Vgl. bijv. het opsporingsbericht op de website van de politie: https://www.politie.nl/gezocht-envermist/dossiers/2014/05-gewapende-woningoverval-bij-menno-buch.html; bezocht op 29 januari 2018.
HR, 25-05-2018, nr. 17/05336
17/05336
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-05-2018
- Zaaknummer
17/05336
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑01‑2019
ECLI:NL:HR:2018:763, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑05‑2018; (Cassatie)
Beroepschrift 30‑01‑2019
Hoge Raad der Nederlanden
AANVULLENDE SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE EX ARTIKEL 437 WETBOEK VAN STRAFVORDERING
Inzake: [verzoeker]
Geeft eerbiedig te kennen:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats], hierna te noemen ‘verzoeker’, te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van de heer Th.O.M. Dieben (LL.B., LL.M.) aan het Amstelplein 40 te (1096 BC) Amsterdam, die tezamen met mevrouw mr. G.A. Jansen in deze zaak als zijn raadsman optreedt.
Verzoeker heeft de eer van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof Amsterdam (parketnummer 23/003557–15), uitgesproken op 9 mei 2017, in aanvulling op de eerder ingediende schriftuur d.d. 24 januari jl., het volgende middel van cassatie voor te dragen:
Middel III:
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen.
In het bijzonder zijn geschonden artikel 285 Sr alsmede artikel 350, 358, 359 en 415 Sv.
Immers is de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat verzoeker een medewerker van Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-Amstel vermeld onder nummer 2998329 heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd, althans getuigt het oordeel van het Hof in dit verband van een onjuiste rechtsopvatting.
De bewezenverklaring is daarmee niet naar de eis der wet met voldoende redenen omkleed als gevolg waarvan het bestreden arrest aan nietigheid lijdt.
Toelichting:
I. Inleiding:
3.1.
Aan verzoeker is als feit 2 ten laste gelegd — kort gezegd — dat hij na afloop van het geweldsincident (feit 1) de directrice van de ‘Bijlmerbajes’ heeft bedreigd.
3.2.
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouwe — onder meer — betoogd dat de door verzoeker geuite bewoordingen geen bedreiging in de zin van art. 285 Sr opleveren (zie p. 13 pleitaantekeningen). Het Hof heeft in het bestreden arrest dit verweer verworpen en daartoe als volgt overwogen:
‘Op basis van de te bezigen bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat verdachte op 3 maart 2014 de hierboven bewezenverklaarde bewoordingen heeft geuit. Voorafgaand aan deze uitlatingen is Menno Buch in zijn huis overvallen. Gelet hierop is het evident dat de verdachte met zijn bewoordingen niet refereerde aan een gebeurtenis die enige tijd eerder plaatsvond te weten de inbraak bij Buch een maand eerder, maar aan deze laatste gebeurtenis ‘met Menno Buch’. Nu bij de betreffende overval vuurwapens zijn gebruikt heeft de verdachte door het bezigen van de betreffende bewoordingen onmiskenbaar het slachtoffer willen bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht.’
3.3.
Het Hof heeft daarop bewezen verklaard dat:
‘hij op 03 maart 2014 te Amsterdam, een medewerker van Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-Amstel vermeld onder nummer 2998329 heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdacht opzettelijk voornoemde 2998329 dreigend de woorden toegevoegd: ‘U weet toch wat er met Menno Buch is gebeurd de afgelopen week in zijn huis? Past u ook maar op mevrouw!’ althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.’
3.4.
Blijkens de aanvulling van het verkorte arrest d.d. 2 november 2017 berust deze bewezenverklaring op de volgende twee bewijsmiddelen:
‘[de verklaring van directrice 2998329]
Op 3 maart 2014 bevond ik mij in de Penitentiaire Inrichting Over-Amstel te Amsterdam. Ik ben hier de directrice. Die dag heeft er een incident plaatsgevonden waarbij enkele gedetineerden bewaarders hebben aangevallen en mishandeld. Naar aanleiding van dit incident bezocht ik gedetineerde [verzoeker] in de isolatiecel waar hij op dat moment verbleef. Aan het eind van dit gesprek waarin ik hoor en wederhoor heb toegepast, heb ik [verzoeker] meegedeeld dat ik hem een disciplinaire straf zou opleggen. Terwijl ik hierna de cel verliet hoorde ik dat [verzoeker] met luide stem tegen mij schreeuwde: ‘U weet toch wat er met Menno Buch is gebeurd de afgelopen week in zijn huis? Past u ook maar op mevrouw,’ of woorden van gelijke strekking. De woorden die [verzoeker] tegen mij uitsprak kwamen zeer bedreigend op mij over. Ik weet namelijk dat Menno Buch in februari 2014 met gebruik van vuurwapens is overvallen in zijn woning. Het was mij duidelijk dat [verzoeker] hieraan refereerde op het moment dat hij de bedreiging uitte. Ik neem de bedreiging van [verzoeker] zeer serieus.
[de verklaring van getuige 2014056439-23]
Op 3 maart 2014 heeft er een incident plaatsgevonden waarbij gedetineerde betrokken waren. Ik heb onze directrice, met ons IBTteam, begeleid terwijl zij gesprekken hadden had met de gedetineerden die betrokken waren bij het incident. Ik was ook bij het gesprek dat zij had met [verzoeker]. Op het moment dat de directrice weg liep, hoorde ik dat [verzoeker] boos werd en begon te schreeuwen. Ik hoorde dat [verzoeker] tegen de directrice schreeuwde: ‘Kankerwijf, ik ken je nog van tv van Menno Buch. Wat Menno Buch is overkomen zal jou en jouw familie ook overkomen,’ of woorden van gelijke strekking.’
II. Geen (strafbare) bedreiging:
3.5.
Het is vaste rechtspraak van uw Raad dat sprake is van een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht indien de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij/zij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht (zie o.a. ECLI:NL:HR:2005:AT3659). De beantwoording van de vraag of sprake is van bedreiging, laat zich in belangrijke mate objectiveren en dient te worden beoordeeld aan de hand van de concreet vastgestelde aspecten van het voorliggende geval. Dat wil zeggen dat de omstandigheden waaronder de gebezigde bewoordingen zijn geuit het bedreigende karakter kunnen verlenen aan een uitlating die op zichzelf genomen te algemeen is om een bedreiging op te leveren. Dergelijke omstandigheden moeten dan wei uit de bewijsmiddelen blijken. (vgl. ECLI:NL:PHR:2017:334 met verwijzing naar relevante rechtspraak van uw Raad).
3.6.
Als het Hof in casu heeft geoordeeld dat de bewezenverklaarde uitlatingen van verzoeker op zichzelf van dien aard zijn dat zij bij directrice 2998329 een vrees voor haar leven konden doen ontstaan, is dat oordeel, gelet op de bewoordingen waarin die uitlatingen zijn gedaan, niet zonder meer begrijpelijk. De door verzoeker gebruikte woorden zijn op zichzelf bezien immers niet (zonder meer) bedreigend.
3.7.
Het lijkt er echter op dat het Hof (daarom) de uitlatingen van verzoeker niet op zichzelf heeft beschouwd, maar gelet op de context, meebrengen dat van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht sprake is. Ook in dat geval is — zoals hieronder nader wordt uiteengezet — het oordeel van het Hof echter onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
3.8.
Allereerst geldt dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verzoeker wist dat bij de overval op de woning van Menno Buch in februari 2014 vuurwapens zijn gebruikt. Bovendien is het enkele feit dat vuurwapens zijn gebruikt bij een overval onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het Hof heeft immers in het midden gelaten wat precies met deze vuurwapens is gedaan tijdens de overval.
3.9.
Indien het Hof heeft geoordeeld dat het een feit van algemene bekendheid is dat Menno Buch is overvallen in zijn woning en dat daarbij vuurwapens zijn gebruikt, alsmede dat een en ander (dus) bij verzoeker bekend was, geldt het volgende.
3.10.
Verzoeker betwist dat de overval op Menno Buch op 27 februari 2014 en de exacte details daarvan — in het bijzonder dat door de overvallers vuurwapens zijn gebruikt — als een feit van algemene bekendheid hebben te gelden. Het enkele feit dat een zoekslag op internet in dit verband resultaten (‘hits’) oplevert is daarvoor niet voldoende. In de onderhavige zaak geldt bovendien dat verzoeker gedetineerd zat en dus geen toegang had tot het internet.
3.11.
Maar zelfs indien uw Raad hier anders over zou oordelen, geldt dat uit openbare bronnen (op internet) duidelijk blijkt dat de bij de overval gebruikte vuurwapens niet zijn afgevuurd, laat staan dat als gevolg hiervan iemand om het leven is gekomen.1. Met andere worden: indien de overval op Menno Buch een feit van algemene bekendheid is, is het ook een feit van algemene bekendheid dat de overvallens hun vuurwapens uitsluitend hebben gebruikt ter bedreiging.2.
3.12.
Uit het voorgaande volgt dat verzoeker directrice 2998329 (op z'n hoogst) heeft bedreigd met een overval waarbij, ter vergemakkelijking van die overval, gedreigd is met het gebruik van vuurwapens. Anders gezegd verzoeker heeft haar bedreigd met ofwel diefstal met geweldpleging ofwel afpersing. Geen van deze misdrijven is echter opgenomen in Titel XIX van het Wetboek van Strafrecht (‘Misdrijven tegen het leven gericht’).3. Ook anderszins komen deze misdrijven niet voor in de limitatieve opsomming in art. 285 Sr. Iemand bedreigen met voormelde misdrijven is dus niet strafbaar.
3.13.
Indien de overweging van het Hof dat ‘bij de betreffende overval vuurwapens zijn gebruikt’ aldus moet worden verstaan dat de overvallers hun vuurwapens weliswaar uitsluitend hebben gebruikt ter bedreiging maar dat in casu desalniettemin sprake is van bedreiging met ‘enig misdrijf tegen het leven gericht’ heeft het Hof het voorgaande dan ook miskend en getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof het voorgaande niet heeft miskend, heeft het met voormelde overweging kennelijk geoordeeld dat de overvallers de vuurwapens daadwerkelijk hebben afgevuurd (met alle gevolgen van dien). Alleen dan kan immers sprake zijn van bedreiging met ‘enig misdrijf tegen het leven gericht’ en kon bij directrice 2998329 de redelijke vrees ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. In dat geval is het oordeel van het Hof echter onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. Zoals hiervoor uiteengezet geldt immers dat als de overval op Menno Buch al een feit van algemene bekendheid is, het ook een feit van algemene bekendheid is dat de vuurwapens bij die overval niet zijn afgevuurd. In ieder geval blijkt uit de bewijsmiddelen ook niet dat de vuurwapens daadwerkelijk zijn afgevuurd.
3.14.
Het bestreden arrest kan dan ook geen standhouden.
Toelichting belang ex art. 80a RO:
Middel III:
Verzoeker's belang bij dit middel is evident. Volledigheidshalve wordt in dit verband nog opgemerkt dat het Hof in zijn overwegingen omtrent de op te leggen straf expliciet heeft verwezen naar de veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Ook een verbeterde bewezenverklaring kan niet aan de orde zijn nu de uitlatingen van verzoeker ook geen bedreiging met zware mishandeling opleveren.
Deze aanvullende schriftuur wordt ondertekend en ingediend door de heer Th.O.M. Dieben (LL.B., LL.M.) en mr. G.A. Jansen, advocaten te Amsterdam die verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker tot cassatie.
Amsterdam, 30 januari 2018
Th.O M. Dieben
G.A. Jansen
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 30‑01‑2019
Ibid. (‘Drie mannen stormen de trap op en bedreigen het stel met een breekijzer, een vuurwapen en een priem. Ze willen de kluis, en als ze doorkrijgen dat die er niet is, vragen ze om ‘de klokkies’. Uiteindelijk gaan ze er met een kist vol horloges vandoor.’) en een bericht op de website nu.nl: https://www.nu.nl/achterklap/3713328/menno-buch-in-eigen-huis-overvallen.html (‘Toen Buch duidelijk maakte dat hij geen kluis heeft, vroegen de mannen om de horlogecollectie. ‘Ik werd bedreigd met een pistool op mijn hoofd en een priem in mijn nek. Ze riepen toen: Waar zijn de klokkies, anders gaan we je prikken!’ De presentator heeft vervolgens zijn horlogecollectie afgestaan.’) (onze onderlijning, TD & GJ)
Uitspraak 25‑05‑2018
Inhoudsindicatie
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Partij(en)
25 mei 2018
nr. 17/05336
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 3 oktober 2017, nr. 16/00175, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van het Hof betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2005 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld door de griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft belanghebbende de gevraagde verklaring omtrent afwezigheid van vermogen volledig ingevuld en ondertekend aan de Hoge Raad geretourneerd. Tevens heeft hij daarbij gevoegd een afschrift van een brief van de Belastingdienst van 11 december 2017 met betrekking tot zijn over 2016 geregistreerde inkomen, alsmede een eigen verklaring dat zijn partner in 2016 en 2017 geen inkomsten had.
Naar aanleiding van de door belanghebbende verstrekte gegevens is het beroep op betalingsonmacht bij brief van 8 januari 2018 afgewezen, omdat niet is voldaan aan de daarvoor geldende criteria. Tevens is in die brief meegedeeld dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk kan worden verklaard.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 7 februari 2018, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 8 maart 2018, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruikgemaakt.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2018.