Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/8.3.1:8.3.1 Inleiding
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/8.3.1
8.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648845:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Section 17 Companies (Amendment) Act 1986, no. 25-1986.
Zie bijvoorbeeld het standpunt van Biener en Berneke ten aanzien van de invloed op de concurrentieverhoudingen wanneer de regeling in Duitsland zou worden ingevoerd; Biener & Berneke 1986, s. 449.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Jaarrekeningenrichtlijn,1 waarin de groepsvrijstellingsregeling is opgenomen in artikel 37, is van toepassing op een groot aantal Europese rechtspersonen.2 Toch hebben niet veel lidstaten de groepsvrijstellingsregeling van de Europese richtlijn geïmplementeerd. De lidstaten die de regeling niet hebben geïmplementeerd, bieden geen vrijstellingsregeling voor de jaarrekeningenplicht.
Er zijn maar vier lidstaten die een groepsvrijstellingsregeling in hun nationale wetgeving hebben opgenomen: Nederland, Luxemburg, Duitsland en Ierland.3 Er zijn verschillende redenen te noemen voor het feit dat niet alle lidstaten de richtlijnen hebben geïmplementeerd. Een aantal lidstaten kent juridische stelsels waarbinnen de (enkelvoudige) jaarrekening juridisch meerdere rollen vervult. Deze stelsels lenen zich niet voor een vrijstellingsregeling waarbij de enkelvoudige jaarrekening van een rechtspersoon komt te vervallen. Een andere reden is dat de rechtsstelsels van een aantal lidstaten de rechtsfiguur van de eenzijdige garantie niet kennen, zodat de implementatie van de Europese vrijstellingsregeling, waarbij een eenzijdige garantverklaring wordt vereist, op problemen stuit. Tot slot zijn er rechtsstelsels die voorschrijven dat vrijgestelde rechtspersonen gelijk behandeld dienen te worden. Wordt een rechtspersoon (tevens dochtermaatschappij) vrijgesteld en wordt in dat kader een garantstelling door de consoliderende rechtspersoon afgegeven, dan kunnen de andere dochtervennootschappen van de consoliderende rechtspersoon verlangen dat deze consoliderende rechtspersoon eveneens garant staat voor hun verplichtingen. Voorts kunnen er mededingingsrechtelijke aspecten kleven aan de toepassing van een groepsvrijstellingregeling waarbij de consoliderende rechtspersoon garant staat voor de verplichtingen van een vrijgestelde rechtspersoon. Rechtspersoon die onderdeel uitmaken van een groep en zijn vrijgesteld (en wier schuldeisers bescherming genieten van een garantstelling van een groepshoofd) zouden daardoor in een veel gunstigere positie komen te verkeren dan zelfstandige ondernemingen.4