25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/19.4:19.4 De komende 25 jaar Awb
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/19.4
19.4 De komende 25 jaar Awb
Documentgegevens:
prof. mr. R. Schutgens, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. R. Schutgens
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Te verwachten valt, dat niet alleen de CRvB en de (fiscale) Hoge Raad, maar ook de Afdeling en het CBb de kómende ‘25 jaar Awb’ een serieuze rol zullen blijven spelen als schadevergoedingsrechter – ook in grote schadezaken.1 Deze auteur acht dat ook wenselijk. Gedurende de eerste 25 jaar Awb hebben alle bestuursrechters de nodige ervaring opgedaan als schadevergoedingsrechter – ook de Afdeling en het CBb. Vooralsnog zie ik geen aanwijzingen dat deze bestuursrechters het als schadevergoedingsrechter niet goed zouden hebben gedaan, eerder het tegendeel. Echter, de nieuwe bevoegdheidsregeling berust op de gedachte dat de bestuursrechter alleen voldoende gekwalificeerd zou zijn als schadevergoedingsrechter bij fiscale besluiten en ‘CRvB-besluiten’, omdat die relatief overzichtelijke tweepartijenrelaties scheppen. Inderdaad leveren de besluiten waarbij derdenbelangen zijn betrokken al snel complexere schadezaken op. De wetgever acht de burgerlijke rechter beter gekwalificeerd om in zulke complexe schadezaken te oordelen. Daarom wijst artikel 8:89 lid 2 Awb de burgerlijke rechter aan als algemeen bevoegde schaderechter voor zulke besluiten, zij het met de (schijnbaar) beperkte uitzondering voor kleine schadezaken.
Op zich is het juist dat hun meerpartijenkarakter de ‘artikel 8:89 lid 2-beslui-ten’ complex maakt. Echter, juist de specifieke problemen die worden veroorzaakt door de betrokkenheid van derdenbelangen, zijn bij uitstek dagelijkse kost voor de bestuursrechter. De burgerlijke rechter moge de meest ervaren schadevergoedingsrechter zijn, maar voor zover schadezaken complex zijn doordat daarbij derdenbelangen meespelen kan evengoed, zo niet beter worden betoogd dat op dat punt de bestuursrechter bij uitstek over de beste papieren beschikt. Het overheidsaansprakelijkheidsrecht kent de nodige moeilijke leerstukken die niet onomstreden zijn – men denke aan de leer van de formele rechtskracht, het als rechtmatig beschouwen van een primair besluit zolang dat niet door een tweede bob is herroepen, het experimenteren met verschillende causaliteitsleren en de soms moeilijk voorspelbare relativiteitstoetsing. Deze leerstukken zijn niet alleen moeilijk maar vaak ook wat moeizaam, en naar mijn indruk komt dat niet zelden doordat de burgerlijke rechter worstelt met complexiteit van de bestuursrechtelijke rechtsbeschermingsprocedure en het algemeenbelangkarakter van het publiekrecht. Voor de bestuursrechter is dit gesneden koek. Weliswaar beschikken wij nu over een gloednieuwe schadetitel, maar ik sluit dan ook niet uit dat over nog 25 jaar Awb (eindelijk) de conclusie zal zijn dat het oordeel over de aansprakelijkheid voor typisch bestuursrechtelijk handelen thuishoort bij de rechter die van dat handelen zelf het meeste verstand heeft: de bestuursrechter.