarrekening door de algemene vergadering niet in de weg; zie Krol & Van Vliet, in: Handboek notarieel ondernemingsrecht, Vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Serie VHI, deel 132-2, Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 11.3.2.
Terinzagelegging
Het bestuur legt de jaarrekening voor de leden ter inzage op het kantoor van de rechtspersoon (lid 1).
Oproep algemene vergadering en inzage door de leden (lid 1 en 3)
Het bestuur laat een algemene vergadering houden ter behandeling van de jaarrekening; dit is de vergadering bedoeld in art. 2:48 lid 1. De oproeping geschiedt volgens de regels van art. 2:41. Tijdens de termijn voor oproeping ligt de jaarrekening met het bestuursverslag, de accountantsverklaring en de andere stukken die art. 2:392 lid 1 noemt, op het kantoor van de rechtspersoon ter inzage. De leden kunnen de ter inzage gelegde stukken inzien en er kosteloos afschriften van krijgen.
Termijnen
Binnen zes maanden na afloop van het boekjaar wordt de jaarrekening opgemaakt. De algemene vergadering kan op grond van bijzondere omstandigheden deze termijn verlengen met maximaal vier maanden (lid 1). De bijzondere omstandigheden hoeven niet te worden vermeld bij het besluit tot verlenging; zie over de soortgelijke bepaling voor NV/BV De Jong/Nieuwe Weme, serie VHI deel 91, p. 69. De terinzagelegging begint volgens lid 1 binnen de hier bedoelde termijn en duurt totdat de algemene vergadering is gehouden (lid 3). Dit gebeurt binnen een maand na afloop van de termijn van in beginsel zes maanden die zojuist werd genoemd (lid 1).
3. Het bestuursverslag (leden 1 en 3)
Als de rechtspersoon geen groepsmaatschappij is als bedoeld in art. 2:403 jo. 2:24b en ook niet ‘micro’ of ‘klein’ is in de zin van art. 2:395a resp. art. 2:396 (zie art. 2:49, aant. 2), wordt er een bestuursverslag opgemaakt. Zie over de inhoud van het bestuursverslag art. 2:391.
Terinzagelegging
Het bestuur zorgt voor terinzagelegging van het bestuursverslag op het kantoor van de rechtspersoon, waar het met de andere stukken bedoeld in lid 3 ter inzage blijft voor de leden tot de jaarvergadering is gehouden.
Termijnen
Binnen zes maanden na afloop van het boekjaar wordt het bestuursverslag ter inzage gelegd. Deze termijn kan de algemene vergadering op grond van bijzondere omstandigheden verlengen (lid 1 en aant. 2). Binnen een maand na deze periode wordt de algemene vergadering gehouden.
4. Kascommissie (lid 1, vijfde zin)
Art. 2:395a en art. 2:396 bepalen wanneer geen accountantsonderzoek vereist is. Kent de rechtspersoon geen raad van commissarissen en is er geen verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarstukken van een registeraccountant of een accountant die een vergunning heeft als bedoeld in art. 5 lid 1 Wta of een samenwerkingsverband van accountants, dan wordt een kascommissie benoemd als bedoeld in art. 2:48 lid 2. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn als de accountant alleen een zgn. samenstellingsverklaring geeft.
Samenstelling kascommissie
De kascommissie bestaat volgens de wet uit ten minste twee leden (verdedigbaar lijkt dat wanneer de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij in voorkomend geval slechts één lid heeft, dit lid de kascommissie vormt). Aangenomen wordt dat daarmee leden van de coöperatie of onderlinge worden bedoeld eventueel aangevuld met niet-leden; zie art. 2:48, aant. 3. Zij mogen geen bestuurders van de coöperatie of onderlinge zijn. Zij worden voor het onderzoek van de stukken over één boekjaar benoemd door de algemene vergadering. Herbenoeming is niet uitgesloten.
Taak en bevoegdheden
Ten behoeve van de algemene vergadering, aan wie zij verslag moet uitbrengen, onderzoekt de kascommissie de jaarstukken. Het bestuur moet haar inlichtingen verschaffen, de kas en de waarden tonen en inzage geven in de boeken en bescheiden van de rechtspersoon (art. 2:48, aant. 3).
5. Decharge apart agenderen (lid 1, laatste zin)
De bedoeling van de slotzin van lid 1 is een splitsing te bewerkstelligen tussen de agendapunten vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening enerzijds en goedkeuring van het door het bestuur gevoerde beleid en het door de raad van commissarissen uitgeoefende toezicht anderzijds (27483, 3). De regel is ingevoerd bij de wet van 18 oktober 2001, Stb. 467.
6. Delgen van een tekort ten laste van reserves (lid 4)
Lid 4 stemt overeen met de art. 2:104 en 2:215. De tekst is, hoewel door de ontwerper gericht op de wettelijke reserves bedoeld in art. 2:373 lid 1 onderdeel c en d jo. art. 2:365, 2:389 en 2:390, niet daartoe beperkt (Gepken-Jager, GS Rechtspersonen, art. 58, aant. 5, wijst in dit verband nog op voor verzekeringsmaatschappijen uit de Wft voortvloeiende vereisten). Zie voorts Quist, TOP 2018/226 en Krol & Van Vliet, in: Handboek notarieel ondernemingsrecht, Vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Serie VHI, dl. 132-2, Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 11.7.1.
7. Ontheffing (lid 5)
Wat voor de minister gewichtige redenen kunnen zijn om vrijstelling van de in lid 5 genoemde verplichtingen te geven, blijkt niet uit de wetsgeschiedenis. Zie over het beleid ter zake van de minister: De Jong/Nieuwe Weme, Serie VHI, deel 91, hoofdstuk II.
8. Overgangsbepalingen
De wet van 18 oktober 2001, Stb. 467, is van toepassing met ingang van het eerste boekjaar dat begint na 1 december 2001. De sinds 1 november 2015 opgenomen verkorte verlengingstermijn van vier maanden voor opmaken van de jaarrekening (lid 1), is van toepassing op boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2016; zie art. III lid 2 Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening (Stb. 2015, 349). Bij een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij die is opgericht op bijvoorbeeld 1 december 2015 geldt voor haar eerste boekjaar, ongeacht of dat boekjaar afloopt op 31 december 2015 dan wel in 2016, nog de (oude) verlengingstermijn van vijf maanden. De Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening biedt echter de mogelijkheid de nieuwe voorschriften ook al toe te passen op boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2016.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
T&C BW, commentaar op art. 2:58 BW
Jaarrekening en bestuursverslag
G.J.C. Rensen, actueel t/m 01-09-2025
01-09-2025
01-11-2015 tot: -
G.J.C. Rensen
T&C BW, commentaar op art. 2:58 BW
Corona (V)
Onbekend (V)
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
vaststelling
onderlinge waarborgmaatschappij
coöperatie
jaarrekening
corona
Burgerlijk Wetboek Boek 2 artikel 58
1. Algemeen
De regels die het artikel geeft met betrekking tot de jaarrekening, stemmen voor een deel overeen met die van de art. 2:49, 2:101 en 2:210. Zij wijken af van art. 2:48, dat via art. 2:53a lid 1 ook op de coöperatie en de onderlinge van toepassing is. Anders dan voor de vereniging gelden voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij de bepalingen over de jaarrekening en het bestuursverslag van titel 9.
Wijziging wettekst
Het artikel is sinds de invoering in 1976 een aantal keren gewijzigd, vooral bij de wetten van 13 december 1989, Stb. 1990, 1 en van 17 maart 1993, Stb. 261. De slotzin van lid 1 is toegevoegd bij wet van 18 oktober 2001, Stb. 467. De tweede volzin van lid 1 is gewijzigd bij de wet van 18 april 2002, Stb. 225, die regels stelt voor de openbaarmaking van de beloning van bestuurders. In lid 1 is per 1 september 2005 het woord ‘beleggingsmaatschappijen’ vervangen door ‘beheerders’ ingevolge de wijziging van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, wet van 16 juli 2005, Stb. 2005, 401 (Kamerstukken 28998). De derde zin van lid 1 (‘De termijn kan voor beheerders waaraan ingevolge de Wet toezicht beleggingsinstellingen (Stb. 1990, 380) een vergunning is verleend, bij of krachtens die wet worden bekort.’) is vervallen per 1 januari 2007 op grond van de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht van 20 november 2006, Stb. 2006, 605. In lid 1 is de verwijzing naar art. 2:396 aangepast aan de invoering van de mogelijkheid de jaarrekening van kleine rechtspersonen op te stellen volgens fiscale grondslagen bij de wet van 16 juni 2008, Stb. 217. Bij de Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening (Stb. 2015, 349) is, met ingang van 1 november 2015 (Stb. 2015, 351), de term ‘jaarverslag’ vervangen door ‘bestuursverslag’ en is de verlengingstermijn voor opmaken van de jaarrekening verkort van vijf naar maximaal vier maanden; zie ook hierna ‘Overgangsbepalingen’.
2. De jaarrekening (leden 1-3)
Opmaken en ondertekenen
Het bestuur maakt de jaarrekening op (lid 1). Zij wordt door de bestuurders en de commissarissen ondertekend. Van het ontbreken van een handtekening wordt onder opgaaf van redenen mededeling gedaan (lid 2). Ondertekening impliceert dat zij instemmen met de inhoud van de jaarrekening. Het ontbreken van een handtekening staat vaststelling van de jaarrekening door de algemene vergadering niet in de weg; zie Krol & Van Vliet, in: Handboek notarieel ondernemingsrecht, Vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Serie VHI, deel 132-2, Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 11.3.2.
Terinzagelegging
Het bestuur legt de jaarrekening voor de leden ter inzage op het kantoor van de rechtspersoon (lid 1).
Oproep algemene vergadering en inzage door de leden (lid 1 en 3)
Het bestuur laat een algemene vergadering houden ter behandeling van de jaarrekening; dit is de vergadering bedoeld in art. 2:48 lid 1. De oproeping geschiedt volgens de regels van art. 2:41. Tijdens de termijn voor oproeping ligt de jaarrekening met het bestuursverslag, de accountantsverklaring en de andere stukken die art. 2:392 lid 1 noemt, op het kantoor van de rechtspersoon ter inzage. De leden kunnen de ter inzage gelegde stukken inzien en er kosteloos afschriften van krijgen.
Termijnen
Binnen zes maanden na afloop van het boekjaar wordt de jaarrekening opgemaakt. De algemene vergadering kan op grond van bijzondere omstandigheden deze termijn verlengen met maximaal vier maanden (lid 1). De bijzondere omstandigheden hoeven niet te worden vermeld bij het besluit tot verlenging; zie over de soortgelijke bepaling voor NV/BV De Jong/Nieuwe Weme, serie VHI deel 91, p. 69. De terinzagelegging begint volgens lid 1 binnen de hier bedoelde termijn en duurt totdat de algemene vergadering is gehouden (lid 3). Dit gebeurt binnen een maand na afloop van de termijn van in beginsel zes maanden die zojuist werd genoemd (lid 1).
3. Het bestuursverslag (leden 1 en 3)
Als de rechtspersoon geen groepsmaatschappij is als bedoeld in art. 2:403 jo. 2:24b en ook niet ‘micro’ of ‘klein’ is in de zin van art. 2:395a resp. art. 2:396 (zie art. 2:49, aant. 2), wordt er een bestuursverslag opgemaakt. Zie over de inhoud van het bestuursverslag art. 2:391.
Terinzagelegging
Het bestuur zorgt voor terinzagelegging van het bestuursverslag op het kantoor van de rechtspersoon, waar het met de andere stukken bedoeld in lid 3 ter inzage blijft voor de leden tot de jaarvergadering is gehouden.
Termijnen
Binnen zes maanden na afloop van het boekjaar wordt het bestuursverslag ter inzage gelegd. Deze termijn kan de algemene vergadering op grond van bijzondere omstandigheden verlengen (lid 1 en aant. 2). Binnen een maand na deze periode wordt de algemene vergadering gehouden.
4. Kascommissie (lid 1, vijfde zin)
Art. 2:395a en art. 2:396 bepalen wanneer geen accountantsonderzoek vereist is. Kent de rechtspersoon geen raad van commissarissen en is er geen verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarstukken van een registeraccountant of een accountant die een vergunning heeft als bedoeld in art. 5 lid 1 Wta of een samenwerkingsverband van accountants, dan wordt een kascommissie benoemd als bedoeld in art. 2:48 lid 2. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn als de accountant alleen een zgn. samenstellingsverklaring geeft.
Samenstelling kascommissie
De kascommissie bestaat volgens de wet uit ten minste twee leden (verdedigbaar lijkt dat wanneer de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij in voorkomend geval slechts één lid heeft, dit lid de kascommissie vormt). Aangenomen wordt dat daarmee leden van de coöperatie of onderlinge worden bedoeld eventueel aangevuld met niet-leden; zie art. 2:48, aant. 3. Zij mogen geen bestuurders van de coöperatie of onderlinge zijn. Zij worden voor het onderzoek van de stukken over één boekjaar benoemd door de algemene vergadering. Herbenoeming is niet uitgesloten.
Taak en bevoegdheden
Ten behoeve van de algemene vergadering, aan wie zij verslag moet uitbrengen, onderzoekt de kascommissie de jaarstukken. Het bestuur moet haar inlichtingen verschaffen, de kas en de waarden tonen en inzage geven in de boeken en bescheiden van de rechtspersoon (art. 2:48, aant. 3).
5. Decharge apart agenderen (lid 1, laatste zin)
De bedoeling van de slotzin van lid 1 is een splitsing te bewerkstelligen tussen de agendapunten vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening enerzijds en goedkeuring van het door het bestuur gevoerde beleid en het door de raad van commissarissen uitgeoefende toezicht anderzijds (27483, 3). De regel is ingevoerd bij de wet van 18 oktober 2001, Stb. 467.
6. Delgen van een tekort ten laste van reserves (lid 4)
Lid 4 stemt overeen met de art. 2:104 en 2:215. De tekst is, hoewel door de ontwerper gericht op de wettelijke reserves bedoeld in art. 2:373 lid 1 onderdeel c en d jo. art. 2:365, 2:389 en 2:390, niet daartoe beperkt (Gepken-Jager, GS Rechtspersonen, art. 58, aant. 5, wijst in dit verband nog op voor verzekeringsmaatschappijen uit de Wft voortvloeiende vereisten). Zie voorts Quist, TOP 2018/226 en Krol & Van Vliet, in: Handboek notarieel ondernemingsrecht, Vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Serie VHI, dl. 132-2, Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 11.7.1.
7. Ontheffing (lid 5)
Wat voor de minister gewichtige redenen kunnen zijn om vrijstelling van de in lid 5 genoemde verplichtingen te geven, blijkt niet uit de wetsgeschiedenis. Zie over het beleid ter zake van de minister: De Jong/Nieuwe Weme, Serie VHI, deel 91, hoofdstuk II.
8. Overgangsbepalingen
De wet van 18 oktober 2001, Stb. 467, is van toepassing met ingang van het eerste boekjaar dat begint na 1 december 2001. De sinds 1 november 2015 opgenomen verkorte verlengingstermijn van vier maanden voor opmaken van de jaarrekening (lid 1), is van toepassing op boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2016; zie art. III lid 2 Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening (Stb. 2015, 349). Bij een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij die is opgericht op bijvoorbeeld 1 december 2015 geldt voor haar eerste boekjaar, ongeacht of dat boekjaar afloopt op 31 december 2015 dan wel in 2016, nog de (oude) verlengingstermijn van vijf maanden. De Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening biedt echter de mogelijkheid de nieuwe voorschriften ook al toe te passen op boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2016.