Ontleend aan rov. 4.1 van het bestreden arrest.
HR, 03-05-2013, nr. 12/04158
ECLI:NL:HR:2013:BZ6530
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-05-2013
- Zaaknummer
12/04158
- Conclusie
mr. J. Spier
- LJN
BZ6530
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:BZ6530, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 03‑05‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ6530
ECLI:NL:PHR:2013:BZ6530, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑02‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ6530
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑05‑2013
Inhoudsindicatie
Art. 81 lid 1 RO. Opdracht. Onrechtmatige daad. Door advocaat ten onrechte gedeclareerde werkzaamheden?
3 mei 2013
Eerste Kamer
12/04158
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
LANAUT AUTOMATEN B.V.,
gevestigd te Kerkdriel,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. ADVOCATUUR 'S-HERTOGENBOSCH B.V., handelend onder de naam [A],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. B. Winters.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Lanaut en [verweerder] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 208178/HA ZA 10-569 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 april 2010 en 16 februari 2011;
b. het arrest in de zaak HD 200.089.072 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 mei 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Lanaut beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] c.s hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
De advocaat van Lanaut heeft bij brief van 8 maart 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Lanaut in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 6.118,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 3 mei 2013.
Conclusie 22‑02‑2013
mr. J. Spier
Partij(en)
12/04158
mr. J. Spier
Zitting 22 februari 2013 (bij vervroeging)
Conclusie inzake
Lanaut Automaten B.V.
(hierna: Lanaut)
tegen
[Verweerder 1]
en
Advocatuur 's-Hertogenbosch B.V., h.o.d.n. [A]
(hierna: [A] en tezamen met [verweerder 1]: [verweerders])
1. Feiten
1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.1.
1.2
Lanaut houdt zich bezig met de verhandeling en exploitatie van speel- en gokautomaten(hallen). Vanaf 1997 heeft Lanaut (met haar concernvennootschappen) een langdurige relatie opgebouwd met het advocatenkantoor [A]. Zij heeft [A] vanaf 1997 tot 2008 in een twintigtal dossiers verzocht om rechtshulp.
1.3
In 1999 heeft Lanaut aan [A] opdracht verstrekt voor het verlenen van rechtshulp in verband met de verkrijging van een speelautomatenvergunning in de gemeente Culemborg. De 'zaak-Culemborg' omvat meerdere procedures. [verweerder 1] heeft deze opdracht feitelijk uitgevoerd.
1.4
Op 8 december 2008 heeft Lanaut de onder 1.3 bedoelde overeenkomst met [A] opgezegd en is het 'dossier-Culemborg' overgedragen aan [betrokkene 1], verbonden aan (het kantoor van) [B].
2. Procesverloop
2.1
Lanaut heeft [verweerder 1] zomede [A] bij exploot van 23 februari 2010 gedagvaard voor de Rechtbank 's-Hertogenbosch. Lanaut heeft daarbij gevorderd - kort gezegd - dat [verweerders] (hoofdelijk) veroordeeld worden tot betaling van € 321.446,44 (zijnde € 219.967,87 aan hoofdsom, € 31.572,10 aan buitengerechtelijke kosten en € 69.906,47 aan wettelijke rente tot 1 december 2009), een en ander met nevenvorderingen (zie rov. 4.2.1 van het arrest a quo).
2.2
Lanaut heeft haar vordering gebaseerd op de stelling dat [verweerders] zich te buiten zijn gegaan aan het declareren van niet-verrichte, onnodige en/of ondoelmatige werkzaamheden. Deze vordering wordt gegrond op primair onrechtmatige daad, subsidiair onverschuldigde betaling, meer subsidiair ongerechtvaardigde verrijking en nog meer subsidiair wanprestatie (zie rov. 4.2.1).
2.3
De Rechtbank heeft de vordering in haar vonnis van 16 februari 2011 afgewezen.
2.4
Lanaut heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof 's-Hertogenbosch. Bij memorie van grieven heeft Lanaut haar eis gewijzigd in voege als vermeld in rov. 2.1 van het bestreden arrest.
2.5
Het Hof heeft bij arrest van 15 mei 2012 het bestreden vonnis bekrachtigd.
2.6
Lanaut heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [Verweerders] hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van art. 80a RO, althans tot verwerping van het cassatieberoep. Nadat beslist was dat deze zaak niet voor toepassing van art. 80a RO in aanmerking komt, hebben partijen hun standpunten schriftelijk toegelicht. Lanaut heeft vervolgens nog gerepliceerd.
3. Inleiding
3.1
Dit is een wat onverkwikkelijke zaak. In cassatie wordt niet bestreden 's Hofs oordeel dat Lanaut - kort en zakelijk samengevat - geen middel onbeproefd wilde laten om haar doel te bereiken. In beleefde bewoordingen tekent het Hof daarbij aan dat deze wens heeft geleid tot een reeks van besprekingen, zittingen en vergaderingen die objectief bezien wellicht niet nodig waren, maar die onvermijdelijk voortvloeiden uit de door Lanaut gewenste benadering (rov. 4.3.1).
3.2.1
In rov. 4.4.2 verwoordt het Hof de ten deze toepasselijke maatstaf. Deze komt er, voor zover thans van belang en toegepast op de onderhavige zaak, op neer dat een advocaat die wordt geconfronteerd met wensen als onder 3.1 weergegeven ernaar dient (in elk geval: mag) streven deze cliënt tevreden te stellen. In dat oordeel ligt besloten dat het honoreren van de specifieke wensen van Lanaut ertoe kon leiden dat tijd aan de zaak moest, of in elk geval mocht, worden besteed die andere cliënten in vergelijkbare omstandigheden niet nuttig of nodig zouden hebben geacht. Ook deze oordelen worden in cassatie niet bestreden.
3.2.2
Het Hof memoreert vervolgens nog dat [verweerder 1] de verrichte werkzaamheden placht te declareren overeenkomstig het besproken uurtarief, waarbij kort werd vermeld op welke werkzaamheden het in rekening gebrachte honorarium betrekking had. Aldus werd door [verweerders] aan Lanaut verantwoording afgelegd op een wijze die Lanaut mocht verwachten (rov. 4.4.2 tweede alinea, in samenhang met rov. 4.3.2 en 4.3.3). Ook deze oordelen worden in cassatie niet bestreden.
3.3
Ten slotte heeft het Hof er melding van gemaakt dat de klacht over excessief declareren door de Raad van Discipline ongegrond is verklaard en dat dit oordeel door het Hof van Discipline is bekrachtigd. Het Hof tekent daarbij aan dat deze gang van zaken geen ondersteuning oplevert voor het standpunt van Lanaut, waarmee het in hoffelijke bewoordingen tot uitdrukking brengt dat de stellingen van Lanaut zonder gedegen nadere toelichting ontoereikend zijn om haar vordering te kunnen dragen (rov. 4.7.4). Ook dat oordeel wordt niet bestreden.2.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
De onderdelen 1 en 2 richten zich hoofdzakelijk tegen rov. 4.7.1 en 4.7.2. Het Hof overweegt daarin onder het kopje 'Verwijt van niet-verrichte, wel gedeclareerde werkzaamheden' onder meer:
"4.7.1.
In de Notitie en de Reconstructie heeft Lanaut/mr. Van den Dungen 16 voorbeelden beschreven van volgens hen door [verweerder 1] ten onrechte gedeclareerde, want volgens Lanaut niet verrichte, werkzaamheden. In r.o. 4.4.3.2 is aangegeven hoe mr. Van den Dungen tot bepaalde aantallen niet verrichte uren is gekomen.
Zoals in r.o. 4.4.3.3 overwogen staat daarmee echter nog niet vast dat [verweerder 1] en [A] uren die zij niet voor Lanaut hebben gewerkt, wel aan haar hebben gedeclareerd. In de eerste plaats wijzen Lanaut/mr. Van den Dungen in de Reconstructie er zelf op dat de dossiers niet compleet waren en dat notities van (telefoon)gesprekken en soms processtukken ontbraken. De daarmee gemoeide tijd kan dus niet in de Reconstructie zijn meegenomen. In de tweede plaats heeft mr. Van den Dungen opnieuw een fictieve berekeningsmethode op de door hem in de dossiers aangetroffen stukken losgelaten. Hij heeft een categorisering opgesteld van volgens hem gebruikelijke tijdsbestedingen voor bepaalde verrichtingen en aan de hand daarvan gereconstrueerd hoeveel tijd [verweerder 1] had mogen besteden. Deze methode moge wellicht gebruikelijk zijn als een dossier aan een Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten ter begroting wordt aangeboden, maar het gaat hier niet om een dergelijke begroting, maar om een civiele vordering tot terugbetaling van betaalde declaraties.
Het hof acht de gehanteerde methode dan ook niet deugdelijk om aan te tonen dat [verweerder 1] en [A] uren hebben gedeclareerd voor niet verrichte werkzaamheden.
4.7.2.
Ook als de door Lanaut nader uitgewerkte voorbeelden 3 en 8 aan de hand van het daartegen door [verweerder 1] en [A] gevoerde verweer worden bekeken komt van die situaties niet vast te staan dat is gedeclareerd voor niet gewerkte uren.
[...]"
4.2
Onderdeel 1 klaagt dat hetgeen in rov. 4.7.1 is overwogen, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. Immers zou uit die rechtsoverweging en uit de daarop volgende rechtsoverwegingen 4.7.3 en 4.7.5 onmiskenbaar blijken dat het Hof de stellingen van Lanaut die gebaseerd zijn op de reconstructie van het (Culemborg-)dossier, te beperkt heeft opgevat en wel door aan te nemen dat die stellingen er slechts toe strekken te betogen dat [verweerders] niet-gewerkte uren in rekening hebben gebracht. Het onderdeel acht deze uitleg van de stellingen van Lanaut onbegrijpelijk, "nu uit die stellingen onmiskenbaar volgt dat uit de reconstructie moet worden geconcludeerd dat 60% van de werkzaamheden die gedeclareerd zijn, niet daadwerkelijk zijn verricht, althans dat 60% van de door [verweerder 1] geregistreerde uren geen rechtvaardiging voor een declaratie biedt." Met de stellingen van Lanaut zou overduidelijk bedoeld zijn om "tevens aan het oordeel van het hof te onderwerpen de vraag of en in hoeverre de gedeclareerde werkzaamheden in redelijkheid wel mochten worden doorberekend."
4.3
De klacht berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het Hof is rov. 4.7.1 t/m 4.7.5 - zoals het door het Hof gebruikte tussenkopje ook duidelijk maakt - ingegaan op het 'Verwijt van niet-verrichte, wel gedeclareerde werkzaamheden', om vervolgens in rov. 4.8.1 t/m 4.8.4 - zoals ook vermeld wordt in het daarboven opgenomen tussenkopje - in te gaan op het 'Verwijt van onnodige, nutteloze en ondoelmatige werkzaamheden'. Het Hof heeft het door het onderdeel bedoelde verwijt in laatstgenoemde rechtsoverwegingen (rov. 4.8.1 t/m 4.8.4) beoordeeld. Anders dan het onderdeel wil doen geloven, is het Hof derhalve niet voorbijgegaan aan het in het onderdeel genoemde verwijt. De cva van mr Winters wijst daar terecht op (sub 3).
4.4
Voor zover onderdeel 2 klachten behelst over 's Hofs oordeel in rov. 4.7 over niet nuttige werkzaamheden, mislukt het op de onder 4.3 vermelde grond.
4.5
Onderdeel 2a, voor zover niet reeds behandeld, acht 's Hofs oordeel in rov. 4.7.1 onbegrijpelijk "voorzover het de beslissing van het hof betreft dat de wijze waarop de Raden van Toezicht te werk gaan om te bepalen of en in hoeverre werkzaamheden door een advocaat al dan niet terecht aan de cliënt in rekening zijn gebracht, niet deugdelijk zou zijn om aan te tonen dat werkzaamheden in rekening zijn gebracht die niet doorberekend hadden mogen worden." Volgens het onderdeel is de methode die in begrotingsprocedures door de verschillende Raden van Toezicht wordt gehanteerd, juist bij uitstek geschikt om na te gaan of sprake is van werkzaamheden die wel zijn gedeclareerd maar niet zijn verricht. "Zij" geven immers antwoord op de vraag of en in hoeverre hetgeen door de advocaat aan de cliënt in rekening is gebracht ook daadwerkelijk doorberekend had mogen worden, aldus het onderdeel. Het oordeel van het Hof dat de genoemde methode niet deugdelijk is om aan te tonen dat [verweerders] uren hebben gedeclareerd voor niet-verrichte werkzaamheden, zou daarom zonder nadere motivering dan ook onvoldoende begrijpelijk zijn.
4.6
Lanaut heeft haar vordering onder meer gebaseerd op een door haar advocaat Van den Dungen opgestelde 'Notitie declaratiegedrag [verweerder 1]' en op een eveneens door Van den Dungen opgestelde 'Reconstructie dossier Culemborg vanaf 1 januari 2004' (zie rov. 4.4.3.2). In deze 'notitie' en deze 'reconstructie' heeft Lanaut/Van den Dungen 16 voorbeelden beschreven van volgens haar door [verweerder 1] ten onrechte gedeclareerde, want volgens Lanaut niet verrichte, werkzaamheden. Lanaut/Van den Dungen komt daarbij tot de conclusie dat een bepaald aantal uren gedeclareerd is dat [verweerders] niet voor Lanaut gewerkt hebben (zie rov. 4.7.1 en 4.4.3.2). Het Hof heeft geoordeeld dat daarmee echter nog niet in rechte vaststaat dat [verweerders] uren, die zij niet voor Lanaut gewerkt hebben, wel aan haar in rekening hebben gebracht. Het Hof overweegt in dat verband dat de door Lanaut/Van den Dungen gehanteerde berekeningsmethode niet deugdelijk is om aan te tonen dat [verweerders] uren hebben gedeclareerd voor niet-verrichte werkzaamheden (rov. 4.7.1). Het Hof motiveert dat in rov. 4.1.7 als volgt:
- 1.
Lanaut/Van den Dungen wijst er in de 'reconstructie' zelf op dat de dossiers niet compleet waren en dat notities van (telefoon)gesprekken en soms processtukken ontbraken. De uren die verband houden met de ontbrekende delen van het dossier kunnen dus niet in de 'reconstructie' zijn meegenomen;
- 2.
Van den Dungen heeft op de door hem in de dossiers aangetroffen stukken (opnieuw) een fictieve berekeningsmethode losgelaten. Hij heeft een categorisering opgesteld van volgens hem gebruikelijke tijdsbestedingen voor bepaalde verrichtingen en hij heeft vervolgens aan de hand daarvan gereconstrueerd hoeveel tijd [verweerder 1] had mogen besteden. Het Hof merkt bij dit tweede op dat de door Van den Dungen gebruikte berekeningsmethode wellicht gebruikelijk moge zijn als een dossier ter begroting wordt aangeboden aan een Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten, maar dat het hier niet gaat om een dergelijke begroting maar om een civiele vordering tot terugbetaling van betaalde declaraties.
4.7.1
Anders dan het onderdeel betoogt, heeft het Hof met zijn onder 4.6 samengevatte oordeel voldoende gemotiveerd waarom de door Lanaut/Van den Dungen gehanteerde methode, ook indien deze methode gebruikelijk mocht zijn als een dossier ter begroting wordt aangeboden aan een Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten, niet deugdelijk is om in het onderhavige geval aan te tonen dat [verweerders] uren gedeclareerd hebben voor werkzaamheden die niet verricht zijn. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
4.7.2
Daarom kan blijven rusten of een motiveringsklacht in casu de juiste insteek is.
4.8
Voor zover nodig valt nog het volgende te bedenken:
- a.
als men het oordeel van de Raad van Discipline, zoals bekrachtigd door het Hof van Discipline, als maatstaf zou willen nemen, keert zich dat tegen Lanaut; zie onder 3.3;
- b.
het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk aangenomen dat de door Van den Dungen gehanteerde berekeningsmethode is gebaseerd op een cliënt die zijn zaak op een objectief bezien - dat wil zeggen: naar de maatstaven va een cliënt die zich niet elke strohalm wil vastgrijpen - efficiënte wijze wil doen behandelen. Daarvan was, in 's Hofs in cassatie niet bestreden vaststelling, in casu evenwel geen sprake; zie hiervoor onder 3.1 met uitwerking onder 3.2.1. Lanaut wilde, om haar moverende redenen, alles uit de kast halen. Bij die stand van zaken is alleszins begrijpelijk waarom de door Van den Dungen gevolgde benadering in casu niet relevant, of in elk geval niet beslissend, is.
4.9
Onderdeel 2b, voor zover al niet behandeld, klaagt dat het Hof verzuimd heeft om aan te geven op welke wijze wél moet worden nagegaan of, en zo ja in hoeverre, in dit geval werkzaamheden in rekening zijn gebracht die niet verricht zijn en op welke wijze de kennelijk door het Hof voorgestane methode is toegepast. Het onderdeel vervolgt: "'s-Hofs overwegingen in 4.7.2 met betrekking tot voorbeelden 3 en 8 kunnen de beslissing van het hof in dat opzicht in ieder geval niet dragen, nu van de zijde van Lanaut een zestiental voorbeelden naar voren is gebracht terwijl de reconstructie de gehele affaire Culemborg betrof en het hof de overige 14 voorbeelden en de reconstructie in r.o. 4.7.3 afdoet onder verwijzing naar r.o. 4.7.1 welke beslissing van het hof ook niet in stand kan blijven."
4.10
Anders dan de klacht veronderstelt, was het Hof niet gehouden om toe te lichten op welke wijze Lanaut - kort gezegd - wél aan haar stelplicht had kunnen voldoen.
4.11.1
Daarmee resteert de klacht die het Hof verwijt een groot deel van de voorbeelden niet te hebben behandeld. Deze klacht faalt, reeds omdat het bestreden oordeel een obiter dictum is, zoals valt af te leiden uit de formulering "Ook als de door Lanaut nader uitgewerkte voorbeelden (...) worden bekeken".
4.11.2
Met het Hof meen ik intussen dat de motivering zoals gegeven in rov. 4.7.1 zijn oordeel kan dragen. Daarom was het niet nodig om in te gaan op de afzonderlijke voorbeelden.
4.12
Onderdeel 2c klaagt (opnieuw) dat het Hof de overige 14 voorbeelden en "de Reconstructie" - kennelijk: de hiervoor reeds genoemde 'Reconstructie dossier Culemborg vanaf 1 januari 2004' -inhoudelijk had moeten beoordelen. Het onderdeel wijst er in dat verband op dat het Hof in rov. 4.5.1 en 4.5.2 heeft geoordeeld dat Lanaut haar vordering voldoende heeft onderbouwd door overlegging van en verwijzing naar de producties, waartoe ook zouden behoren de 'Notities van de hand van mrs. Van den Dungen en Cotterel' en 'de Reconstructie door mr. Van den Dungen'. Door in zijn beslissing niet inhoudelijk in te gaan op het overgrote deel van de door Van den Dungen in zijn notitie aangevoerde voorbeelden, op hetgeen Cotterel in zijn second opinion heeft gesteld en op 'de reconstructie', zou het Hof essentiële stellingen van Lanaut onbehandeld hebben gelaten.
4.13
De verwijzing naar rov. 4.5.1 en 4.5.2 berust op een misverstand. In prima werd geoordeeld - kort gezegd - dat Lanaut haar stellingen zodanig lapidair had verwoord dat onduidelijk is waarop zij zich beroept. Het Hof komt in rov. 4.5.2 tot een voor Lanaut gunstiger oordeel: voldoende duidelijk is waarop de vordering is gestoeld. Maar daarmee is, anders dan Lanaut kennelijk meent, nog niet gezegd dat de stellingen ook voldoende zijn om de vordering te kunnen dragen. Om dat laatste gaat het thans evenwel.
4.14
Ten gronde ketst de klacht af op de onder 4.11 genoemde grond. Voor zover nodig valt daarbij nog te bedenken dat het Hof in rov. 4.7.3 geoordeeld heeft dat de andere 14 van de ten tonele gevoerde 16 voorbeelden in het geheel niet zijn uitgewerkt en dat deze voorbeelden op de in rov. 4.7.1 aangegeven gronden dan ook geen steun bieden aan de stellingen van Lanaut. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
4.15
Onderdeel 2d bevat een klacht die enkel voortbouwt op de eerdere klachten. Het onderdeel wordt meegezogen in de val van de eerdere klachten.
4.16.1
Onderdeel 3 betoogt dat Lanaut in haar memorie van grieven gemotiveerd gesteld heeft dat op [verweerders] een verzwaarde stelplicht rust en dat sprake is van een daarmee verband houdende informatieplicht van [verweerders] die tevens voortvloeit uit de op hen rustende zorgplicht.3. Volgens het onderdeel blijkt uit het bestreden arrest niet of, en zo ja op welke wijze, het Hof enig gewicht heeft toegekend aan die verzwaarde stelplicht en de bedoelde bijzondere zorgplicht. Het Hof overweegt weliswaar in rov. 4.4.3.3 dat de door partijen aangevoerde stellingen pas in rechte vaststaan als de rechter deze als vaststaande feiten heeft gekwalificeerd en in rov. 4.7.5 dat niet is komen vast te staan dat gedeclareerd is voor werkzaamheden die niet verricht zijn, maar voor de vraag of en in hoeverre de stellingen van Lanaut als vaststaand moeten worden aangenomen is - aldus nog steeds het onderdeel - tevens van belang of en in hoeverre de stellingen van de zijde van Lanaut door [verweerders] voldoende zijn betwist in het licht van de gepropageerde verzwaarde stel- en zorgplicht.
4.16.2
Buitendien zou het Hof onvoldoende betwiste feiten als vaststaand moeten aannemen.
4.17
De onder 4.16.2 vermelde stelling is op zich juist. Maar nu het middel niet aangeeft waarom het Hof daartegen zou hebben gezondigd, levert zij Lanaut niets op.
4.18
De klacht over de juridische maatstaf van de door [verweerders] te betrachten zorg mislukt omdat de door het Hof in rov. 4.4.2 uitgeschreven maatstaf niet wordt bestreden. Daarin wordt - terecht4. - rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden van het concrete geval. Toegespitst op declaraties zou een andere opvatting er onder meer toe leiden dat een advocaat die een (vermogende) cliënt, die in elk gesprek eerst uitvoerig over koetjes en kalfjes wil praten, bijstaat ofwel de deur zou moeten wijzen ofwel deze verbeuzelde tijd voor eigen rekening zou moeten nemen.
4.19
Onder het hoofdje "verzwaarde stelplicht" verhaalt Lanaut dat een advocaat dient te declareren op basis van "nodige, nuttige en doelmatige werkzaamheden" (mvg onder 3.4 - 3.6). De vraag wat nuttig en nodig was, is evenwel niet de in rov. 4.7.5 behandelde kwestie. Het Hof bespreekt daarin, zoals we al zagen, slechts of is gedeclareerd voor niet verrichte werkzaamheden. Reeds daarin loopt de klacht vast.
4.20
Alvorens ten overvloede op deze klachten ten gronde in te gaan, lijkt dienstig erop te wijzen dat volgens de eigen stellingen van Lanaut twee door haar geraadpleegde - en volgens haar door de wol geverfde - advocaten naar haar "claim" hebben gekeken. Te weten, naar zij stelt, een (oud) lid van de Raad van Toezicht, die ten tijde van het uitbrengen van de cassatiedagvaarding waarnemend deken was, zomede een (oud) deken, (oud) lid van de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten en lid van het Hof van Discipline (cassatiedagvaarding p. 4). Naar ik uit de eigen stellingen van Lanaut begrijp, zouden beide heren ruim € 44.000 hebben verspijkerd aan hun onderzoek (mvg p. 74). De stelling van Lanaut dat de haar ter beschikking staande gegevens ontoereikend waren, is tegen die achtergrond onvoldoende onderbouwd (want onaannemelijk). Ook hierop ketst de klacht in haar geheel af.
4.21.1
Meer ten overvloede: het Hof heeft geoordeeld dat [verweerder 1] declareerde op een wijze als hierboven weergegeven onder 3.2.2. Dat strookte, zo ligt in 's Hofs oordeel besloten, met hetgeen was afgesproken. Bij die stand van zaken behoeft nadere toelichting waarom Lanaut jaren later van [verweerders] zou kunnen vergen dat zij op dit punt veel verdergaand hadden moeten noteren welke werkzaamheden [verweerder 1] had verricht en waarvoor.
4.21.2
Ware dat al anders, dan heeft Lanaut niet aangegeven wat [verweerders] nader hadden moeten aandragen, naast de 49 dozen die de directeur van Lanaut al bij [verweerder 1] had opgehaald (zie rov. 4.3.4). De stellingen van Lanaut noopten het Hof daarom allerminst tot een expliciete reactie. Ook het onderdeel geeft niet aan wat [verweerders] nader hadden moeten doen, zodat het in zoverre niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. De voor het eerst bij repliek onder 3 in voetnoot 2 genoemde vindplaats is tardief zodat deze moet blijven rusten, nog daargelaten dat ook die stelling laboreert aan rechtens ontoelaatbare vaagheid.
4.22
Onderdeel 4 vertolkt enkel een voortbouwende klacht. Deze faalt eveneens.
4.23
Dit cassatieberoep leent zich bij uitstek voor afhandeling met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑02‑2013
Deze zaak noopt niet tot een excursie naar het terrein van de precieze bevoegdheid van Raad en Hof van Discipline in gevallen als de onderhavige.
Het onderdeel verwijst in dit verband naar de memorie van grieven van Lanaut, onder 3.4 t/m 3.14. De stellingen van Lanaut omtrent de zorgplicht van [verweerders] zouden nader zijn uitgewerkt in de memorie van grieven, onder 5.1 t/m 5.7.
HR 7 maart 2003, LJN AF1304, NJ 2003/302.