Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/6.5
6.5 Aansprakelijkheid van rechters
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS496159:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Evident onjuiste rechterlijke beslissingen bestaan. Corstens noemt het voorbeeld van de politierechter die zeven maanden gevangenisstraf oplegde en daarmee buiten zijn bevoegdheid trad volgens art. 369 Sv (een politierechter kan maximaal zes maanden gevangenisstraf opleggen), ‘Onrechtmatige strafrechtspraak’, in: Met hoofd en hart (Leijten-bundel), Zwolle 1991, p. 205. Zie HR 16 oktober 1987, NJ 1988, 841, m.nt. MS en C.
Zie o.m. C.J. van Zeben, ‘Onrechtmatige daad van de rechter’, in: Van Opstall-bundel 1972, p. 207-216; C.A.J.M. Kortmann, ‘De aansprakelijkheid van de staat voor schade voortvloeiende uit rechterlijke uitspraken’, in: Rechtspleging, Deventer: Kluwer 1974, p. 96-101; A. van Oevelen, De overheidsaansprakelijkheid voor het optreden van de rechterlijke macht, Antwerpen-Apeldoorn/Brussel 1987; A.W. Jongbloed (red.), Aansprakelijkheid voor optreden van de rechterlijke macht, Nederlandse Vereniging voor Procesrecht nr. 10, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 1999; V. van den Brink, ‘Aansprakelijkheid voor onrechtmatige rechtspraak’, NJB 2000, p. 789-795; V.V.R. van Bogaert, De rechter beoordeeld: over aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid in civiel- en staatsrechtelijk perspectief, Apeldoorn/ Antwerpen: Maklu uitgevers 2005.
P.A.M. Meijknegt, ‘Samenvattende rechtsvergelijkende schets’, in: Jongbloed 1999, p. 40. Zie ook de bijdragen van M. Freudenthal over Duitsland, p. 16-25, A.W. Jongbloed over Engeland, p. 25-32 en C.H. van Rhee over de Verenigde Staten, p. 32-38; eerder gepubliceerd in de Molengraaff-jubileumbundel onder de titel ‘Aansprakelijkheid van de overheid en van rechters voor fouten bij de civiele rechtspleging’, p. 239-271.
HR 3 december 1971, NJ 1972, 137, m.nt. GJS.
Van Bogaert (2005) merkt hierover op dat hoewel de procedure zich dus formeel gezien slechts tegen de Staat richt, deze zich materieel gezien nog steeds tegen de vermeend onrechtmatig handelende rechter richt, p. 128.
Van den Brink 2000, p. 790.
Kamerstukken II 1994/95, 24 220, nr. 3, p. 3.
Van Bogaert 2005, p. 329. Alleen lang geleden werd daar anders over gedacht: E.M. Meijers, ‘De onrechtmatige overheidsdaad’, WPNR 1925, nr. 2884, p. 242 en L.A. Donker, ‘De consequenties van het arrest van den H.R. van 20 november 1924’, WPNR 1926, nr. 2953, p. 391. Van Oevelen (1987, nr. 528, p. 570) benadrukt dat deze auteurs een beroep deden op de bijzondere aard van de rechtsprekende functie in de samenleving (voortvloeiend uit het stelsel van de trias politica) om de niet-aansprakelijkheid van de Staat voor schade als gevolg van rechterlijke uitspraken te verdedigen. Volgens hem is dat motief pas door Van Zeben (1972) en Kortmann (1974) in verband gebracht met de onafhankelijkheid van de rechter (curs. PvdE). In mijn ogen is dat ook een logisch verband, aangezien het ‘bijzondere’ aan de rechtsprekende functie nu juist is dat deze onafhankelijk van de andere staatsmachten wordt uitgeoefend. Zie ook het vonnis van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (11 maart 1957) in de zaak Mr. Bloemsma q.q./Staat der Nederlanden en rechter-commissaris X, welk standpunt echter door het Hof te ’s-Gravenhage is verworpen (22 mei 1958). De Hoge Raad heeft deze zaak via een andere weg afgedaan en zich in het geheel niet uitgelaten over het argument dat de rechterlijke onafhankelijkheid een aansprakelijkheid van de staat voor rechterlijk handelen in de weg zou staan (HR 17 april 1959, NJ 1961, 573). Vgl. Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen, 13 november 1951, NJ 1952, 322.
Van Bogaert 2005, p. 329-330, Van Oevelen 1987, p. 571 (nr. 528). Het Hof te ’s-Gravenhage (zie hierboven) zat al in 1958 op deze lijn: ‘dat de omstandigheid, dat de wetgever heeft gemeend de onafhankelijke rechter, die door de uitvoerende macht niet ter verantwoording kan worden geroepen, te moeten belasten met de uitoefening van de Staatstaak, bestaande in het houden van toezicht op het beheer en de vereffening van failliete boedels, den Staat niet kan ontheffen van zijn verantwoordelijkheid voor de richtige uitoefening van die taak noch van zijn aansprakelijkheid voor schade, geleden ten gevolge van verzuim in de nakoming van die verplichting; dat er voorts geen sprake van is dat de Staat zich niet kan verantwoorden; (...) dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht niet belet haar of haar leden te beschouwen als orga(a)n(en) van de Staat; dat de uitoefening van rechtspraak Staatstaak is en de rechterlijke macht bij vervulling van die taak Staatsorgaan bij uitstek is; dat niets er op wijst, dat de rechterlijke macht bij de uitoefening van andere haar door de wetgever opgedragen werkzaamheden niet Staatsorgaan is; dat hetzelfde geldt voor leden van de rechterlijke macht.’
J.W.H. Blomkwist, ‘Over onrechtmatige rechtspraak’, AA 1972, p. 281-282, Kortmann 1974, p. 96-97, Van Oevelen 1987, p. 571 (nr. 528). Van Bogaert noemt deze motivering inaccuraat (2005, p. 330).
Köbler t. Oostenrijk, HvJ EG 30 september 2003, zaak C-224/01, r.o. 42.
Kamerstukken II 1994/95, 24 220, nr. 4, p. 4.
Kamerstukken II 1994/95, 24 220, nr. 3, p. 5: ‘Algemeen wordt aangenomen dat (...) schade als gevolg van onrechtmatige rechtspraak in ieder geval geen persoonlijke aansprakelijkheid van rechters kan doen ontstaan. Deze regel wordt in het derde lid van artikel 42 gecodificeerd.’
Van Zeben 1972, p. 208. Tegen de financiële risico’s daarvan kan een rechter zich verzekeren.
Conclusie A-G Berger bij HR 3 december 1971, NJ 1972, 137. Ik betwijfel of Berger in dit citaat ook de persoonlijke aansprakelijkheid van de rechter voor ogen had. Het citaat lijkt mij, gezien de laatste regel en de context waarin het staat, vooral te zien op de staatsaansprakelijkheid. Overigens verwerpt Berger de aansprakelijkheid van de staat voor ambtshandelingen van rechters in beginsel wel op andere gronden (het risico voor beslissingen in civiele procedures heeft de wetgever bewust bij de justitiabelen gelegd).
Symposium d.d. 15 mei 1998 in verband met het 40-jarig bestaan van het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht, georganiseerd door de Nederlandse Vereniging voor Procesrecht en het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht, A.W. Jongbloed, ‘Verslag van de forumdiscussie’, in: Jongbloed 1999, p. 93-100.
Jongbloed 1999, p. 95.
P.A.M. Meijknegt, ‘Aansprakelijkheid van de overheid en van rechters voor fouten bij de civiele rechtspleging’, in: Jongbloed 1999, p. 47 (concluderende opmerking 6).
Jongbloed 1999, p. 95-96.
Van den Brink 2000, p. 792.
Van Bogaert 2005, p. 365.
Van Bogaert 2005, p. 425-426.
Van Bogaert 2005, p. 421-422.
J.F.M. Janssen, ‘De persoonlijke aansprakelijkheid van de rechter’, NJB 2008, p. 1212-1218.
Janssen 2008, p. 1217.
Janssen 2008, p. 1215.
Zie principle 16 van de VN Basic principles on the independence of the judiciary: ‘Without prejudice to any disciplinary procedure or to any right of appeal or to compensation from the State, in accordance with national law, judges should enjoy personal immunity from civil suits for monetary damages for improper acts or omissions in the exercise of their judicial functions’; principle 5.2 van het European Charter for Judges: ‘Compensation for harm wrongfully suffered as a result of the decision or the behaviour of a judge in the exercise of his or her duties is guaranteed by the State. The statute may provide that the State has the possibility of applying, within a fixed limit, for reimbursement from the judge by way of legal proceedings in the case of a gross and inexcusable breach of the rules governing the performance of judicial duties. The submission of the claim to the competent court must form the subject of prior agreement with the authority referred to at paragraph 1.3 hereof’; en CCJE (2002) Op. No. 3 on the principles and rules governing judges’ professional conduct, in particular ethics, incompatible behaviour and impartiality, § 76: ‘As regards civil liability, the CCJE considers that, bearing in mind the principle of independence: iii) it is not appropriate for a judge to be exposed, in respect of the purported exercise of judicial functions, to any personal liability, even by way of reimbursement of the state, except in a case of wilful default.’
In deze paragraaf behandel ik de vraag of de staat of een rechter persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld voor schade die het gevolg is van fouten die zijn gemaakt bij de uitoefening van de rechterlijke functie. Bij ‘rechterlijke fouten’ kan onder meer gedacht worden aan rechtsweigering in de zin van de artikelen 844-852 Rv, inhoudelijk foutieve rechtspraak,1 procedurefouten (bijvoorbeeld schending van het beginsel van hoor en wederhoor of het motiveringsbeginsel), trage rechtspraak (niet binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM) en misslagen bij de administratie.2 Over het antwoord op deze vragen – de vraag naar staatsaansprakelijkheid is een andere dan de vraag naar persoonlijke aansprakelijkheid van rechters – lijkt steeds meer overeenstemming te bestaan in de literatuur.3 Er is in diverse landen een trend waar te nemen van toenemende aanvaarding van aansprakelijkheid voor rechterlijk handelen.4 Een veelgehoord argument tegen het bestaan van aansprakelijkheid (van de staat) voor rechterlijk handelen in binnen- en buitenland, was dat de rechterlijke onafhankelijkheid daaraan in de weg zou staan. Daarnaast is onder meer gewezen op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen (litis finire oportet) en het gezag van gewijsde van een rechterlijk vonnis.
De Hoge Raad heeft in 1971 mogelijke aansprakelijkheid van de staat wegens fouten van rechters niet bij voorbaat van de hand gewezen, maar zeer beperkt aanvaard. De staat kan alleen aansprakelijk worden gesteld (wegens schending van artikel 6 EVRM) indien ‘bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, en tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan’.5 Op grond van de wet kan een rechter sinds 1997 niet meer persoonlijk aansprakelijk gesteld worden voor schade die hij heeft aangericht in de uitoefening van zijn functie. Artikel 42, eerste lid, Wrra bepaalt namelijk dat voor schade die een rechterlijke ambtenaar (in opleiding) bij de vervulling van zijn taak aan een derde toebrengt en waarvoor hij zelfs krachtens de wet aansprakelijk zou zijn, jegens die derde uitsluitend de Staat aansprakelijk is.6 Alleen indien de schade een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid is de rechterlijke ambtenaar op zijn beurt jegens de Staat aansprakelijk (art. 42 lid 2 Wrra). Voor schade die een gevolg is van een rechterlijke uitspraak is een rechterlijke ambtenaar in het geheel niet aansprakelijk, behalve als er sprake is van rechtsweigering (art. 42 lid 3 Wrra). Dat betekent dat de eerste twee leden van artikel 42 Wrra dus niet zien op onrechtmatige rechtspraak, maar hooguit op onrechtmatig rechterlijk handelen anders dan door het geven van een oordeel in een rechterlijke uitspraak.7 De memorie van toelichting stelt dat bijvoorbeeld gedacht kan worden aan schade ten gevolge van het zoek maken van stukken, ten gevolge van een verkeersongeval op weg naar een descente, of ten gevolge van het werpen van een smeulende peuk in een papiermand waardoor brand in het paleis van justitie ontstaat.8 Een en ander betekent dat het algemene aansprakelijkheidsrecht en de eerder aangehaalde jurisprudentie van toepassing blijven om te bepalen wanneer de staat aansprakelijk is voor onrechtmatige rechtspraak.
Tegenwoordig wordt algemeen aangenomen dat de rechterlijke onafhankelijkheid een eventuele staatsaansprakelijkheid voor onrechtmatig rechterlijk optreden niet uitsluit.9 Ik deel de redenering van Van Bogaert dat het feit dat de leden en colleges van de rechterlijke macht bij de uitoefening van hun taak onafhankelijk zijn ten opzichte van voornamelijk de uitvoerende macht, niets afdoet aan het uitgangspunt dat de staat (als rechtspersoon) aansprakelijk is voor onrechtmatige daden van zijn organen.10 Er worden verschillende argumenten gebruikt om te onderbouwen dat de rechterlijke onafhankelijkheid niet in de weg staat aan aansprakelijkheid van de staat voor onrechtmatige rechtspraak. Eén daarvan is dat de aansprakelijkheidsproblematiek voor rechtspraak niets van doen heeft met de rechterlijke onafhankelijkheid, omdat het de rechter zelf is die over de onrechtmatigheid van rechterlijke handelingen (van andere rechters) oordeelt op grond waarvan de staat aansprakelijk wordt gesteld.11 En in de uitoefening van die functie is, en blijft, die rechter functioneel en rechtspositioneel onafhankelijk ten opzichte van de overige staatsmachten. Een ander argument is dat het gaat om staatsaansprakelijkheid en de onafhankelijkheid van de rechter alleen daarom al niet in het geding is. Dat argument speelde een rol in de zaak Köbler. Daarin werd voor het Hof van Justitie van de EG tevergeefs aangevoerd dat de aansprakelijkheid van de staat voor rechterlijk optreden de rechterlijke onafhankelijkheid en rechterlijke autoriteit zou aantasten. Volgens het Hof was de rechterlijke onafhankelijkheid niet in het geding, omdat er geen sprake is van een persoonlijke aansprakelijkheid van de rechter, maar van een staatsaansprakelijkheid.12 De resterende vraag is of uit die overweging a-contrario mag worden afgeleid dat aanvaarding van persoonlijke aansprakelijkheid van de rechter (volgens het Hof) wel in strijd is met zijn rechterlijke onafhankelijkheid.
Zoals aangestipt, kan een rechter op grond van artikel 42, tweede lid, Wrra slechts persoonlijk aansprakelijk zijn jegens de staat voor schade als gevolg van een rechterlijke fout in het geval van opzet of bewuste roekeloosheid. De Nederlandse wetgever heeft gekozen voor uitsluiting van de persoonlijke aansprakelijkheid van rechters omdat het vertrouwen van de burger in de rechterlijke macht kan worden geschaad, indien een burger een procedure zou aanspannen tegen de rechter en een collega-rechter daarover oordeelt.13 Hij brengt die uitsluiting dus niet rechtstreeks in verband met de rechterlijke onafhankelijkheid. Persoonlijke aansprakelijkheid voor schade als gevolg van rechterlijke uitspraken is op grond van de wet helemaal uitgesloten (art. 42 lid 3 Wrra). In de wetsgeschiedenis wordt verder niet toegelicht waarom.14 Van Zeben stelde zich begin jaren 70 van de vorige eeuw op het standpunt dat de onafhankelijkheid en onafzetbaarheid van de rechter geen argumenten mogen zijn om de persoonlijke aansprakelijkheid van de rechter van de hand te wijzen. Hij meende steun te vinden voor die opvatting in de conclusie van advocaat-generaal Berger voor het arrest van de Hoge Raad uit 1971.15 Deze schreef:
‘De tijden zijn voorbij, dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de rechter voor misslagen bij de uitoefening van zijn functie reeds daarom zonder meer van de hand moet worden gewezen, omdat de onafhankelijke en onafzetbare rechter voor de uit de hoogheid van zijn publieke ambt in naam des Konings verrichte ambtshandelingen – naar de communis opinio – niet ter verantwoording kon worden geroepen en derhalve de Staat ook niet voor die handelingen aansprakelijk kan worden gesteld.’16
Ook tijdens een forumdiscussie in 1998 over aansprakelijkheid voor optreden van de rechterlijke macht kwam de vraag naar persoonlijke aansprakelijkheid van rechters aan de orde.17 Voor de regeling dat in beginsel de staat, en niet de rechter persoonlijk, aansprakelijk is, is volgens Meijknegt ook in het buitenland regelmatig gekozen, ‘omdat anders de rechterlijke onafhankelijkheid onder druk komt te staan en de aansprakelijkheid als een zwaard van Damocles boven de rechter hangt.’18 Hij kan in grote lijnen instemmen met de beperkte regresregeling van artikel 42, tweede lid, Wrra en ziet niet in waarom alleen rechters nooit persoonlijk aansprakelijk zouden zijn voor schade door onrechtmatig gedrag. In een concluderende opmerking stelt Meijknegt: ‘Als een extra garantie voor kwaliteit van de rechtspraak en om de politieke legitimatie van hun macht nog hechter te verankeren, moeten rechters niet onder alle omstandigheden worden gevrijwaard voor het zwaard dat zij zelf moeten hanteren. Maar ter wille van een onafhankelijke opstelling van rechters dient de gewone ‘kunstfout’ hier te worden uitgesloten en mag het alleen gaan om gevallen van opzet of bewuste roekeloosheid.’19 Het normale rechterlijk functioneren mag dus niet worden belemmerd. Ook Van Oevelen voert aan dat in geen van de door hem onderzochte rechtsstelsels de rechter op dezelfde wijze aansprakelijk wordt gesteld als een particulier of een arts, en dat dit alles te maken heeft met de rechterlijke onafhankelijkheid. Alleen bij gekwalificeerde fouten wordt een persoonlijke aansprakelijkheid van de rechter aangenomen. Hij vindt, net als Van Hees, dat bij persoonlijke aansprakelijkheid van de rechter de lat hoger moet liggen.20
Van den Brink vindt de vrijheid en onafhankelijkheid waarin de rechter zich over een zaak moet kunnen uitlaten het belangrijkste argument tegen persoonlijke aansprakelijkheid van de rechter voor schade als gevolg van fouten in zijn uitspraken.21 Van Bogaert beaamt dat de rechterlijke onafhankelijkheid zuiver rechtsstatelijk gezien elke vorm van verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid uitsluit.22 De rechterlijke onafhankelijkheid is volgens haar inmiddels evenwel niet langer problematisch voor een eventuele aansprakelijkheid van de rechter in persoon (noch van de staat); integendeel is een dergelijke aansprakelijkheid tot op zekere hoogte zelfs noodzakelijk geworden, vanwege de machtstoename van de rechterlijke macht, doordat de binding aan de wet is losgelaten.23 Volgens Van Bogaert is de rechterlijke onafhankelijkheid van de andere staatsmachten immers onlosmakelijk verbonden met de rechterijke afhankelijkheid van de algemene wet. Door het wegvallen van rechterlijke binding aan de wet en het tegelijkertijd vasthouden aan de rechterlijke onafhankelijkheid is volgens haar het systeem van checks and balances uit evenwicht geraakt en dient controle op de rechterlijke taakuitoefening buiten de rechterlijke macht plaats te vinden.24 Tot slot heeft Janssen een pleidooi gehouden voor acceptatie van de persoonlijke aansprakelijkheid van de rechter aan de hand van rechtsvergelijkend onderzoek.25 Daarbij noemt hij diverse voorbeelden die voortvloeien uit het Amerikaanse systeem van absolute immuniteit van rechters en concludeert (op basis daarvan) vervolgens wel erg snel dat de Nederlandse Wrra op het punt van aansprakelijkheid zou moeten worden aangepast. Volgens hem geldt in de literatuur als kernbezwaar tegen persoonlijke aansprakelijkheid dat zij onverenigbaar wordt geacht met de onafhankelijkheid van de rechter. Vervolgens weerlegt hij dat kernbezwaar nauwelijks met argumenten, maar stelt hij dat aansprakelijkheid de keerzijde van de rechterlijke onafhankelijkheid behoort te zijn, omdat het onaanvaardbaar is dat de rechterlijke macht als enige van de trias politica aan geen ander dan zichzelf verantwoording schuldig is. Daarbij haalt hij Spaanse literatuur en een dissenting opinion van Justice Douglas aan.26 Het doel van rechterlijke immuniteit is volgens het Amerikaanse Supreme Court niet de bescherming van de rechter, maar van het algemeen belang dat rechters in volle vrijheid, geheel onafhankelijk en zonder vrees voor de gevolgen, hun taak moeten kunnen uitoefenen. De last dat ontevreden procespartijen een procedure tegen de rechter zouden kunnen aanspannen zou een onbevangen oordeel onmogelijk maken en leiden tot intimidatie.27 Deze laatste zin maakt duidelijk dat men veeleer aantasting van de rechterlijke onpartijdigheid vreest dan van de rechterlijke onafhankelijkheid.
Anders dan bij de vraag naar de staatsaansprakelijkheid wordt de rechterlijke onafhankelijkheid tegenwoordig dus nog steeds genoemd als argument tegen persoonlijke aansprakelijkheid van de rechter voor door hem of haar gemaakte fouten. Helaas blijft het daar meestal ook wel bij. Waarom de rechterlijke onafhankelijkheid in het geding zou zijn (welk aspect daarvan) wordt niet nader toegelicht. In diverse internationale richtlijnen wordt een bepaalde mate van immuniteit van de rechter ook tot de rechterlijke onafhankelijkheid gerekend.28 Maar daarin is doorgaans sprake van een ruime omschrijving van rechterlijke onafhankelijkheid: niet alleen jegens de andere staatsmachten, maar ook ten opzichte van de samenleving als geheel – denk aan de media en de publieke opinie – andere machtige partijen, en partijen in de zaak. Mijns inziens is de rechterlijke onafhankelijkheid niet in het geding bij aanvaarding van persoonlijke aansprakelijkheid van de rechter jegens de justitiabele. Rechterlijke onafhankelijkheid in staatsrechtelijke zin ziet immers op de relatie van de rechter tot het bestuur en de wetgever, welke hier niet aan de orde is. Het vaststellen van aansprakelijkheid is geen vorm van toezicht door de andere staatsmachten (bijvoorbeeld omdat het rechterlijk oordeel niet bevalt). De justitiabele start een eventuele procedure en een andere rechter velt daarover een oordeel. Waar in de literatuur het argument van de rechterlijke onafhankelijkheid wordt opgeworpen als bezwaar tegen rechterlijke aansprakelijkheid, spreekt men tegelijkertijd vaak over de vrijheid en onbevangenheid waarmee een rechter moet kunnen oordelen. Het is mijns inziens zuiverder om dan te spreken van rechterlijke onpartijdigheid.